direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Haaijehoeke 49 te Broeksterwâld
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1891.BpBwHaaijehoeke49-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Haaijehoeke 49 te Broeksterwâld is een tegelzetbedrijf met bijbehorende bedrijfswoning aanwezig. De bedrijfswoning is verouderd en eigenaren zijn voornemens een nieuwe woning te realiseren. Tevens willen de eigenaren een nieuwe opslagloods bouwen. De bestaande bebouwing zal worden gesloopt. De beoogde bouwplannen passen niet binnen het van toepassing zijnde bestemmingsplan 'Broeksterwâld'. Daarom wordt voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het noordoostelijke deel van het dorp Broeksterwâld en grenst aan zowel het dorp als het landelijk gebied. Het betreft de kadastrale percelen 324 sectie O, 1101, en 2861 sectie M gemeentecode AKW00.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpBwHaaijehoeke49-VA01_0001.png"

Figuur 1. Weergave plangebied.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan 'Broekterwâld', dat is vastgesteld op 25 september 2012. Het plangebied is hierbinnen bestemd als 'Bedrijf', tevens is een bouwvlak opgenomen waarbinnen bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 8 m en een maximum goothoogte van 4 m. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak gebouwd moeten worden. De nieuwe woning en loods zijn op een locatie beoogd waar nu nog geen bouwvlak is opgenomen.

1.4 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan gegeven. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het bestemmingsplan genoemd. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de werking van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen regeling. Het laatste hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit de bedrijfspercelen aan de Haaijehoeke 49. De percelen kunnen zowel ontsloten worden via de Haaijehoeke als de Patrimoniumwei. Perceel 324 is een onbebouwd perceel dat gelegen is tussen twee agrarische percelen. Het perceel is een langgerekt perceel dat zowel aansluiting vindt op de Haaijehoeke als de Patrimoniumwei. De percelen 1101 en 2861 zijn in de huidige situatie in gebruik ten behoeve van het gevestigde tegelbedrijf.

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden de bestaande bouwwerken gesloopt. Op het perceel 324 wordt een nieuwe woning gebouwd. Op perceel 1101 wordt een nieuwe loods gebouwd. Beide bouwwerken krijgen vorm, passend binnen de omgeving en het bebouwingsbeeld. Dit betreft voor de woning een omvang van één bouwlaag en een kap.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. In deze structuurvisie staan alle plannen voor ruimte en mobiliteit voor de komende decennia. Met de structuurvisie wordt een vereenvoudiging van de bestaande regelgeving nagestreefd, waarin meer verantwoordelijkheid bij de lagere overheden komt te liggen.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk wil inzetten op topsectoren zoals logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw, waar de kracht van Nederland ligt ten opzichte van internationale concurrenten. De bereikbaarheid en mobiliteit van personen en goederen is daarbij van groot belang. Ontwikkelingen in leefbaarheid en veiligheid hangen sterk samen met bevolkingsgroei- en krimp. De veranderende behoeften op het gebied van wonen en werken leggen daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit gaat voor kwantiteit.

Het Rijk formuleert de drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Rijk benoemt de rijksdoelstellingen gericht op een goed werkende woningmarkt in Nederland: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Bij het voorzien in de woningbehoefte is van belang dat het aanbod ook in kwalitatieve zin aansluit op de vraag.

Het onderhavige plan houd rekening met deze aspecten zoals hierna ook verder wordt gemotiveerd.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13 met betrekking tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 3.1.6. lid 2 Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder moet voldoen. Per 1 juli 2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing.

De tekst uit het Bro luidt als volgt: ''De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied'.

De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Voor een stedelijke ontwikkeling is geen harde ondergrens. Vanuit jurisprudentie is een ontwikkeling van minder dan 12 woningen aan te merken als geen stedelijke ontwikkeling. Voor gebouwen of terreinen ligt deze ondergrens volgens jurisprudentie op 500 m2.

Met het planvoornemen wordt een nieuwe woning en een nieuwe bedrijfsloods gerealiseerd. In de huidige planologische situatie is voor de percelen een bedrijfsbestemming met bouwvlak van toepassing. Het bouwvlak biedt de mogelijkheid voor het bouwen van circa 350 m2 aan bedrijfsbebouwing.

In de nieuwe situatie worden de woon- en bedrijfsactiviteiten van elkaar losgekoppeld. Het toevoegen van één woning wordt in de jurisprudentie niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De nieuwe bedrijfsloods krijgt een oppervlakte van maximaal 375 m2. Ook hier ligt de oppervlakte van bebouwing onder de ondergrens voor een nieuw stedelijke ontwikkeling.

Het planvoornemen ziet toe op de ontwikkeling van slechts één woning. Daarnaast neemt het juridisch planologisch ruimtebeslag voor de bedrijvigheid niet meer toe dan 500 m2. Met het planvoornemen is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nadere motivatie van de ladder is dan ook niet noodzakelijk.

Behoefte

Hoewel de ladder niet van toepassing is, is om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen aan te tonen een beschrijving van de behoefte noodzakelijk.

Voorliggende planvoornemen voorziet in de bouw van een nieuwe woning en een bedrijfsloods. De eigenaren wonen reeds op het perceel en oefenen hun bedrijvigheid nu uit in een verouderde woning (die niet meer voldoet aan de eisen en wensen van deze tijd). Het opknappen en verbouwen is financieel niet haalbaar, nieuwbouw heeft hierin de voorkeur. Het planvoornemen voorziet dan ook in een concrete behoefte.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan 2007

In het Streekplan Fryslân 2007 (vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2006) wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de provincie aangegeven. Centraal staan de relaties tussen stad en platteland, waarbij sprake is van een wisselwerking tussen beide gebieden. De provincie zet in op een concentratie van verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen) in de stedelijke gebieden, zonder dat dit ten koste gaat van de vitaliteit van het omringende platteland. Met dit plan wordt wonen geconcentreerd, er is sprake van inbreiding / herstructurering. Het plan past binnen het provinciaal beleid.

3.2.2 Verordening Romte Fryslân

De Verordening Romte Fryslân 2014 is opgesteld om er voor te zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie.

De regels in de verordening zijn een verdere uitwerking van het Streekplan Fryslân 2007 en bevatten de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De Verordening Romte is op 25 juni 2014 vastgesteld door Provinciale Staten.

Op 18 februari 2015 is de 1e partiële herziening van de verordening (Romte foar Sinne), met hierin het ruimtelijk beleid voor opstellingen voor zonne-energie, vastgesteld. Begin februari 2018 is de verordening voor het laatst op een aantal punten gewijzigd.

Per 1 augustus 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 (hierna: de verordening) in werking getreden. In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

In de verordening is het bestaand stedelijk gebied aangeduid. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen de grenzen hiervan. Een plan kan hier stedelijke functies, waaronder wonen, mogelijk maken.

Op grond van de verordening kunnen nieuwe bestemmingsplannen mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft (artikel 3.1.1. lid 1 van de verordening).

Uit de provinciale brief d.d. 10 oktober 2016 (kenmerk 01299202) blijkt dat het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân nog niet heeft ingestemd met het woonplan (dat bestaat uit de ‘Beleidsvisie Wonen 2016-2020 DDFK d.d. 4 juli 2016’ en het ‘Woonprogramma 2015 - 2020 DDFK gemeenten d.d. 24 mei 2016’).

De verordening biedt in artikel 3.1.2 echter een algemene afwijkbepaling voor een woningbouwproject dat niet past in een woonplan. Uit de toelichting van dit artikel volgt, dat deze afwijkbepaling ook van toepassing is indien een (actueel) woonplan ontbreekt, zoals hier vanwege het ontbreken van provinciale instemming het geval.

Uitgangspunt bij deze algemene afwijkbepaling is dat geen inbreuk wordt gemaakt op de regionale woningbouwprogramma’s en op de kernenstructuur, dat wil zeggen dat aantallen en kwaliteit van de woningbouw dienen aan te sluiten bij de aard en schaal van de kern. Dit laatste betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte en taakstelling van een stedelijk centrum kan opvangen.

Hierover wordt opgemerkt dat met dit bestemmingsplan sprake is van vervangende nieuwbouw binnen het bestaand stedelijk gebied van Broeksterwâld.

Dit betekent een kwaliteitsslag, zoals door de provincie Fryslân ook wordt voorgestaan in de bovengenoemde provinciale brief. In deze brief geeft de provincie Fryslân aan dat zij het gemeentelijk doel een toekomstbestendig gedifferentieerde woningvoorraad te ontwikkelen ondersteund, waarbij de focus van het beleid zich zal richten op de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en prioriteit gegeven zal worden aan transformatie en herstructurering. Met deze gemeentelijke beleidsvisie, die is opgenomen in de ‘Beleidsvisie Wonen 2016-2020 DDFK d.d. 4 juli 2016’, heeft de provincie Fryslân van harte ingestemd.

Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.

3.2.3 Structuurvisie Grutsk op 'e romte

In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.

Volgens de kaart behorende bij de structuurvisie ligt het plangebied in de Noordelijke Wouden. Voor het gebied zijn een aantal kernkwaliteiten c.q. provinciale belangen bepaald. De overgang van dichte, gerichte verkavelingstructuren van elzensingels en houtwallen op de zandgronden naar het open veenweidegebied zijn van belang. Ook de kleinschalige ontginningen die gekoppeld zijn aan eenvoudige woningbouwvormen spelen hier een belangrijke rol. De provincie adviseert:

  • Versterken en ontwikkelingen van de structuur van wegen en sloten;
  • Het respecteren van de landschappelijk/stedenbouwkundige bebouwingstructuren;
  • Behouden en versterken van de geleidelijke overgang (dunner wordende singels) tussen twee contrasterende gebieden ter hoogte van de 0-NAP-lijn: de zeer besloten gebieden op de hogere zandruggen en de lager gelegen open veenweidegebieden;
  • Rekening houden met de kwetsbare overgang en mogelijke ontwikkelingen situeren buiten de kwetsbare overgang van de hogere zandruggen en de lager gelegen open veenweidegebieden;
  • Zoveel mogelijk open houden van de beneden de 0-NAP-lijn gelegen gebieden en dus zeer selectief omgaan met opgaande beplanting (ook langs wegen);
  • Rekening houden met de kwetsbare overgang en mogelijke ontwikkelingen situeren buiten deze kwetsbare overgang;
  • Stimuleren van hedendaagse bestemmingen van de kleinschalige keuterboerderijen met bijbehorende erfindeling in deze specifieke landschappelijke omgeving, waarbij een duurzaam gebruik hand in hand gaat met behoud van de kleinschalige vorm;
  • Respecteren van de kleinschaligheid, de eenvoud en de soberheid door nieuwe ontwikkelingen te laten meedoen in de maat en schaal van deze gebieden en bebouwingen;
  • Uitbreiding van de huidige kleine woningen kan plaatsvinden mits de oorspronkelijke massa gerespecteerd wordt en de toegevoegde massa in verhouding staat tot de schaal van de oorspronkelijke;
  • De ligging van deze bebouwing is qua structuur volgens een bepaald stramien en ritmiek opgebouwd. Bij nieuwbouw dient de structuur (stramien en ritmiek) tezamen met de infrastructuur en de erfindeling met bijbehorend groen gerespecteerd te worden;

De aanwezige verkavelingsstructuur wordt met het planvoornemen niet aangetast. De houtsingel aan de westzijde van het woonperceel wordt door middel van de bestemming 'Groen - Houtsingel' in stand gehouden.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Landschapsbeleid Dantumadiel 2003

In de gemeente is een aantal ontwikkelingen gaande waarvoor een landschappelijke context belangrijk is. Hiertoe is in 2003 een nieuw landschapsbeleidsplan opgesteld. Dit plan schept een kader voor een scala van maatregelen dat betrekking heeft op landschap en natuur in Dantumadiel. Het landschapsbeleidsplan verwoordt een visie waarbij zowel het behouden en versterken van het kenmerkende landschap als de diverse ontwikkelingsmogelijkheden een belangrijke rol spelen.

Per landschapstype zijn in het plan één of meer strategieën uitgezet. Broeksterwâld valt binnen het gebied “De Wouden”. Het behoud en versterken van het besloten landschap van noord-zuid gerichte elzensingels is hier een belangrijk streven. Tegelijkertijd is in De Wouden een groot aantal ontwikkelingen aan de orde. In het onderhavige plan worden de bestaande elzensingels gerespecteerd.

Binnen het gebied De Wouden is voor Broeksterwâld en omgeving uitvoerig ingegaan op de te behouden en te versterken waarden. De geheel eigen structuur en cultuur van Broeksterwâld is een erg bijzonder gegeven. De onregelmatige bebouwingstructuur, het juist ontbreken van een hoofdrichting, afwijkende percelering, rommelige kapjes zijn typische identiteitsdragers van Broeksterwâld die in dit plan niet worden aangetast.

Van groot belang voor het behoud van het karakter van elke plek, is volgens het landschapsbeleidsplan de vormgeving van de wegen. Omdat in Broeksterwâld niet een eenduidige vormgeving te zien is, is het behoud van deze willekeurige wijze van vormgeving gewenst. De wegenstructuur in het dit plan wordt niet gewijzigd.

3.3.2 Toekomstvisise Dantumadiel 2018

Op 16 december 2008 is door de gemeenteraad de visie 'Dantumadiel 2018, Dantumadiel Gewoan Bysûnder' vastgesteld. Hierin heeft de gemeente, op hoofdlijnen, haar visie op de ontwikkeling van de gemeente in de periode tot 2018 uiteengezet.

De gemeente Dantumadiel is vooral een woongemeente. Er zijn elf dorpen in de gemeente, waarvan drie met een zogenoemde centrumfunctie: Damwâld, Feanwâlden en De Westereen. Dit betekent dat er in deze dorpen verschillende voorzieningen aanwezig zijn. De gemeente streeft naar "Noflik Wenjen in de groene Wâlden". Op basis van de visie zet de gemeente zich in voor de ontwikkeling van de gemeente als woongemeente. Daar hoort ook bij dat er zorg gedragen wordt voor voldoende voorzieningen.

In Dantumadiel wordt gestreefd naar een mix van woningtypen, zoveel mogelijk toegesneden op aard en omvang van de verschillende doelgroepen. De gemeente voert de regie en bevordert de samenwerking met o.a. woningcorporaties en zorginstellingen. Wonen is voor ieder betaalbaar en de vrije keus voor een woning wordt behouden. Bij onder andere het herinrichten van de woonomgeving betrekt en beoordeeld de gemeente thema's als milieu, veiligheid, inbraakpreventie en onderlinge samenhang. Duurzaam bouwen betekent ook generatiebestendig bouwen.

Met voorliggend planvoornemen wordt de bestaande verouderde woning gesloopt en vervangen door een nieuwe energiezuinige woning. De plannen voor de nieuwbouw passen daarmee binnen de toekomstvisie van de gemeente.

3.3.3 Beleidsvisie Wonen 2016 - 2020 DDFK-gemeenten

De beleidsvisie Wonen is op 4 juli 2016 vastgesteld. Het doel van het gezamenlijke woonbeleid van de gemeenten Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland c.a. is om een toekomstbestendige gedifferentieerde woningvoorraad te ontwikkelen die is afgestemd op de woonwensen van de inwoners. Een prettige, aantrekkelijke en leefbare woonomgeving maakt daar deel van uit. Niet het realiseren van een woning maar het realiseren van een goed woon- en leefklimaat staat centraal. De woningvoorraad verversen door te verbouwen, te vervangen en te verdunnen en door nog nauwelijks toe te voegen, is de hoofdlijn van het beleid. Hiermee wordt geanticipeerd op de meest fundamentele demografische ontwikkeling binnen de genoemde gemeenten: de krimp van het inwoneraantal in Noordoost en na 2020 ook afname van de huishoudens.

3.3.4 Woonprogramma 2016-2020 DDFK-gemeenten

Het woonprogramma 2015 – 2020 is op 24 mei 2016 vastgesteld. In dit woonprogramma is aangegeven hoeveel woningen na inbreiding en uitbreiding per kern, gefaseerd over de periode tot en met 2020 en na 2020 gerealiseerd worden in de gemeenten Dantamadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland. Het woningbouwprogramma geeft een overzicht van de voorgenomen herstructureringsplannen en woningbouwplannen, inclusief de fasering daarvan, met een duiding van de locaties als binnenstedelijk of buitenstedelijk. Het planvoornemen is niet opgenomen in het woonprogramma. Het gaat hier om vervangende nieuwbouw waardoor geen sprake is van een toevoeging van een woning aan de woningvoorraad.

3.3.5 Welstandsnota Dantumadiel

Op 4 juli 2016 is de nieuwe Welstandsnota van de gemeente Dantumadiel vastgesteld. Met dit welstandsbeleid wordt ingespeeld op de deregulering en een grotere vrijheid voor de burger. Het gemeentelijk grondgebied is welstandsvrij met uitzondering van:

  • monumenten;
  • bestemmingen, anders dan 'wonen' en gelegen in het buitengebied;
  • bestemmingen, anders dan 'wonen' en 'centrumdoeleinden', niet gelegen in het buitengebied en gelegen op prominenten en/of zichtlocaties;
  • locaties/gebieden die bouwhistorisch waardevol zijn.

Het welstandsbeleid bestaat daarmee uit gebiedscriteria, objectgerichte, en algemene criteria. Aan deze criteria worden bouwplannen getoetst in het kader van de welstandsbeoordeling.

Het woonperceel is gelegen in het welstandsgebied 'buitengebied (met uitzondering van wonen). Voor wonen geldt in beginsel geen welstandstoets tenzij het adres is aangemerkt als karakteristiek. Dat is voor het betreffende perceel niet van toepassing.

Het nog te ontwikkelen bouwplan zal ter zijner tijd worden getoetst aan de welstandsnota.

3.4 Conclusie

Het planvoornemen is passend binnen het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer duidelijkheid over de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering moet bestaan. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is daarom onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de volksgezondheid dat het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel moet worden voorkomen.

Onderzoek

Het zogeheten Bodemloket van Rijkswaterstaat biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd, en over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. De Provinsje Fryslân heeft daarnaast haar eigen website met bodeminformatie, de Bodematlas Fryslân. Voor dit bestemmingsplan is zowel het actuele Bodemloket als de Bodematlas geraadpleegd. Uit beide kaarten komt naar voren dat voor een deel van het plangebied geen informatie bekend is. Dit houdt in dat geen informatie bekend is over aanwezige verontreinigingen of saneringen maar dat ook geen historische bodeminformatie bekend is. Voor de overige delen is eventueel sprake van verdenkingen van bodemveronreiniging, hiervoor wordt aanvullend onderzoek aanbevolen.

Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op de betreffende percelen van het plangebied. In bijlage 1 is de volledige rapportage opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat lichte verontreinigingen in het plangebied zijn aangetroffen. Asbestverdachte materialen zijn niet aangetroffen.

Naast het verkennende onderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar PFAS. In bijlage 2 is de volledige rapportage opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de gemeten waarden ruim

onder de (tijdelijke) risicowaarden blijven en geen probleem leveren voor het huidige en toekomstig gebruik. Het onderzoek dateert van november 2019. Opgemerkt wordt, dat op het moment van opstellen van de rapportage, sprake was van tijdelijk beleid. Inmiddels zijn generieke normen van toepassing. Ook hier wordt aan voldaan.

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn vanuit het milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

4.2 Erfgoed

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.2.1 Archeologie

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. Daarbij worden twee verschillende onderzoeksperiode onderscheiden, te weten Steentijd-Bronstijd en IJzertijd - Middeleeuwen.

IJzertijd - middeleeuwen

Uit de uitsnede van de FAMKE voor de periode ijzertijd - middeleeuwen, weergegeven in navolgende figuur, komt naar voren dat het plangebied is gelegen waarvoor een advies karterend onderzoek 3 (middeleeuwen) geldt. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten uit de periode ijzertijd-middeleeuwen bevinden. De provincie beveelt aan om bij ingrepen groter dan 5000 m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpBwHaaijehoeke49-VA01_0002.png"

Figuur 2. Weergave FAMKE-kaart ijzertijd-middeleeuwen.

Steentijd-bronstijd

Navolgende figuur geeft een uitsnede van de FAMKE weer voor de periode steentijd-bronstijd. Uit dit kaartbeeld komt naar voren dat het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor een quickscan (steentijd) geadviseerd wordt. Van deze gebieden wordt vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn. De provincie beveelt aan bij ingrepen groter dan 5.000 m2 een quickscan te verrichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpBwHaaijehoeke49-VA01_0003.png"

Figuur 3. Weergave FAMKE-kaart, steentijd-bronstijd.

Het plangebied betreft een omvang van circa 5.000 m2. Voor beide onderzoeksperioden zou op basis van deze oppervlakte archeologische onderzoek nodig kunnen zijn. De grootte van een ingreep wordt echter bepaald aan de hand van de totale opppervlake van de bestemmingsplanwijziging ten opzichte van het vigerende plan. Met de oppervlakte van de ingreep wordt dus niet letterlijk de omvang van de verstoring van de bodem bedoeld, maar de oppervlakte waarvan de bodem door de bestemmingswijziging nu of in de toekomst verstoord kan worden.

Hoewel de woning en bedrijfsloods in de toekomstige situatie anders gesitueerd worden neemt de planologische bebouwingsoppervlakte niet toe. De bebouwingsmogelijkheden blijven daarnaast (door het toekennen van bouwvlakken) beperkt tot een oppervlakte van circa 700 m2. De omvang van de ingreep is hiermee minimaal waarmee aanvullend archeologisch onderzoek niet vereist is.

4.2.2 Cultuurhistorie

Ten aanzien van de cultuurhistorische waarden in provincie Friesland heeft de Provinsje Fryslân de Cultuurhistorische kaart Fryslân 2 (CHK2) opgesteld. Op de kaart, in navolgende figuur een uitsnede van de kaart, worden in en in de nabijheid van het plangebied verschillende cultuurhistorische waarden weergegeven.

Het plangebied is deels gelegen in een gebied dat is aangewezen als gebieden met bijzondere waarden 1850-1940. Dit zijn gebieden die bijzondere waarde bevatten op het gebied van stedenbouw, groenaanleg, landschappelijke inpassing, bouwkundige vormgeving en context. Het gaat hier met name om de woningen die destijds door de woningbouwvereniging Patrimonium werden gebouwd. Het gebied kenmerkt zich door een relatief laat ontgonnen gebied met daardoor ten opzichte van de omgeving een afwijkende inrichting en verkaveling in wat grotere en rechthoekige percelen. De infrastructuur wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door lange, rechte en smalle klinkerweggetjes met brede groene bermen.

Met het planvoornemen vinden geen wijzigingen plaats aan de verkaveling. De oorspronkelijke verkaveling wordt dan ook in stand gehouden.

Het planvoornemen wordt niet door het aspect cultuurhistorie in uitvoerbaarheid belemmerd.

4.3 Ecologie

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming.

Onderzoek

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 18 september bezocht. De rapportage van de inventarisatie is als Bijlage 3 bij de toelichting.

SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van het plan kunnen jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw en/of verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord of verwijderd. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuizen zal moeten uitwijzen of een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk is. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting tot uitvoering van het nader onderzoek opgenomen. Hiermee kan niet zonder meer de bestaande bebouwing gesloopt worden en wordt voorkomen dat eventuele verblijfplaatsen worden verstoord of verwijderd.

Een eventuele vliegroute van vleermuizen langs de opgaande beplanting aan de westkant van het projectgebied wordt niet aangetast, indien lichtuitstraling op deze houtsingel vermeden wordt. Ook blijft het projectgebied geschikt als foerageergebied voor de te verwachten vleermuissoorten. Zodoende zijn op beide functies geen negatieve effecten te verwachten.

Bij uitvoering van het project verandert het foerageergebied voor huismus en buizerd en wordt het mogelijk minder geschikt. Het projectgebied vormt onderdeel van een groter foerageergebied, waarbij in de directe omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig is voor deze soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op.

Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels in de directe omgeving kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt evenwel dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen tot slot verblijfplaatsen van enkele vrijgestelde beschermde amfibieën- en zoogdiersoorten worden vernietigd en verstoord. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De aanwezige beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wet natuurbescherming.

GEBIEDSBESCHERMING

Het projectgebied ligt niet in of grenst niet aan een in het kader van de Wnb beschermd gebied. Het meest nabijgelegen gebied beschermd middels de Wnb betreft het Natura 2000-gebied 'Groote wielen' wat is gelegen op een afstand van circa 7,7 kilometer ten zuidwesten het projectgebied. Het meest nabijgelegen NNN-gebied ligt op circa 1,6 kilometer ten zuiden van het projectgebied. De percelen 322 en 326 (strook opgaande beplanting) zijn aangewezen als 'natuur buiten de EHS'. Gronden die zijn aangewezen als weidevogelkansgebied liggen op een afstand van 830 meter ten westen van het projectgebied.

Gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van het plan kunnen (significant) nega-tieve effecten op de instandhoudingsdoelen van in het kader van de Wnb beschermde gebieden op voorhand worden uitgesloten.

Gezien de afstand tot in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde gebieden en de aard van het plan zijn ook geen negatieve effecten op het NNN en weidevogelkansgebieden te verwachten. De opgaande beplanting die onderdeel vormt van 'natuur buiten het NNN' blijft behouden. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

Onderzoek

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven. Voor dit bestemmingsplan is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpBwHaaijehoeke49-VA01_0004.png"

Figuur 4. Uitsnede Risicokaart.

Provinciale weg N356

Op een afstand van circa 550 m loopt de provinciale weg N356 Nijega - Holwerd. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, namelijk LF1 (diesel) en LF2 (benzine). Voor de stoffen LF1 en LF2 geldt dat de maximale effectafstand (1%- overlijdenskans) op 45 m ligt. Het plangebied ligt dan ook op voldoende afstand om eventuele risico's te kunnen voorkomen.

Aardgastransportleiding

Op een afstand van circa 550 m loopt een aardgastransportleiding NEN 3650-leiding (N-505-90). De uitwendige diameter van de leiding is 108 mm, de werkdruk 40 bar (4000 kpa). Voor een dergelijke leiding ligt de 1%-letaliteitsgrens op 45 m. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag of het plangebied binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedrukaardgastransportleiding ligt. Dit is voor voorliggende situatie niet het geval. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

In zowel de huidige als toekomstige situatie blijft de situatie wat betreft het aantal aanwezige personen gelijk. De huidige bebouwing wordt gesloopt en op een andere locatie op de percelen teruggebouwd. Het planvoornemen maakt niet mogelijk dat zich mogelijk meer mensen op de percelen gaan bevinden.

LPG tankstation

Aan de Haadwei 40 te Broeksterwâld bevindt zich een LPG-tankstation. Behorend bij dit tankstation is een reservoir, vulpunt en afleverinstallatie. De vergunde jaardoorzet van het tankstion is 500-1.000 m3 LPG. Voor het vulpunt en de reservoir geldt een invloedsgebied van 150 m waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Voor het vulpunt geldt een PR 10-6 risicoafstand van 35 m, voor het reservoir een afstand van 25 m en voor de afleverinstallatie 15 m. Het plangebied is ruimschoots buiten deze afstanden gelegen. Nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie

Hoewel zich op beperkte afstand zich diverse mogelijke risicobronnen bevinden, is geen van allen een belemmering voor de ontwikkeling van het planvoornemen. Het planvoornemen is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.5 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om geluidhinder vanwege onder meer wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Indien binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan.

Onderzoek

Voor de ontwikkeling in het plangebied is nagegaan of toetsing aan de Wet geluidhinder nodig is. Industrielawaai en spoorweglawaai zijn in de omgeving van het plangebied niet aan de orde. De Patrimoniumwei is weg waarop een maximumsnelheid van 60 km per uur is toegestaan.
Voor deze weg geldt een geluidzone is het kader van de Wet geluidhinder. Als een geluidgevoelige functie (zoals een woning) binnen de geluidzone van een weg wordt gerealiseerd dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de geluidbelasting van de Patrimoniumwei op de nieuwe woning. Het volledige onderzoek is te vinden in bijlage 4. Berekend is bij welke verkeersintensiteiten van de weg de waarde van 48 dB op de gevel van de nieuw te realiseren woning wordt overschreden. Dit is het geval indien de verkeersintensiteit de 3.800 mvt/etmaal overschrijdt. Op basis van de huidige intensiteiten mag verwacht worden dat de verkeersintensiteiten binnen de looptijd van het bestemmingsplan niet worden overschreden.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluidhinder uitvoerbaar.

4.6 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond dat een planvoornemen buiten de invloedssfeer van eventuele hinderlijke activiteiten in de omgeving valt en daarnaast geen belemmeringen oplevert voor nabijgelegen functies.

Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.

In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (de afstandsstap van 100 mag naar 50 meter, van 30 naar 10 en van 10 naar 0.).

Onderzoek

Op de percelen is in de huidige situatie sprake van een bedrijfsbestemming met bedrijfswoning. Ook op het naastgelegen perceel (nummer 46) is sprake van bedrijvigheid. In de nieuwe situatie wordt de bestaande bedrijfswoning gesloopt en gewijzigd in een burgerwoning. De beoogde bedrijfsloods wordt verplaatst en komt op grotere afstand van de bedrijvigheid van de buren te liggen.

De locatiekeuze van de woning is bepaald aan de hand van de te hanteren richtafstanden. Op zowel het eigen perceel als dat van de buren is bedrijvigheid tot en met categorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 30 m. De woning wordt gesitueerd op een afstand van minstens 30 tot de eigen bedrijvigheid en meer dan 30 m tot de bedrijvigheid van de buren.

Conclusie

Aan de te hanteren richtafstanden kan worden voldaan. Wat betreft milieuzonering is het planvoornemen uitvoerbaar.

4.7 Verkeer en parkeren

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) van het CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Broeksterwâld kan worden aangemerkt als een niet stedelijke omgeving. Het plangebied kan beschouwd worden als de rest bebouwde kom.

Verkeer

Met het planvoornemen wordt een nieuwe woning en een bedrijfsloods gerealiseerd. Voor een vrijstaande koopwoning in een niet stedelijke omgeving in de rest bebouwde kom kan een verkeersgeneratie gehanteerd worden van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag. Voor een bedrijfsloods (bedrijf arbeids- en bezoekersextensief) kan een verkeersgeneratie gehanteerd worden van minimaal 3,9 en maximaal 5,7 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag per 100 m2. De bedrijfsloods beslaat een oppervlakte van circa 375 m2. De verkeersgeneratie voor de bedrijvigheid komt hiermee op minimaal 14,6 en maximaal 21,4 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag.

In de huidige situatie is een bedrijfswoning met bedrijf aanwezig. Hoewel in de huidige situatie niet een bedrijfsloods in dezelfde omvang aanwezig is, blijven de bedrijfsactiviteiten in de toekomstige situatie gelijk. Met de nieuwbouw van de grotere bedrijfsloods ontstaat meer opslagruimte, dat geen effect heeft op het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie vindt zowel de bedrijfswoning als de bedrijvigheid ontsluiting via de Haaijehoeke. In de toekomstige situatie vindt het woonverkeer ontsluiting via de Patrimoniumwei en de bedrijvigheid ontsluting via de Haaijehoeke. Voor de bewoners aan de Haaijehoeke 47 levert dit een positieve verkeersituatie op. Verondersteld kan worden dat de toekomstige verkeersstromen geen belemmering vormen voor de capaciteit van zowel de Patrioniumwei als de Haaijehoeke.

Parkeren

Voor een vrijstaande koopwoning in een hiervoor genoemd gebied kan een parkeerbehoefte gehanteerd worden van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning. Voor de bedrijvigheid geldt een parkeernorm van minimaal 0,8 en maximaal 1,3 per 100 m2. De parkeerbehoefte van de bedrijvigheid komt met 375 m2 op minimaal 3 en maximaal 4,9 parkeerplaatsen. Verondersteld kan worden dat op de percelen voldoende ruimte aanwezig is om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.

4.8 Luchtkwaliteit

Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn onder meer projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 µg/m3 vrijgesteld van toetsing. PM10 en PM2,5 zijn sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.610 voertuigbewegingen van auto's dan wel 130 vrachtwagens per weekdagetmaal leidt (grenswaarde in 2018).

Met het planvoornemen blijft het aantal voertuigbewegingen nagenoeg gelijk. Het planvoornemen heeft dan ook niet meer verkeersbewegingen tot gevolg en kan dan ook beschouwd worden als een nibm-plan.

Het plan is wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

4.9 Water

Bij ruimtelijke plannen dient te worden beoordeeld of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Middels een watertoets wordt het planvoornemen in een vroegtijdig stadium ter beoordeling aan het waterschap voorgelegd. Voorliggend planvoornemen valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Onderzoek

Op 23 september 2019 is aan het Wetterskip Fryslân advies gevraagd over het planvoornemen. De uitkomsten van deze aanvraag zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Uit het advies komt naar voren dat het plan invloed kan hebben op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. De normale procedure dient gevolgd te worden. Hieronder zijn enkele aspecten uit het advies benoemd. Het volledige advies is te vinden in Bijlage 5.

HOOFDWATEREN

Het woonperceel wordt gescheiden van het bedrijfsperceel door een watergang. Hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Het is niet toegestaan om in de beschermingszone bebouwingen en dergelijke te realiseren of opgaande beplanting aan te brengen tenzij e.e.a. is geregeld in een Watervergunning. Met het planvoornemen zijn geen veranderingen aan de watergang beoogd.

TOENAME VERHARDING

In de toelichting van het bestemmingsplan moet aandacht besteed worden aan de toename van verharding vanwege het planvoornemen en de compensatie daarvan. Doorgaans hanteert het waterschap hiervoor een standaard compensatienorm. Met het planvoornemen is de toevoeging aan verharding nihil omdat het plangebied grotendeels verhard is. Compensatie is dan ook niet aan de orde.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.

4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2017 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Het aantal situaties waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht moet worden uitgevoerd, is verminderd. Er zijn nu meer situaties waar eerst beoordeeld moet worden of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Wanneer deze beoordeling aan de orde is, dient deze te worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie waarbij door middel van de in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU opgenomen punten wordt toegelicht wat er precies gaat gebeuren.

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de bouw een woning en bedrijfsloods. Het bestemmingsplan geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het kader van een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot negatieve effecten op het milieu.

4.11 Duurzaamheid

Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden.

Landelijke eisen

Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de Energieprestatiecoëfficient-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijna-energieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. De huidige eis is een EPC van 0,4.

Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht voor woningen is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw van woningen die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018 en vooralsnog alleen voor woningen. In de uitwerking van het planvoornemen wordt rekening gehouden met de landelijk eisen betreffende duurzaam bouwen.

 

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  • de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Daarnaast is op grond van artikel 3.1.6 van het Bro het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro.

Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

5.2 Bestemmingsplanprocedure

In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:

De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.

5.2.1 Inleidende regels:

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.

Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan dat elders in Broeksterwâld geldt: 'bestemmingsplan Broeksterwâld'. Voor de wijze van meten geldt dat ook deze overeenkomt met dat bestemmingsplan.

5.2.2 Bestemmingsregels:

Dit hoofdstuk bestaat uit een zestal bestemmingsregels:

De navolgende tekst bespreekt de bestemmingen afzonderlijk.

"Bedrijf'"

Deze bestemming heeft betrekking op de bedrijvigheid binnen het plangebied. Door middel van een aanduiding is aangegeven welke bedrijfscategorieën daar gevestigd mogen worden. In dit geval betreft dit bedrijvigheid in categorie 1 en 2. Binnen deze bestemming is tevens de aanduiding ''bedrijfswoning uitgesloten'' opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat op een later moment alsnog een bedrijfswoning op het perceel mogelijk kan worden gemaakt.

'Groen - Houtsingel'

De houtsingels die op de plankaart voorkomen, hebben de bestemming ‘Groen – Houtsingel’ gekregen. Hiermee wordt getracht de houtsingels te beschermen. Er mogen dan ook geen gebouwen binnen deze bestemming worden gebouwd.

"Tuin"

De voortuin bij de woning is bestemd als ‘Tuin’. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Alleen erkers tot een breedte van ten hoogste 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw en tot een diepte van ten hoogste 1 meter en een bouwhoogte van ten hoogste de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan gebouwd wordt, zijn toegestaan. Op deze manier blijven de voortuinen van de woningen vrij van ondergeschikte bebouwing.

'Verkeer'

De belangrijkste doorgaande wegen binnen het plangebied zijn bestemd als ‘Verkeer’. Bij de inrichting van deze bestemming wordt gestreefd naar een goede afwikkeling van het doorgaande verkeer.

"Water"

De waterloop die het gebied doorkruist is bestemd als ‘Water’. Het pad dat het woonperceel met het bedrijfsperceel en visa versa verbindt is aangeduid met de functieaanduiding 'verkeer'.

"Wonen"

De bestemming ‘Wonen’ is gericht op woningen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep. In de gebruiksregels is expliciet aangeven dat vrijstaande ondergeschikte gebouwen niet gebruikt mogen worden ten behoeve van bewoning, een aan-huis-verbonden beroep, winkel- en bedrijfsruimten. Daarnaast is niet-permanente bewoning uitgesloten, evenals het gebruik van gebouwen ten behoeve van seksinrichtingen en koffiehuizen/coffeeshops.

De huidige stedenbouwkundige structuur in de omgeving is uitgangspunt. Behalve van bebouwingsregels is hier gebruik gemaakt van bouwvlakken en andere aanduidingen in het plan. Wel is de juridische vormgeving zodanig dat veranderingen van woningen, bijgebouwen en dergelijke mogelijk zijn, zolang de hoofdstructuur en het woonklimaat in het algemeen niet worden aangetast.

5.2.3 Algemene regels

De algemene regels bestaan uit een vijftal regels:

De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. De 'Algemene gebruiksregels', 'Algemene afwijkingsregels' en de 'Algemene wijzigingsregels' zijn ontleend aan het 'bestemmingsplan Broeksterwâld' (met identificatienummer NL.IMRO.1891.BPBroeksterwald-0401). Voor deze algemene regels geldt dat onderdelen van de regels die niet van toepassing zijn in het plangebied uit de artikelen zijn verwijderd.

In de Algemene bouw- en gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' geldt dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de gebouwen een voorschrift moet zijn opgenomen dat de oude bebouwing gesloopt wordt. Binnen één jaar na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient de oude bebouwing gesloopt te zijn. Met het opnemen van deze voorwaardelijke verplichting wordt voorkomen dat de oude bebouwing onder het overgangsrecht zal vallen. Daarnaast geldt deze voorwaardelijke verplichting alleen als men over gaat tot nieuwbouw; wordt er niet gebouwd, dan hoeven de gebouwen ook niet gesloopt te worden.

Daarnaast is onder de Algemene aanduidingsregels een gebiedsaanduiding 'overige zone - te slopen bebouwing' opgenomen. Deze gebiedsaanduiding geldt voor de bestaande woning op het perceel. Met deze gebiedsaanduiding wordt een vergunningstelsel gekoppeld aan de sloop van het woonhuis. In het woonhuis kunnen zich namelijk verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuis bevinden. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of deze verblijfplaatsen daadwerkelijk aanwezig zijn. Met het vergunningstelsel kan de bebouwing niet zonder meer gesloopt worden.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt.

Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Tot slot bevat hoofdstuk 4 de 'Slotregel' waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatie

Artikel 6.12 lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Op grond van artikel 6.2.1 onder c Bro is voorliggende ontwikkeling een bouwplan.


De gemeentelijke financiën zijn hierbij echter niet in het geding; er zijn geen kosten die de gemeente via een kostenverhaalovereenkomst op de initiatiefnemer hoeft te verhalen. De gemaakte kosten worden gedekt door de leges. Bij vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan ook expliciet door het bevoegd gezag besloten, op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro, geen exploitatieplan vast te stellen.

Overige kosten en planschade

Een bestemmingsplanwijziging is één van de oorzaken waardoor schade als bedoeld in artikel 6.1 Wro kan ontstaan. Door deze planschade kan de economische uitvoerbaarheid van het project in het geding komen. Om de economische uitvoerbaarheid van de nieuwbouw van de woning en bedrijfsloods te waarborgen, is daarom een overeenkomst tot planschadevergoeding afgesloten met de initiatiefnemer en gemeente. Het voornemen is dan ook economisch uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak en overleg

Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dienen burgemeester en wethouders bij een nieuw bestemmingsplan te overleggen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. In verband hiermee is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Naar aanleiding hiervan heeft de provincie Fryslân op 13 augustus 2020 schriftelijk aangegeven in te kunnen stemmen met het planvoornemen. Het Wetterskip Fryslân reageert alleen binnen de gestelde termijn als zij een vraag of opmerking over het planvoornemen hebben. Binnen de gestelde termijn is geen reactie van het Wetterskip ontvangen. Geconcludeerd wordt dat ook zij kunnen instemmen met het planvoornemen.

6.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 1 oktober tot en met woensdag 11 november 2020 ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. Op 2 maart 2021 is het plan daarom ongewijzigd vastgesteld.