Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Veerstraat 15-16, Oude Wetering
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.WPVEERSTRAAT1516-VAS1

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op de locatie aan de Veerstraat 15-16 te Oude Wetering is de initiatiefnemer voornemens maximaal 10 woningen te realiseren. Van oorsprong was in de bedrijfshallen op deze locatie detailhandel gevestigd. Verder is één woning aanwezig. Deze huidige bebouwing wordt binnen de planperiode gesloopt met als doel de locatie te kunnen herontwikkelen tot de 'Houttuinhof'.
 
Het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming(en) naar onder andere 'Wonen'. De beoogde woningen passen binnen deze wijzigingsbevoegdheid, wat in het voorliggende wijzigingsplan nader wordt toegelicht. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient er een wijzigingsplan opgesteld te worden. Het voorliggende wijzigingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Veerstraat 15-16 te Oude Wetering, in het oude lint van Oude Wetering. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Alkemade, sectie B, percelen 2514, 5205, 5932 (deels), 6191, 6192, 6193 en 6194. Het plangebied wordt als volgt begrensd:
  • noordzijde: woningen aan de Veerstraat;
  • oostzijde: Veerstraat en Oude Wetering (kanaal);
  • zuidzijde: woningen aan de Veerstraat en Zuidschans;
  • westzijde: watergang.
Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven.
  
Globale ligging plangebied (blauwe druppel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: PDOK)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' (vastgesteld op 29 mei 2017). De gronden in het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen 'Detailhandel', 'Water' en 'Wonen'. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' en 'Waterstaat - Waterkering' (deels) opgenomen. Het plangebied is volledig voorzien van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied - 2' en deels voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
 
     
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Oude Wetering' (plangebied is wit omkaderd)
 
Binnen de bestemming 'Detailhandel' zijn geen woningen toegestaan. Daarnaast is binnen de bestemming 'Wonen' in het plangebied slechts één vrijstaande woning toegestaan. Daarmee is het voorgenomen plan in strijd met het geldende bestemmingsplan.
 
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 24.3 van het geldende bestemmingsplan en het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd de bestemmingen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied - 2' te wijzigen naar de bestemmingen 'Groen', 'Tuin', 'Verkeer' en 'Wonen' ten behoeve van de realisatie van maximaal 7 (loft)woningen, twee halfvrijstaande woningen en één vrijstaande woning. In het voorliggende wijzigingsplan wordt invulling gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. In toelichting paragraaf 3.4 wordt getoetst aan deze wijzigingsbevoegdheid.
1.4 Leeswijzer
De huidige en de toekomstige situatie in het plangebied worden in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het project onderbouwd met betrekking tot de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevatten hoofdstuk 6 en 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van het vooroverleg en een verslag van de tegen het ontwerpwijzigingsplan ingediende zienswijzen zijn opgenomen.
 
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
In de huidige situatie zijn een tweetal bedrijfshallen aan de achterzijde van Veerstraat 12 t/m 17 aanwezig. In het verleden waren enkele detailhandelsbedrijven voor de verkoop van doe-het-zelfartikelen, interieur en bouwmaterialen in deze bedrijfshallen gevestigd. Momenteel zijn deze (detailhandels)bedrijven grotendeels uit het plangebied verdwenen.
 
Het erf is in de loop van de jaren steeds meer verdicht. De gronden tussen de twee bedrijfshallen zijn verhard en dienen als parkeerplaats. Aan de oostzijde van het plangebied is een vrijstaande woning, Veerstraat 16, gesitueerd (zie navolgende afbeelding). Deze woning bestaat uit twee bouwlagen, inclusief kap, en de voorgevel is gericht naar de Veerstraat. De west- en zuidzijde van het plangebied is onbebouwd en kent een groene inrichting (gras, bomen).  
 
Aan de westzijde grenst het plangebied aan een watergang. Ten oosten van het plangebied is de Veerstraat gelegen. De Veerstraat grenst aan de Oude Wetering, een belangrijke watergang die het Braassemermeer verbindt met de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. De Veerstraat vormt samen met de Kerkstraat het lint van de kern Oude Wetering. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn dan ook woningen gesitueerd die behoren tot het lint of gelegen zijn in de lijn achter het lint.
 
De navolgende afbeelding geeft een impressie van het plangebied in zijn huidige en/of oorspronkelijke situatie weer.
 
Impressie huidige/oorspronkelijke situatie
2.2 Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens de planlocatie te herontwikkelen tot de 'Houttuinhof'. In de toekomstige situatie zijn maximaal 10 woningen in het plangebied voorzien. Het geheel zal gefaseerd worden ontwikkeld. Op de navolgende afbeeldingen zijn een impressie en een situatietekening van de toekomstige situatie weergegeven.
 
Impressie toekomstige situatie (bron: Hekkenberg Architects, HA096, 16 februari 2018) 
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Hekkenberg Architects,HA096, 16 februari 2018)
 
Eerste fase
De initiatiefnemer is van plan om op het achtererf, ter plaatse van de huidige bedrijfshal aan de westzijde van het plangebied, drie duurzame loftwoningen ('Houttuinlofts', nummers 1, 2 en 3 op de situatietekening) te realiseren. Het betreffen woningen die getypeerd kunnen worden als schuurwoningen. De goot- en bouwhoogte is respectievelijk 4,5 m en 8 m. Het bruto vloeroppervlak van de hoekwoningen is circa 200 m², terwijl de tussenwoning een bruto vloeroppervlak heeft van circa 115 m².
 
In het zuidwesten van het plangebied, aan de achterzijde van het plangebied grenzend aan de watergang, voorziet het plan in de realisatie van één vrijstaande woning (nummer 4 op de situatietekening). De bijbehorende kaveloppervlakte is circa 490 m². Deze woning bevindt zich achter de woning aan de Veerstraat 20. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 m en 9 m en is gebaseerd op de woningen aan de Zuidschans.
 
De bestaande woning aan de Veerstraat 16, aan de oostzijde van het plangebied, maakt plaats voor nieuwbouw, waarbij twee halfvrijstaande woningen met een beukmaat 5,5 m per woning worden gerealiseerd. De goot- en bouwhoogte is respectievelijk 6 m en 9 m, passend bij een woning van twee bouwlagen en een kap. Deze bouw- en goothoogte komt op enkele plaatsen in het lint voor, zoals aan de Veerstraat 21 en 25 t/m 31.
 
Vervolgfase
De bedrijfshal met detailhandelsfunctie in het midden van het perceel blijft in de eerste fase behouden. Het voornemen is om ter plaatse van deze bedrijfshal in de vervolgfase eveneens loftwoningen te realiseren. Daarbij wordt uitgegaan van vier woningen in een vergelijkbare stijl als de ‘Houttuinlofts’. De kaveloppervlakte bij dit gebouw is 740 m².
 
Stedenbouwkundige context
De locatie maakt in zijn geheel deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Het behouden en versterken van het dorpse karakter zijn daarbij het uitgangspunt. Het wijzigen van de bedrijfsfunctie wordt zowel in de MRSV (zie toelichting paragraaf 3.4.1) als in de Nota Inbreidingslocaties (zie toelichting paragraaf 3.4.2) voorgestaan en biedt kansen voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.
 
Het profiel van de Veerstaat wordt bepaald door een gesloten straatwand met wisselende bouwhoogten en wisselende kaprichtingen. De nieuwe woningen sluiten hier op aan. De opening in de straatwand wordt enigszins gesloten en de woningen voegen zich in het karakter van de straat. De bouwhoogte van twee lagen met kap past goed in dit beeld.
 
In de Nota Inbreidingslocaties wordt voor het achtergebied een groen en dorpse karakter benoemd. De opzet van het plan heeft de uitstraling van een boerenerf met losse elementen als schuurwoningen rondom een erf. De dorpse uitstraling van 'schuur' past goed bij de karakteristieke langgerekte kavels van het achtergebied. Vanaf de Veerstraat ontstaat een doorzicht op de ringsloot dat deze langgerekte kavelstructuur ondersteunt. Ook de architectonische uitwerking van de woningen, het duurzame hergebruik en de erfinrichting van de buitenruimte versterken het groene karakter.
 
De massa en het formaat van de bouwblokken zijn passend voor de locatie. De nokhoogte beperkt zich tot 8 m. De profielbreedte beperkt zich, gezien vanaf de Alkemadelaan, tot 15 m. Hierdoor blijft er voldoende ruimte over voor groen. De vorm van het erf, grenzend aan het water, heeft een aangenaam formaat. Dit biedt ruimte voor ontmoetingen.
 
Buiten de schuurwoningen is op het achtergebied één vrijstaande woning opgenomen. Deze woning vormt een architectonische familie met de schuurwoningen. De hoogte en rooilijn sluiten aan op de bebouwing van de Zuidschans. Het afwisselende karakter van woningen en schuur en de sterk vormgegeven openbare ruimte leveren een divers en verzorgd beeld richting de Alkemadelaan.
 
Ontsluiting
De ontsluiting van deel van de planlocatie achter het lint vindt plaats via de 'Houttuinhof': de gezamenlijke ruimte tussen bebouwing inclusief het toegangspad naar de vrijstaande woning (nummer 4 op de situatietekening). In dit gebied is tevens voorzien in parkeervoorzieningen (zie toelichting paragraaf 4.10).
 
3 Beleidskader
 
3.1 Nationaal beleid
 
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied, omdat geen van de nationale belangen raakt aan het voorgenomen plan.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied, omdat geen van de nationale belangen raakt aan het voorgenomen plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 10 woningen, terwijl in de huidige planologische situatie één woning is toegestaan. Het toevoegen van 9 woningen in het bestaand stedelijk gebied, ter plaatse van grotendeels bebouwde gronden, leidt tot een beperkte toename van het ruimtebeslag en wordt niet als een stedelijke ontwikkeling gezien.  
 
Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie, waarin de recente wijzigingen van de VRM zijn opgenomen, in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Onder planspecifiek wordt voor voorliggende ontwikkeling nader ingegaan op de hoofdstukken.
 
Planspecifiek
Aan de hand van voorgaande hoofdstukindeling wordt hiernavolgend, in zoverre dat relevant is, de relatie tussen beoogde ontwikkeling en de VRM beschreven. Aangezien de ontwikkeling niet plaatsvindt in de groene ruimte is het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ niet relevant.
 
Mobiliteit en bebouwde ruimte
Om de bebouwde ruimte beter te laten benutten heeft de provincie het bestaand stads- en dorpsgebied en de linten in het buitengebied aangegeven en gesteld dat, in beginsel, hierbinnen de verstedelijking dient plaats te vinden. Het plangebied is geheel binnen het bestaand stads- en dorpsgebied gesitueerd. Daarmee draagt het voornemen om woningen te realiseren bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'vergroten van de agglomeratiekracht'.
 
Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed
Voor de groene ruimte, bestaande uit de overwegend onbebouwde ruimte buiten de steden, dorpen, linten en kassen en uit de stedelijke groen- en waterstructuur, is het sturen op ruimtelijke kwaliteit leidend voor de keuzes die in dit gebied worden gemaakt. De provincie stuurt middels een kwaliteitskaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. In toelichting paragraaf 3.2.2 wordt het initiatief getoetst aan de relevante richtpunten die voortkomen uit de kwaliteitskaart. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied verbetert, waarmee het plan een bijdrage levert aan de rode draad 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit'.
 
Water, bodem en energie
De provincie Zuid-Holland bevordert de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Voor aanpassingen aan het watersysteem geldt dat deze klimaatbestendig zijn en natuurlijke processen de ruimte krijgen. Relevante aspecten in relatie tot de bodem zijn in het onderhavige geval de bergende functie van regenwater en mogelijk aanwezige archeologische waarden. In toelichting hoofdstuk 4 worden deze aspecten toegelicht.
De transitie naar een energie-efficiënte samenleving heeft betrekking op het verhogen van het duurzaam opgewerkt vermogen, het verminderen van energieverbruik en het verminderen van CO2-uitstoot. Het realiseren van nul-op-de-meterwoningen is een zeer duurzame ontwikkeling die past binnen de energietransitie die de provincie Zuid-Holland nastreeft. Aangezien naar verwachting een deel van de verharding rond de bedrijfshallen wordt verwijderd levert dat een positief effect op het watersysteem. Het voorgenomen plan heeft daarmee betrekking op de rode draad 'bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving'.
 
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM en draagt bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is', 'vergroten van de agglomeratiekracht' en 'bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving'. Bovendien krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls, omdat verouderde (bedrijfs)bebouwing plaats maakt voor nieuwbouw. Daarmee past de beoogde ontwikkeling binnen het beleid van VRM.
 
3.2.2 Verordening ruimte 2014
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Op 31 januari 2019 is een geconsolideerde versie van de verordening, waarin de recente wijzigingen van de verordening zijn opgenomen, in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
 
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien.
 
Provinciale vaarweg
Op de kaart provinciale vaarwegen is het plangebied gedeeltelijk aangeduid als vrijwaringszone van een provinciale vaarweg (Oude Wetering). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn volgens artikel 2.1.8 lid 1 toegestaan mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor:
  1. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;
  2. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;
  3. de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten vanaf de wal, en
  4. het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.
Als gevolg van de ontwikkeling treden er ten opzichte van de huidige situatie geen belemmeringen op voor het a t/m d, omdat de beoogde bebouwing zich voegt binnen het rechte bebouwingslint en deze niet direct aan de oever mogelijk wordt gemaakt. Conform lid 3 bedraagt de breedte van de vrijwaringszone, gemeten vanaf de oever, bovendien slechts 10 m aan weerszijden van een recht vaarwegvak. De afstand van de oever tot het plangebied bedraagt 10 m, waardoor er geen beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen vanuit artikel 2.1.8. 
 
In de planregels van het voorliggende wijzigingsplan worden zichtlijnen voor de scheepvaart en de bedienings- en begeleidingsobjecten, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, middels de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' beschermd en behouden.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 2.2.1 lid 1 van de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen, omdat de ontwikkeling zich afspeelt op kavelniveau en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit en wordt gebruik gemaakt van de huidige bebouwingsstructuur. Derhalve dient voldaan te worden aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.  
 
De kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Voor alle vier de lagen zijn kenmerken benoemd en uitgewerkt in richtpunten. De nieuwbouw ter plaatse van de bestaande woning aan de Veerstraat 16 is voorzien in het bebouwingslint, wat blijkt uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Dit lint blijft herkenbaar als onderscheidende bebouwingsvorm. Voor het plangebied is vanwege het huidige stedelijke karakter verder de laag van de stedelijke occupatie relevant. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van Oude Wetering. Hierbij wordt voortgeborduurd op het stedenbouwkundige patroon van het beschermd dorpsgezicht. De sloop van de bestaande woning aan de Veerstraat 16 en de realisatie van hoogwaardige nieuwbouw verbeteren het aanzicht vanaf de straatzijde. Ook het opwaarderen van de bedrijfshal(len) tot loftwoningen in de stijl van schuurwoningen leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het op dit moment versteende erf.  
 
Regionale waterkering
Op de kaart waterveiligheid is te zien dat het plangebied is gelegen tussen twee regionale waterkeringen. Aan de oostzijde overlapt een deel van het plangebied, waar de bestaande woning aan de Veerstraat 16 is gesitueerd, met de aanduiding 'regionale waterkering'. Omdat waterveiligheid een provinciaal belang is, zijn in de verordening regels opgenomen voor de bescherming van regionale waterkeringen. In bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. In toelichting paragraaf 4.7 wordt hier nader op ingegaan. In het voorliggende wijzigingsplan is dit geregeld door, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, voor de regionale waterkering de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' op te nemen.
 
Conclusie
De Verordening ruimte 2014 stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de provinciale verordening.
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland
Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening.
 
De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten:
  1. Holland-Rijnland als een topwoonregio;
  2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  3. concentratie stedelijke ontwikkeling;
  4. groenblauwe kwaliteit staat centraal;
  5. het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open;
  6. twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports;
  7. verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan, dat bestaat uit maximaal 10 woningen, wordt gerealiseerd in het bestaand stedelijk gebied in de buurt van verschillende voorzieningen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de kernpunten tot concentratie van stedelijke ontwikkeling en de ambitie om als topwoonregio te fungeren.
 
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017
In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt:
  1. tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn;
  2. groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding;
  3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is;
  4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt;
  5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk;
  6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling;
  7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren;
  8. bereikbaar bouwen;
  9. solidariteit;
Planspecifiek
Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2, 4 en 5. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar verschillende woningtypen op een inbreidingslocatie. Ten aanzien van de beoogde loftwoningen geldt dat dit een woningtype is dat niet veel voorkomt in de gemeente Kaag en Braassem. Om die reden wordt middels het voorgenomen plan in kwalitatieve zin tegemoet gekomen aan een andere type woningen dan het huidige woningaanbod. Verder gaat het voorgenomen plan nadrukkelijke gepaard met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
 
In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. Het voorgenomen plan is opgenomen op de WBR-lijst en daarmee in regionaal verband afgestemd. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017-2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het beoogde plan betreft een 'dorps' woonmilieu, gezien de opzet als erf en het (voorlopige) ontwerp van de woningen.
 
Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Maatschappelijke Ruimtelijke Structuurvisie 2025 actualisatie 2017
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. Op 18 december 2017 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV 2017) vastgesteld. Per thema is de voorgaande visie aangepast op het meest actuele beleid. Ook de dorpsperspectieven zijn, op basis van bijeenkomsten in de dorpen, opnieuw in uitgebreidere vorm opgesteld.
 
De geactualiseerde MRSV gaat uit van een horizon van acht jaar; de toekomstige ontwikkelingen tot 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
 
De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook het Hoogheemraadschap van Rijnland staat de komende jaren voor enkele grote opgaven, met name op het gebied van waterberging, waarbij zij nauw samenwerkt met de gemeente. De gemeente maakt in de MRSV vier strategische keuzes:
  1. delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
  2. wonen in alle kernen; aandacht voor de samenstelling van de woningmarkt door diverse veranderingen, met oog voor de eigen kracht en karakter van elke kern.
  3. ruimtelijke kwaliteit belangrijk, maar staat niet altijd voorop; sturing op een goede ruimtelijke ordening met aandacht voor kwetsbare gebieden, duurzaamheid en een goede afweging per potentiële ruimtelijke ontwikkeling.
  4. ontwikkelen door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
De strategische keuzes zijn geen pasklare antwoorden op vraagstukken, maar geven richting bij het zoeken naar passende oplossingen. Deze strategische keuzes werken door in de structuurvisie en de beleidskaders.
 
Planspecifiek
In de MRSV wordt aangegeven dat de gemeente kiest voor een leefbaar en toekomstbestendig Kaag en Braassem en concentreert zich daarom op grootschalige woningbouw, voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn: Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Om de bouw te laten aansluiten bij de vraag is differentiatie in woningtypen en prijssegmenten van belang. Bovendien wil de gemeente initiatieven stimuleren voor het uitbreiden van het aanbod 'wonen met zorg', zoals woon-zorgcomplexen met nultredenwoningen (woningen zonder trappen) in de buurt van voorzieningen. In de overige kernen wordt kleinschalige nieuwbouw ontwikkeld als er behoefte is aan toevoeging van een woningsegment. Dit betekent dat de gemeente in die kernen alleen meewerkt aan initiatieven die kwaliteit aan de bestaande woonkern toevoegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine herstructurering of het toevoegen van een ontbrekend type woning (zoals een woongroep voor ouderen). Bij alle nieuwbouwplannen is een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van het bouwprogramma verplicht, ook in verband met regionaal en provinciaal beleid.
 
Onderhavig plan leidt niet tot strijdigheid met de uitgangspunten van de MRSV 2025. Het voorgenomen plan betreft een woningbouwontwikkeling in één van de kernen waar voorzieningen aanwezig is. Daarnaast voorziet het plan in de behoefte aan woningen in verschillende segmenten.
 
3.4.2 Nota Inbreidingslocaties
Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De Nota Inbreidingslocaties heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel.
   
Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota Inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel.
 
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing van Oude Wetering. Bepalend voor het profiel van de Kerkstraat en Veerstraat is de aanwezigheid van een straatwand aan de westzijde bestaande uit veelal kleinschalige panden met een divers karakter. De bebouwing heeft een uitgesproken dorps karakter met doorgaans een opbouw van een begane grond en dakverdieping. De nokrichting is loodrecht op, of evenwijdig aan de rooilijn, waardoor het afwisselende straatbeeld wordt versterkt.
 
Het plangebied, dat hoofdzakelijk gelegen is aan de achterzijde van het lint van Oude Wetering, is een beschermd dorpsgezicht. Voor de achterzijde van het lint geldt dat sprake is van een projectmatig en introvert karakter.
 
Zoals in toelichting paragraaf 2.2 is het voorgenomen plan passend bij zijn omgeving.
 
3.4.3 Welstandsnota
Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.
 
In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
 
   
Uitsnede welstandskaart (zwarte omkadering)
 
Er zijn geen gebouwde monumenten aanwezig binnen het plangebied. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn wel gemeentelijke monumenten aanwezig (zie toelichting paragraaf 4.8.1). Het plangebied maakt in zijn geheel deel uit van het beschermd dorpsgezicht. Daarom is de welstandtoets van toepassing op het plan en toetst de commissie Ruimtelijke Kwaliteit het uiteindelijke bouwplan aan de hand van de beoordelingsaspecten uit de welstandsnota.
 
3.4.4 Wijzigingsbevoegdheid
In het voorliggende wijzigingsplan wordt de wijzigingsbevoegdheid van artikel 24.3 van het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' toegepast. Voor het overige gemeentelijk beleid wordt verwezen naar de toelichting van het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering'. Aangezien het voorgenomen plan in dit bestemmingsplan middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, wordt aangenomen dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
 
De wijzigingsbevoegdheid die wordt toegepast luidt als volgt:
 
Artikel 24.3 Wetgevingzone - wijzigingsgebied - 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen voor zover de gronden zijn gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven aanduiding wetgevingzone wijzigingsgebied in de volgende bestemmingen:
  1. binnen de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' (Veerstraat) in de bestemmingen Tuin, Verkeer, Groen en Wonen ten behoeve van de realisatie van maximaal 7 (loft)woningen, twee half-vrijstaande woningen en één vrijstaande woning onder voorwaarde dat:
    1. voorzien wordt in 17 parkeerplaatsen op eigen terrein;
    2. in het wijzigingsplan een instandhoudingsverplichting wordt opgenomen voor deze parkeerplaatsen;
  2. de uitvoerbaarheid van de hierboven genoemde ontwikkelingen dient aangetoond te worden door middel van een ruimtelijke onderbouwing, waarbij in ieder geval aangetoond moet worden, dat:
    1. geen onevenredige toename van de verkeersbewegingen optreedt, naar oordeel van een door het B&W daartoe aangewezen deskundige;
    2. er rekening gehouden wordt met de belangen van het Hoogheemraadschap Rijnland;
    3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan belangen van direct omwonenden;
    4. de gemeente gevrijwaard wordt van alle plankosten.
Toetsing
Ad a)
De gronden in het plangebied zijn gelegen binnen de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied - 2' (zie toelichting paragraaf 1.3). De bestemmingen worden in het voorliggende wijzigingsplan gewijzigd naar 'Tuin', 'Verkeer' en Wonen'. Het voorliggende wijzigingsplan maakt maximaal 7 (loft)woningen, twee halfvrijstaande woningen en één vrijstaande woning mogelijk, waarbij is voorzien in 17 parkeerplaatsen (zie ook toelichting paragraaf 2.2 en toelichting paragraaf 4.10). In het voorliggende wijzigingsplan is in de planregels een instandhoudingsverplichting voor dit aantal parkeerplaatsen opgenomen.
 
Ad b)
Het voorliggende wijzigingsplan vormt de vereiste ruimtelijke onderbouwing. Hierin, met name in toelichting hoofdstuk 4, wordt de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. De voorwaarden 1 t/m 4 komen aan bod in de volgende paragrafen van het voorliggende wijzigingsplan:
  1. toelichting paragraaf 4.10, waaruit blijkt er geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen optreedt;
  2. toelichting paragraaf 4.7, waaruit blijkt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van het hoogheemraadschap van Rijnland;
  3. toelichting paragraaf 2.2 en toelichting paragraaf 4.6, waaruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van direct omwonenden;
  4.  toelichting hoofdstuk 6, waaruit blijkt dat de plankosten middels leges en een anterieure overeenkomst op de initiatiefnemer worden verhaald, waardoor de gemeente gevrijwaard is van alle plankosten.
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk 10 woningen, wat een toename van 9 woningen is.
 
Het voorliggende wijzigingsplan betreft een activiteit waarop artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing is. Het bevoegd gezag dient op basis van de ingediende stukken, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor de tervisielegging van het ontwerpwijzigingsplan, een (vormvrij) m.e.r. beoordelingsbesluit te nemen.
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Het voorliggende wijzigingsplan betreft een wijziging van 'Detailhandel' naar 'Wonen', teneinde extra woningen mogelijk te maken. Dit betreft een gevoeliger bodemgebruik. Omdat mensen logischerwijs voor meer dan 8 uur in het plangebied verblijven is een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt (te maken) zijn voor de beoogde woonfunctie.
 
In het uitgevoerde verkennend asbest- en bodemonderzoek (Inventerra, 18-2044-R01AvH, 7 maart 2019) is uitgegaan van vier deellocaties: het voormalige ketelhuis en de twee voormalige bovengrondse tanks (A), een 'onverdachte' slootdemping (B), een 'verdachte' slootdemping (C) en de algemene bodemkwaliteit van het plangebied (D). Navolgend worden de conclusies van het onderzoek uiteengezet.
 
Om na te gaan of sprake is van een saneringsnoodzaak is nader onderzoek noodzakelijk naar de verontreinigingen met lood en zink in de grond rond de bestaande woning en bij boring 105. Daarnaast is nader onderzoek noodzakelijk naar de verontreiniging met minerale olie ter plaatse van het ketelhuis (deellocatie A), waarbij tevens wordt geadviseerd om na te gaan of onder de ondoordringbare laag mogelijk sprake is van verontreiniging of eventueel zelfs van een nog aanwezige ondergrondse olietank.
 
Omdat de norm van 50 mg/kgds voor asbest ter plaatse van de gedempte sloot/ puinverharding (deellocatie C) wordt overschreden, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. De overige verontreinigingen vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.
 
Indien uit het nader onderzoek blijkt dat sprake is van meer van 25 m³ sterk verontreinigde grond is sprake van een zogenaamd geval van ernstige bodemverontreiniging en daarmee van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. Voor asbest geldt een saneringsnoodzaak indien uit het nader onderzoek blijkt dat sprake is van een gewogen gehalte aan asbest boven de interventiewaarde van 100 mg/kgds.
 
Opgemerkt wordt dat het niet mogelijk was om boring/inspectiegat 117 in het asfalt uit te voeren, omdat de asfaltkern niet kon worden verwijderd. Geadviseerd wordt om gelijktijdig met het uit te voeren nader onderzoek ter plaatse alsnog de bodem te onderzoeken, om na te gaan wat de kwaliteit is van de onderliggende grond.
 
Het nader onderzoek naar de aangetroffen verontreinigingen wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. De initiatiefnemer heeft in zijn exploitatie rekening gehouden met kosten voor een eventuele sanering. Wanneer uit het nader onderzoek blijkt dat er sprake is van een saneringsnoodzaak zijn er voldoende financiële middelen beschikbaar voor deze sanering. Daarmee is de kwaliteit van de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik (wonen) en is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect bodem.
4.3 Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • verzorgingstehuizen;
    • psychiatrische inrichtingen;
    • medisch centra;
    • poliklinieken;
    • medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
Voor het realiseren van de beoogde woningen, die geluidgevoelige objecten zijn en gelegen zijn binnen de onderzoekszone van de Alkemadelaan, Veerstraat, Westerdijk en Weteringlaan, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. Hiermee kan aangetoond worden of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of dat een hogere waarde tot de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volstaat.
 
Er is een onderzoek naar de geluidbelasting door wegverkeer op de beoogde woningen (Adviesburo Van der Boom, 18-179r2, 17 januari 2019) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Alkemadelaan in rekenpunt 7, op de westgevel van de vrijstaande woning, 48 dB na aftrek ex art. 110g Wgh bedraagt. In rekenpunt 11 bedraagt deze, op de westgevel van de loftwoning, eveneens 48 dB na aftrek ex art 110g Wgh. De maximale hogere waarde van 63 dB voor de Wgh wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met respectievelijk 2 dB en 1 dB overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er zijn voor de woningen geen hogere waarden noodzakelijk.
 
Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Daarbij dient de geluidbelasting zonder aftrek, inclusief 30 km/uur wegen, te worden beschouwd. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 60 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 27 dB. Geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk voor gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. Voor de geveldelen met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit.
4.4 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor  PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden extra woningen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. 
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2017) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en NO2 over 2016 nabij de planlocatie bedragen respectievelijk maximaal 19,6 µg/m³, 11,3 µg/m³ en 22,5 µg/m³. Daarmee wordt er voldaan aan de gestelde grenswaarden en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
      
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
 
   
Uitsnede risicokaart met globale begrenzing plangebied (zwarte omkadering)
 
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen in of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting is zwembad De Tweesprong aan de Lucas van Leydenlaan 2 te Roelofarendsveen, waar de opslag van 2.000 l chloorbleekloog plaatsvindt. Deze inrichting heeft echter een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 0 m, zodat ruimschoots aan de veiligheidsafstand voldaan wordt.
 
In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en spoor aanwezig. De N207 bevindt zich op circa 2.100 m afstand. Over de provinciale weg N207 vindt wegtransport van gevaarlijke stoffen  plaats. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied is, in verband met het transport van LT2 (licht toxische vloeistoffen), wel binnen de onderzoekszone van het groepsrisico gelegen. Blijkens de onderzoeksrapportage (2012) horende bij het bestemmingsplan N207 bedraagt de hoogte van het groepsrisico 0,003 van de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico zeer beperkt verhogen. Gelet op de lage oriëntatiewaarde zijn nieuwe berekeningen niet vereist.
 
De planlocatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van circa 1.400 m. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4.000 m. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig, omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8).
  
Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de N207 of A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. 
 
Bij een incident met een LPG-tankwagen op de N207 of de A4 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de realisatie van het plan. De hulpdiensten kunnen het gebied en/of locatie via lokale wegen bereiken om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid te brengen via de Veerstraat, mits tijdig gewaarschuwd.
     
Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. In de lintbebouwing aan de Plantage, Veerstraat en Kerkstraat is een diversiteit aan functies aanwezig. Zo komen naast woningen detailhandel (slijterij aan de Veerstraat 23-24), maatschappelijke voorzieningen (Veerstraat 1a en Weteringlaan 16-22) en bedrijven (aan de overzijde van de Oude Wetering) voor. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
   
Het voorliggende wijzigingsplan maakt gevoelige bestemmingen, namelijk woningen, mogelijk. Daarbij verdwijnt de bestemming 'Detailhandel'. Daarom is aan de hand van de bestemmingsplannen 'Oude Wetering', 'Veenwetering' en 'Buitengebied Oost' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel.
 
Activiteit
Adres
SBI-code
Milieucategorie
Richtafstand in gemengd gebied (m)
Minimale afstand tot het plangebied (m)
detailhandel
Veerstraat 23-24
47A
1
0
25
maatschappelijke voorzieningen
Weteringlaan 16-22
8621, 8622, 8623
1
0
30
maatschappelijke voorzieningen
Veerstraat 1
8621, 8622, 8623
1
0
85
groothandel in machines en technische apparaten
Westerdijk 39-41
466 (2)
3.2
50
60
scheepsbouw- en reparatiebedrijf
Westerdijk 47-49
301, 3315 (1)
3.2
50
65
onbekend
Westerdijk 53-53a
n.v.t.
2
10
150
fokken en houden van rundvee
Westerdijk 32b
0141, 0142
3.2
50
165
aannemersbedrijf
Westerdijk 32c
41, 42, 43.2
3.1
30
215
betonwarenfabriek
Westerdijk 14-18
23611 (3)
5.2
500
450
 
Groothandel in machines en technische apparaten en scheepsbouw- en reparatiebedrijf
Ten aanzien van de groothandel in machines en technische apparaten aan de Westerdijk 39-41 en het scheepsbouw- en reparatiebedrijf aan de Westerdijk 47-49 geldt dat aan de richtafstand wordt voldaan. Omdat net aan de gewenste richtafstand wordt voldaan, kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvullend beoordeeld worden of terecht is uitgegaan van een gemiddelde bedrijfsvoering van bedrijven met milieucategorie 3.2.
Bij de groothandel in machines en technische apparaten aan de Westerdijk 39-41 vinden de bedrijfsactiviteiten die de meeste hinder met zich mee brengen aan de oostzijde van de Westerdijk plaats. De afstand van het plangebied tot dit perceel bedraagt minimaal 120 m. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de groothandel burgerwoningen gesitueerd, waardoor het aannemelijk is dat de hinder van de groothandel relatief beperkt is.
Het scheepsbouw- en reparatiebedrijf aan de Westerdijk 47-49 is van een relatief beperkte omvang (1.569 m² inclusief twee bedrijfswoningen). Daarmee is ten hoogste sprake van een gemiddelde bedrijfsvoering van milieucategorie 3.2, maar zeer waarschijnlijk is de hinder beneden gemiddeld. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de groothandel burgerwoningen gesitueerd, waardoor het aannemelijk is dat de hinder van het scheepsbouw- en reparatiebedrijf relatief beperkt is.
  
Betonwarenfabriek
Aan de Westerdijk 14-18 staat het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' een betonwarenfabriek (Struyk Verwo Infra Leimuiden, voormalige Betonindustrie Boot) toe. Uit de tabel blijkt dat niet voldaan wordt aan de richtafstand van de VNG-publicatie. Geluid vormt hierbij het maatgevende aspect. Momenteel vinden er geen bedrijfsactiviteiten plaats. Uit de nog geldende omgevingsvergunning milieu van 26 augustus 1994 blijkt dat sprake is van een Wgh-inrichting. Op 21 december 1990 is een geluidzone rond het industrieterrein vastgesteld. Het plangebied is ruimschoots buiten de geluidzone gelegen. Daarmee wordt voldaan aan de Wet geluidhinder en zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geluid.
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect milieuzonering en het plan uitvoerbaar is.
4.7 Water
De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterbeheerplan
Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering.
 
De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing.
 
Keur en beleidsregels 2015
De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
  • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versie betreffen de Keur Rijnland 2015 en de Uitvoeringsregels Keur 2015.
 
Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd.
 
Planspecifiek
Omdat de gronden in het plangebied in de bestaande situatie rondom de woning en de bedrijfshallen volledig verhard is, is de verwachting dat de verharding in de toekomstige situatie in dit deel van het plangebied afneemt. Op de locatie van de te realiseren vrijstaande woning is in de huidige situatie geen verharding aanwezig. Per saldo zal de oppervlakte aan verharding niet of nauwelijks toenemen. Er is geen sprake van een toename aan verharding die hoger is dan de norm van 500 m², waarboven volgens de beleidsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland watercompensatie plaats moet vinden.
 
De nieuwbouw op de locatie van de bestaande woning aan Veerstraat 16 bevindt zich in de nabijheid van een waterkering (boezemkering). Volgens de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland is de kruin van de regionale waterkering gelegen op de weg. Binnen de bebouwde contouren is van oudsher vaak al bebouwing aanwezig rondom waterkeringen. Wanneer het bouwwerk zich binnen de kern- en beschermingszone bevindt, maar buiten het profiel van vrije ruimte en niet boven op de kruin, zoals in dit geval, dan zijn bouwwerken daar onder voorwaarden toegestaan. Het waterkerend vermogen wordt hierbij niet aangetast. Het waterhuishoudkundig belang is met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' in de planregels geborgd.
 
Voor de overige te realiseren woningen geldt dat ze niet zijn gelegen in de nabijheid van een waterkering.
4.8 Cultureel erfgoed
 
4.8.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Nader cultuurhistorisch onderzoek is niet noodzakelijk. Wel maakt het plangebied deel uit van het beschermd dorpsgezicht. Om die reden wordt vastgehouden aan de erfstructuur. Verder dienen met name de halfvrijstaande woningen die direct aan de Veerstraat zijn voorzien zich binnen het beschermd dorpsgezicht te schikken.
 
De bebouwing op Veerstraat 9, 10, 12, 19 en 20 bestaat uit gemeentelijke monumenten. De ontwikkeling heeft echter geen negatieve invloed op deze monumenten, omdat er geen bebouwing wordt toegevoegd in de nabijheid van deze gemeentelijke monumenten.
 
Gezien het voorgaande dient er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect cultuurhistorie.
 
4.8.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld, dat in 2013 geactualiseerd is. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd.
 
Planspecifiek 
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
 
 
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied: zwarte cirkel)
 
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting en binnen de gebieden historische kernen en ontginningsassen. Daarbij geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is wanneer het werkzaamheden betreft die groter dan 150 m² zijn en dieper dan 0,30 m onder het maaiveld reiken. Bij voorgenomen plan worden deze normen overschreden. Derhalve dient er een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
 
Er is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Transect, rapport 1847, 4 september 2018) uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het onderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten en sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten hangen samen met de historisch bewoningslint van Oude Wetering. Tijdens het onderzoek is vanaf een diepte van circa 30-40 cm -Mv een historisch ophoogpakket aanwezig, dat samenhangt met bewoning in die tijd. Voor wat betreft de overige perioden is de archeologische verwachting laag vanwege de doorgaans natte en ongeschikte omstandigheden voor bewoning in die tijd.
 
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting. In het plangebied zijn vanaf een diepte van 30 cm resten aanwezig die te relateren zijn aan de geschiedenis van Oude Wetering. Hierbij worden met name in het oostelijk deel bebouwingsresten verwacht, terwijl in het westelijk deel juist sporen van bijgebouwen, afvalkuilen en waterputten aanwezig kunnen zijn. Daarom is, conform het advies uit het onderzoek, in het voorliggende wijzigingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' (voor historische kernen; 150 m² en 30 cm -Mv, conform het gemeentelijk beleid) toegekend.
 
Voor wat betreft de toekomstige nieuwbouw van woningen wordt aanbevolen in het kader van een toekomstige vergunningverlening een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (IVO-P). Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld of en in hoeverre er behoudenswaardige resten aanwezig zijn. Op basis hiervan vindt een beslissing plaats of er naar een opgraving van de te verstoren resten moet worden doorgestart. Op voorhand van dit onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat alvorens de werkzaamheden dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Kaag en Braassem).
4.9 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. 
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.          
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. 
   
Planspecifiek
Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, BE/2018/445/R, 15 januari 2019) uitgevoerd.
 
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Mogelijk maken vleermuizen gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De bomen zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels.
 
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming geldt.
 
Uitvoerbaarheid
De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit).
 
Conclusie
De beoogde ontwikkeling aan Veerstraat 15-16 te Oude Wetering is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
4.10 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
4.10.1 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
Planspecifiek 
De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 (gepubliceerd op 15 maart 2018). Daarin is het plangebied aangewezen als 'rest bebouwde kom'. Voorliggend wijzigingsplan voorziet uiteindelijk in de realisatie van twee halfvrijstaande woningen, zeven (loft)woningen en één vrijstaande woning. In de navolgende tabel is uiteengezet wat de parkeerbehoefte conform minimale gemeentelijke parkeernormen is.
 
Woningen (grondgebonden)ParkeernormParkeerbehoefte
vrijstaand1,91 x 1,9 = 1,9
twee-onder-een-kap1,82 x 1,8 = 3,6
tussenwoning/hoekwoning1,67 x 1,6 = 11,2
Totaal 16,7
 
Uit de tabel blijkt dat de totale parkeerbehoefte afgerond 17 parkeerplaatsen bedraagt. Deze parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen terrein. Zoals op de situatietekening in toelichting paragraaf 2.2 is weergegeven zijn er binnen het plangebied op het achterterrein 17 parkeerplaatsen voorzien. In aanvulling daarop zijn aan de voorzijde van het perceel, nabij inrit aan de Veerstraat, twee parkeerplaatsen beoogd.
 
4.10.2 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Voorliggend wijzigingsplan voorziet uiteindelijk in de realisatie van twee halfvrijstaande woningen, zeven (loft)woningen en één vrijstaande woning. Uitgaande van een maximale verkeersgeneratie van 8,6 bij vrijstaande woningen (koop), 8,2 bij twee-onder-een-kapwoningen (koop) en 7,8 bij tussen- of hoekwoningen (koop) leidt dat, wanneer alle woningen worden gerealiseerd, tot een verkeersgeneratie van 79,6 voertuigbewegingen per etmaal.
 
In de huidige situatie is een vrijstaande woning aanwezig en detailhandel, die gecategoriseerd kan worden als een bouwmarkt, aanwezig. Voor een bouwmarkt in de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk gebied' geldt een verkeersgeneratie van 35,2 voertuigbewegingen per 100 m² bvo. Uitgaande van 675 m² bvo, wat slechts de oppervlakte van de zuidelijke bedrijfshal betreft, komt dit overeen met 237,6 voertuigbewegingen. Opgeteld bij de 8,6 voertuigbewegingen voor de vrijstaande woningen is in de huidige (planologische) situatie naar verwachting sprake van een verkeersgeneratie van 246,2 voertuigbewegingen per etmaal.
 
Geconcludeerd kan worden dat naar verwachting een aanzienlijke afname van de verkeersgeneratie op zal treden wanneer het plan in zijn volledigheid wordt uitgevoerd.
 
De beoogde woningen worden, gelijk aan de huidige situatie, ontsloten via de Veerstraat.
 
Het aspect verkeer is gezien het voorgaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
 
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.
5.3 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
 
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
  • bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen
Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
  • Tuin;
  • Verkeer;
  • Wonen;
  • Waarde - Archeologie 1;
  • Waarde - Beschermd dorpsgezicht;
  • Waterstaat - Waterkering.
Voor de planregels wordt in het voorliggende wijzigingsplan verwezen naar de relevante bepalingen uit het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering'. Derhalve behoeven de (dubbel)bestemmingen geen nadere toelichting.
 
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro, kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd, waardoor een exploitatieplan niet nodig is.
 
De initiatiefnemer verklaart dat hij de realisatie en begeleiding van het plan voor eigen rekening neemt en er zicht is op verkoop van de woningen. De economische uitvoerbaarheid van het plan wordt gegarandeerd door de initiatiefnemer en is derhalve verzekerd.
 
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpwijzigingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
 
Het ontwerpwijzigingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
 
Participatie
De initiatiefnemer heeft op 18 februari 2017, in het kader van de totstandkoming van de wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering', met de omwonenden van de Zuidschans 21 en 23 en enkele omwonenden van de Veerstraat overleg gevoerd over het beoogde plan. Zij zijn op hoofdlijnen positief over het plan. Het verbeteren van het aanzicht vanaf de Alkemadelaan en de ruimtelijke kwaliteit worden als positief ervaren. Aandachtspunten van de omwonenden zijn de afwatering vanaf het perceel en de verdere uitwerking van het plan.
7.1 Vooroverleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd worden aan de wettelijke vooroverlegpartners.
 
De provincie Zuid-Holland is akkoord met het plan en ziet geen strijdigheid met het provinciaal beleid. Ze merkt wel op dat de gemeente Kaag en Braassem erop toe moet zien dat het plan is opgenomen op de regionale planlijst. De gemeente ziet dit als haar verantwoordelijkheid en zal de regionale planlijst monitoren.
7.2 Zienswijzen
Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 23 mei 2019 t/m 3 juli 2019 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.