Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24 Woubrugge
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

Regels

2 Inleidende regels

Pre-ambule
 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Oudendijkseweg 24 te Woubrugge en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22h]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit plan) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22h] van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22h]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22h]' gelezen worden.

Artikel 4 Begrippen

4.1 Omgevingsplan Kaag en Braassem

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Kaag en Braassem in die zin dat na hoofdstuk 22 [een hoofdstuk 22h] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

4.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.     

4.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22[h] standaard VAB-initiatief, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1. 

Artikel 3 Begrippen

 

3.1 Algemene begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

3.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.2.1 tot en met 2.2.35 gehanteerd.
3.2.1 TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24 Woubrugge met identificatienummer NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1 van de gemeente Kaag en Braassem.
3.2.2 omgevingsplan
Omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
3.2.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.2.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
3.2.5 aan-huis-gebonden beroep
de uitoefening van een beroep door de bewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied in een woning of bijgebouw, waarbij de woning overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.2.6 achtererf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
3.2.7 achtererfgebied
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,0 m van de voorkant van het hoofdgebouw.
3.2.8 bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2.9 bestaande afstand-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
legale afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens een omgevingsvergunning, dan wel een bouwvergunning.
3.2.10 bestaande bouwwerken
legale bouwwerken, die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit hoofdstuk zijn of worden gebouwd krachtens een rechtsgeldig verleende omgevingsvergunning voor het bouwen.
3.2.11 bestaand gebruik
het op het tijdstip van het in werking treden van het plan legaal aanwezige en/of vergunde gebruik.
3.2.12 bijbehorende bouwwerken
hieronder worden begrepen:
 
aanbouw/uitbouw: een aan een hoofgebouw aangebouwd gebouw dat functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw is verbonden en door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt;
 
bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
3.2.13 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.2.14 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
3.2.15 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de functieomschrijving geschikt of geschikt te maken is.
3.2.16 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.2.17 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
3.2.18 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
3.2.19 bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
3.2.20 dakopbouw
een uitbreiding van het hoofdgebouw als zijnde vergroting van de bestaande ruimten, niet op de begane grond.
3.2.21 erf- en terreinafscheiding
een bouwwerk dat dient ter afscheiding van het erf of een terrein.
3.2.22 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.2.23 hoofdgebouw
een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
3.2.24 huishouden
een aantal door eerstegraads familie- of vergelijkbare band aan elkaar gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde gemeenschappelijke voorzieningen en de gezamenlijke toegang in één wooneenheid (zoals een gezin of een gezin met inwonende familieleden) die continue een eenheid vormt.
3.2.25 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
3.2.26 opslag
het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
3.2.27 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
3.2.28 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van maximaal één wand en een (overwegend) gesloten dak.
3.2.29 paardenbak/buitenrijbaan
een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijdactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining ten behoeve van het berijden, trainen en/of africhten van paarden.
3.2.30 peil
  1. ten opzichte van gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdingang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
3.2.31 perceel
gronden die bij elkaar horen, omdat zij aan elkaar grenzen en in het gebruik een eenheid vormen, doordat zij uitsluitend bij hetzelfde bedrijf, dezelfde woning of instelling behoren.
3.2.32 rooilijn
de lijn evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de voorgevel van het gebouw (niet zijnde een bijgebouw) dat het dichtst bij de weg is gelegen dan wel (indien de voorgevel niet evenwijdig is aan de weg) de lijn evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van zij- en voorgevel van het gebouw (niet zijnde een bijgebouw) dat het dichtst bij de weg is gelegen.
3.2.33 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang als zij het bedrijfsmatig, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische- of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt tevens verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
3.2.34 voorgevel
de naar de weg of waterweg gekeerde zijde van een gebouw of in het geval van hoeksituaties de twee of drie zijden van een gebouw die naar de weg of waterweg zijn gekeerd.
3.2.35 voorgevelrooilijn
de lijn die - evenwijdig aan de openbare weg - in het verlengde ligt van de voorgevel van het gebouw, dat het dichtst bij de weg is gelegen, gebouwen kleiner dan 6 m² niet meegerekend.
3.2.36 woning
een gebouw of gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor huisvesting van niet meer dan één huishouden.
3.2.37 zijerf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 5 Wijze van meten

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, gelden de volgende meetbepalingen:

5.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

5.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

5.3 breedte, lengte en diepte van een gebouw

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

5.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

5.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

5.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken, het hart van de scheidingsmuren en/of de buitenwerkse maten van de draagconstructie, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

5.7 vloeroppervlakte

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

1 Inleidende regels

 

Artikel 2 Begrippen

2.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1 is aangewezen als 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'.

2.2 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap, dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders;
met daaraan ondergeschikt:
  1. wandel-, fiets-, en ruiterpaden;
  2. kleinschalige natuurontwikkeling;
  3. voorzieningen zoals groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, dammen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen van water;
met dien verstande dat:
  1. erfontsluitingswegen ten behoeve van gronden anders dan gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden, tevens zijn toegestaan, doch uitsluitend met een zo kort mogelijke lengte, met zo min mogelijk doorsnijding van het landschap.
 

2.3 Bouwactiviteiten

Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de functie worden gebouwd en gelden de volgende regels:
  1. uitsluitend erf- en terreinafscheidingen mogen worden gebouwd.

2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 
2.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
  1. ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen, egaliseren (>50 cm);
  2. dempen, graven, vergroten of herprofileren van waterlopen;
  3. aanbrengen opgaande beplantingen;
  4. aanleggen van verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden en (half)verhardingen >50 m² (niet zijnde kavelpaden);
  5. aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm bij wijze van woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en afgraven dan wel ten behoeve van ontginnen of draineren;
  7. aanleggen van oeverbeschoeiingen.
2.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van lid 4.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
  1. binnen het bouwvlak plaatsvinden;
  2. normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  4. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;
  5. het dempen van dwarssloten (breedtesloten) betreffen;
  6. de aanleg van dammen en onderbemaling betreffen.
2.4.3 Voorwaarden van een omgevingsvergunning
De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in lid 4.1 onder c, in de directe omgeving niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, hetgeen door de initiatiefnemer aangetoond dient te worden.

Artikel 1 Begrippen

1.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1 is aangewezen als 'Wonen'.

1.2 Functieomschrijving

Binnen de als 'Wonen' aangewezen locatie zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
  1. het wonen en in samenhang daarmee de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
Met bijbehorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, toegangswegen en paardenbakken.

1.3 Bouwactiviteiten

Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties zijn de volgende algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van toepassing:
  1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. het aantal toegestane woningen per bouwvlak bedraagt één;
  3. voor zover gebouwen niet op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot deze grens ten minste 2 m te bedragen;
  4. bijgebouwen, aanbouwen en overkappingen bij de woningen dienen ten minste 1 meter terugliggend op de voorgevelrooilijn te worden gebouwd;
  5. overigens gelden de volgende maatvoeringen:
 max.
inhoud
max.
oppervlak
max.
goothoogte
max.
bouwhoogte
woningen, niet zijnde woonschepen (inclusief aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen)750 m3 4 m9 m
aan- en uitbouwen, aaneengebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkapping behorende bij de woning
 50 m2
3 m
6 m
vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen behorende bij de woning  3 m6 m
erf- of terreinafscheidingen:
- voor de voorgevelrooilijn
- elders
   
1 m
2 m
overige bouwwerken, geen gebouwen en geen lichtmasten zijnde   3 m
 
met dien verstande dat:
  1. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven.

1.4 Specifieke functieregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende specifieke functieregels:
  1. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, waarbij ten behoeve van paardenbakken tevens de volgende regels gelden:
    1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan;
    2. de afmetingen van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m;
    3. lichtmasten zijn niet toegestaan.

1.5 Voorwaardelijke verplichting

1.5.1 Landschappelijke inpassing
De woningen worden gebouwd (en in stand gelaten) in overeenstemming met hetgeen in het landschappelijk inpassingsplan staat, conform bijlage 1 bij de regels.
1.5.2 Bodemsanering
Binnen een als 'Wonen' aangewezen locatie is het alleen toegestaan om nieuwe gebouwen en-/of bouwwerken op te richten nadat de bodemsanering overeenkomstig het door bevoegd gezag goedgekeurde saneringsplan is uitgevoerd, de uitgevoerde sanering is goedgekeurd en de leeflaag overeenkomstig dit saneringsplan in stand wordt gehouden.
1.5.3 Omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteit
Binnen een als 'Wonen' aangewezen locatie is het alleen toegestaan om nieuwe gebouwen en-/of bouwwerken op te richten indien een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de rugstreeppad wordt aangevraagd en verleend.
1.5.4 Beeldkwaliteitsplan
De woningen worden gebouwd (en in stand gelaten) in overeenstemming met hetgeen in het beeldkwaliteitsplan staat, conform bijlage 2 bij de regels.

3 Algemene regels

Artikel 6 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:
  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt;
  2. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  3. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.

8.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten

Voor een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende functie, geldt dat:
  1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

8.3 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende beoordelingsregels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen bouwvlakken;
  2. ondergrondse bouwwerken worden niet meegeteld bij bepaling van de inhoudsmaat van woningen;
  3. de onderkant van het bouwwerk (inclusief fundering) bedraagt ten hoogste 3,2 m onder het peil;
  4. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde onder b, indien het hydrologisch belang niet wordt geschaad, hetgeen door de initiatiefnemer wordt onderbouwd met een schriftelijk advies van het waterschap en de provincie.

8.4 Dakkapellen

Voor het bouwen van dakkapellen dient voldaan de worden aan de volgende bepalingen:
  1. gemeten vanaf de voet van de dakkapel, mag deze niet hoger zijn dan 1,75 m;
  2. de onderzijde van de dakkapel dient meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet gesitueerd te worden;
  3. de bovenzijde van de dakkapel dient meer dan 0,5 m onder de daknok gesitueerd te worden;
  4. de zijkanten van de dakkapel dienen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak gesitueerd te worden.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

  1. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning, zelfstandig recreatief onderkomen of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan;
  2. het gebruik van bed & breakfastkamers en kampeerboerderijen voor permanente bewoning is niet toegestaan;
  3. het gebruik van recreatieve onderkomens voor permanente bewoning is niet toegestaan;
  4. buitenopslag binnen het bouwvlak hoger dan 4 m is niet toegestaan, buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan;
  5. het afmeren/aanleggen van (plezier)vaartuigen bij wijze van (tijdelijke) opslag langer dan 1 week is niet toegestaan, met uitzondering van ten hoogste 2 vaartuigen per (bedrijfs)woning of recreatieonderkomen aangrenzend aan het betreffende perceel;
  6. kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis zijn toegestaan, voor zover:
    1. het vloeroppervlak ten behoeve van kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen;
    2. ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien;
    3. de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
  7. reclameborden, neonverlichting, lichtmasten en lichtbakken zijn niet toegestaan;
  8. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak;
  9. het gebruik van gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen is niet toegestaan.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Indien de regels een bouwwerk of gebruik niet toestaan en niet op grond van een andere bepaling van de regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, kan het bevoegd gezag afwijken van de desbetreffende regels van dit plan in artikel 10 lid 1 tot en met artikel 10 lid 10 de hierna genoemde gevallen, mits:
  1. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  3. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  4. bij het uitbreiden en/of wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt aangetoond dat in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouwen, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de beleidsregels 'Nota parkeernormen 2018' of diens rechtsopvolger;
  5. de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur/samenhang van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast, waarbij onder andere nadrukkelijk rekening wordt gehouden met molenbiotopen, karakteristieke gebieden en/of (nabijgelegen) karakteristieke panden;
  6. het waterkeringsbelang niet onevenredig wordt aangetast.

10.1 Bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw binnen de bebouwde kom, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. een bijbehorend bouwwerk dient te worden gerealiseerd aan of bij:
    1. een bestaande of nieuwe woning of;
    2. een ander reeds gerealiseerd hoofdgebouw;
  2. indien een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied wordt gerealiseerd:
    1. bedraagt de diepte van een aanbouw voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1,50 m;
    2. resteert er na de realisatie van een aanbouw een voorerf met een minimale diepte vóór de aanbouw van 3,50 m;
    3. bedraagt de goot- en/of nokhoogte van een aanbouw niet meer dan de aangrenzende bouwlaag, met dien verstande dat de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,30 m, tenzij in het oorspronkelijke architectonische of stedenbouwkundige ontwerp is voorzien van een hogere goot- en/of nokhoogte;
    4. in afwijking van hetgeen onder 1 en 2 is benoemd, mag het gedeelte tussen het oorspronkelijke hoofdgebouw en een oorspronkelijk bijgebouw worden volgebouwd, mits de breedte niet meer bedraagt dan de breedte van het oorspronkelijke bijgebouw;
    5. in afwijking van hetgeen onder 3 is benoemd, bedraagt de goothoogte van een aanbouw niet meer dan 3 m boven de goothoogte van het oorspronkelijke hoofdgebouw, met dien verstande dat dit bijbehorende bouwwerk de hoofdingang vormt van het hoofdgebouw en de breedte van dit bijbehorende bouwwerk niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  3. indien een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied wordt gerealiseerd:
    1. bedraagt de goot- en/of bouwhoogte van een aanbouw binnen het bouwvlak niet meer dan respectievelijk de goot- en/of bouwhoogte van het hoofdgebouw;
    2. bedraagt de goot- en/of bouwhoogte van een aanbouw buiten het bouwvlak niet meer dan de goothoogte van het hoofdgebouw en ten hoogste 3,30 m, met dien verstande dat een kap op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mogelijk is, mits:
      1. de aanbouw functioneel verbonden blijft met het hoofdgebouw;
      2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
      3. de goothoogte van de aanbouw niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
    3. bedraagt de bouwhoogte van een bijgebouw ten hoogste 5 m, waarbij de goothoogte maximaal 3,30 m bedraagt;
    4. is een bijgebouw functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, voor zover dit op meer dan 4 m van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt;
    5. bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken, voor zover deze zijn gelegen in het achtererfgebied (zoals in het vigerende bestemmingsplan is aangegeven), ten hoogste 150 m², met dien verstande dat voldaan wordt aan het in onderstaande tabel genoemde maximale bebouwingspercentage. 
WoningtypeOppervlakte zij- en achtererfMax. bebouwingspercentage van het zij- en achtererf
 rijwoning-tussenwoning-50%
 rijwoning-hoekwoning-50%
 twee aaneen-50%
 vrijstaand≤ 400 m²40%
 vrijstaand> 400 m²35%
  1. blijft er van het achtererfgebied, dat is gelegen buiten het bouwvlak (zoals in het vigerende bestemmingsplan aangegeven), minimaal 50% onbebouwd en onoverdekt;

10.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een oppervlakte van ten hoogste 50 m²:
  1. erf- en terreinafscheidingen, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. indien gebouwd vóór de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan bedraagt de hoogte maximaal 1,00 m;
    2. in overige gevallen bedraagt de hoogte maximaal 2,00 m;
  2. een carport, met een hoogte van ten hoogste 3,30 m, met dien verstande dat het perceel ontsloten wordt door een vergunde uitweg;
  3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, installatie voor warmte- of koudeopwekking zijnde, met een hoogte van ten hoogste 2,00 m;
  4. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, straatmeubilair zijnde, zoals lichtmasten en verkeerslichtinstallaties e.d. met een hoogte van ten hoogste 10 m.

10.3 Installatie voor warmte- en koudeopwekking

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van het plaatsen van een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op het dak of aan de gevel van gebouwen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de installatie is niet hoger dan 1,5 m en heeft een maximale oppervlakte van 3 m², indien op het dak geplaatst;
  2. de installatie heeft een maximale omvang van 2 m³ en wordt uitsluitend aan de zijgevel of achtergevel geplaatst, indien het een unit aan de gevel betreft;
  3. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 m;
  4. de installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare weg geplaatst.

10.4 Dakkapellen

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van het plaatsen van een dakkapel, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. volledig binnen het dakvlak van het hoofdgebouw;
  2. de onderkant van de dakkapel minimaal 0,85 m boven de verdiepingsvloer;
  3. de bovenkant van de dakkapel niet hoger dan de nokhoogte van het hoofdgebouw;
  4. indien er ook sprake is van een dakopbouw, de bovenkant van de dakkapel minimaal 0,5 m onder de nokhoogte van de dakopbouw;
  5. de zijkant van de dakkapel minimaal 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, tenzij de dakkapel geschakeld wordt met een andere dakkapel.

10.5 Dakopbouwen

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van het plaatsen van een dakopbouw, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de dakopbouw wordt uitsluitend op een hoofdgebouw gerealiseerd;
  2. de dakopbouw bestaat uit niet meer dan één bouwlaag;
  3. de afstand van de zijkant van de dakopbouw tot aan de zijkant van het dakvlak van het hoofdgebouw, voor zover dit grenst aan een andere woning, bedraagt 0 m, tenzij in hetzelfde bouwblok reeds hiervan afwijkende dakopbouwen aanwezig zijn, in dat geval is de afstand tot de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m of overeenkomstig die reeds afwijkende dakopbouwen.

10.6 Dakterrassen

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van dakterrassen bij woningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. het dakterras wordt gerealiseerd op een aanbouwen of op een bouwkundig gezien ondergeschikt gedeelte van het hoofdgebouw;
  2. het dakterras bevindt zich aan de achterzijde van de woning of op een zijdakvlak dat niet naar het openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; 
  3. het dakterras is bereikbaar via een dakluik of een deur vanuit een ruimte op dezelfde verdieping;
  4. het dakterras dat op minder dan 2 m uit de erfgrens ligt geeft geen uitzicht op een naburig erf. 

10.7 Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele- of openbare voorziening

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van gebouwen ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarde:
  1. de oppervlakte bedraagt maximaal 100 m².

10.8 Antenne-installaties

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van antenne-installaties voor gemeenschappelijk gebruik, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 40 m;
waarbij het bevoegd gezag de situering en maatvoering betrekt in haar afweging omtrent een ruimtelijk verantwoorde plaatsing ten opzichte van de omgeving.

10.9 Aan huis verbonden beroep

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van het gebruik van ruimten van de woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het ondergeschikte medegebruik van de woning dient beperkt te blijven tot ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 30 m²;
  2. degene die het aan huis verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  3. door degene die het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, dient te worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein (zoals vastgelegd in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen 2018' of diens rechtsopvolger);
  5. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

10.10 Aan huis verbonden bedrijf

Het bevoegd gezag kan afwijken ten behoeve van het gebruik van ruimten van de woning en/of een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of een bijbehorend bouwwerk dient beperkt te blijven tot ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m²;
  2. degene die het aan huis verbonden bedrijf in de woning of een bijgebouw uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  3. door degene die het aan-huis-verbonden bedrijf uitoefent, dient te worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein (zoals vastgelegd in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen 2018' of diens rechtsopvolger);
  5. het bedrijf dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  6. de activiteit is niet vergunnings- dan wel meldingsplichtig op grond van milieuwetgeving;
  7. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden activiteit.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken

11.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  3. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit de algehele herbouw van (bedrijfs)woningen mag uitsluitend plaatsvinden op bestaande fundamenten.
11.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 11.1.1 met maximaal 10%.
11.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in 11.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

11.2 Overgangsrecht gebruik

11.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
11.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
11.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in 11.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
11.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.