4.1 Milieueffectrapportage
De
milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse
procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming
te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en
besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van
publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7
van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit
m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een
plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij
toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of
besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven
de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2
‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden
beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit
is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3
‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct
een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of
besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de
drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van
onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende
plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het
uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of
het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze
keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit
gemotiveerd;
- de
activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet
genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen
m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Uit
toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling
van het bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat
namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (namelijk de aanleg, wijziging
of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van
de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet
voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. Omdat
er slechts 8 woningen worden gerealiseerd (minder dan 1% van de
drempelwaarde) kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan
worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Deze vormvrije
m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch
een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen
voor m.e.r.
De
vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gevormd door deze ruimtelijke
onderbouwing. Daarin worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen
gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten; een
nadere m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
4.2 Milieu
4.2.1 Bodem
In
het kader van een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de
kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in
overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet
Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem
waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is
gemaakt voor het beoogde doel.
Bij
herinrichtingssituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in
het kader van de Woningwet. Bij een bestemmingswijziging is een
bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging
tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een
bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng
bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de
bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet
noodzakelijk.
Voor bodemgebruik wordt uitgegaan van acht verschillende bodemfuncties:
- landbouw;
- moestuin/volkstuin;
- wonen met tuin;
- kinderspeelplaatsen;
- natuurgebieden;
- groen met natuurwaarden;
- industrie en ander groen;
- bebouwing en infrastructuur.
In
het kader van de Wet bodembescherming worden de acht bodemfuncties
in het Besluit Bodemkwaliteit onderscheiden in drie bodemklassen:
- klasse landbouw en natuur (1, 2 en 5);
- klasse wonen (3, 4 en 6);
- klasse industrie/bedrijven (7 en 8).
Wanneer onderzoek
noodzakelijk is wordt in eerste instantie volstaan met een historisch
vooronderzoek. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat op grond van de
resultaten een verontreiniging te verwachten is, dient een verkennend
bodemonderzoek conform de NEN 5740 (Bodem - Landbodem - Strategie voor
het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de
milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) van het NNI te
worden uitgevoerd.
De
kwaliteit van verontreinigde bodem moet ten behoeve van de realisatie
van een nieuwe bestemming voldoen aan de doelstellingen uit de
Beleidsvernieuwing Bodemsanering (BEVER). Uitgangspunt is dat
functioneel wordt omgegaan met eventueel aanwezige verontreinigingen.
Tevens introduceerde de commissie Welschen in het begin van de jaren
negentig het begrip "actief bodembeheer". Het doel hiervan is om op
verstandige, doelmatige wijze om te gaan met de structurele
aanwezigheid van bodemverontreiniging.
Planspecifiek
In
het verleden zijn delen van de planlocatie reeds onderzocht op
bodemkwaliteit. Aanvullend hierop is middels recent onderzoek de
bodemkwaliteit van een resterend gedeelte onderzocht. Daarnaast
dient voor één terrein deel nog een onderzoek uitgevoerd
te worden. Alle onderzoeken zijn opgenomen als bijlagen van
voorliggende bestemmingsplantoelichting. De eerder uitgevoerde
onderzoeken uit 1995, 2007 en 2008 tonen aan dat het grote delen
van het gehele plangebied licht tot sterk zijn verontreinigd.
Daarmee is, ingevolge de Wet bodembescherming sprake van ernstige
bodemverontreiniging. Omdat het hier in hoofdzaak immobiele
verontreinigingen betreft en het gebruik sinds de onderzoeken zodanig
van aard is dat nieuwe verontreinigingen niet worden verwacht, zal
nieuw onderzoek niet tot nieuwe informatie leiden.
Op
basis van het definitieve ontwerp, het beoogde gebruik en de
terreininmeting (hoogte bestaand maaiveld) zal een saneringsplan worden
opgesteld. In de planvorming is rekening gehouden met de
uitvoeringskosten van een dergelijk saneringsplan, hierbij is voor het
niet onderzochte terreindeel uitgegaan van een aanwezige
vervuiling. Hiermee is uitgegaan van een financiële worstcase
scenario. Na de uitvoering van de bodemsanering is de kwaliteit van de
grond in overeenstemming gebracht met de beoogde functie. Dan
bestaan er vanuit de Wet Bodembescherming geen belemmeringen
voor de voorliggende ontwikkeling.
4.2.2 Luchtkwaliteit
In
de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze
paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel
bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit
introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.
Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de
verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten
dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de
luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en
infrastructuur (wegen).
Wat
het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de
algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate
bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat
'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de
jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram
per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de
luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen,
kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale
overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te
toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling
naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in
betekenende mate bijdragen'.
Een
belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het
Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL,
dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies
en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te
realiseren.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op
16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking
getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel
5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van
zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en
rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke
ordening.
Het
Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde
gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het
bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking
heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen
op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter
langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het
totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet
toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2
dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
- scholen;
- kinderdagverblijven;
- verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het
gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om
alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in
bestemmingsplannen en andere besluiten.
In
het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee
aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de
nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de
luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert.
Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt
aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te
toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen
overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog
gerealiseerd worden.
Planspecifiek
Voorliggend
plan voorziet in een toename van 8 woningen. Woningen zijn niet
aangemerkt als gevoelige bestemming. Daarmee hoeft niet verder bekeken
te worden of de luchtkwaliteit de functie toelaat.
Uit
paragraaf 4.4 zal blijken dat als gevolg van het toe te
voegen programma maximaal 56.2 nieuwe verkeersbewegingen worden
voorzien. In deze paragraaf is tevens een inschatting gegeven van
het huidige aantal verkeersbewegingen (20). Waar in de huidige situatie
vrachtverkeer nog aandeel uitmaakt van het totale aantal
verkeersbewegingen wordt dit in de beoogde situatie nauwelijks tot niet
meer verwacht. Deze gegevens zijn middels de NIBM tool
doorgerekend om een inschatting te kunnen maken van de
consequenties van de planontwikkeling op de luchtkwaliteit.
Hiernavolgende tabel geeft de resultaten weer.
| |
Aantal verkeersbewegingen |
Aandeel vrachtverkeer (inschatting) |
Bijdrage NO2 |
Bijdrage PM10 |
| Huidige situatie |
20 |
50% |
0.16 µg/m3 |
0.02 µg/m3 |
| Beoogde situatie |
56 |
5% |
0.09 µg/m3
|
0.02 µg/m3 |
| Reductie |
|
|
0.07 µg/m3 |
0 µg/m3 |
Op basis van de gemaakte inschattingen is sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit (reductie NO2).
Daarmee draagt het project onomstotelijk niet ‘in betekenende
mate’ bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit en is
nadere toetsing niet aan de orde.
4.2.3 Geluid
De
mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de
Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige
objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh
worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);
- andere
geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen,
verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen,
kinderdagverblijven).
Het
beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van
vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet
geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai
en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op
geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Het
plangebied is niet binnen de invloedsfeer van industrie- en
spoorweglawaai gelegen. Deze vormen van lawaai zijn derhalve niet van
belang. In de omgeving van het bouwplan zijn de Leidseweg en de
Kolk gelegen. Door de gemeente Kaag en Braassem is op 9 april 2013 een
verkeersbesluit genomen waardoor de wettelijke rijsnelheid op de beide
wegen wordt verlaagd naar 30 km/uur. Daardoor bevindt zich langs deze
wegen geen onderzoekszone in het kader van de Wgh. Op grond van vaste
jurisprudentie is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een
akoestisch onderzoek (bijlage) naar wegverkeerslawaai uitgevoerd.
Rekening
houdend met de toegestane reductie overeenkomstig artikel 110g Wgh,
geeft het akoestisch onderzoek voor de Leidseweg een maximale
geluidsberekening op de gevel van 48 dB. Voor de Kolk wordt een
maximale geluidsbelasting gegeven van 39 dB. Omdat de geluidsbelasting
de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt is sprake van een acceptabel
woon- en leefklimaat. Het aspect wegverkeerslawaai levert daarom geen
belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering
Het
aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven
kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de
afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid.
Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun
aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of
nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen
ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij
een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij
een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige
bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor
dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige
functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een
verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het
waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit
van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering
beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals:
geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden
en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type
bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten'
(VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en
Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst
opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige
bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt
dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het
belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging
steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet,
mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en
milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van
voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld
bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare
voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
De
directe omgeving van het plangebied wordt gevormd door overwegend
woningbouw. Op enige afstand van het plangebied zijn bedrijven
gesitueerd. Het betreft hier onder meer een horecabedrijf (Leidseweg
14), een aannemersbedrijf (Leidseweg 22), kleinschalige
detailhandel (Zwarteweg 3) en een veehouderij (Akkerslootpolder 1a).
Deze bedrijven worden momenteel reeds belemmert door diverse
nabijgelegen (maatgevende) woningen. Door deze belemmering
zijn de bedrijfsvoeringen zodanig aangepast dat deze passen binnen of
grenzend aan bestaand woongebied.
De veehouderij
valt onder het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn
afstandseisen opgenomen voor geurhinder. De afstand tot geurgevoelige
objecten (zoals woningen) moet tenminste 50 m bedragen.
De afstand tussen het plangebied en de veehouderij bedraagt minimaal
150 meter. Daarmee wordt voldaan aan de gewenste zonering
en een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied
worden aangetoond.
Voorts
is de afstand tussen het plangebied en overige bedrijfsbestemmingen
minimaal 50 meter. Deze afstand, in combinatie met de reeds bestaande
belemmeringen, sluit overlast bij de beoogde woningen uit. Bovendien
zal, door deze afstand en het feit dat diverse woningen dichterbij zijn
gelegen, de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een nieuwe beperkingen
van bedrijfsvoeringen.
4.2.5 Externe veiligheid
Sommige
activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote
gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich
op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de
productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving.
Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden
kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte
schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo
efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het
externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De
wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende
risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast
wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen
kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en
groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar
zijn onder meer woningen, onderwijs- en
gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote
kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer
kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige
lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit
externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6
als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze
contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare
objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan.
Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Het groepsrisico
is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10,
100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun
aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon
voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken
is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt
weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van
aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat
een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het
groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde
oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een
verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke
mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te
beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening,
zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag
moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de
veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een
brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe
groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor
(de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit
externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt
veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen
buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan
burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle
bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele
als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te
bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden
diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare
objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en
het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen
milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle
inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met
betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er verschillende
ontwikkelingen gaande. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid
buisleidingen en wordt er gewerkt aan een Structuurvisie buisleidingen.
Deze Structuurvisie wordt de opvolger van het Structuurschema
Buisleidingen uit 1985 en bevat een lange termijnvisie op het
buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende
Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011
in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke
veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met
gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten
verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis
waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een
risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht
te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de
circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering
langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het externe
veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat
beschreven in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
(Rnvgs). In de circulaire Rnvgs is dit beleid nader uitgewerkt. In de
nota en circulaire Rnvgs staan normen voor het vervoer van gevaarlijke
stoffen via weg, water en spoor. Deze normen hebben echter geen
wettelijke status.
Het voornemen van
het kabinet is een aantal categorieën van routes voor het vervoer
van gevaarlijke stoffen en bijbehorende plafonds aan te wijzen. Dit
moet leiden tot een basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Dit Basisnet geeft de relatie aan tussen de ruimtelijke ordening en de
vervoersrisico’s. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke
ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in een gebied tot 200 meter
vanaf de infrastructuur. Om het Basisnet wettelijke grondslag te geven
zal bestaande wetgeving aangepast en nieuwe wetgeving ontwikkeld moeten
worden. Derhalve wordt een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)
opgesteld om de regels voor de ruimtelijke ordening van het Basisnet
vast te leggen: het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev).
Vanuit het Btev moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen
(plaatsgebonden risico) opgenomen worden en moet een transparante
afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Het Btev is nog
niet in vastgesteld beleid. Vooruitlopend op de gewenste
vaststelling zijn de Basisnetten Weg en Water al als bijlage bij de
circulaire Rnvgs opgenomen.
Planspecifiek
Uit raadpleging
van de provinciale risicokaart blijken er zich in de nabije omgeving
van het betreffende plangebied geen risicovolle objecten te bevinden.
Het aspect BEVI vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit
project.
Uitsnede provinciale risicokaart (plangebied in zwart kader)
In de nabijheid
van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen. Verder is vervoer
van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor in de omgeving van het
plangebied niet aan de orde. Externe veiligheid vormt derhalve geen
belemmering voor onderhavig plan.
4.3 Water
Het
aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door
verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast
(waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de
kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.3.1 Algemene wet- en regelgeving
Op
Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en
wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn
het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste
eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige
waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het
rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste
eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte
moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid
voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden,
bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk
bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.
Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in
bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren
wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden,
scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk
schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel
mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd
water aan bod.
Waterwet
Centraal
in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de
‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het
geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties
tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar
ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het
doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor
waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt
de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische
implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn
Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles
is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale
watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes
vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in
één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op
basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het
kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid
het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam
waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen
overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de
diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de
periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor
toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die
water biedt te benutten.
4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland
Waterbeheerplan
Op 9 december
2009 is het nieuwe waterbeheerplan (WBP) van het hoogheemraadschap van
Rijnland vastgesteld. Voor de planperiode 2010-2015 is dit WBP van
toepassing. In het plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor deze
planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden
getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering.
De drie hoofddoelen zijn:
- veiligheid tegen overstromingen;
- voldoende water;
- gezond water.
Wat betreft
veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en
stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met
mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water
gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te
beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het
watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend
met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt
naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van
langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het WBP sorteert voor op deze
ontwikkelingen.
Keur en Beleidsregels
Per 22 december
2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe
Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van
de Waterwet en de daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van
het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over
het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
De ‘Keur en Beleidsregels’ maken het mogelijk dat het
Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en
kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de
waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
- waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
- watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken);
- andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat
verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of nabij de
bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden
aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als
Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in de Watervergunning
op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via
vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of
te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid
van Rijnland nader uitgewerkt.
Riolering
Overeenkomstig
het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van
hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde
voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de
bescherming van het milieu vereist dat:
- het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
- verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
- afvalwaterstromen
gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen
nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
- huishoudelijk
afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid
betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een
afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd;
- ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
- zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
- lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan
gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het
gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter
geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt,
waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater
Voor de
verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het
nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar
mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie
heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat
het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de
kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en
emissie van
vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen.
Daar waar ondanks
de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater
naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de
oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap
gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden
stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook
kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke
'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in
het GRP.
Waterkering
Constructies in,
op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de
primaire functie van de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het
waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan het toekomstige
dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk
wordt bepaald door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit
en de waterdichtheid van het beklede dijklichaam. De aanwezigheid van
bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend vermogen
negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom
bouwactiviteiten in de waterkering in haar Keur in beginsel verboden.
Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het belang van
de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen,
beplanting, etc.) moet een Watervergunning aangevraagd worden bij het
hoogheemraadschap van Rijnland. Omdat het waterkeringbelang niet het
enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen verenigbaar zijn met
een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning
ontheffing verlenen van dit verbod.
4.3.3 Watertoets
De
‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige
belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het
opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische
toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en
de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk
stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van
een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
Door
op basis van de luchtfoto is de huidige hoeveelheid verharding te
berekenen en op basis van het bouwplan en ervaring de beoogde
hoeveelheid verharding te berekenen, kan worden bepaald of compensatie
noodzakelijk is. De resultaten (bij benadering) van de berekening
zijn opgenomen in de volgende tabel.
| |
Metrage |
| Huidige situatie verhard |
2.025 m² |
| Beoogde situatie verhard |
1.530 m² |
| |
|
| Resultaat |
- 495 m² |
Hoogheemraadschap
van Rijnland stelt een compensatie verplicht vanaf een toename van 500
m² verhard oppervlakte. Omdat aan deze drempel niet wordt voldaan
en er feitelijk sprake is van een afname van verharding is
compensatie niet noodzakelijk.
Waterkering
Een
deel van het plangebied is binnen de beschermingszone van de
waterkering gesitueerd. Met het ontwerp van de woningen
is rekening gehouden met het dijkprofiel. Daarmee heeft het plan
geen effect op de sterkte van de waterkering. Doordat de waterkering
middels een dubbelbestemming is opgenomen, is goedkeuring van
Rijnland nodig alvorens werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Daarmee
worden de belangen van het Hoogheemraadschap voldoende verankerd.
Riolering
Door
de initiatiefnemer is een zogenaamd rioleringsplan opgesteld. Dit plan
is in concept voorgelegd aan het Hoogheemraadschap. In nauw overleg zal
het rioleringsplan verder uitgewerkt worden.
4.4 Verkeer en parkeren
Onderdeel
van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe
project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het
plangebied.
4.4.1 Verkeer
Voor
het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt
gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers
verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij
verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer
(exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode
naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het
nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en
openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en
verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de
richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van
de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de
locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor
vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale
verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Voorliggend plan
voorziet in de toevoeging van 8 woningen. De 2 geschakelde
woningen in het noorden van het plangebied zijn niet meegenomen in de
navolgende berekeningen aangezien de huidige invulling van dit
gebied reeds uit twee (te slopen) woningen bestaat.
Zoals
blijkt uit hoofdstuk 2 van de voorliggende onderbouwing zijn deze
woningen onder te verdelen in sociale woningbouw (3 maal), vrije
sector twee-aan-een-geschakelde woningbouw (4 toe te voegen, 2 op
basis van vervanging) en één vrijstaande woning. In de
volgende tabel is op basis van publicatie 317, het toe te voegen
programma en het bestaande programma een verkeersgeneratie
berekend. Hierbij is uitgegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom,
weinig stedelijk'.
| Functie conform publicatie 317 |
Generatie |
Programma |
Totaal |
| Koopwoning, vrijstaand |
8,2 per woning |
1 woning |
8,2 |
| Koopwoning, twee-onder-een-kap |
7,8 per woning |
4 woningen |
31,2 |
| Huurhuis, sociale huur |
5,6 per woning |
3 woningen |
16,8 |
| |
|
|
56,2 in beoogde situatie |
| Bedrijf arbeidsextensief (opslag) |
4,8 (per 100 m² bvo) |
400 m² bvo |
19,2 in huidige situatie |
| |
|
|
37 verkeersbewegingen |
Uit voorgaande
tabel blijkt dat als gevolg van de planontwikkeling 37 extra
verkeersbewegingen zijn te verwachten. De restcapaciteit op de
Leidseweg laat deze minimale toevoeging toe. Door de ontsluiting van
het plangebied op de Leidseweg vormt deze toevoeging geen belemmering.
4.4.2 Parkeren
Het
benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke
ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers
of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk
gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen
staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op
basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het
nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en
openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en
verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de
richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van
de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de
locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor
vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt
in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in
minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
Gelijk
als bij de verkeersberekeningen in paragraaf 4.4.1 zijn de 2
geschakelde woningen in het noorden van het plangebied niet meegenomen
in de navolgende berekeningen. Voor deze woningen zijn in het verleden
in het openbaar gebied reeds voldoende parkeervoorzieningen
gerealiseerd. Deze sloop-nieuwbouwopgave heeft derhalve geen negatieve
invloed op de parkeerdruk.
Zoals
blijkt uit hoofdstuk 2 van de voorliggende onderbouwing zijn deze
woningen onder te verdelen in sociale woningbouw (3 maal), vrije
sector twee-aan-een-geschakelde woningbouw (4 toe te voegen, 2 op
basis van vervanging) en één vrijstaande woning. In de
volgende tabel is op basis van publicatie 317 en het toe te voegen
programma een minimum aan parkeervoorzieningen berekend. Hierbij is
uitgegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom, matig
stedelijk'.
| Functie conform publicatie 317 |
Norm |
Programma |
Totaal |
| Koopwoning, vrijstaand |
1,8 per woning |
1 woning |
1,8 |
| Koopwoning, twee-onder-een-kap |
1,7 per woning |
4 woningen |
6,8 |
| Huurhuis, sociale huur |
1,2 per woning |
3 woningen |
3,6 |
| |
|
|
12,2 parkeerplaatsen |
In
de publicatie worden verder berekeningsaantallen gegeven voor te
realiseren parkeervoorzieningen. Een parkeerplaats op openbaar gebied
is beter te benutten dan een parkeerplaats op een woonerf. Deze laatste
plaats wordt immers enkel gebruikt door de bewoner terwijl een
parkeerplaats in het openbare gebied in theorie ook door andere
bewoners of bezoekers gebruikt kan worden. Hiernavolgende tabel geeft
op basis van deze berekeningaantallen en de parkeerplekken opgenomen in
het bouwplan aan hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
| Parkeervoorziening |
Theoretische aantal
|
Berekeningsaantal |
Totaal (op basis van berekeningsaantal) |
| Parkeerplaats openbaar gebied |
1 |
1 |
10 (10 in theorie) |
| Enkele oprit zonder garage |
1 |
0,8 |
3,2 (4 in theorie) |
| Dubbele oprit zonder garage |
2 |
1,7 |
1,7 (2 in theorie) |
| Garagebox |
1 |
0,5 |
0,5 (1 in theorie) |
| |
|
|
15,4 parkeerplaatsen |
Uit
de berekeningen volgt dat het totaal aantal te realiseren
parkeerplaatsen groter is dan de theoretische behoefte. Daarmee
zal de beoogde ontwikkeling leiden tot een verlaagde parkeerdruk in de
directe omgeving en wordt voldaan aan een 'gesloten parkeerbalans'.
Op
basis van de regeling voor vergunningsvrij bouwen is het mogelijk de
parkeervoorzieningen op het achtererf van een type b woning om te
vormen tot een garage. Gelet gevolgen van deze omvorming voor de
parkeerbalans is dit niet wenselijk. Derhalve is in het voorliggende
plan een regeling opgenomen waardoor bebouwing, ook vergunningsvrij,
alleen mogelijk is nadat elders een alternatieve parkeervoorziening is
getroffen.
4.5 Ecologie
Bij
ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de
natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen
uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de
Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de
bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke
ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve
effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet
ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
4.5.1 Gebiedsbescherming
De
Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de
Natuurbeschermingswet 1998 zijn de volgende gronden aangewezen en
beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast
deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in
het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een
samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en
omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische
verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de
hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur
en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een
leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de
volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Planspecifiek
Het
plangebied vormt geen onderdeel van een beschermd gebied in het kader
van de Natuurbeschermingswet 1998. De geplande ingreep is niet van dien
aard dat een negatief effect op de gestelde
instandhoudingsdoelstellingen is te verwachten. Een verdere procedure
in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is voor dit project dan
ook niet noodzakelijk.
Het plangebied vormt tevens geen onderdeel van de EHS en de wezenlijke kenmerken en waarden worden zodoende niet aangetast.
4.5.2 Soortenbescherming
De
Flora- en faunawet (Ffw) regelt de bescherming van de in het wild
voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet
richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die
bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden
vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast
een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde
specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet
genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan
de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in
hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde
dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende
maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast
geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het
voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd
moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort
geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd
project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor
de beoogde ontwikkeling is nader onderzoek naar mogelijk aanwezige
flora en fauna. In dit flora en fauna onderzoek, opgenomen als
bijlage, wordt gesteld dat in het plangebied een geschikt
broedhabitat aanwezig is voor verschillende soorten algemeen
voorkomende broedvogels, zoals winterkoning en kauw. Met deze
broedvogels kan in het algemeen relatief makkelijk rekening worden
gehouden door de werkzaamheden op te starten of uit te voeren buiten
het broedseizoen (indicatief de periode maart-augustus).
Verblijfplaatsen van vogels, die hun verblijfplaats het hele jaar door
gebruiken of elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest, zijn jaarrond
beschermd. Van deze verblijfplaatsen zijn binnen het plangebied twee
nesten waargenomen van de huismus en twee nestkasten die mogelijk in
gebruik zijn door de huismus. Het onderzoek geeft hiervoor mitigerende
maatregelen.
In
het plangebied is een groeiplaats aanwezig van de tongvaren, in totaal
één exemplaar. Deze groeiplaats zal verdwijnen ten
gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Om te voorkomen dat deze
groeiplaats verdwijnt, is het nodig deze te verplaatsen. Binnen
het plangebied zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor de
aanwezigheid van andere beschermde soorten.
Na
vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan zal een ecologisch
werkprotocol worden opgesteld. Op basis van recente jurisprudentie
wordt middels de uitvoering van dit werkprotocol strijdigheid,
vanuit de aanwezigheid van huismusnesten en de tongvaren, met de Ffw
voorkomen. Daarmee vormt het aspect ecologie geen belemmering bij de
beoogde ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie
Door recente
wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1
januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf
verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een
beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het
gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of
te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en
vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder
te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten
historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden
meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde
als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Planspecifiek
Oud Ade is als
kern pas rond 1800 ontstaan rondom de Rooms Katholieke kerk aan de
Leidseweg en de gelijknamige kronkelige watergang Oude Ade. Het dorp
ligt deels op de dijk van de diepe Drooggemaakte Akkersloot Hertogs en
Blijverspolder langs de Oude Ade en deels in de ondiepere Vrouwe
Vennepolder. De eerste bebouwing van Oud Ade ligt op de dijk en heeft
een divers karakter. Pas in de jaren zestig is er planmatig uitgebreid
in de Vrouwe Vennepolder aan de westkant van de Oude Ade.
Het typisch kleinschalig plattelandsdorp Oud Ade is op basis van de
historische ontwikkeling en ruimtelijke karakteristiek op te delen in
het deel ten noorden van de Oude Ade (Leidseweg en de Kolk) en het
planmatige deel ten zuiden van de Oude Ade. Het landschap rondom Oud
Ade is zeer waardevol. Met deze kwaliteit dient dan ook nadrukkelijk
rekening te worden gehouden bij nieuwe ontwikkelingen. De Kolk ontsluit
een bijzonder gebied met een gefragmenteerde uitstraling en fijne
bebouwingsstructuur.
Ter hoogte van
het plangebied liggen de kleine massa’s van de woningen met
een representatieve zijde dicht op de Oude Ade. De ontsluiting vindt
plaats door een informeel smal pad. Voor de beeldkwaliteit van het dorp
is het van belang deze opzet te handhaven en waar mogelijk te
versterken. Aan de oostkant van de Kolk ligt een groen hofje met kleine
woningen. Bij herontwikkeling van dit gebied kan een
kwaliteitsverbetering worden bereikt door woningen met de voorzijde aan
de Oude Ade te situeren met eventueel een groene rand (eventueel
privaat) richting het oosten. Het beeld vanuit het omliggende open
landschap op de bebouwing moet gedomineerd worden door dakvlakken die
wordt ingekaderd met beplanting.
De bouwhoogten in
de directe omgeving van het plangebied variëren. Overwegend zijn
de massa's opgebouwd uit één bouwlaag plus dak.
Massa's van twee bouwlagen plus dak komen tevens voor. Voorliggende
ontwikkeling sluit qua bouwhoogten aan bij deze wisselende
ritmiek. Door de type b en c woningen (zie hoofdstuk 2)
wordt dat de dominantie van dakvlakken vanuit de omgeving
gewaarborgd. Voorts wordt een woning aan het informele pad toegevoerd.
Door de specifieke situering en massaopbouw van deze woning
behoudt deze het karakter van het pad. De beoogde verkaveling en
bebouwing sluit aan bij de reeds bestaande informele verkaveling en
wisselde bebouwing, zowel in oriëntatie als korrel.
Verder kent de
bebouwing een zodanige afmeting dat deze het uitzicht op het
oriëntatiepunt van Oud Ade vanuit de omgeving verstoord (zie
paragraaf 3.2). Verder worden geen monumentale panden gesloopt of
anderszins aangetast. Daarmee is de ontwikkeling passend in het
bestaande cultuurhistorische beeld.
4.7 Archeologie
In
1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming
van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het
Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees
archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit
erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk
verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en
Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke
(toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem
altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van
(mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de
Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat
waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief
aangepast kan worden.
Planspecifiek
In mei 2011 is
het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In
het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot
vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de
gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie
zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op
bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de
gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid
vastgesteld.
Bijgestelde Archeologische beleidsadvieskaart
De
verwachtingswaarde behorende bij de aanwijzing van het plangebied als
historische kern is in voorliggend bestemmingsplan vertaald in
de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1. Vanuit deze
verwachtingswaarde en dubbelbestemming wordt bij ontwikkelingen met
meer dan 150 m² bodemverstoring een archeologisch onderzoek
vereist. Derhalve is voor voorliggende ontwikkeling een onderzoek
uitgevoerd. In dit onderzoek, opgenomen als bijlage, wordt
geconstateerd dat het noorden van het plangebied een antropogeen pakket
heeft, dat mogelijk vanaf de 17e eeuw is opgebouwd. Indien
graafwerkzaamheden in dat deel van het plangebied dieper reiken dan 0,3
m –maaiveld (-0,9 m NAP), dient nader onderzoek plaats te vinden.
De overige delen van het plangebied hebben een lage verwachting. Voor
deze delen wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Onderzoeksgebied (voor het gebied ten noorden van de gele stippellijn word nader onderzoek aanbevolen)
In het totale
gebied waar nader onderzoek wordt aanbevolen wordt enkel ter hoogte van
Leidseweg 2 en 3 voorzien in relevante werkzaamheden. De huidige
woningen zullen worden gesloopt en plaats maken voor twee nieuwe
woningen. De footprint van de beoogde woningen is nagenoeg geheel
binnen de footprint van de bestaande woningen gesitueerd. Zonder kennis
van de huidige fundering en het uiteindelijke ontwerp van de beoogde
woningen kan niet beoordeeld worden of deze ontwikkeling leidt tot
nieuwe bodemverstorende werkzaamheden. Door de opgenomen
dubbelbestemming zal tijdens de behandeling van de omgevingsvergunning
hierop worden getoetst. Indien blijkt dat de beoogde
ontwikkeling leidt tot nieuwe bodemverstorende werkzaamheden zal
nader onderzoek moeten plaatsvinden of zullen de werkzaamheden begeleid
moeten worden door een archeoloog. Daarmee zijn de archeologische
belangen in voorliggend plan voldoende verankerd.
4.8 Duurzaamheid
De gemeente Kaag
en Braassem hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten de Regionale
DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. Over de
nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project kunnen op
vrijwillige basis afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de
ontwikkelaar. Voor kleine bouwprojecten als het onderhavige informeert
de gemeente initiatiefnemers over duurzaam bouwen via het Infoblad
Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. Dit infoblad staat op de website
van de Omgevingsdienst: www.odwh.nl/dubo. Er is zowel een infoblad voor
particulieren als voor bedrijvigheid.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor
het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet
ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP
2012).
Dit
bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een
toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch
bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen
in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op
de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze
bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik
gekoppeld.
De
toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een
belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit
bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de
onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van
wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het
bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage
onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op
de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere
bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc..
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale
ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De
planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat
de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de
bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels
waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van
wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen
belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op
het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de
overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de
afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor
de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een
standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende
regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de
'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle
bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede
hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op
alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
- Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
Groen
Het openbaar
groen is vastgelegd in de bestemming 'Groen'. Deze bestemming is
opgenomen voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden en
speelvoorziening. Omwille een gewenste flexibiliteit in het
bestemmingsplan aan te brengen zijn tevens verkeersvoorzieningen,
waterlopen en waterpartijen mogelijk. Tevens zijn
voorzieningen van openbaar nut mogelijk gemaakt, zoals kabel en
leidingen. Wat onder dit soort voorzieningen wordt verstaan is
bepaald in artikel 1 van de regels.
Tuin
Conform de
bestemmingssystematiek van de gemeente Kaag en Braassem zijn de beoogde
voortuinen bij de woningen opgenomen binnen de bestemming 'Tuin'. Deze
bestemming sluit bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van erkers
of toegangsportalen, uit. Het overige gedeelte van het erf valt
binnen de bestemming 'Wonen'. Voor de erkers en toegangsportalen is een
regeling opgenomen conform de eerste herziening van het gemeentelijke
afwijkingenbeleid.
Verkeer
De gronden die
zijn bestemd tot 'Verkeer' worden allen gebruikt als weg,
parkeervoorziening of trottoir. Binnen deze bestemming vallen ook
bermen, voorzieningen voor wateraanvoer en -afvoer, waterberging en
bijvoorbeeld eventuele voorzieningen van openbaar nut zoals
elektriciteitshuisjes. Tevens biedt de bestemming 'Verkeer' ruimte
aan een garagebox met een maximale bouwhoogte van 3 meter.
Water
Alle watergangen
die door het plangebied stromen hebben een structurele functie voor
waterberging en waterhuishouding en zijn daarom specifiek bestemd tot
“Water”. Binnen de bestemming “Water” zijn
tevens bruggen en dergelijke toegestaan.
Wonen
De beoogde
functie van wonen is bepalend voor de toekenning van deze bestemming.
De woningen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken
te worden gebouwd. Tevens vallen de beoogde erven en
(achter)tuinen ook onder de bestemming ‘Wonen’. Typologisch
is er voor gekozen de vrijstaande woning en de twee
aan-een-gebouwde woningen vast te leggen middels een aanduiding.
Waar er geen aanduiding is opgenomen zijn enkel rijwoningen toegestaan.
Voor de rijwoningen zijn geen minimale afstandseisen richting het
naburige perceel opgenomen, voor vrijstaande woningen en de twee
aan-een-gebouwde woningen wel.
Hoewel het
voorliggend plan woningen op minder dan 2 meter van de erfgrens
toestaat is onverminderd het Burgerlijk Wetboek van kracht. Hierin in
opgenomen dat doorzichtige gevelopeningen op minder dan 2 meter uit de
erfgrens niet zonder meer zijn toegestaan.
De maximale goot-
en bouwhoogte is geregeld middels een aanduiding op de verbeelding.
Woningtype A kent een afwijkende gootconstructie. Conform de wijze van
meten dient de goothoogte gelijk gesteld te worden aan de hoogte van de
goot en niet aan de hoogte van het punt waar het verticale vlak (wand)
snijdt met het diagonale vlak (dak).
Naast de
woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van de woning te gebruiken
voor een aan huis verbonden beroep. Na afwijking kan tevens een aan
huis verbonden bedrijf worden toegestaan.
Waarde - Archeologie 1
De
dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 beschermd de archeologische
waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in
verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
Waterstaat - Waterkering
Deze
dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de
waterkering en de bijbehorende beschermingszone. Voor werkzaamheden
binnen deze zone is een aanvullende omgevingsvergunning noodzakelijk.
Voordat deze vergunning kan worden afgegeven dient nader advies
ingewonnen te zijn bij het Hoogheemraadschap.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij
de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel
3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de
(economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij
vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan
vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op
basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2
van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het
bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen
indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van
een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder
c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van
eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel
6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De ontwikkeling
betreft een particuliere ontwikkeling. De gemeente faciliteert de
planontwikkeling door middel van planbegeleiding. Ten behoeve van de
verdeling van de kosten en risico’s is een anterieure
overeenkomst gesloten. Voor de gemeente zijn dan ook geen andere kosten
en of risico aan het plan verbonden. Daarnaast bestaat er geen noodzaak
om eisen te stellen ten aanzien van de fasering van het plan.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij
de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond
van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld
in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt
overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en
Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of
belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het
geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden
van dit overleg.
Een
ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken
ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder
om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad
wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt
na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de
mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop
van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is
er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking,
tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige
voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt
indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt
met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
6.2.1 Inspraak- en vooroverlegprocedure
Op 26-03-2014 is
de 1.3.1 Bro publicatie gedaan in het Gemeenteblad en zijn de overleg
partners verzocht te reageren op het bestemmingsplan.
Op het
bestemmingsplan is een reactie ontvangen van het Hoogheemraadschap van
Rijnland. Het Hoogheemraadschap heeft verzocht twee passages toe te
voegen aan de plantoelichting aangaande de riolering en de
beschermingszone rondom de waterkering. Daarnaast is verzocht na te
gaan of de opgenomen beschermingszone in overeenstemming is met de
keur. Uit een controle is gebleken dat de opgenomen zone in
overeenstemming is met de keur.
6.2.2 Zienswijzenprocedure
Het
ontwerpbestemmingsplan heeft van 22-1-2015 t/m 04-03-2015 ter inzage
gelegen. Gedurende deze periode is alleen ban het Hoogheemraadschap van
Rijnland is een zienswijze binnengekomen. De zienswijze is samengevat
en voorzien van een antwoord in de Nota zienswijzen. Deze Nota