1.1 Aanleiding planherziening
In de kern Nieuwe Wetering speelt al geruime tijd, zowel bij de gemeente als bij een aantal grondeigenaren, de wens om woningbouwontwikkelingen mogelijk te maken. Deze wens is onder andere vastgelegd in de beleidsnota ‘Inbreidingslocaties’ waar het gebied ten oosten van Nieuwe Wetering als ontwikkellocatie wordt aangeduid. Door een aantal grondeigenaren zijn ook reeds schetsplannen ingediend met verzoeken om woningbouw toe te staan.
Om de ruimtelijke ontwikkelingen in goede banen te leiden heeft het college van B&W besloten tot het opstarten van een partiële herziening van het bestemmingsplan Nieuwe Wetering. In het 'opstartbesluit' geeft het college aan het plangebied integraal te willen ontwikkelen. Hiertoe is op 13 december 2010 door de gemeenteraad een Nota van Uitgangspunten (NvU) vastgesteld. In deze NvU wordt voorgesteld om via het opstellen van een stedenbouwkundig schetsplan te komen tot een nieuw bestemmingsplan. Tegelijkertijd is aan de particulieren met een grondpositie verzocht een principeverzoek in te dienen om op deze wijze hun plannen kenbaar te maken.
In 2011 en 2012 is een stedenbouwkundig schetsplan opgesteld en zijn de noodzakelijk haalbaarheidsonderzoeken zoals geluid, bodem en ecologie uitgevoerd. De onderzoeken tonen aan dat ontwikkelingen mogelijk zijn, maar er zijn wel enkele beperkingen. Met name het aspect geluid is gezien de ligging nabij de A4 en de HSL een complex geheel gebleken. Dit punt vormt dan ook de beperkende factor tot waar woningbouw mogelijk is. Bij geluid speelt ook nog mee dat de wetgeving recent gewijzigd is, waardoor er vanaf 1 juli 2013 andere eisen gelden.
Onderhavig plandeel betreft het meest zuidelijk deel van het plangebied Nieuwe Wetering Oost. Dit onderdeel wordt als separaat onderdeel van de ontwikkelingen in procedure gebracht omdat de gewijzigde regelgeving t.a.v. geluid hier bepalend is in hoeverre woningbouw mogelijk is. Onderhavig plan omvat in totaal vijf woningen nabij het adres Voorweg 20.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied grenst aan het lintdorp de Nieuwe Wetering van de gemeente Kaag en Braassem. De planlocatie ligt direct ten noorden van het adres Voorweg 20. De volgende afbeeldingen tonen de ligging en begrenzing van het plangebied.
Ligging plangebied

Begrenzing plangebied (indicatief)
1.3 Opzet van het bestemmingsplan
Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en hetgeen daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.
Toelichting
De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:
- een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
- een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
- de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
- de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
- een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
- de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.
Indien bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:
- een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden;
- voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
- een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.
Verbeelding
De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bijvoorbeeld bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken omtrent InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
Planregels
De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en, vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overlegmomenten en de ontwerpfase van het plan zijn opgenomen.
2.1 Huidige situatie
Onderhavig plangebied ligt oostelijk van Nieuwe Wetering. Het gebied ligt ingeklemd tussen Nieuwe Wetering in het westen en de A4 en HSL in het oosten. Het terrein is in gebruik als grasland en ligt aan de dijk van de Nieuwe Wetering.
2.2 Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie zal de bestemming van het plangebied veranderen van 'Agrarisch' naar 'Wonen'.
Voor een aantal ontwikkelingsgebieden binnen Nieuwe Wetering is een stedenbouwkundige visie opgesteld, zie bijlage
1, met daarin een aantal ruimtelijke randvoorwaarden. De randvoorwaarden zijn als uitgangspunt gebruikt voor het opstellen van de planregels. Voor onderhavig plangebied gelden de volgende kaders:
- Enkel, ruim opgezet, lint van vrijstaande woningen bestaande uit één laag met kap.
- Maximaal 5 woningen.
- Groene, op de hoofdmassa na, bebouwingsvrije inrichting van de oever van de Wetering. (red. om erfbebouwing aan de weteringzijde te voorkomen is bebouwing aan deze zijde uitgesloten)
- Ontsluiting voor het autoverkeer via nieuw informeel woonpad aan de westzijde van de kavels ontsloten via de bestaande brug over de wetering.
- Diepte kavels vormt een afgeleide de kavels van de aangrenzende woningbouw aan de noord- en zuidzijde. (red. dit uitgangspunt geldt voor het noordelijk deel van Nieuwe Wetering en levert geen randvoorwaarde op voor het onderhavig plan)
- Woningen boven de kernzone, aanvullen van dijklichaam noodzakelijk.
- Watercompensatie oplossen door het integraal verbreden van bestaande watergangen in het plangebied of de directe omgeving.
- Parkeren op eigen terrein.
Uitwerking massa's en situering:
- Bouwvlakken minimaal 5 meter uit dijkkruin, 5 meter uit de oever van de westelijke watergang en 5 meter uit de zijerfgrens.
- Flexibiliteit ten aanzien van de situering van de massa, hoofdmassa echter wel haaks of parallel op/aan de wetering.
- In ieder geval representatieve gevel aan de Weteringzijde indien de gevel (deels) boven de dijkkruin uitkomt.
- Uitvoeren met zadel- of mansarde kap.
- Massa's hebben een individuele uitstraling, geen identieke woningen.
- Footprint bebouwing maximaal 150 m².
- Hellingshoek kap maximaal 60°.
Bij de uitwerking geldt, op aanwijzen van het hoogheemraadschap, dat de nieuwe woningen niet in het profiel van de dijk gebouwd mogen worden, enkel daarbovenop.
Impressie toekomstige situatie plangebied
Akoestiek & Peil
Zoals aangegeven bij de aanleiding vormt het aspect akoestiek een van de voornaamste belemmerende factoren voor het plan. Omdat de A4 en de HSL nabij het plangebied zijn gelegen is de geluidbelasting op de woningen relatief hoog. Voor het bestemmingsplan is middels een akoestisch onderzoek berekend tot waar woningbouw mogelijk is. Dit is een complexe berekening gebleken omdat het om ruime bouwvlakken gaat, dus de posities van de gevels niet exact bekend zijn, en omdat er hoogteverschil aanwezig is door de ligging aan de dijk.
Het onderzoek toont aan dat de voorkeursgrenswaarden worden overschreden. Woningbouw is vervolgens mogelijk door gebruik te maken van een ontheffing hogere waarden. Deze ontheffing wordt op basis van vastgesteld beleid door het college van B&W enkel onder voorwaarden verstrekt. Het gaat dan onder ander om het maximaal aantal geluidbelaste gevels. In onderhavig plan is, op basis van het akoestisch onderzoek, enkel één woonlaag met kap toegestaan. Vanwege de ligging aan de dijk is gemeten vanaf peil (0,7 meter - NAP) gedeeltelijk ruimte voor nog een laag. Deze laag mag echter niet bestaan uit een verblijfsruimte zoals bedoeld in het bouwbesluit.
Het peil vloeit voort uit de snijlijn van het beoordelingsprofiel met het bouwvlak. Dit snijpunt ligt op 0,7 - NAP. Het beoordelingsprofiel is de zone waar vanuit het hoogheemraadschap geen bebouwing is toegestaan. Het bouwvlak komt uit het stedenbouwkundig kader en is opgenomen in dit bestemmingsplan. De 0,7 meter is als uitgangspunt gehanteerd bij het akoestisch onderzoek. Onderstaand is een doorsnede van een mogelijke woning opgenomen.
principedoorsnede mogelijke woning
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de vigerende beleidsdocumenten gedateerd.
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
- een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
- over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
- een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Nederland concurrerend
Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.
Nederland bereikbaar
De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.
Nederland leefbaar en veilig
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen zal moeten toenemen.
Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent voor alle ruimtelijke plannen:
- eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling;
- vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
- mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.
Planspecifiek
Gezien de kleine schaal van de ontwikkeling is er niet direct raakvlak met het rijksbeleid. Voor de volledigheid is gekeken naar de ladder duurzame verstedelijking. De vraag naar de nieuwe ontwikkeling wordt reëel geacht omdat als onderdeel van de planvorming bestudeerd is welke lokale woonbehoefte aanwezig is. De tweede trap van de ladder duurzame verstedelijking is niet van toepassing omdat binnen het plangebied geen bestaande bebouwing aanwezig is. Tot slot is voor de inpassing overleg gevoerd met het hoogheemraadschap en sluit het plan aan op de gemeentelijke structuurvisie. Een optimale inpassing wordt zodoende bereikt.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte.
In het Barro worden voorlopig zes projecten beschreven:
- Mainport ontwikkeling Rotterdam;
- Kustfundament;
- Grote rivieren;
- Waddenzee en Waddengebied;
- Defensie;
- Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Binnenkort zullen nog volgen:
- Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
- Elektriciteitsvoorziening;
- Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
- Ecologische hoofdstructuur;
- Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
- IJselmeergebied.
Het plan heeft geen direct raakvlak met de aspecten benoemd in het Barro. Gesteld kan worden dat het plan niet in strijd is met het Barro.
3.2 Provinciaal & Regionaal beleid
3.2.1 Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte'
Op 2 juli 2010 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte' vastgesteld. Tevens is op 23 februari 2011 de 1e herziening vastgesteld. In de visie weerlegt de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. Het doel van de visie is om duidelijk te hebben hoe de ruimtelijke ontwikkeling er tot 2040 uit komt te zien.
De kern van 'Visie op Zuid -Holland' is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil de provincie bereiken door het realiseren van een samenhangend stedelijk netwerk en groenstructuur. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten. De provincie werkt hiervoor samen met gemeenten en andere partijen. De provincie stuurt op kwaliteit en functies. Deze aanpak sluit aan bij de nieuwe stijl van besturen: 'Lokaal wat kan, provinciaal wat moet'. De provincie geeft het lokale bestuur ruimte bij de ruimtelijke inrichting en stelt daarvoor kaders.
Naast het bieden van ruimte aan en het ordenen van functies richt de visie zich nadrukkelijk ook op de ruimtelijke kwaliteiten. Dit komt tot uitdrukking in de provinciale belangen. Deze hebben zowel betrekking op functionele als kwalitatieve aspecten. Deze aspecten worden in beeld gebracht op een functiekaart en een kwaliteitskaart. De functiekaart geeft de gewenste ruimtelijke functies weer die in de structuurvisie zijn geordend, begrensd en vastgelegd als ruimtelijk beleid tot 2020. Op de kwaliteitskaart staan daarnaast zowel de bestaande als gewenste kwaliteiten benoemd op een globale, regionale schaal.
Planspecifiek
De volgende twee afbeeldingen tonen uitsneden van de functiekaart en de kwaliteitskaart uit de Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte'.
Functiekaart structuurvisie
Kwaliteitskaart structuurvisie
Het plangebied is op de functiekaart aangewezen als 'stads- en dorpsgebied'. Een stads- en dorpsgebied is een aaneengesloten bebouwd gebied, waarin de functies wonen, werken en voorzieningen gemengd en gescheiden voorkomen. Daarnaast is het plangebied op de kwaliteitskaart aangewezen als 'dorpskern'. Een dorpskern is een kleinschalig stads- en dorpsgebied, omgeven door landelijk gebied en niet gekoppeld aan het Zuidvleugelnet. De herontwikkeling van de projectlocatie naar wonen, past goed binnen de functie 'stads- en dorpsgebied' en de kwaliteit 'dorpskern'. Onderhavig plan is derhalve in overeenstemming met het beleid van de provinciale structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland'.
3.2.2 Verordening Ruimte
Op 2 juli 2010 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de Verordening Ruimte vastgesteld. De Verordening Ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte'. De Verordening Ruimte bevat tevens instructieregels die van belang zijn voor de gemeente bij het opstellen van hun bestemmingsplannen. De verordening omvat in aanvulling op de structuurvisie toetsbare criteria van provinciaal belang waaraan planvorming moet voldoen. In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen over bebouwingscontouren, agrarische bedrijven, kantoren, bedrijventerreinen, detailhandel, waterkeringen, milieuzonering, lucht- en helihavens, molen- en landgoedbiotopen.
De ruimtelijke verordening wordt jaarlijks geactualiseerd op verzoek van gemeente en naar aanleiding van ruikmtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. De meest recente actualisatie 'De Actualisering 2012' is op 30 januari 2013 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze actualisering zijn de hoofdlijnen, hoofdopgaven en provinciale belangen van het ruimtelijk beleid ongewijzigd gebleven. De in de actualisering voorgestelde wijzigingen zijn verwerkt in de structuurvisie en verordening.
Planspecifiek
Met betrekking tot onderhavig plan zijn met name de bebouwingscontouren uit de Verordening Ruimte van belang. Het plangebied is gelegen binnen deze bebouwingscontouren in 'nieuw stads- en dorpsgebied' zoals te zien is op onderstaande afbeelding
Ten aanzien van woningbouwlocaties wordt in de verordening het volgende gesteld: 'Om de kwaliteit van de woonomgeving en woonmilieus te borgen, is het hebben van een actuele regionale woonvisie noodzakelijk. De inzet van de provincie daarbij is dat regionale woonvisies een minimale looptijd van 10 jaar hebben en eens in de vijf jaar worden geactualiseerd. De provincie wil graag samen met de regio's de inhoudsopgaven van de regionale woonvisies opstellen. In het kader van het opstellen van deze visies wordt in ieder geval overeenstemming bereikt over:
- het te bouwen percentage sociale woningbouw;
- het aantal te bouwen woningen;
- een aanpak om de bestaande woonmilieus beter aan te laten sluiten bij de vraag;
- toepassing van de SER-ladder woningbouw.
Uitgangspunt is dat gemeentelijke bestemmingsplannen in lijn zijn met de actuele regionale woonvisie.' Voor de toelichting op de regionale afstemming wordt verwezen naar de de 'Regionale Woonvisie Holland-Rijnland' beschreven in de volgende paragraaf.
De provinciale verordening stelt geen overige randvoorwaarden of eisen aan woningbouw in 'Nieuw stads- en dorpsgebied.
3.2.3 Regionale Woonvisie Holland-Rijnland 2009 - 2019
Voor de regio is een Woonvisie opgesteld 'Regionale woonvisie Holland Rijnland 2009-2019'. De Regionale Woonvisie Holland Rijnland 2009-2019 dient meerdere doelen:
- De samenwerkende gemeenten en Holland Rijnland stellen een perspectief vast dat zij met elkaar delen: visie, doelstellingen en afspraken.
- De Woonvisie vormt een basis voor het vaststellen van het kwantitatieve en kwalitatieve bouwscenario en voor nadere afstemming over het bouwscenario gedurende de uitvoering.
- We formuleren in deze Woonvisie afspraken over de wijze waarop we ons verantwoorden over de uitvoering en over de wijze waarop we reageren op ontwikkelingen in de woningmarkt.
- De Woonvisie dient als beleidsmatig kader voor corporaties, projectontwikkelaars en bewoners en biedt houvast voor ons eigen handelen.
- De Woonvisie dient, samen met de Regionale Structuurvisie, als beleidsmatig kader voor de regio-inzet richting het Rijk, bijvoorbeeld bij de Verstedelijkingsafspraken.
De samenwerkende gemeenten in de regio Holland Rijnland presenteren in de regionale woonvisie hun visie op de gewenste ontwikkelingsrichting van de woningmarkt. Er worden twaalf afspraken vastgelegd over onder andere woningbouwaantallen en minimale percentages voor sociale woningbouw. Hieronder een samenvatting:
- De samenwerkende gemeenten spannen zich maximaal in om in de periode 2008-2019 in totaal netto 24.240 woningen toe te voegen (gemiddeld ruim 2000 woningen per jaar). Hiermee wordt tevens de overloop van de woningbehoefte vanuit de Haarlemmermeer gefaciliteerd. Het gaat hierbij om de 5.200 woningen die met het Bestuurlijk Platform Zuidvleugel zijn afgesproken;
- In het gezamenlijke gemeentelijke nieuwbouwprogramma tot 2020 wordt een minimumpercentage aan sociale woningen (sociale huurwoningen tot € 647,83 per maand en goedkope koopwoningen tot € 191.580,-) opgenomen (prijspeil 1 juli 2009). Hierbij hanteert Noordwijkerhout een minimumpercentage van 30%.
Planspecifiek
De regionale woonvisie is opgesteld nog voordat de gemeente Alkemade en Jacobswoude samengevoegd zijn tot de nieuwe gemeente Kaag en Braassem. De regionale woonvisie betreft onder andere de gronden van de voormalige gemeente Alkemade. Het plangebied ligt in de voormalige gemeente Alkemade en de regionale woonvisie is in zoverre het relevante beleidskader voor de planontwikkeling. In de visie wordt een kwantitatief resterend woonprogramma voor Alkemade gesteld van 2377 woningen. Deze aantallen worden niet verder naar deellocaties binnen de gemeente toebedeeld. Onderhavig plan draagt, zei het met vijf woningen in bescheiden mate, bij aan de doelstelling van de woonvisie.
Voorts zijn een aantal woonkwalitatieve uitgangspunten opgenomen in de regionale visie. Deze zijn echter in de tijd ingehaald door de later opgestelde Maatschappelijk en Ruimtelijk structuurvisie van de gemeente Kaag en Braassem. De woningmarkt is de afgelopen jaren onderhavig aan grote veranderingen als gevolg van de afnemende vraag. Voor de woonkwalitatieve eisen wordt derhalve verwezen naar het gemeentelijk beleid dat beter ingaat op de huidige vraag.
3.3.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025.
De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Zo zijn de ‘gebiedsprofielen’ van de provincie gebruikt als basis voor de ruimtelijke structuur. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook is gekeken naar de verschillende beleidsdoelen van de voormalige gemeenten Alkemade en Jacobswoude. De gemeente maakt in de MSRV vijf strategische keuzes:
- geen nieuwe woningbouwplannen; wel afronding huidige projecten en versterken bestaande woonmilieus.
- delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
- verschil tussen groei- en groenkernen; het behoud van voorzieningen is ondergeschikt aan de kwaliteit van (samen)leven. Bundelen van voorzieningen en woningaanbod enkel in de groeikernen. Dit versterkt de levensvatbaarheid van die voorzieningen.
- ruimtelijke kwaliteit staat voorop; economische ontwikkelingen worden gestimuleerd langs de hoofdverkeersaders en langs de intensievere recreatieve routes. Daarmee worden de waardevolle landschappen beschermd.
- ontwikkeling door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. De ontwikkeling voldoet aan de strategische keuzes van de MRSV. De gemeente is zoals gezegd al langere tijd bezig om te studeren op de ontwikkelingsmogelijkheden in en nabij de kern Nieuwe Wetering. De gemeente heeft vooruitlopend onderzocht wat de mogelijkheden zijn. Hiervoor zijn gesprekken met initiatiefnemers gevoerd en zijn haalbaarheidsonderzoeken uitgevoerd. De gemeente heeft daarmee de haalbaarheid beoordeeld en als reëel ingeschat. Het feitelijke initiëren van de plannen en het opstarten van de procedure blijft de verantwoordelijkheid van de grondeigenaar/initiatiefnemer. De gemeente behoudt hiermee een zuiver faciliterende rol. De gemeente is dan ook geen risicodragende partij in deze ontwikkeling.
In verband met demografische veranderingen verwacht de gemeente (op termijn) een ruimere woningmarkt. Zonder maatregelen leidt een te ruime woningmarkt tot een waardedaling van woningen en uiteindelijk tot leegstand en verloedering. Om dat te voorkomen is in de MRSV er voor gekozen om een plafond aan het aantal nieuw te bouwen woningen per kern te stellen. Er is voor gekozen een onderscheid te maken tussen groenkernen en groeikernen. Nieuwe Wetering is aangewezen als een groenkern. Op basis van deze keuze is vastgesteld dat in Nieuwe Wetering tot 2025 geen (0%) nieuwe woningen toegevoegd kunnen worden, buiten de bestaande projecten die in het uitvoeringsprogramma vermeld staan (Regenboogweg e.o). In het kernspecifieke dorpsperspectief (hoofdstuk 10 MRSV) worden een aantal aanvullende opmerkingen gemaakt over Nieuwe Wetering. Gesteld wordt dat er aan de noordkant nog enkele te bebouwen plekken beschikbaar komen. Het gaat om verschillende kleinschalige locaties met 2 à 3 woningen, waar onder enkele 'zelfbouwlocaties'. Dit betreft het project 'Regenboogweg e.o.'. Deze inbreidingslocaties in het noordelijk deel van het plangebied zijn met een ster aangegeven op het kaartblad 'Wonen' en de algemene kaart van de structuurvisie. De woningbouwontwikkeling 'Nieuwe Wetering Oost' wordt niet met name genoemd in het uitvoeringsprogramma van de MRSV. De MRSV stelt echter dat bestaande (harde) plannen nog wel uitgevoerd kunnen worden. Door dat de raad zich in de vorm van de Nota van Uitgangspunten (NvU) reeds uitgesproken heeft inzake de wens om de betreffende locatie tot ontwikkeling te brengen kan in dit geval gesproken worden van een bestaand plan. Bovendien lijkt het door de gemeenteraad vastgestelde kader middels een stippellijn te zijn vertaald in het kaartje 'Dorpsperspectief Nieuwe Wetering' op pagina 80 van de MRSV. Hier tegenover staat dat het project niet is opgenomen in het uitvoeringsprogramma van de MRSV. Ondanks dat de MRSV is vastgesteld na de NvU kan alles afwegende geconcludeerd worden dat er voldoende basis is om van om medewerking te verlenen aan woningbouw als beschreven in het concept ruimtelijk kader. Het betreft namelijk bestaande plannen. De particuliere plannen in Nieuwe Wetering Oost waren al ingediend voor het vaststellen van de MRSV. Hierbij komt dat de Raad van State (16 november 2011) heeft aangegeven dat de woningbouwinitiatieven beoordeeld hadden moeten worden in de reguliere actualisatie van bestemmingsplan Nieuwe Wetering in 2010.
De kwaliteit van de groene kern wordt gewaarborgd omdat voor de invulling een stedenbouwkundig plan is opgesteld waarin eisen ten aanzien van inpasbaarheid in de kern opgenomen zijn. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling in de bestaande woonomgeving en sluit het dus ook aan op de vijfde en laatste strategische keuze.
3.3.2 Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering'. Dit bestemmingsplan is op 8 februari 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem. De groen bestemming is echter door de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, in haar uitspraak op 16 november 2011 vernietigd.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (deels vernietigd)
Voor deze gronden, is het voorgaande bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering' vastgesteld op 18 december 1989 en goedgekeurd op 20 juli 1990 dus het vigerende planologisch kader. In het voorgaande bestemmingsplan zijn deze gronden aangewezen als 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling is in strijd met deze bestemming. Om een nieuw planologisch kader vast te stellen waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk is, is onderhavig nieuw bestemmingsplan mogelijk.
3.3.3 Nota inbreidingslocaties
Op 7 februari 2011 is de Nota inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel.
De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen.
Planspecifiek
De kern Nieuwe Wetering is specifiek beschreven in de Nota Inbreidingslocaties, ze ook onderstaande afbeelding.
Uitsnede nota inbreiding (plangebied nabij pijl)
Het plangebied is echter aangeduid als ontwikkellocatie. De Nota inbreidingslocaties gaat in op inbreiding van woningen tussen bestaande bebouwing. De ontwikkellocaties zijn locaties waar gezien de vrije ruimte meer ruimte is voor een projectmatige invulling. De nota inbreiding gaat dan ook niet in op ontwikkellocaties. Gesteld wordt dat voor deze locaties separaat ruimtelijke kaders geformuleerd moeten worden. Door middel van het opstellen van een stedenbouwkundig kader, zie bijlage 1, is voldaan aan dit uitgangspunt.
4 Randvoorwaarden
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1.1 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Voor de gehele woningbouwontwikkeling in de kern Nieuwe Wetering is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage
2. Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van dit onderzoek. In het onderzoek wordt voor het bestemmingsplan geen
noemenswaardige vervuiling geconstateerd. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
- onderwijsgebouwen
- ziekenhuizen en verpleeghuizen
- verzorgingstehuizen
- psychiatrische inrichtingen
- kinderdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Voor de gehele woningbouwontwikkeling in de kern Nieuwe Wetering is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage
3. Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van deze studie. Zoals bij de inleiding aangegeven is de akoestische situatie van de planlocatie nabij de ligging van de A4 en de HSL complex. Er bestaat vanwege het bestaande verkeer een hoge geluidsbelasting. Tevens ligt het plangebied op het talud van de dijk. Door het hoogteverschil wordt een extra component aan de akoestische berekening toegevoegd. In het bestemmingsplan zijn ruime bouwvlakken opgenomen op zo flexibiliteit voor de toekomstige bewoners te scheppen bij de uitwerking en positionering van hun woning. Dit ruime bouwvlak, en daarmee en zekere mate van onduidelijkheid waar de geluidbelaste gevels komen, vormt een derde complicerende factor toe aan de akoestische berekening.
Het onderzoek toont aan dat in alle gevallen de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt overschreden maar niet de maximaal te ontheffen waarde. Bij één van de vijf vlakken is aangegeven dat de gevel gericht op de A4 en de HSL op een specifieke plek moet komen om te voldoen aan de geluidsnormen. Voor de overige bouwvlakken is woningbouw op elke positie binnen de bouwvlakken mogelijk. Omdat een overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarden is een ontheffing hogere waarde noodzakelijk. Het hogere waardenbeleid geeft een restrictie over hoeveel bouwlagen geluidbelast mogen worden. Voor de planlocatie is berekend dat maximaal 2 lagen geluidbelast mogen worden. In het bestemmingsplan zijn boven het peil van 0,7 - NAP dan ook twee lagen toegestaan. Als gevolg van de stedenbouwkundige criteria moet de bovenste laag als kap uitgevoerd worden. Omdat de planlocatie aan een dijk ligt is bij een positionering van een woning aan oostzijde van het bouwvlak een gedeeltelijke laag onder NAP mogelijk. Voor deze dan 3e laag is voorgeschreven dat deze niet als verblijfsruimte uitgevoerd mag worden. Hiermee wordt alsnog voldaan aan de eisen van het hogere waardenbeleid.
De ontheffing hogere waarde betreft een zelfstandige procedure omdat het onder de Wet geluidhinder valt en niet de Wet ruimtelijke ordening op basis waarvan het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het ontwerpbesluit voor de ontheffing hogere waarde zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd worden.
4.1.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
- scholen;
- kinderdagverblijven;
- verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
De geplande ontwikkelingen voor de planlocatie zijn dusdanig kleinschalig dat ze gezien kunnen worden als een NIBM-project. Hiermee kan gesteld worden dat de voorgenomen herontwikkeling niet in betekenende mate invloed zal hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Aan de andere kant is er geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming. Desalniettemin is met behulp van de NSl Monitoringstool van het ministerie van IenM vastgesteld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. In de volgende tabel zijn de concentraties fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) van een tweetal rekenpunten nabij het plangebied gegeven.
| | | |
721569 | 2011 | 24.738 | 29.160 |
| | 2020 | 22.415 | 20.614 |
728746 | 2011 | 24.752 | 29.274 |
| | 2020 | 22.429 | 20.686 |
Uit voorgaande tabel blijkt dat de toegestane normen ter plaatse van het plangebied niet worden overschreden.
4.2 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er verschillende ontwikkelingen gaande. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen en wordt er gewerkt aan een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie wordt de opvolger van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 en bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat beschreven in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de circulaire Rnvgs is dit beleid nader uitgewerkt. In de nota en circulaire Rnvgs staan normen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor. Deze normen hebben echter geen wettelijke status.
Het voornemen van het kabinet is een aantal categorieën van routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en bijbehorende plafonds aan te wijzen. Dit moet leiden tot een basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit Basisnet geeft de relatie aan tussen de ruimtelijke ordening en de vervoersrisico’s. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in een gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Om het Basisnet wettelijke grondslag te geven zal bestaande wetgeving aangepast, en nieuwe wetgeving ontwikkeld moeten worden. Derhalve wordt een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) opgesteld om de regels voor de ruimtelijke ordening van het Basisnet vast te leggen: het Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Btev). Vanuit het Btev moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) opgenomen worden en moet een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
De behandeling van het Btev is voorzien in het voorjaar van 2012. Waarschijnlijk wordt het Basisnet medio 2012 of 1 januari 2013 van kracht. Vooruitlopend daarop zijn de Basisnetten Weg en Water al als bijlage bij de circulaire Rnvgs opgenomen.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichingen en/of transportroutes
gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een
uitsnede van deze kaart.

Risicokaart (planlocatie bij pijl)
Uit bovenstaande afbeelding is op te maken dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een risicovol bedrijf of nabij een relevante buisleiding.
Het plangebied ligt wel nabij de A4 en dus binnen de invloedsfeer van de transportroute gevaarlijke stoffen die daar over loopt. Over de A4 worden brandbare gassen van klasse GF3 (LPG) en brandbare vloeistoffen van klasse LF1 (diesel) en LF2 (benzine) getransporteerd. Het effect van een calamiteit met een LPG tankwagen reikt tot 355 m vanaf de locatie van het incident, voor de brandbare vloeistoffen is dat 45 m. De woningen in onderhavig plangebied liggen op ca. 90 meter van de snelweg.
Voor dit punt dient derhalve bepaald te worden of het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt. Bij het groepsrisico geldt, zoals hiervoor uitgelegd, dat de oriëntatiewaarde niet hoger dan 1 mag zijn. In het kader van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen A4 is door de milieudienst een verkennend onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Uit dit onderzoek blijkt dat ruim onder de oriënterende waarde wordt gebleven. Ook de toevoeging van de woningen zoals dit bestemmingsplan hierin voorziet leidt niet tot een overschrijding van de oriënterende waarde.
4.3 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland
Waterbeheerplan 2010-2015
Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen.
Keur en Beleidsregels 2009
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels die in 2011 geactualiseerd zijn. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
- Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
- Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
- Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde
waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen
uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de
Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het
watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels (voluit: Beleidsregels en Algemene
Regels Inrichting Watersysteem 2011 Keur), die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader
uitgewerkt.
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
- het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
- verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
- afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
- huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringinrichting getransporteerd;
ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
- zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
- lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
- duurzaam bouwen;
- het toepassen berm- of bodempassage;
- toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
- het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
- adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
- het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
- de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
- het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
Het plangebied van totaal 13.783 m2 is gelegen aansluitend op het bestaand bebouwd gebied van de kern Nieuwe Wetering en momenteel ingericht als groen, onverhard terrein. Daarnaast ligt het in de beschermingszone van de waterkering.
In de toekomstige situatie zal de verharding van het plangebied toenemen met:
- 5 woningen x 150 m2 = 750 m2
- perceelverharding incl bijgebouwen (ca. helft van woon + tuinbestemming) 50% x 10.617 m2= 5.309 m2
- ontsluitingsweg = 815 m2
Zie voor de gehanteerde oppervlakten onderstaande afbeelding
De toename verharding komt daarmee op 825 m2 + 815 m2 + 5.309 m2 = 6.948 m2
Uit voorgaande berekening blijkt dat voor het plangebied sprake is van een toename in verharding van meer dan 500 m². Volgens het beleid van het hoogheemraadschap dient bij een toename in verharding van meer dan 500 m² een compensatie in de vorm van een open water van 15% van de toename plaats te vinden. Voor het plangebied bedraagt dat een compensatie van 6.948 x 15% = 1.042 m².
Aan de noordzijde van het plan wordt een waterpartij gegraven van ca 1.250 m2. Het plan voorziet derhalve in voldoende compensatie in open water.
In het kader van de Watertoets heeft er over de beoogde ontwikkeling overleg plaats gevonden met het Hoogheemraadschap. Op 16 januari 2013 is het plan besproken met het Hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap heeft de kaders weergegeven waaraan het plan moet voldoen, zoals het beoordelingsprofiel, het oppervlak verhard oppervlak etc. Onderhavig plan is opgesteld in overeenstemming met het gestelde door het Hoogheemraadschap. Hierbij wordt het nieuw te graven water aangesloten op de bestaande primaire watergang.
4.4 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Planspecifiek
In het kader van het bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering' is reeds een archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd, zie bijlage
4. Dit naar aanleiding van de mogelijkheid op archeologische vondsten zoals aangegeven in het archeologisch beleid van de gemeente Kaag en Braassem. Onderstaand een uitsnede van de beleidskaart en de verwachtingskaart behorende bij dit beleid. Het plangebied ligt nabij de rode pijl.
Archeologische verwachtingskaart
Archeologische beleidsadvieskaart
Uit het bureau-onderzoek en verkennend inventariserend veldonderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie waarschijnlijk geen archeologische waarden aanwezig zijn. Vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om de onderzoekslocatie vrij te geven. De archeologische meldingsplicht blijft echter van kracht. Mochten er op de locatie alsnog archeologische sporen worden aangetroffen, dan dient dit onverwijld te worden gemeld bij de bevoegde overheid.
4.5 Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Het plangebied ligt op ongeveer 10 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied. gezien de afstand en de lokale aard van de ingreep zijn er geen negatieve effecten op dit in de Natuurbeschermingwet 1998 beschermde gebied te verwachten. Daarnaast ligt het plangebied ook niet in of op korte afstand van de EHS. Er zijn ook geen effecten op verder weg gelegen delen van de EHS te verwachten.
EHS (plangebied bij pijl)
In het kader van het bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering' is een quick scan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage
5. Uit de quickscan is naar voren gekomen dat om de gevolgen van onderhavig plan voor strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet te kunnen bepalen, nader onderzoek moest worden gedaan naar de functie van het plangebied voor vleermuizen, de steenuil, ringslang, waterspitsmuis en noordse woelmuis.
Naar de benoemde soorten is een nadere veldinventarisatie gedaan, zie bijlage
6. In en om het plangebied zijn tijdens gericht veldonderzoek in 2012 geen steenuilen of ringslangen aangetroffen. Effecten op deze soort(groep)en worden daarom niet verwacht als gevolg van de ingreep.
De aan- of afwezigheid van de noorse woelmuis kon niet definitief beoordeeld worden. In onderhavig plan is daarom de strook langs het water, dat het leefgebied zou kunnen zijn van de woelmuis, als groen bestemd. Door deze bestemming is zijn leefgebied veiliggesteld en zullen als gevolg van het plan geen nadelige effecten voor deze soort optreden.
In het plangebied is ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen, vliegroutes over watergangen en andere belangrijke onderdelen uit het leefgebied van vleermuizen onderzocht. Bij dit onderzoek in het najaar van 2011 en de zomer van 2012, zijn drie verschillende vleermuissoorten aangetroffen; de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. De aangetroffen aantallen zijn gezien de grootte van het onderzoeksgebied niet erg groot. Meer waterminnende soorten als watervleermuis en meervleermuis zijn niet waargenomen. Wel zijn buiten de deelgebieden enkele paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, en één zomer/kraamverblijfplaats aangetroffen in Nieuwe Wetering. Deze worden niet aangetast bij de ingrepen uit dit plan. Bij de onderzoeken is buiten het plangebied een tevens nog een nestlocatie van de ransuil geconstateerd.
Tenslotte zijn de volgende twee voorwaarden uit de Flora- en faunawet altijd van toepassing:
- De start van werkzaamheden (kappen, rooien, slopen en grondbewerking) dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
4.6 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
Planspecifiek
Voor het plangebied gelden een aan aantal voorwaarden met betrekking tot het parkeren. Deze worden weergegeven in onderstaande tabel.
Aantal woningen | Norm aantal pp op eigen terrein | Realisatie aantal pp op eigen terrein | Norm aantal pp op openbaar terrein | Realisatie aantal pp op openbaar terrein |
5 | 2 per woning (10) | 10 | 0,3 per woning (1,5) | - |
De parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgelost. Per woning worden dus 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Er is tevens meer dan voldoende ruimte op eigen terrein om het openbaar parkeren op te vangen.
4.7 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
- de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Onderhavig plan valt onder de activiteit D11.2 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). Het aantal woningen ligt ver onder de drempelwaarden. Volgens het Besluit m.e.r moet ook in dat geval worden onderbouwd of er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn te verwachten.
De onderzochte haalbaarheidsaspecten in het kader van dit bestemmingsplan geven voldoende inzicht in de gevolgen voor het milieu om een gewogen besluit te nemen over de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
4.8 Bedrijvigheid en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In het vigerende bestemmingsplan zijn een aantal bedrijven opgenomen. Op de locatie Voorweg 71 rust een bedrijfsbestemming. De afstand tot aan de woningen is 30 meter. Aan de Achterweg 38a is Autobedrijf Straathof B.V. gelegen en aan de Achterweg 64 Autoservice Repatech. Alle drie de bedrijven zijn in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met milieucategorie 2. Voor de plannen geldt dan ook een milieuhindercontour van 10 meter in gemengd stedelijk gebied. Het meest dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op ca. 30 meter van het plan. Er ontstaat vanuit het aspect bedrijven en milieuhinder dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
4.9 Duurzaamheid
De gemeente Kaag en Braassem hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. Over de nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project kunnen op vrijwillige basis afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Voor kleine bouwprojecten als het onderhavige informeert de gemeente initiatiefnemers over duurzaam bouwen via het Infoblad Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. Dit infoblad staat op de website van de Omgevingsdienst: www.odwh.nl/dubo. Er is zowel een infoblad voor particulieren als voor bedrijvigheid.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
- Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
Groen
De bestemming Groen is opgenomen vanuit ecologisch oogpunt. De groenstrook kan in zijn huidige vorm een habitat vormen voor beschermde soorten. Derhalve is de groenstrook overgenomen in het plan en wordt geen bebouwing en of verharding toegestaan.
Tuin
In het bestemmingsplan is een deel van de gronden aangewezen met de bestemming tuin. Deze gronden behoren bij de ontwikkeling maar vallen buiten het stedenbouwkundig kader wat als uitgangspunt geldt voor onderhavig plan. Om de openheid van de gronden te behouden is gekozen om de gronden die buiten het stedenbouwkundig kader vallen als tuin te bestemmen. Hiermee wordt erfbebouwing en hoge erfafscheiding op deze gronden ingeperkt.
Water
De bestemming water is opgenomen voor het plandeel waar water komt als gevolg van de verplichte watercompensatie.
Wonen
De functie van wonen is bepalend voor de toekenning van deze bestemming. De woningen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken te worden gebouwd. Tevens zullen erven en tuinen ook onder de bestemming ‘Wonen’ komen te vallen. De regels voor de bestemming zijn opgesteld op basis van het stedenbouwkundig kader opgesteld voor de gehele planontwikkeling van de kern Nieuwe Wetering. De regel om één woning met de achtergevel in de gevellijn te bouwen volgt uit de het akoestisch onderzoek. Op deze wijze kan voldaan worden aan de normen voor ontheffing hogere waarde. Vanuit het Hogere waarde vloeit ook voort dat de ruimte onder NAP niet als verblijfsruimte uitgevoerd mag worden, in paragraaf 4.1.2. wordt dit nader toegelicht.
De voorgevel dient gesitueerd te worden naar de watergang de Nieuwe Wetering. Hiermee wordt voldaan aan een representatieve uitstraling aan deze zijde. Dit houdt echter niet in dat de voordeur aan deze zijde moet komen.
Waterstaat - Waterkering
De op de verbeelding aangewezen gronden voor de dubbelbestemming ‘Waterkering’ zijn naast de andere daar van toepassing zijnde bestemmingen bedoeld voor de bescherming van de dijk van de watergang de 'Nieuwe Wetering' direct ten westen van het plangebied.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De ontwikkeling betreft een particuliere ontwikkeling. De gemeente faciliteert de planontwikkeling door middel van planbegeleiding. Ten behoeve van de verdeling van de kosten en risico’s is een anterieure overeenkomst gesloten. Voor de gemeente zijn dan ook geen andere kosten en of risico aan het plan verbonden. Daarnaast bestaat er geen noodzaak om eisen te stellen ten aanzien van de fasering van het plan. Tevens is, in verband met de beoogde realisatie van de vijf vrijstaande woningen, een planschaderisicoanalyse opgesteld. De gemeente heeft reeds kennis genomen van de resultaten van deze risicoanalyse.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Inspraakprocedure
Aangezien het een klein bestemmingsplan betreft en de afstand tot direct omwonenden groot is, wordt voor dit plan inspraak niet noodzakelijk geacht.
6.2.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In het kader van artikel 3.1.1 Bro heeft er vooroverleg plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap. Vanuit de provincie Zuid-Holland is aangegeven dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid en er geen provinciale belangen in het geding zijn.
Met het hoogheemraadschap heeft telefonisch overleg plaatsgevonden. In de ontwerpfase heeft het hoogheemraadschap schriftelijk gereageerd op het bestemmingsplan.
6.2.3 Zienswijzenprocedure
Gedurende de periode van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan zijn 6 zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn door de gemeente Kaag en Braassem samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota van beantwoording zienswijzen. Deze nota is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
- 1. Stedenbouwkundig kader, Buro SRO, Kenmerk 120186, 18 oktober 2012
- 2. Verkennend bodemonderzoek, Van Dijk Geo & milieutechniek, opdrachtnummer 151238, 3-8-2011,
- 3. Akoestisch onderzoek, Agel adviseurs, projectnummer 20110271, 22-8-2012,
- 4. Archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek, ARC, Kenmerk 2011/176, 17 augustus 2011
- 5. Quick scan flora en fauna, Laneco, Kenmerk 04.11.11, 26 augustus 2011
- 6. Ecologisch veldonderzoek, Laneco, Kenmerk 04.11.11, 31 augustus 2012