3.3.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025
De gemeenteraad
van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de
Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV
is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke
ontwikkeling in het jaar 2025.
De MRSV
integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een
logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op
hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in
detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de
gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid
heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit
aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
De MRSV is in
lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Zo
zijn de ‘gebiedsprofielen’ van de provincie gebruikt als
basis voor de ruimtelijke structuur. Op regionale schaal zijn de
beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook
is gekeken naar de verschillende beleidsdoelen van de voormalige
gemeenten Alkemade en Jacobswoude. De gemeente maakt in de MSRV vijf
strategische keuzes:
- geen nieuwe woningbouwplannen; wel afronding huidige projecten en versterken bestaande woonmilieus.
- delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
- verschil tussen
groei- en groenkernen; het behoud van voorzieningen is ondergeschikt
aan de kwaliteit van (samen)leven. Bundelen van voorzieningen en
woningaanbod enkel in de groeikernen. Dit versterkt de
levensvatbaarheid van die voorzieningen.
- ruimtelijke
kwaliteit staat voorop; economische ontwikkelingen worden gestimuleerd
langs de hoofdverkeersaders en langs de intensievere recreatieve
routes. Daarmee worden de waardevolle landschappen beschermd.
- ontwikkeling
door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van
kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande
woonomgeving.
Planspecifiek
In
de structuurvisie staat het landschap van het plangebied gekenmerkt als
droogmakerij. De droogmakerijen zijn grootschalige open polders. Het
primaire grondgebruik is landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt. Er is
volop ruimte voor schaalvergroting. Sommige bedrijven gaan stoppen,
andere kunnen verdubbelen in grootte. Het gaat dan om recreatieve
routes, met daarbij incidentele recreatieve trekpleisters waarbij de
recreatie tot een volwaardige tweede hoofdtak is geworden. Deze
trekpleisters zijn via de N207 en de N446 goed bereikbaar. In deze
accenten is behalve aandacht voor de recreatieve kant ook nadrukkelijk
aandacht voor verhoging van de landschaps- en natuurwaarde.
Deze
beschrijving gaat op voor de beoogde ontwikkeling. Met de renovatie van
het perceel wordt de boerderij weer in ere hersteld. Voorts maakt
de nevenfunctieregeling het mogelijk om een bed & breakfast te
beginnen. Dit draagt bij aan de diversiteit van het agrarisch
landschap in het gebied. Kenmerkend voor Rijnsaterwoude is de kleine
compacte dorpskern en het overheersende agrarisch karakter. Hoewel
de voorgenomen ontwikkeling net buiten de dorpskern van
Rijnsaterwoude is gesitueerd kan worden gesteld dat deze geen
afbreuk doet aan deze karakteristieken. Wel worden kwaliteiten
versterkt. Daarnaast wordt, met de nevenfunctieregeling, ook
aansluiting gezocht bij de recreatieve ambities van de gemeente Kaag en
Braassem. De structuurvisie ziet namelijk voor dit gebied rondom het
Braassemermeer kansen voor (oever)recreatie.
Verder
blijkt uit de MRSV dat met name markt bestaat voor woningen voor
ouderen en doorstromers. Hoewel de planvorming voor de woning,
waaronder een doelgroepbenadering, nog niet definitief is kan wel
worden gesteld dat voldoende kansen bestaan voor afzet. Voorts zet de
MRSV in op bijzondere woonmilieus. Voorliggende ontwikkeling kan, gelet
op het monumentale karakter en de ligging aan de rand van de
Wassenaarsche Polder als zodanig worden aangemerkt. Daarmee is de
ontwikkeling in lijn met de MRSV.
3.3.3 Welstandsnota
Op 6 september
2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe
welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden,
waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en
het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is
opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een
beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat
de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke
welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.
In het
welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent
dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering
van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het
welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en
gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel
van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn
vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn
weergegeven op de welstandskaart.
Planspecifiek
Het plangebied is
gelegen in welstandsluw gebied. Het is verder niet gesitueerd in
een beschermd dorpsgezicht. Wel toont het welstandsbeleid de aanwijzing
van de boerderij als rijksmonument. Hiernavolgend is een uitsnede van
de welstandskaart opgenomen.

Uitsnede welstandskaart
Een
monument is een gebouw of een object dat van algemeen belang is vanwege
de schoonheid, cultuurhistorische waarde of betekenis voor de
wetenschap. Een monument moet dus zo veel mogelijk in oorspronkelijke
staat worden gehouden. De eigenaar is wettelijk verplicht het goed te
onderhouden. Monumenten, zowel Rijksmonumenten als gemeentelijke
monumenten, zijn aan strenge vergunningsregels gebonden. In het
uittrekstel van het cultureel erfgoed staat het volgende beschreven
over de boerderij: 'Hoeve "St. Jan". Boerderij uit de 18e eeuw
onder rieten wolfdak. De topgevel is voorzien van vlechtingen en heeft
een bekroning in de vorm van een gebeeldhouwd lam met staf, waaraan een
banier met kruis. Zomerhuis onder zadeldak tussen puntgevels met
vlechtingen.'
De bovengenoemde
karakteristieken van de boerderij worden behouden bij de restauratie.
De boerderij wordt in redelijkerwijs nog te achterhalen oude staat
gerestaureerd. Zo worden onderdelen die in de loop der jaren verloren
zijn gegaan of zijn afgebroken, zoals de turfschuur en de veranda aan
de noord- en westzijde, herbouwd. Op het aspect cultuurhistorie
wordt in hoofdstuk 4 van de voorliggende toelichting verder
ingegaan.
3.3.4 Nota Vereveningsfondsen
Als
uitwerking op de MRSV is op 17 juni 2013 de Nota Vereveningsfondsen
door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin worden bestemmingsreserves
sociale woningbouw en parkeren aangewezen. Doel van deze reserves is
tenminste 30% sociale woningbouw te realiseren bij nieuwbouwprojecten
en te voorzien in voldoende parkeervoorzieningen bij
nieuwbouwontwikkelingen (niet alleen voor sociale woningbouw).
Indien
in uitzonderlijke gevallen niet aan de gestelde normen kan worden
voldaan zal op basis van een overeenkomst met de initiatiefnemer van
een bouwplan een bijdrage aan de betreffende bestemmingsreserve(s)
worden afgesproken. Conform de ambitie uit de MRSV is deze norm voor
sociale woningbouw op 30% gesteld. Deze bijdrage kan vervolgens worden
ingezet bij projecten die meer sociale woningbouw realiseren dan de
gestelde norm, dit alles met als doel gemiddeld 30% sociale woningbouw
bij nieuwbouw projecten te realiseren. De bijdrage aan de
parkeerbestemmingsreserve wordt gebruikt om in geval van nieuwbouw in
de openbare ruimte ontbrekende parkeergelegenheid aan te leggen.
Planspecifiek
Bij voorliggende
ontwikkeling is er sprake van een herstructurering. Hiervoor wordt in
de Nota aangegeven dat enkel over de nieuw toe te voegen woningen het
sociale woningbouwquotum geldt. Het beoogde bouwplan betreft in
totaliteit een toevoeging van 1 woning. Conform de Nota dienen
derhalve 0,3 sociale woningen gerealiseerd te worden. Omdat
in casu de woning wordt opgericht als nieuwe
financiële drager van het rijksmonument is het niet wenselijk
dat een afdracht plaatsvindt. Deze afdracht staat immers
haaks op hetgeen waar de woning voor wordt gerealiseerd: de extra
woning wordt gerealiseerd ten behoeve van de financiële
haalbaarheid van het project. Een afdracht heeft directe impact op
deze haalbaarheid en is derhalve niet gewenst. Bij voorliggende
ontwikkeling wordt daarom gebruik gemaakt van de in de Nota
Vereveningsfondsen opgenomen hardheidsclausule. Uit paragraaf 4.4
blijkt dat voldaan kan worden aan de parkeernorm binnen het plangebied.
Daarmee wordt voldaan aan de bepalingen uit de Nota Vereveningsfondsen.
3.3.5 Beleidslijn 'Buitengebied West'
Middels het
bestemmingsplan 'Buitengebied West' (2013) geeft de gemeente Kaag en
Braassem in hoofdlijnen haar visie op ontwikkelingen in het
buitengebied.
Planspecifiek
De
regeling omtrent woningsplitsing bij monumenten (artikel 23.3 lid 1)
stelt dat het aantal wooneenheden in het hoofdgebouw te vermeerderen
is, met inachtneming van het volgende:
- de wijziging
wordt uitsluitend toegepast indien de woningsplitsing bijdraagt aan het
behoud of verbetering van het oorspronkelijke en cultuurhistorische
waardevolle karakter van de bebouwing;
- de totale inhoud
van het hoofdgebouw dat gebruikt wordt voor de woningsplitsing dient
ten minste 1.000 m³ te bedragen;
- na splitsing bedraagt het aantal wooneenheden maximaal 2;
- het gebouw dient na woningsplitsing door één aaneengesloten dak afgedekt te blijven;
- het hergebruik
dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume: het uitwendige
karakter van het hoofdgebouw - zoals dit bepaald is door
hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en
nokrichting - dient behouden te blijven.
Uit hoofdstuk 2
volgt dat aan alle voorwaarden voldaan kan worden. Daarmee staat de
gemeentelijke beleidslijn een extra woning toe. Verder volgt uit het
bestemmingsplan 'Buitengebied West' een regeling voor nevenfuncties.
Gelet op de grootte van de bebouwing en de wens van initiatiefnemer is
ten opzichte van de standaard een beperkte aanpassing aan de
nevenfunctie 'bed & breakfast' doorgevoerd. Daar de
gemeentelijke beleidslijn uit gaat van 200 m² voor bed &
breakfast gaat voorliggend plan uit van 6 kamers, met maximaal 12
bedden. Uitgaande van gemiddeld 25 m² per kamer, met
bijbehorende sanitaire voorzieningen, is de voorliggende regeling in
theorie nagenoeg gelijkluidend. Bij grotere kamers wordt het totaal aan
mogelijke bedden echter niet beperkt. Daarmee is de beoogde regeling
passender bij de wensen van initiatiefnemers, zonder dat deze haaks
staat op de gemeentelijke beleidslijn.
4.1 Milieueffectrapportage
De
milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse
procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming
te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en
besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van
publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7
van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit
m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een
plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij
toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of
besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven
de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2
‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden
beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit
is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3
‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct
een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of
besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de
drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van
onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende
plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het
uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of
het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze
keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit
gemotiveerd;
- de
activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet
genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen
m.e.r.-(beoordelings)plicht.
- aan de hand van
een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet
1998 kan geconcludeerd worden dat het plan mogelijk
m.e.r.-plichtig is
Planspecifiek
Uit
toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling
van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid d. Het
aanwijzen van een bedrijfswoning als plattelandswoning, een
herinrichting van een bestaand erf of het starten van een
bed & breakfast als ondergeschikte functie bij
de bestaande woning is niet specifiek genoemd in de onderdeel D.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel een vormvrije
m.e.r. beoordeling uitgevoerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan
tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch
een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen
voor m.e.r.
De
vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gevormd door de hiernavolgende
paragraven. Daarin worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen
gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten; een
nadere m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
4.2 Milieu
4.2.1 Bodem
In het kader van
een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de
bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met
het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming.
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze
ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het
beoogde doel.
Bij
herinrichtingssituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in
het kader van de Woningwet. Bij een bestemmingswijziging is een
bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging
tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een
bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng
bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de
bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet
noodzakelijk.
Voor bodemgebruik
wordt uitgegaan van acht verschillende bodemfuncties: 1.
landbouw, 2. moestuin/volkstuin, 3. wonen met tuin,
4. kinderspeelplaatsen, 5. natuurgebieden, 6. groen met
natuurwaarden, 7. industrie en ander groen, 8. bebouwing en
infrastructuur. In het kader van de Wet bodembescherming worden de
acht bodemfuncties in het Besluit Bodemkwaliteit onderscheiden in
drie bodemklassen:
- klasse landbouw en natuur (1, 2 en 5);
- klasse wonen (3, 4 en 6);
- klasse industrie/bedrijven (7 en 8).
Wanneer onderzoek
noodzakelijk is wordt in eerste instantie volstaan met een historisch
vooronderzoek. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat op grond van de
resultaten een verontreiniging te verwachten is, dient een verkennend
bodemonderzoek conform de NEN 5740 (Bodem - Landbodem - Strategie voor
het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de
milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) van het NNI te
worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Voorliggend
plan voorziet in de toevoeging van een agrarische plattelandswoning of
een ondergeschikte bed & breakfastfunctie in de monumentale
boerderij. Het gebruik van de monumentale boerderij als woonfunctie is
reeds toegestaan. Daarmee heeft er in het verleden al een afweging
plaatsgevonden van de bodemkwaliteit. Dit blijkt onder meer uit het
bodeminformatieloket van de Omgevingsdienst West-Holland. Binnen dit
loket zijn alle actuele bodemgegevens raadpleegbaar. Voor (delen van)
het plangebied zijn reeds in 1991 en
2006 bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Uit deze
bodemonderzoeken blijkt dat de gronden niet ernstig zijn verontreinigd.
Sindsdien is initiatiefnemer niet bekend met nieuwe ontwikkelingen met
betrekking tot de bodemkwaliteit, zoals vervuilingen.
Omdat voorliggend
plan niet uitgaat van een strengere bodemklasse (immers geen
bestemmingswijziging) en uit eerder onderzoek blijkt dat er geen
ernstige verontreiniging aanwezig is, vormt het aspect bodem geen
belemmering bij de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek is niet
noodzakelijk. Indien er grond wordt aan- of afgevoerd moet dit
plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het
bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.
4.2.2 Geluid
De
mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de
Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige
objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh
worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige
terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan
categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen,
woonwagenstandplaatsen);
-
andere
geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en
verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en
verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit
geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Het
beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van
vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet
geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai
en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op
geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
In
de directe omgeving van het plangebied is geen (gezoneerd)
industrieterrein of spoorwegtraject gelegen. Daarmee dienen alleen de
gevolgen van het wegverkeer inzichtelijk te worden gemaakt. Het
plangebied is gesitueerd buiten de onderzoekszone van de N207 maar
binnen de onderzoekszone van de Herenweg. Derhalve is voor de
toevoeging van een plattelandswoning een akoestisch onderzoek (zie
bijlage) uitgevoerd. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de
Herenweg bedraagt op waarneemhoogte 4,5 meter maximaal Lden=53 dB ter
plaatse van de voorgevel. Deze geluidbelasting treedt enkel op bij het
zomerhuis. Op het hoofdvolume bedraagt de geluidbelasting maximaal 52
dB. Gelet op de geluidsbelasting op het zomerhuis wordt de
voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt met 5 dB
overschreden. De zijgevels ondervinden een lagere geluidbelasting van
45 tot 48 dB en zijn daarmee geluidluw. Ook de achtergevel is
geluidluw. Daarmee past de ontwikkeling binnen de kaders van het Hogere
waardenbeleid (4 maart 2013). Omdat geluidreducerende
maatregelen aan de bron of geluidsschermen financieel niet
doelmatig zijn of stuiten op stedenbouwkundige bezwaren zal de gemeente
Kaag en Braassem een besluit Hogere waarden nemen. Middels dit te nemen
besluit vormt het aspect geluid geen belemmering bij de beoogde
ontwikkeling.
4.2.3 Luchtkwaliteit
µIn
de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze
paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel
bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit
introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.
Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de
verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten
dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de
luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en
infrastructuur (wegen).
Wat
het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de
algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate
bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat
'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de
jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram
per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de
luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen,
kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale
overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te
toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling
naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in
betekenende mate bijdragen'.
Een
belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het
Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL,
dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies
en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te
realiseren.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op
16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking
getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel
5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van
zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en
rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke
ordening.
Het
Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde
gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het
bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking
heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen
op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter
langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het
totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet
toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2
dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende
terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
scholen, kinderdagverblijven, verzorgings-, verpleeg- en
bejaardentehuizen. Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin
van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte
aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
In
het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee
aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de
nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de
luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert.
Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan
verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen
of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding
van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd
worden.
Planspecifiek
De
beoogde ontwikkeling omvat geen gevoelige bestemming in het kader van
de luchtkwaliteit. In zowel de huidige planologische situatie als in de
gewenste heeft de monumentale boerderij een woonfunctie. Uit
de paragraaf verkeer blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling
maximaal 20,7 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal worden verwacht.
Uit nadere toetsing middels de NIBM-tool (versie mei 2014) blijkt dat
het plan daarmee 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de
verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee vormt het aspect
luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Nadere
toetsing is niet noodzakelijk.
Uit
oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient wel afgewogen te worden of
het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. In
dit geval is getoetst aan de ambities voor luchtkwaliteit uit het
regionaal beleidskader voor duurzame stedenbouw (RBDS) en de
duurzaamheidsagenda.
Om
inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging
als gevolg van het plan kunnen de concentraties uit de digitale
monitoringstoon, die behoord bij het NSL (Nationaal
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de
monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijnstof
ter plaatse van de Herenweg 12a/14 te Rijnsaterwoude 21,2 μg/m³
NO2 (2012), 21,4 µg/m³ fijnstof PM10 (2012, zonder
zeezoutaftrek) en 13,2 µg/m³ fijnstof PM2,5 (2012) bedragen.
De verwachting is dat door het schoner worden van de autotechniek de
concentratie van met name stikstofdioxide in de lucht in de toekomst
nog lager is. Hiermee wordt voldaan aan de extra ambities voor
luchtkwaliteit uit het RBDS en de duurzaamheidsagenda.
4.2.4 Externe veiligheid
Externe
veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico
voor de omgeving kunnen opleveren, zoals bij de productie, de opslag en
het transport van gevaarlijke stoffen. Bij de herinrichting van een
gebied bepalen deze risico's mede de ruimtelijke mogelijkheden.
Onderzocht dient
te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle
activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Dat kan zowel
inrichtingen als transporten betreffen. Voor zover van toepassing dient
van die activiteit het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico
(GR) te worden bepaald en eventueel de toename hiervan. Het PR is de
kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als
rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij
onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt
weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een
vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die
niet mag worden overschreden. Voor bestaande situaties wordt het niveau
van 10-5 per jaar als grenswaarde gehanteerd, 10-6 per jaar geldt als richtwaarde. Voor nieuwe situaties geldt een grenswaarde van 10-6
per jaar. Een richtwaarde is daarbij niet van toepassing. Het GR kan
worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval
van calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen
van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van
een calamiteit). De normstelling heeft de status van een
oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke
norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een
inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde
en dient een toename van het GR bestuurlijk te zijn verantwoord.
Wet- en
regelgeving voor het aspect externe veiligheid laat zich opdelen in
inrichtingen (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen en Regeling
Externe Veiligheid Inrichtingen), vervoer van gevaarlijke stoffen door
buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen, Regeling
externe veiligheid buisleidingen en Structuurvisie Buisleidingen
2012-2035) en tot slot het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg,
water en spoor (Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Nota Risiconormering
vervoer gevaarlijke stoffen en Circulaire Rnvgs). In verband met de
ontwikkeling van het Basisnet is in 2014 het Besluit externe
veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht geworden.
Planspecifiek
Het
plangebied ligt niet binnen invloedsgebieden van Bevi-inrichtingen,
veiligheidsafstanden van overige stationaire risicobronnen,
invloedsgebieden van relevante buisleidingen en de invloedsgebieden van
basisnetroutes spoor- en vaarwegen. Het plangebied is wel gelegen
binnen het invloedsgebied van de basisnetroute voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen over de weg aangezien de N207 is aangewezen als
gevaarlijke stoffenroute van LT2 (licht toxische vloeistoffen categorie
2). Gelet op deze stof heeft de N207 een invloedsgebied(1%
letaliteitsgebied) van 950 meter. Blijkens de onderzoeksrapportage
(2012) horende bij het bestemmingsplan N207 bedraagt de hoogte van het
groepsrisico 0,003 ten opzichte van de oriëntatiewaarde.
Voorliggende ontwikkeling zal, gelet op ontwikkeling en afstand tot de
weg, het groepsrisico slechts zeer beperkt (niet noemenswaardig)
verhogen.
Het Bevt
maakt onderscheidt in ontwikkelingen binnen 200 meter van de weg en van
200 tot 950 meter van de weg. Voorliggende ontwikkeling is op circa 600
meter van de weg gesitueerd en valt derhalve in de tweede categorie.
Voor een plangebied dat ligt binnen het invloedsgebied, maar buiten de
200 meter zone van een relevante transportroute is enkel artikel 7 Bevt
relevant. Dit artikel stelt dat ingegaan moet worden op de
zelfredzaamheid voor nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten in
het plan en de bestrijdbaarheid.
Zowel bij een
volledige woonfunctie als bij een woonfunctie met onderschikte
bed&breakfast zullen over het algemeen geen mensen zonder beperkte
mobiliteit, zoals kinderen, gehandicapten of zieken, aanwezig
zijn. Indien deze wel aanwezig zijn, zoals kinderen, is dit in de
huiselijke sfeer samen met mensen met een goede mobiliteit. Voorts is
zowel aan de zijde van de N207 als aan de zijde vanaf de N207 een
mogelijkheid het pand te verlaten. Daarnaast wordt, na de beoogde
herindeling van de erfinrichting, voorzien in twee mogelijkheden de
boezemsloot over te steken, tenover één mogelijkheid nu.
Daarmee zijn er betere mogelijkheden om vanaf de N207 te vluchten. Het
aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering.
4.2.5 Bedrijven en milieuzonering
Het
aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven
kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de
afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid.
Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun
aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of
nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen
ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij
een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij
een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige
bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor
dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige
functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een
verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het
waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit
van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering
beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals:
geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden
en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type
bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten'
(VNG) geeft de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In
deze publicatie van 2009 is een lijst opgenomen, met daarin
de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en
bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een
nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het
belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging
steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet,
mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en
milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van
voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld
bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare
voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Plattelandswoning
In
gevallen dat een agrarische bedrijfswoning wordt afgesplitst van
het agrarische bedrijf ontstaat er veelal een probleem voor de
voortzetting van het agrarische bedrijf. Vaak doet deze situatie zich
voor als een tweede bedrijfswoning niet meer als bedrijfswoning nodig
is en wordt verkocht aan een derde. Hiermee ontstaat een gevoelige
bestemming op korte afstand van het agrarische bedrijf.
Op
het moment dat de bedrijfswoning nog bij het agrarische bedrijf hoort,
wordt deze bedrijfswoning als onderdeel van de agrarische inrichting
gezien. Daarmee telt deze niet mee in de aan te houden
milieuzoneringen. Als deze bedrijfswoning vervolgens als burgerwoning
wordt gebruikt, dan moet het bedrijf ten opzichte van deze woning gaan
voldoen aan de milieuafstanden of milieunormen voor woningen van
derden. Vaak lukt dat niet vanwege de zeer korte afstand tussen deze
voormalige bedrijfswoning en het agrarische bedrijf. Dit heeft tot
gevolg dat het agrarische bedrijf beperkingen ondervindt en extra
milieumaatregelen moet treffen door de nabijheid van deze woning.
Hiertoe is de "Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere
wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te
laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van
agrarische bedrijfswoningen aan te passen" aangenomen. Deze wet voegt
een bepaling toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel
1.1a). Hierin is een tweeledige oplossing opgenomen:
- de (voormalige)
bedrijfswoning kan worden aangewezen als
‘plattelandswoning’ zodat hierin bewoning door een derde
(burgerwoning) kan plaatsvinden. Het gebruik als bedrijfswoning blijft
mogelijk. Aanwijzing als plattelandswoning vindt plaats in het
bestemmingsplan, de beheersverordening of in een buitenplanse
omgevingsvergunning;
- deze woning
blijft bij de inrichting, dus het agrarische bedrijf, horen, zodat voor
deze woning de milieubescherming gelijk is aan de bescherming alsof het
nog de eigen bedrijfswoning is.
Daarmee
wordt enkel bescherming geboden tegen milieuhinder van het
oorspronkelijk bijhorende agrarisch bedrijf. Dit bedrijf kan wel
groeien waardoor ook de milieuhinder op een plattelandswoning kan
toenemen.
Planspecifiek
Voor
het aspect bedrijven en milieuzonering dient beoordeeld te worden of de
ontwikkeling passend is met de omliggende bedrijfsvoeringen en of er
ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat kan worden
geboden.
Ten
aanzien van het eerste wordt onderscheid gemaakt tussen het voormalig
bijhorend agrarisch bedrijf (Herenweg 12b/c) en overige bedrijven. De
'Wet Plattelandswoningen' maakt ontwikkelingen mogelijk zonder dat deze
ontwikkelingen leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van het
voormalige bedrijf. De nevenfuncties zijn aan te wijzen als
ondergeschikt aan de woonfunctie. In het geval van het nachtverblijf is
daarmee geen sprake van een zelfstandige verblijfsrecreatieve
voorziening. Deze hoeft dus ook niet als zodanig getoetst te worden. De
nevenfunctie regeling maakt ook beroep en bedrijf aan huis mogelijk.
Bij recht is het mogelijk bedrijfsactiviteiten tot categorie 1 van de
Staat van bedrijfsactiviteiten te ondernemen. Indien blijkt dat andere
bedrijfsactiviteiten ook passend zijn binnen de woonomgeving kunnen
deze, middels afwijking, worden vergund.
In
de huidige situatie is de boerderij bestemd als bedrijfswoning. Een
bedrijfswoning van een derde (dus niet behorend bij het eigen
bedrijf) is aan te merken als gevoelige bestemming. Daarmee is de
boerderij voor overige bedrijven reeds een gevoelige
bestemming. Daarmee vormt de ontwikkeling geen nieuwe belemmering
bij omliggende bedrijfsvoeringen. Volledigheidshalve is hiernavolgend
wel een beoordeling uitgevoerd naar de omliggende bedrijfsvoeringen. In
deze beoordeling worden de zoneringsafstanden uit de VNG publicatie
gebruikt.
| Bedrijf |
Adres |
Milieucategorie |
Zoneringsafstand |
Daadwerkelijke afstand |
Voldoet |
| Jachthaven Meerzicht |
Herenweg 55 |
3.1 |
30 meter |
circa 85 meter |
ja |
| Handelsonderneming Bmmbb |
Herenweg 73 |
2 |
10 meter |
circa 195 meter |
ja |
Uit voorgaand
overzicht blijkt dat voor de overige bedrijven ruim aan de minimale
zoneringsafstand voldaan wordt. Dit betekent ook dat deze bedrijven op
zodanige afstand zijn gesitueerd dat deze een goed woon- en leefklimaat
ter hoogte van de monumentale boerderij niet belemmeren. Hoewel vanuit
de 'Wet Plattelandswoningen' niet gekeken hoeft te worden naar het
voormalig bijhorende agrarische bedrijf dient er vanuit een goede
ruimtelijke ordening wel een beoordeling plaats te vinden.
De stallen van
het agrarische bedrijf zijn op circa 55 meter van de monumentale
boerderij gesitueerd. Gelet op artikel 4 Wet geurhinder en veehouderij
en artikelen 3.116 en 3.117 Activiteitenbesluit milieubeheer is
een minimale zoneringsafstand van 50 meter voldoende voor een goed
woon- en leefklimaat. Deze afstand kan, met behulp van een
gemeentelijke geurverordening, zelfs worden bijgesteld naar 25 meter.
Daarmee acht de wetgever deze 25 meter, onder voorwaarden, in
principe voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Gelet op de
afstand van 55 meter wordt voldaan aan de minimale afstandszonering
voor reguliere. Bovendien kan worden gesteld dat bewoners van een
'plattelandswoning' een hoger acceptatieniveau hebben ten aanzien van
mogelijke overlast. Een beperking in het woon- en leefklimaat is
daarmee acceptabel. Op het gebied van milieuzonering ondervindt
het plan dan ook geen belemmering.
4.3 Water
Het aspect water
is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om
te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook
risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van
het water hoog gehouden worden.
4.3.1 Algemeen wet- en regelgeving
Op Rijksniveau en
Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt
met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid
voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste
eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige
waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het
rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste
eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte
moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid
voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden,
bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk
bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.
Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in
bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren
wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden,
scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk
schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel
mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd
water aan bod.
Waterwet
Centraal in de
Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de
‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het
geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties
tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar
ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het
doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor
waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt
de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische
implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn
Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles
is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale
watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes
vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in
één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de
Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het
Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de
periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het
Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen,
beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van
gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015
genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties
veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te
benutten.
4.3.2 Hoogheemraadschap van Rijnland
Op
9 december 2009 is het nieuwe waterbeheerplan (WBP) van het
hoogheemraadschap van Rijnland vastgesteld. Voor de planperiode
2010-2015 is dit WBP van toepassing. In het plan geeft Rijnland aan wat
haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het
watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen
accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn:
- veiligheid tegen overstromingen;
- voldoende water;
- gezond water.
Wat
betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog
en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met
mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water
gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te
beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het
watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend
met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt
naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van
langdurige droogte en zeespiegelstijging. Het WBP sorteert voor op deze
ontwikkelingen.
Keur en Beleidsregels
Per
22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe
Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van
de Waterwet en de daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van
het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over
het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
De ‘Keur en Beleidsregels’ maken het mogelijk dat het
Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en
kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de
waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
- waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
- watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken);
- andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De
Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of nabij
de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden
aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als
Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in de Watervergunning
op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via
vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of
te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid
van Rijnland nader uitgewerkt.
4.3.3 Watertoets
De
‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige
belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het
opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische
toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en
de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk
stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van
een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
In
de huidige situatie is in het plangebied reeds het
gebruik van een woning mogelijk. Het terrein is al gedeeltelijk
verhard en er zijn reeds diverse bijbehorende bouwwerken aanwezig.
De nieuwe erfindeling, gepresenteerd in paragraaf 2.2 van de
voorliggende toelichting, gaat uit van een beperkte
afname (circa 40 m²) ten aanzien van het oppervlakte
aan bijhorende bouwwerken.
Als
gevolg van een wijziging in de ontsluitingsstructuur is het mogelijk
dat de totale erfverharding beperkt toeneemt. Het definitieve
oppervlakte aan erfverharding is echter afhankelijk van de locatie van
de twee nieuwe bruggen en het uiteindelijke ontwerp van de erfbebouwing
(bijbehorende bouwwerken). De huidige verharding is ingeschat op 2.500
m². De toekomstige is, middels een
worstcase benadering, geschat op circa 2.700 m².
Rekening houdend met de afname van bijbehorende bijgebouwen wordt
derhalve een maximale toename verwacht van 155 m² aan
verharde en halfverharde oppervlakten. Omdat is uitgegaan van een
worstcase benadering is het mogelijk dat de uiteindelijke verharde
oppervlakten kleiner zijn dan in de huidige situatie. Omdat de
maximale toename (worstcase) circa 155 m² bedraagt is deze
dusdanig klein dat deze niet van invloed is op het watersysteem.
Compenserende maatregelen zijn derhalve niet noodzakelijk.
Uitsnede Legger Regionale Kering (2014)
Volgens
de Legger Regionale Kering is de rijksmonumentale boerderij direct
op een waterkering gesitueerd. Onlangs heeft het Hoogheemraadschap deze
kering, waar mogelijk, verhoogd. De waterkering is in het
bestemmingsplan beschermd middels het opnemen van een dubbelbestemming.
Indien werken of werkzaamheden in de grond worden uitgevoerd
dient Rijnland akkoord te gaan. Bij de realisatie van erfbebouwing
zal Rijnland dus geraadpleegd worden.
Het wijzigen van
de ontsluitingsstructuur heeft tot gevolg dat de bestaande dam wordt
verwijderd. In plaats van deze dam worden twee bruggen gerealiseerd.
Daarmee ontstaat een positief effect. Immers wordt de doorstroom in de
boezemsloot ter hoogte van het plangebied niet langer belemmerd.
4.4 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een
goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project
op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.4.1 Verkeer
Voor het maken
van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt
gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers
verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij
verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer
(exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode
naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale
kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte
(CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en
verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de
richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van
de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de
locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor
vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale
verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Voorliggend plan
voorziet in aanwijzing van een bestaande woning als plattelandswoning,
een nieuwe erfindeling en de toevoeging van een
nieuweplattelandswoning en enkele nevenfuncties, waaronder 6 bed
& breakfastkamers. Voor het effect op de verkeerssituatie is enkel
de toevoeging van functies of programma relevant, in casu de nieuwe
woning en de nevenfuncties zoals de 6 bed &
breakfastkamers. Uitgaande van de ligging in het buitengebied (weining
stedelijk) kent een twee-onder-een-kap woning een verkeersgeneratie van
8,2. Voor de bed & breakfast wordt de verkeersgeneratie van een
drie sterrenhotel gevolgd. Per 10 kamers bedraagt de generatie 20,9
motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de beoogde bed &
breakfast zal de totale verkeersgeneratie dus 12,54
motorvoertuigbewegingen per etmaal bedragen. Andere nevenfuncties,
zoals een bedrijf aan huis van maximaal 100 m² worden in de
CROW-methodiek lagere verkeersgeneraties gegeven. De totale extra
verkeersgeneratie bedraagt dus maximaal 20,7.
De gemeente heeft
eind 2013 verkeerstellingen uitgevoerd op de Herenweg. Daarbij
zijn in de looptijd van 20 dagen circa 41.000
motorvoertuigbewegingen geteld. Gemiddeld komt dat neer op 2.050
motorvoertuigenbewegingen per etmaal. Bij een 60 km/h zone, waarbij
fietsers en autoverkeer wordt gemengd, geldt doorgaans een
bovengrens van 5.000 motorvoertuigenbewegingen per etmaal
(doorsnede). Dit kengetal is afkomstig uit het Handboek Fiets van het
CROW. De restcapaciteit van de Herenweg is daarmee zodanig groot
dat een beperkte toevoeging van verkeersbewegingen niet zal leiden
tot nieuwe knelpunten.
4.4.2 Parkeren
Het benodigde of
gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke
ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers
of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk
gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen
staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op
basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale
kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte
(CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en
verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de
richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van
de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de
locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor
vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt
in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in
minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
Gelijk als in de
paragraaf verkeer is voor het aspect parkeren uitgegaan van een woning
twee-onder-een-kap en een 3 sterren hotel. Voor een woning dienen 2,6
parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De norm voor een 3 sterrenhotel
bedraagt 7,3 per tien kamers. Voor de woning en het nachtverblijf zal
derhalven minimaal een aanvullende parkeervoorziening van 7
parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Het is momenteel
niet mogelijk om aan te wijzen waar deze parkeervoorzieningen
worden gerealiseerd. Dit is sterk afhankelijk van het uiteindelijke
planvoornemen (hoeveelheid plekken) en de definitieve situering van de
bijbehorende bouwwerken. Omdat het plangebied voldoende ruimte biedt
voor parkeergelegenheid en parkeren in de openbare ruimte nagenoeg niet
mogelijk is worden geen belemmeringen verwacht. Daarmee is het
aspect parkeren bij de voorliggende ontwikkeling voldoende zeker
gesteld.
4.5 Ecologie
Bij
ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de
natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen
uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de
Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de
bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke
ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve
effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet
ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
4.5.1 Gebiedsbescherming
De
Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de
Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast
deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in
het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een
samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en
omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische
verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de
hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur
en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een
leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de
volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Planspecifiek
In de directe
omgeving van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden of
gebieden aangewezen als EHS aanwezig. Het meest dichtbij gelegen
gebied met een beschermde status is het EHS gebied op 350 meter ten
zuiden van het plangebied. De ontwikkeling binnen het plangebied, een
aanvullende woning of bed and breakfast, in combinatie met een nieuwe
indeling van het boerderij erf, hebben geen externe werking. Daarmee
zijn gevolgen op de het zuidelijk gelegen EHS gebied uitgesloten.
Derhalve vormt het onderdeel gebiedsbescherming geen belemmering voor
de beoogde ontwikkeling.
Nabijgelegen beschermde EHS gebieden
4.5.2 Soortenbescherming
De
Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende
inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich
vooral op het in stand houden van populaties van soorten die
bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden
vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast
een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde
specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet
genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan
de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in
hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde
dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende
maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast
geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het
voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd
moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort
geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd
project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
De bestaande
bebouwing is onlangs waterdicht gemaakt. Derhalve wordt er geen flora
of fauna verwacht in de bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling voorziet
niet in een grote wijziging in gebruik van het terrein. Derhalve zal de
ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben voor de flora en fauna in
het gebied.
4.6 Archeologie
In
1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming
van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het
Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees
archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit
erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk
verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke
(toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem
altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van
(mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de
Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat
waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief
aangepast kan worden.
Planspecifiek
In mei 2011 is
het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In
het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot
vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de
gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie
zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op
bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de
gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid
vastgesteld.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied in zwarte cirkel)
Het
plangebied valt binnen de archeologische middelhoge verwachting en
de ontginningsassen. De verwachtingswaarde behorende bij deze
aanwijzing van het plangebied is in voorliggend bestemmingsplan
vertaald in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1. Vanuit
deze verwachtingswaarde en dubbelbestemming wordt bij ontwikkelingen
met meer dan 150 m² bodemverstoring, indien
dieper dan 30 cm onder maaiveld, een archeologisch
onderzoek vereist. Daarmee is het aspect archeologie voldoende in
de planvorming geborgen.
4.7 Cultuurhistorie
Vanuit het Bro
(Besluit ruimtelijke ordening) is het opnemen van een
cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het
bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze
waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in
de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De
opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus
verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.
Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie
dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om
zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Planspecifiek
Het
plangebied wordt gevormd door de rijksmonumentale boerderij 'Hoeve Sint
Jan' en het omliggende erf. Deze boerderij stamt uit de 18e eeuw
en is gerealiseerd met een rieten wolfdak. De topgevel is voorzien van
vlechtingen. De naamgeving van de boerderij is een gevolg van de
bekroning van de topgevel. Deze bekroning is uitgevoerd in de vorm
van een gebeeldhouwd lam met staf. De boerderij wordt ook wel "Lam
Gods" genoemd of Boschzicht.
Oud kaartmateriaal (vlnr: 1811/1832, 1849, 1898)
Direct ten westen
van de hoofdmassa van de boerderij is een zomerhuis gesitueerd. Deze
zomerhuizen zijn ontstaan omdat tijdens de zomer de werkdagen van de
agrariër lang waren. Er was zodoende minder tijd beschikbaar voor
het schoonmaken van een huis. Een kleinere woning betekende automatisch
een reductie van de tijd die men kwijt was aan het
huishouden. Bovendien werd in de zomer veelal de hele boerderij
gebruikt voor het maken van kazen. Daarmee was er in de hoofdmassa van
de boerderij onvoldoende plek om te wonen.
Impressiefoto boerderij met zomerhuis en veranda (datum niet bekend)
Impressiefoto boerderij met zomerhuis, veranda en boenhok, inclusief wetering (datum niet bekend)
In
het verleden was rond het zomerhuis tevens een veranda aanwezig. Deze
veranda is omstreeks de jaren '60 van de vorige eeuw verloren gegaan.
De veranda is komt vaak voor bij dit type boerderijen en is derhalve
beeldbepalend. In een recenter verleden, rond 2010, is ook een
gepotdekselde turfschuur tot op maaiveld hoogte afgebroken, omdat deze
zodanig in verval was geraakt dat er een gevaarlijke situatie was
ontstaan. Deze schuur was in zodanige technische staat dat het herstel
van de schuur niet zou opwegen tegen sloop/nieuwbouw, bovendien was de
schuur niet aangewezen als monument. De turfschuur was voorzien van een
wolfsdak met een bouwhoogte van circa 5 meter en een goothoogte van 2,5
meter. De overige bijhorende gebouwen/constructies zoals de hooiberg en
de zijn nog steeds aanwezig. De hooiberg is echter niet meer origineel
en verkeert, evenals destijds de turfschuur, in slechte technische
staat.
In
het boenhok (overdekte boenstoet) werd vroeger kleding, melk- en
onder andere kaasgerei schoongemaakt. De locatie van het boenhok
ingegeven door het gegeven dat altijd water nodig was voor het
schoonmaken en dat, vanwege gemak, het boenhok zo dicht mogelijk
bij de kaasproductie moest zijn.
Uitsnede minuutplan 1811-1832 (bron: wiewatwaar.nl)
In het nieuwe
plan wordt de turfschuur herbouwd achter de boerderij. Daarbij wordt,
ten opzichte van de situatie uit de 19e eeuw, de schuur noordelijker
teruggebouwd. Dit heeft tot gevolg dat een grotere achtertuin ontstaat.
Bovendien verbetert de lichtinval in de kamers aan de oostzijde van de
boerderij. De turfschuur wordt zodanig gerealiseerd dat deze naar de
thans tot maaiveld afgebroken turfschuur verwijst. De hooiberg wordt
kleiner teruggebouwd op ongeveer de plek waar ooit een kleine hooiberg
heeft gestaan, te weten op de plek van de huidige houten loods /
garage. Verder wordt wederom een veranda, zoals voorgaand
opgenomen, gerealiseerd. De monumentale waarden van het boenhok blijft
behouden. De voorgenomen ingrepen leiden tot een, op het verleden
geënt, boerderij erf met een sterk verhoogde
gebruikersmogelijkheden en met goede zichtlijnen vanuit de
monumentale boerderij op het landelijk gebied. Door de realisatie van
de turfschuur als gepotdekselde schuur met wolfsdak en de realisatie
van de hooiberg en de beeldbepalende veranda wordt de
cultuurhistorische ensemblewaarde versterkt. Nader bouwhistorisch
onderzoek (zie bijlage) bevestigt deze stelling: "het
reconstrueren van deze elementen maakt van de hoeve weer een compleet
historisch geheel en beïnvloedt de cultuurhistorische waardering
positief".
Voor de beoogde
ingrepen aan de boerderij is, gelet op de aanwijzing tot rijksmonument,
het aspect cultuurhistorie voldoende geborgen in de verdere
planuitwerking.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor
het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet
ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP
2012).
Dit
bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een
toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch
bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen
in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op
de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze
bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik
gekoppeld.
De
toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een
belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit
bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de
onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van
wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het
bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage
onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op
de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere
bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc..
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale
ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De
planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat
de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de
bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels
waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van
wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen
belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op
het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de
overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de
afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor
de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een
standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende
regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de
'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle
bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede
hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op
alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
- Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
Voor het
plangebied is een agrarische bestemming opgenomen. Deze bestemming
maakt het mogelijk om een tweede woning te realiseren. Voorts is een
bedrijven en beroep aan huis regeling opgenomen. De locatie van de
monumentale hoofdmassa, alsmede de maximale goot- en bouwhoogte, zijn
geregeld middels een bouwvlak en een aanduiding op de verbeelding. Voor
de bijbehorende bouwwerken is een regeling opgesteld die uitgaat van
drie gebieden/gebouwen:
- de te realiseren veranda;
- het bestaande boenhok;
- het achtererfgebied waar een garage, hooiberg en turfschuur worden gerealiseerd.
Agrarisch-2
Deze bestemming
is toegekend aan het resterende gedeelte van het vigerende bouwvlak,
zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Jacobswoude".
Wanneer het betreffende gedeelte buiten deze herziening gelaten zou
worden, dan zou er theoretisch op het resterende gedeelte nog een
bedrijfswoning gerealiseerd kunnen worden. Omdat dit ongewenst is, is
het resterende gedeelte van het bouwvlak nu voorzien van de bestemming
"Agrarisch-2". De bijbehorende regels zijn zodanig geredigeerd, dat per
saldo de bestaande mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan
"Buitengebied Jacobswoude" zijn overgenomen, zij het, dat de
mogelijkheid voor de bouw van een bedrijfswoning niet langer is
opgenomen.
Water
De bestemming Water is opgenomen voor het open water in het
plangebied. Het betreft hier een eenduidige regeling welke geen nadere
toelichting behoeft.
Waarde - Archeologie 1
De
dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 beschermd de archeologische
waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in
verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
Waterstaat - Waterkering
Deze
dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de
waterkering en de bijbehorende beschermingszone. Voor werkzaamheden
binnen deze zone is een aanvullende omgevingsvergunning noodzakelijk.
Voordat deze vergunning kan worden afgegeven dient nader advies
ingewonnen te zijn bij het Hoogheemraadschap.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de
voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6
lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de
(economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij
vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan
vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op
basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2
van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het
bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen
indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van
een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder
c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van
eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel
6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt
op initiatief en kosten van de initiatiefnemer gerealiseerd. Bijkomende
procedure- en mogelijke planschadekosten zijn middels de gemeentelijke
legesverordening en een anterieure overeenkomst in voldoende mate
gedekt. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan zeker
gesteld.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij
de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond
van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld
in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt
overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en
Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of
belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het
geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden
van dit overleg.
Een
ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken
ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder
om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad
wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt
na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de
mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop
van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is
er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking,
tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige
voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt
indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt
met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
6.2.1 Vooroverlegprocedure
Op
2 september is het verzoek tot vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Bro gedaan
aan de volgende instanties: Hoogheemraadschap van Rijnland en de
Rijksdienst voor het cultureel erfgoed. Op 10 september 2014 is de
1.3.1 Bro publicatie in het Gemeenteblad gedaan.
Van het hoogheemraadschap is een reactie ontvangen. Het
hoogheemraadschap geeft aan dat de waterkering niet juist op de
verbeelding staat. Naar aanleiding hiervan is de verbeelding en de
toelichting aangepast.
6.2.2 Verslag zienswijzen
Het
ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 januari t/m 25 februari 2015 ter
inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn twee reacties
ontvangen. Van het Hoogheemraadschap van Rijnland is een inhoudelijke
reactie ontvangen. Daarnaast is van een belanghebbende een zienswijze
ontvangen.
De reacties
zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijk antwoord in
de Nota zienswijzen. Deze nota is als bijlage bij dit
bestemmingsplan toegevoegd.