| Plan: | Herenweg 74A Rijnsaterwoude |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1884.BPHERENWEG74A-VAS1 |
Op 2009 is door de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend terzake het perceel Herenweg 74A te Rijnsaterwoude. Het verzoek betrof het bouwen van een 2 onder 1 kap woning op het betreffende perceel. Anno 2020 wil initiatiefnemer op het perceel een vrijstaande woning realiseren. Aangezien dit volgens het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is, is dit bestemmingsplan ten behoeve van Herenweg 74A opgesteld.
De locatie is gelegen in Rijnsaterwoude.
Ligging plangebied Herenweg 74A (bron: google earth)
Ligging plangebied ingezoomd (bron: google earth)
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente: Rijnsaterwoude
Sectie: A
Perceel: 2558
Het vigerende bestemmingsplan is 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude', dat is vastgesteld op 17 juni 2013.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
In het plangebied is sprake van de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen Lintbebouwing' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1'. Het perceel bevat geen bouwvlak. Om de woningbouw mogelijk te maken wordt dit bestemmingsplan opgesteld.
Het bestemmingsplan "Herenweg 74A Rijnsaterwoude" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten.
Deze toelichting ten behoeve van Herenweg 74A te Rijnsaterwoude is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 de bestaande ruimtelijke en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is het beleidskader geschetst op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische- en milieutechnische aspecten die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de planologisch juridische opzet van het plan behandeld. De economische uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6 en tot slot in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Uit de historische kaarten (topotijdreis.nl) blijkt dat rond 1850 ten zuiden van de huidige locatie een boerderij heeft gestaan. Het plangebied is dan onbebouwd. Op latere kaarten blijft het perceel onbebouwd. De locatie is tot dusver agrarisch in gebruik geweest en omringd met sloten. De bedrijfswoning met stallen Rijnsaterweg 76, ten oosten van de locatie is gebouwd in 2001 en 2010.
In 1901 en 1903 is de naastgelegen boerderij gebouwd (thans bekend als 'De Woudse Hoeve'. Deze bouwkavel is langere tijd in gebruik geweest als moestuin van die Boerderij.
In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van een braakliggend terrein met hoge begroeiing.
Indicatieve 3D impressie
De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De Structuurvisie infrastructuur en ruimte 2040 (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Deze 13 nationale belangen zijn:
De visie is via regels verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Deze geeft voor het plangebied geen direct bindende regels.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de doorwerking van nationale belangen op ruimtelijk gebied in gemeentelijke bestemmingsplannen door het stellen van de juridische kaders. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Het besluit is per 17 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn opgenomen:
Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Rijnsaterwoude. Voor dit gebied gelden geen nationale belangen waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Dit bestemmingsplan voldoet aan het Barro.
De nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) verlangt niet alleen dat verantwoordelijkheden en belangen worden benoemd, maar ook dat inzichtelijk is hoe deze belangen zullen worden verwezenlijkt. Het Rijk heeft de nationale ruimtelijke belangen opgenomen in de zogenaamde 'Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid'. Nationale ruimtelijke belangen zijn zaken waarvoor de rijksoverheid een specifieke verantwoordelijkheid neemt, hetgeen blijkt uit de inzet van diverse bevoegdheden en instrumenten om deze belangen te behartigen en te realiseren. Het overzicht van nationale belangen in de Realisatieparagraaf is gebaseerd op een zorgvuldige analyse van de Planologische Kernbeslissingen (PKB's) van het Rijk. De uitspraken in deze PKB's zijn op een beleidsneutrale wijze, dat wil zeggen inhoudelijk ongewijzigd, verwerkt in het overzicht van nationale ruimtelijke belangen, aangevuld en waar aan de orde geactualiseerd. Een beperkt aantal belangen zal worden geborgd met de (toekomstige) AMvB Ruimte.
Het Rijk geeft met deze werkwijze een transparante en scherp geselecteerde invulling aan de sturingsfilosofie 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. Het resultaat hiervan is een heldere en scherpe markering van datgene wat centraal moet. Hierdoor wordt niet alleen voor medeoverheden duidelijk wanneer afstemming moet worden gezocht met het Rijk, maar wordt ook voor burgers, maatschappelijke en andere private organisaties duidelijk waar het Rijk voor staat. De Realisatieparagraaf heeft de status van structuurvisie.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 juli 2017 gewijzigd.
De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van één woning mogelijk. In dit plan is daarom geen sprake van een woningbouwlocatie en een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in 'stedelijk gebied' en raakt geen nationale ruimtelijke belangen en de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is niet van toepassing.
Provincie Zuid-Holland heeft voor haar ruimtelijke visie de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte 2014 en het Programma Ruimte vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in de Verordening.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het beleid bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn in werking getreden op 1 april 2019.
Daarnaast zijn operationele doelstellingen opgenomen in het Omgevingsbeleid. Hiermee wordt inzicht verschaft in hoe de provincie invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en - plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
De Omgevingsvisie is in werking getreden op 1 april 2019. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen:
1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.
2. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
3. Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
4. Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).
Planspecifiek
De ruimtelijke hoofdstructuur en de ambities zijn voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang.
Hiervoor worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven:
Laag van de ondergrond
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de ondergrond'.
Uitsnede kaartlaag 'Laag van de ondergrond' (plangebied is zwarte cirkel)
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een veencomplex (oude zeeklei) ligt. De ondergrond wordt gevormd door oude zeeklei en is een veengebied. Het veen kent een geringe draagkracht en is daarnaast zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor het behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van bodemdaling. De voorgenomen ontwikkeling betreft een dermate kleinschalige ontwikkeling dat deze geen nadelige invloed zal hebben op het veengebied of zal zorgen voor extra bodemdaling. Daarnaast dient een ontwikkeling rekening te houden met het watersysteem. Het initiatief betreft een ontwikkeling die gezien zijn beperkte omvang geen negatieve invloed heeft op het watersysteem.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'.
Uitsnede 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' (plangebied is zwarte cirkel)
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een droogmakerij (klei) ligt. Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan deze eisen, omdat het verkavelingspatroon intact blijft. Het plan sluit qua schaal en structuur aan bij de al aanwezige bebouwing en recente ontwikkelingen langs de Herenweg en de watergang. Gezien de grootte van de woning en het aanwezige omliggende grasland blijft er doorzicht behouden en sluit het aan bij het karakter van de lintbebouwing van de bebouwde kom van Rijnsaterwoude.
Het plangebied is gelegen in een lint. Er wordt gestreefd naar behoud van linten als onderscheidende bebouwingsvorm in een gebied. Het lineaire karakter is belangrijk, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact heeft met het landschap en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Het voorgenomen plan voldoet aan deze eisen, omdat de woning in overeenstemming met de lintstructuur wordt gerealiseerd. De grootte van de woning en de positie op het perceel, alsmede in verhouding tot de rest van het lint, zijn hierbij van belang. Het lint kan specifiek aangemerkt worden als polderlint. Dat betekent dat de bebouwing op één niveau met de omgeving ligt en er ruimte is voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte.
Laag van de stedelijke occupatie
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de stedelijke occupatie':
Uitsnede 'Laag van de stedelijke occupatie' (plangebied is zwarte cirkel)
Stedelijke occupatie: het perceel gelegen in ‘steden en dorpen’, tegen de dorpsrand aan. Voor deze locatie geldt dat rekening moet worden gehouden met drie aspecten: kwaliteit van het front, contactkwaliteit en kwaliteit van de overlap. Hierbij is van belang dat er wel contrast is tussen de structuur van landschap en bebouwingsverkaveling, maar dat toch een geleidelijke overgang wordt gerealiseerd.
Laag van de beleving
Beleving: er zijn in het plangebied geen identiteitsdragers en groengebieden aanwezig. Het plan wordt wel zorgvuldig ingepast in de directe omgeving.
Samenvattend kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de relevante richtpunten. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities.
Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.4 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling grotendeels binnen het bestaand stads en dorpsgebied is voorzien en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet.
Het plangebied is aangemerkt als een beschermingszone langs een regionale waterkering. Bij een nieuwe ontwikkeling mogen geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Bij de beoordeling hiervan dient advies ingewilligd te worden bij de beheerder van de waterkering, het Hoogheemraadschap van Rijnland. In toelichting paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect water.
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
Regio Holland Rijnland ligt midden in de Randstad en telt ruim vijfhonderdduizend inwoners. De gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag & Braassem, Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude werken samen in het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland. In de Regionale Structuurvisie 2020 verwoorden deze veertien gemeenten hun ruimtelijke visie op de regio.
De veertien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter. In zeven kernbeslissingen geven de gemeenten hun belangrijkste keuzes weer:
Toepassing en conclusie
De ontwikkeling is van een zodanige aard en schaal, dat deze niet raakt aan de opgaves en ambities uit de structuurvisie. De regionale structuurvisie benoemt geen (voor)waarden die door de voorliggende ontwikkeling worden aangetast dan wel versterkt.
In de regionale Woonagenda hebben de gemeenten afspraken met elkaar en met de provincie gemaakt over:
De aanvullende behoefte aan woonmilieus verschillen tussen de gemeenten en tussen de subregio's, vanwege het karakter van de verschillende delen van de regio. In Kaag en Braassem is de behoefte gericht op dorps wonen.
Toetsing en conclusie
In Kaag en Braassem wordt uitgegaan van 940 woningen tot 2030 in dorps wonen. Het plan valt in het dorpse woonmilieu, waaraan binnen de regio grote behoefte is. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de Regionale Woon Agenda van Holland Rijnland.
De “Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie” van de gemeente Kaag en Braassem is vastgesteld op 12 december 2011, en in 2017 geactualiseerd. Het doel van deze structuurvisie is het integraal in beeld brengen van vraagstukken en kansen en deze te gebruiken als bouwstenen voor een helder toekomstperspectief. Het stuk is hiermee de basis voor nieuw te maken beleid op gebied van wonen, zorg, welzijn, onderwijs, economie, toerisme, landschap en bestemmingsplan.
In de structuurvisie wordt voor de kernen binnen Kaag en Braassem een onderscheid gemaakt in 'Groen- en groeikernen'.
In de navolgende tabel zijn de perspectieven van een groen-/groeikern weergegeven.
| Groeikernen | Groenkernen | |
| Woningbouwopgave | Kwantitatief (en kwalitatief) uitbreiden woningaanbod | Kwalitatief uitbreiden woningaanbod |
| Commerciële voorzieningen | Versterken commerciële voorzieningen | Selectief aanbod commerciële voorzieningen |
| Maatschappelijke voorzieningen | Versterken maatschappelijke voorzieningen | Selectief aanbod en bundelen maatschappelijke voorzieningen |
De kern Rijnsaterwoude is aangemerkt als 'groenkern'. Het document stuurt aan op een kwalitatieve uitbreiding van het woningaanbod voor alle groenkernen en dat wordt ingezet op de uitbreiding van kwalitatief woningaanbod. Door de inbreiding op dit perceel met een vrijstaande woning, waarbij de doorzichten naar het landschap blijven behouden, wordt een kwalitatieve verbetering bereikt.
Sinds 2009 zijn de gemeenten Alkemade en Jacobswoude samengegaan in de nieuwe gemeente Kaag en Braassem. Omdat Alkemade wel welstandsbeleid had en Jacobswoude niet, heeft de gemeenteraad van de nieuwe gemeente Kaag en Braassem op 29 juni 2009 besloten het hele grondgebied van Kaag en Braassem vrij te stellen van welstandsbeleid, behalve bij monumenten en beschermde dorpsgezichten. Met een specifiek welstandsbeleid voor beschermde dorpsgezichten en monumenten streeft de gemeente naar behoud van het cultuurhistorisch en landschappelijk karakter. Dit specifieke welstandsbeleid is op 6 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem.
De welstandsnota is met name gericht op het handhaven en versterken van de bestaande ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving. De welstandsnota van Kaag en Braassem is bedoeld om de cultuurhistorische waardevolle panden en gebieden te beschermen. Kaag en Braassem kent momenteel nog geen beeldkwaliteitplannen. Voor het onderhavige gebied gelden geen specifieke welstandseisen. .
Na de fusie van de gemeente Alkemade en Jacobswoude op 1 januari 2009 bestond er nog geen regeling voor beroep aan huis voor de gemeente Kaag en Braassem. Afhankelijk van het woonadres was door het verschil in de diverse bestemmingsplannen beroep aan huis bij recht, na ontheffing of in zijn geheel niet toegestaan. Op 24 november 2009 is daarom de notitie “Beroep aan huis gemeente Kaag en Braassem” vastgesteld om een einde aan deze rechtsongelijkheid te maken. De beleidsnotitie bevat een basisregeling om beroep aan huis ruim maar zonder uitstralingseffecten mogelijk te maken.
De woonomgeving mag geen hinder hebben van het vestigen van beroep aan huis door een burger. De ruimhartigheid is vooral besloten in het gegeven dat 40% van het woonoppervlak (max. 50 en 100 m²) voor het beroep aan huis gebruikt mag worden en dat er geen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het te gebruiken woonoppervlak.
In de planregels van dit bestemmingsplan is de in de notitie “Beroep aan huis gemeente Kaag en Braassem” gegeven basisregeling verwerkt.
In de “Nota Inbreidingslocaties” zijn kaders opgenomen om de wenselijkheid van bepaalde inbreidingsinitiatieven te bepalen. De harde aspecten zijn in de wet geregeld, maar er zijn ook aspecten waar geen pasklaar antwoord voor is. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de afzonderlijke dorpen. Inbreidingsinitiatieven kunnen grote invloed hebben op deze bestaande karakteristiek die in veel gevallen gekoesterd wordt door de inwoners.
Het dorp Rijnsaterwoude wordt gekarakteriseerd door lintbebouwing aan de Herenweg. Van oudsher waren er bebouwingsconcentraties ter hoogte van de Schoolstraat/Overbuurt en bij de kruising met de Leidse Vaart. Ten westen van de Herenweg zijn in de polder twee nieuwbouw buurten gerealiseerd. De ene buurt sluit aan bij het cluster van de Schoolstraat/Overbuurt en de andere bij de Leidse Vaart. Zodoende bestaat het dorp nog steeds uit twee bebouwingsconcentraties.
Het plangebied valt in de bestaande (lint)bebouwing aan de Herenweg. In de Nota Inbreidingslocaties wordt een aantal concrete bouwvoorwaarden gegeven voor de echte lintbebouwing in het dorp.
De realisatie van de vrijstaande woning past binnen de kaders van deze nota.
In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal.
Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid
De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met ndere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem.
Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie
De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie. Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven.
Energieprestatie - EPC
Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen (EPG). Deze norm geldt voor zowel nieuwbouw van woningen als utiliteitsbouw. Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen aangescherpt en aangepast in het Bouwbesluit. Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4.
Nederland in 2050 vrij van aardgas
Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.
De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij ambities voor duurzaamheid van de gemeente Kaag en Braassem door het woonhuis gasloos en CO2 neutraal te maken.
Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven.
Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
De toenemende bedreiging van het archeologische erfgoed in heel Europa, niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, gaf aanleiding voor het in 1992 door de Europese lidstaten ondertekende Verdrag van Valletta of ook wel Verdrag van Malta genoemd.
Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen.
In augustus 2017 heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek karterende fase (IVO-O) uitgevoerd met betrekking tot het plangebied. Op het perceel staat de bouw van een vrijstaande woning gepland waardoor mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem zullen worden verstoord.
Voor het betreffende perceel geld de waarde historische kernen en ontginningsasses. Dat betekend dat er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 150 m2.
Op basis van de resultaten van het zowel het bureau- als veldonderzoek, kan worden geconcludeerd dat de hoge verwachtingswaarde van het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. Het veldonderzoek heeft geen archeologische indicatoren of andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats opgeleverd. De kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats in het plangebied, wordt klein ingeschat. Met het oog op voorgaande planontwikkeling adviseert Salisbury Archeologie B.V. het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Kaag en Braassem.
Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Het aspect archeologie is voor de realisatie van de vrijstaande woning geen belemmering. Het onderzoek is als Bijlage 1 Archeologisch onderzoek toegevoegd aan dit plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de natuurbeschermingswetgeving en -beleid. Op 1 januari 2017 is de natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. In de Wnb wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. Naast de wetgeving bestaat er ook provinciaal ecologisch beleid waarmee bepaalde gebieden en landschapselementen worden beschermd, zoals het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur), gebieden uit de strategische reservering natuur en het weidevogelgebied. Dit is vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland.
In augustus 2017 is door Ecogroen een quickscan natuurtoets uitgevoerd om te beoordelen of het voornemen conflicteert met de wettelijke bescherming van natuurwaarden.
Gebiedsbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en NNN-gebied ligt op ruime afstand van het plangebied. Gezien de afstand en de aard van de werkzaamheden, kan worden gesteld dat het voornemen geen negatief effect heeft op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Er moet ook getoetst worden aan gebieden uit de strategische reservering natuur, het weidevogelgebied en karakteristieke landschapselementen. Uit de Geo-atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een dergelijk gebied.
De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het initiatief.
Stikstof
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden (circa 9 km) en de identieke nieuwe situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake.
Soortbescherming
Houtopstanden
De locatie is onbebouwd en overwoekert met een ruigtevegetatie van Braam spec. en Grote brandnetel en enkele bomen als Populier, Paardenkastanje, Gewone es en Kraakwilg. Indien er bomen gekapt moeten worden zal er een kapvergunning worden aangevraagd.
Advies
Het aspect ecologie is geen belemmering voor de realisatie van de vrijstaande woning.
Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 2 Quickscan natuurtoets toegevoegd aan dit plan.
In de loop van de tijd hebben ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland veel ruimte aan water en/of waterbergingslocaties onttrokken. Aan het begin van deze eeuw is geconstateerd dat ruimtelijke ontwikkelingen de ruimte voor water niet verder zouden mogen beperken. Juist meer ruimte voor water is nodig om klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling op te vangen.
Het doel van de waterparagraaf is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg met de waterschappen.
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater.
De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater.
Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
Riolering en afkoppeling
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keuze - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
De afvoer van hemelwater voor het plangebied vindt in afstemming met de gemeente plaats.
Een toename van verharding kan er toe leiden dat watercompensatie noodzakelijk is. Aangezien de toename van verharding minder dan 500 m² bedraagt, is watercompensatie niet noodzakelijk.
De initiatiefnemer gaat afstemmen met de gemeente over de afvoer van het water. Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van de woning.
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten.
Aangezien er woningen (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:
De nieuwe woning bevindt zich niet in een zone waarvoor een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Het perceel is gelegen in een gebied waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Vanuit de Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor geen onderzoek noodzakelijk.
Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet ook de 30 km/uur weg beschouwd worden. Er moet namelijk worden aangetoond dat er vanwege de Herenweg nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
De Omgevingsdienst heeft een indicatieve geluidberekening uitgevoerd voor de Herenweg. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg komt uit om 51 dB exclusief 5 dB aftrekt vanwege artikel 110g Wgh. In het kader van het Bouwbesluit 2012 dient de geluidwering van de gevel ten minste 20 dB te bedragen. Gezien de berekende geluidbelasting van 51 dB kan een binnenniveau van 33 dB worden bereikt. Hiermee is vanwege wegverkeerslawaai sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat
Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van de woning.
Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt.
De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
De planlocatie ligt op korte afstand van de melkrundveehouderij op de locatie Herenweg 76A. In onderstaande tabel is voor een aantal milieuaspecten de minimaal vereiste afstand en de werkelijke afstand weergegeven. Voor het aspect geur geldt de zogenaamde omgekeerde werking. Dit betekent dat moet worden getoetst aan de afstandseisen uit de geurwetgeving voor veehouderijen.
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Rijnsaterwoude. De omgeving kenmerkt zich door lintbebouwing met verschillende agrarische bedrijfsfuncties. Conform opgave van het bevoegd gezag is sprake van een gemengd gebied. De minimale afstand mag een trede naar beneden.
| Bedrijf/activiteit | Adres | SBI-2008 | Milieu cat. | Minimale vereiste afstand | Huidige Afstand tot het plangebied |
| Melkrundvee- en schapenhouderij | Herenweg 76 | 0141, 0142 | 3.2 | 25* 10 (geluid, stof) 30** 50*** |
37 (voldoet) >10(voldoet) 54 (voldoet) 80 (voldoet) |
*Afstandseis voor geur vanaf een kuilvoeropslag op grond van artikel 3.46, vijfde lid van het Activiteitenbesluit.
**Afstandseis voor geur vanaf een dierenverblijf op grond van artikel 4 van de Verordening geurhinder en veehouderij van 6 februari 2012.
***Afstandseis voor geur vanaf een vaste mestopslag op grond van artikel 3.46, eerste lid sub a van het Activiteitenbesluit.
Geurnomen schapen
Volgens de melding Activiteitenbesluit van 14 augustus 2015 worden er op de veehouderij circa 25 schapen gehouden. Er is een V-Stacks berekening uitgevoerd om de geurimmissie te bepalen. Op de grens van de planlocatie wordt ruim voldaan aan de geurnorm van 2,0 Odour units per m3 lucht op grond van artikel 3.115, eerste lid van het Activiteitenbesluit. Er is hierdoor sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf wordt v.w.b. het houden van schapen (dieren met een geuremissiefactor) niet beperkt in de bedrijfsvoering.
Vaste mestopslag
De vaste mestopslag van de veehouderij Herenweg 76A, die is ingetekend op de plattegrond behorende bij de melding van 14 augustus 2015 (zie uitsnede hieronder), ligt op circa 80 meter van de perceelgrens.
De vaste mestopslag is gelegen in de hoek achter de woning Herenweg 76 en de ligplaatsen en op een afstand van ruim 50 meter, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet wordt gehinderd in de bedrijfsvoering.
Stof
Dit aspect is relevant voor de dierenverblijven. Op de achterliggende veehouderij worden volgens de melding van 14 augustus 2015 de volgende dieraantallen gehouden: 90 melkkoeien (Rav-code A1.100), 50 stuks vrouwelijk jongvee (Rav-code A3.100), 5 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar (Rav-code A7.100) en 25 schapen (Rav-code B1.100). Hierbij hoort een emissie van fijn stof (PM10) van 16.070 gram PM10 per jaar. De afstand vanaf de perceelsgrens van de planlocatie tot de meest nabijgelegen dierenverblijf is circa 54 meter. Op grond van de vuistregel van de Handreiking fijn stof en veehouderijen (Infomil, mei 2010) is sprake van stofemissie die NIBM bijdraagt. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt het bedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
Geluid
In september 2019 is door Windmill Milieu en Management een akoestisch onderzoek uitgevoerd, aangezien op relatief korte afstand, een agrarisch bedrijf (melkveehouderij) is gelegen. Doel van het onderzoek is het beoordelen van de ruimtelijke inpasbaarheid van het plan rekening houdend met de milieurechten van de nabijgelegen veehouderij. Hiertoe is aansluiting gezocht bij de publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Daarnaast is onderzocht of de veehouderij niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Hiertoe is de geluiduitstraling van de inrichting berekend op basis van de representatieve bedrijfssituatie en (akoestische) ervaringscijfers, opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. De geluidbelastingen zijn getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999.
Hierna volgt de inrichtingstekening van de melkveehouderij.
Inrichtingstekening melkveehouderij
Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woning de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit stap 2 uit de VNG-publicatie voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) niet worden gerespecteerd. Tevens wordt niet voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 uit de VNG-publicatie voor het maximaal geluidniveau (LAmax). In de avond- en nachtperiode worden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit ten aanzien van het maximaal geluidniveau (LAmax) overschreden. Maatregelen zijn onderzocht om de geluidbelastingen te reduceren.
Bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting op de verdieping te reduceren zijn niet realistisch en stuiten op bezwaren van stedenbouwkundig en financiële aard. Maatregelen die getroffen kunnen worden zijn maatregelen ter plaatse van de ontvanger (woning).
Bij het ontwerp van de woning wordt rekening gehouden dat dove gevels worden gerealiseerd ter plaatse van de gevels waar de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden overschreden. Het betreft hier de voorgevel (west), linkerzijgevel (noord) en de achtergevel (oost) op de verdieping. Op de begane grond wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en zijn geen dove gevels nodig.
Daarnaast wordt in het ontwerp rekening gehouden dat de verblijfsruimten (slaapkamers) op de verdieping aan de rechterzijgevel (zuid) worden gesitueerd. Ter plaatse van de rechterzijgevel kunnen namelijk te openen delen worden gerealiseerd om de verblijfsruimten voldoende te ventileren en te spuien (conform het Bouwbesluit).
De maatregelen zijn in overleg met de eigenaar van de nieuwe woning besproken. Door het toepassen van de dove gevels zal de vrije indeelbaarheid van de woning op de verdieping worden beperkt. De eigenaar is hiervan op de hoogte en is akkoord met de maatregelen en de indeling zoals noodzakelijk wordt geacht.
Bij toepassing van de maatregelen bij de woning is toetsing van de geluidbelasting ter plaatse van de dove gevels niet van toepassing. De normen uit het Activiteitenbesluit worden gerespecteerd.
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het maximaal geluidniveau (LAmax) de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie op de linkerzijgevel en voorgevel niet wordt gerespecteerd. De richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt alleen overschreden op de begane grond. De optredende maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door het rijden van voertuigen (vrachtwagens, landbouwvoertuigen). In stap 3 van de VNG-publicatie worden piekgeluiden vanwege rijdende voertuigen buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat wel wordt voldaan aan stap 3 uit de VNGpublicatie.
Door het bevoegd gezag dient te worden afgewogen of de geluidniveaus acceptabel kunnen worden geacht. Er dient dan nader te worden gemotiveerd dat hogere geluidniveaus kunnen worden toegestaan (stap 3 VNG-publicatie). Argumenten om hogere geluidniveaus toe te staan, zijn:
Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Indien rekening wordt gehouden met de maatregelen zoals beschreven in de rapportage is er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmering voor het realiseren van de beoogde woning.
Bij het ontwerp van de woning wordt rekening gehouden dat dove gevels worden gerealiseerd ter plaatse van de gevels waar de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden overschreden. Het betreft hier de voorgevel (west), linkerzijgevel (noord) en de achtergevel (oost) op de verdieping.
Hierdoor is dit aspect geen belemmering voor de realisatie van de woning.
Vanuit milieu(hinder) zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van de woning.
De melkveehouderij wordt door de realisatie van de nieuwe woning niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek industrielawaai toegevoegd aan dit plan.
De ODHW heeft op 29 oktober 2019 aangegeven geen opmerkingen te hebben op het uitgevoerde onderzoek van d.d. 23 september 2019.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 1 woning. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
De bodem wordt op vele manieren gebruikt, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem.
Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak.
In artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan.
In augustus 2017 is door Eco Reest BV een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd met als doel een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin).
Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond overschrijdingen van de achtergrondwaarden met zware metalen en PAK zijn aangetoond. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen.
Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein, is de conclusie dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en er zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein.
Het aspect bodem is geen belemmering voor realisatie van de plannen. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek toegevoegd bij dit plan. De aan te leveren bodemonderzoeksgegevens kunnen worden ingediend bij de aanvraag van de omgevingsvergunning en dient ter beoordeling te worden voorgelegd aan de Omgevingsdienst.
Indien grond wordt aan- of afgevoerd, moet dit plaatsvinden volgens de door de overheid gestelde regels. In het bijzonder wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen e.d. in de nabijheid van het plangebied bevinden.
Uitsnede risicokaart
Dit betekent dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van de woning.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van één woning en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet nodig.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting.
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
Tuin
Conform de bestemmingssystematiek van de gemeente Kaag en Braassem is de beoogde voortuin(en) bij de woning(en) opgenomen binnen de bestemming 'Tuin'. Deze bestemming sluit bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van erkers of toegangsportalen, uit. Het overige gedeelte van het erf valt binnen de bestemming 'Wonen'. Voor de erkers en toegangsportalen is een regeling opgenomen conform de eerste herziening van het gemeentelijke afwijkingenbeleid.
Wonen
De beoogde functie van wonen is bepalend voor de toekenning van deze bestemming. De woning dient binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlak te worden gebouwd. Tevens vallen de beoogde erf en (achter)tuin ook onder de bestemming ‘Wonen’.
Typologisch is er voor gekozen de vrijstaande woning vast te leggen middels een aanduiding. De maximum bouwhoogte is geregeld middels een aanduiding op de verbeelding.
Naast de woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van de woning te gebruiken voor een aan huis verbonden beroep. Na afwijking kan tevens een aan huis verbonden bedrijf worden toegestaan.
Waarde - Archeologie 1
De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 beschermd de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. Het plan is een particulier initiatief. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, en eventuele tegemoetkoming in planschade, zijn voor rekening van de betrokken grondeigenaar en initiatiefnemer. Voor eventuele planschade is een planschade-overeenkomst getekend, waarin is overeengekomen dat eventueel toe te kennen planschade aan derden door de initiatiefnemer aan de gemeente zal worden vergoed.
Gelet hierop is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig.
Het ontwerpbestemmingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en Wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
De toekomstige bewoner heeft aan de directe omwonenden gemeld dat zij het voornemen hebben om op het perceel een vrijstaande woning te gaan realiseren. In januari 2020 zijn direct omwonenden uitgenodigd om het plan te bekijken. De aanwezigen hebben positief gereageerd op het plan (zie Bijlage 5 Verslag overleg).
De afgelopen twee jaar is regelmatig contact geweest met de melkveehouder en aangegeven dat door de realisatie van de woning zijn bedrijfsvoering niet wordt belemmerd.
Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerpbestemmingsplan toegezonden worden aan diverse instanties, in dit geval de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter visie worden gelegd. In de Nota van beantwoording zullen te zijner tijd de reacties van een gemeentelijke beantwoording worden voorzien.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Herenweg 74A Rijnsaterwoude' heeft van 4 juni 2020 t/m 15 juli 2020 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.