direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Wissel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Met het project Zitterd ReviSited versterkt de gemeente de binnenstad van Sittard. Uitgangspunt van het project is het respecteren en versterken van het historisch karakter van de binnenstad. Onderdeel van de visie Zitterd ReviSited is het streven om de auto-intensiteit op en binnen de ring rond de binnenstad in het kader van leefbaarheid en aantrekkelijkheid zoveel mogelijk te reduceren en te voorzien in een hoogwaardige ontsluiting. Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in de ontwikkeling van een rotonde ter plaatse van de kruising op de hoek Rijksweg Noord en de Odasingel. De ontwikkeling van het kruispunt Rijksweg Noord/Odasingel tot een rotonde maakt onderdeel uit van deze plannen voor een duurzame hoogwaardige verkeersstructuur.

De herinrichting van de hoek Rijksweg Noord/Odasingel past niet binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Om de herinrichting van de kruising mogelijk te maken is daarom een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het plangebied valt grotendeels binnen het bestemmingsplan 'Overhoven', vastgesteld 16-07-2003 en voor een deel binnen het bestemmingsplan 'Stationsomgeving Sittard', vastgesteld 26-06-2013. De gronden zijn binnen het bestemmingsplan Overhoven bestemd als 'Verkeer en verblijf' en als 'Verkeer' en 'Maatschappelijk' (zonder bouwvlak) in bestemmingsplan Stationsomgeving Sittard.

Voorliggend bestemmingsplan voor de hoek Rijksweg Noord/Odasingel omvat de planologisch-juridische regeling, die de realisatie van de rotonde mogelijk maakt.

1.2 Situering van het plangebied

Het plangebied is gelegen op de hoek van de Rijksweg Noord en de Odasingel (zie het omkaderd gebied in de luchtfoto op afbeelding 1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0001.jpg"

Afbeelding 1: Plangebied hoek Rijksweg Noord/Odasingel

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan vormt de omschrijving van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid voor de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de conclusies en aanbevelingen uit de diverse gebiedsonderzoeken beschreven. In hoofdstuk 5 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een overzicht gegeven van inspraak en overleg.

Hoofdstuk 2 Omschrijving plan

2.1 Algemeen

Voorliggende ontwikkeling maakt onderdeel uit van het project Zitterd ReviSited. Het project Zitterd ReviSited genereert nieuwe impulsen voor het stedelijk leven door het ontwikkelen van excellente woonmilieus direct rond de oude stad, het versterken van het culturele klimaat en het toevoegen van commerciële functies. De nieuwe impulsen hebben invloed op de mobiliteit en bereikbaarheid van de binnenstad. Het economisch en cultureel hart van de stad is gebaat bij veel bezoekers, die vloeiend en snel vanaf het hoofdwegennet in het centrum van de stad kunnen geraken en zo dicht mogelijk bij het centrum kunnen parkeren. De woonmilieus direct in en rondom het centrum zijn gebaat bij een leefbare, schone, aantrekkelijke en verkeersveilige woonomgeving. Onderdeel van deze visie is daarmee het streven om de auto-intensiteit op de ring rond de binnenstad, in het kader van leefbaarheid en aantrekkelijkheid, zoveel mogelijk te reduceren en te voorzien in een hoogwaardige ontsluiting.

De binnenring (Engelenkampstraat, Kennedysingel, Odasingel, Rijksweg Noord) vormt een belangrijke route in het ontsluitingssysteem van de binnenstad. Een aantal stukken van de binnenring krijgt een nieuw profiel, te beginnen met een deel van de Odasingel. Het stuk Odasingel tussen de Paardestraat en de Haspelsestraat wordt opnieuw ingericht. Hoofdgedachte bij de herinrichting van de singel is de scheiding van langzaam en snelverkeer door een groenstrook met hagen en bomen. De gehele centrumring krijgt een eenvormig profiel. Voetpaden en fietspaden komen achter de bomenstrook te liggen, het snelverkeer op de weg. De Odasingel maakt deel uit van de ringweg rond het stadscentrum. Het kruispunt Rijksweg Noord/Odasingel is gelegen in het verlengde van het deel van de Odasingel dat wordt aangepast.

Het huidige kruispunt past niet binnen het gewenste beeld als hoogwaardige entree voor de binnenstad. Daarnaast heeft het huidige kruispunt geen dringende sturende functie voor het verkeer. Op afbeelding 2 een foto van de huidige situatie van het kruispunt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0002.png"

Afbeelding 2: Huidige situatie Rijksweg Noord Odasingel

2.2 Omschrijving van het plan

Met het voornemen wordt het kruipunt Rijksweg Noord/Odasingel heringericht als rotonde, die ten doel heeft de verbetering van de verkeersdoorstroming en -afwikkeling op het verkeersknooppunt. Afbeelding 3 toont dhet voorlopgi ontwerp van de rotonde. Het definitieve ontwerp is nog ondewerp van studie. Met het ontwerp wordt voorzien in een hoogwaardige entree van de binnenstad en wordt het gewenste profiel van de binnenring doorgetrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0003.jpg"

Afbeelding 3: Voorlopige ontwerp van de rotonde Rijksweg Noord/Odasingel

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Het beleid van de gemeente vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkelingen worden vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van rijk en provincie vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor dit bestemmingsplan worden in de volgende paragraven het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid toegelicht.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van nationaal belang. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

Het Rijk zet met de ontwerp structuurvisie het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • "het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • wet verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn".

De ontwerp Structuurvisie bevat geen specifieke beleidsuitgangspunten voor het onderhavige plangebied.

3.1.2 AMvB Ruimte

De "nieuwe" AMvB Ruimte komt  in de plaats van de eerdere ontwerp-AMvB Ruimte uit 2009. De  nieuwe AMvB Ruimte heet ook wel het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en gaat over nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen.

Met de AMvB Ruimte maakt het rijk duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. De AMvB Ruimte omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. In de AMvB Ruimte zijn de volgende nationale belangen vastgelegd:

  • rijksvaarwegen;
  • project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • waddenzee en waddengebied;
  • defensie;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

De AMvB Ruimte bevat geen specifieke beleidsuitgangspunten voor het onderhavige plangebied.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006

De provincie Limburg heeft het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 opgesteld, dat in 2008 en 2009 is geactualiseerd. In dit Provinciaal Omgevingsplan Limburg zijn ten aanzien van de verschillende gebieden in de provincie negen perspectieven omschreven. Deze negen perspectieven geven de in het gebied aanwezige kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden weer. Het plangebied is gelegen in het perspectief 'stedelijke bebouwing' (P9), zie hiervoor afbeelding 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0004.jpg" Afbeelding 4: Uitsnede kaart 1 Perspectieven (POL)

Het perspectief 'stedelijke bebouwing' omvat de aanwezige of als zodanig reeds bestemde woon- en winkel- en voorzieningengebieden, bedrijventerreinen en bijbehorende wegen. De verstedelijkingsopgave wordt zover mogelijk hier ingevuld, met in achtneming van de randvoorwaarden van het watersysteem (via de watertoets). Ook dient er aandacht te zijn voor de stedelijke wateropgaven ten aanzien van wateroverlast, afkoppeling, riolering en ecologisch water. Waar nodig wordt hier door herstructurering de vitaliteit van buurten en wijken geborgd. De milieukwaliteit in dit gebied dient te worden afgestemd op aard en functie van de deelgebieden. Met het oog op een integrale afweging door gemeenten zorgen deze voor verdere differentiatie van milieukwaliteit, waarbij de provincie een stimulerende en participerende rol kan vervullen.

Voorliggende ontwikkeling maakt onderdeel uit van de ontwikkeling Zitterd ReviSited. Dit plan sluit aan op de provinciale uitgangspunten.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Masterplan Zitterd Revisited

Het Masterplan Zitterd Revisited is een ontwikkelingsvisie waarin de kernwaarden en hoofdlijnen beschreven staan voor de revitalisering van de binnenstad van Sittard. Het Masterplan Zitterd ReviSited is een informatief en illustratief document.

Het Masterplan Zitterd Revisited genereert nieuwe impulsen voor het stedelijk leven door het ontwikkelen van excellente woonmilieus direct rond de oude stad, het versterken van het culturele klimaat en het toevoegen van commerciële functies. Onderdeel van deze visie is het streven om de auto-intensiteit op de ring rond de binnenstad, in het kader van leefbaarheid en aantrekkelijkheid, zoveel mogelijk te reduceren en te voorzien in een hoogwaardige ontsluiting.

Vanuit het Masterplan Zitterd Revisited is voor de hoek Odasingel/Rijksweg Noord de omschreven visie op de afwikkeling van het gemotoriseerde verkeer van belang. "Ten eerste is er het streven om de oude binnenstad, omsloten door de binnenring Engelenkampstraat, Kennedysingel, Odasingel, Rijksweg Noord te vergroten met het gebied tussen de Rijksweg Noord en het treinstation. Ten tweede is er het streven om de auto-intensiteit op die ring in het kader van leefbaarheid en aantrekkelijkheid zoveel mogelijk te reduceren".

De binnenring (Engelenkampstraat, Kennedysingel, Odasingel, Rijksweg Noord) vormt een belangrijke route in het ontsluitingssysteem van de binnenstad. Een aantal stukken van de binnenring krijgt een nieuw profiel, te beginnen met een deel van de Odasingel. Het stuk Odasingel tussen Paardestraat en Haspeslestraat is intussen opnieuw geprofileerd (gereed eind 2012). Hoofdgedachte bij de herinrichting van de singel is de scheiding van langzaam en snelverkeer door een groenstrook met hagen en bomen. Het huidige kruispunt past niet binnen het gewenste beeld als hoogwaardige entree voor de binnenstad. Daarnaast heeft het huidige kruispunt geen dringende sturende functie voor het verkeer.

Dit plan voorziet in een rotonde, die ten doel heeft de verbetering van de verkeersdoorstroming en -afwikkeling op het verkeersknooppunt. Dit voornemen sluit aan op ambitie beschreven in het masterplan.

3.3.2 Structuurvisie Sittard-Geleen

De Structuurvisie Sittard-Geleen schetst het ruimtelijk beeld voor de gemeente Sittard-Geleen en maakt inzichtelijk welke ontwikkelingen in de gemeente zijn aangezet voor de toekomst. De kracht van de gemeente wordt in de structuurvisie daarbij als volgt verwoord: Sittard-Geleen is de ideale combinatie van wonen, werken en leven.

Het bebouwd gebied van de gemeente kent twee stedelijke centra, verbonden door een middengebied dat recent tot ontwikkeling is gebracht, en verscheidene kleinere wijkcentra. Het centrum van Geleen functioneert daarbij als 'service centrum', gericht op inkopen en dienstverlening. Het centrum van Sittard functioneert als een 'ontmoetingscentrum', met name gericht op winkelen, cultuur, ontmoeten en verblijven. De kern Limbricht maakt, evenals Born, ondanks de grote afstand tot de stedelijke woongebieden deel uit van het stedelijk en suburbaan woonmilieu.

Onder andere de volgende, voor voorliggend plan relevante, beleidsdoelstellingen worden in de structuurvisie (globaal) geformuleerd:

  • zowel in het buitengebied als in de bebouwde omgeving wordt gestreefd naar duurzaam groen. Het duurzaam groen en water dient te leiden tot een verhoging van de belevingswaarde en recreatiemogelijkheden in de gemeente. Bij stedelijke ontwikkelingen en herinrichtingen wordt ingezet op een versterking van de groen- en waterstructuur;
  • bij de ontwikkeling van ruimtelijk beleid vindt integrale afstemming plaats op de kaders van bodemverontreiniging, geluidszones, luchtkwaliteit en risicozones in verband met externe veiligheid;
  • Sittard-Geleen is een gemeente met een robuuste infrastructuur. Er dient sprake te zijn van een optimale bereikbaarheid per weg, water en spoor.

Dit plan voorziet in een oplossing, die ten doel heeft de verbetering van de verkeersdoorstroming en -afwikkeling op het verkeersknooppunt. Dit voornemen sluit aan op ambitie beschreven in de structuurvisie.

3.3.3 Voorbereidingsbesluit hoeklocatie rijksweg-noord/odasingel

24 Februari 2011 heeft de gemeente een voorbereidingsbesluit voor de locatie Rijksweg-noord/Odasingel genomen. Met het voorbereidingsbesluit is, vooruitlopend op voorliggend bestemmingsplan, de bouw van een benzinestation op de locatie tegen gegaan. Verwezenlijking van het benzinestation vormt een beletsel voor de realisatie van de herinrichtingsplannen voor het betreffende gebied. Dit plan voorziet voor dit gebied in stedelijke (woon-)bebouwing van hoge kwaliteit. Een tankstation is daarmee in strijd. Daarnaast wordt met het benzinestation de te realiseren verkeerskundige voorziening onmogelijk gemaakt.

Voorliggend plan sluit aan op het voorbereidingsbesluit en maakt de in het voorbereidingsbesluit gewenste ontwikkeling mogelijk middels een nieuw bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Bestaande situatie

Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteit in het plangebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie aan bod komt. De uitkomsten van verrichte onderzoeken zijn in dit hoofdstuk vermeld (o.a. geluid en luchtkwaliteit).

4.1 Fysieke milieuwaarden

4.1.1 Water

Algemeen

Mede ten gevolge van de waterproblemen die in een aantal winters aan het eind van de 20e eeuw in Nederland optraden ten gevolge van hevige regenval, is het besef gegroeid dat water een belangrijke plaats verdient in toekomstige ruimtelijke plannen. Om het hoofd te kunnen bieden aan zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling, nu en in de toekomst, is het van essentieel belang dat het waterbeheer een belangrijke plaats inneemt in de ruimtelijke ordening. Sleutelbegrippen hierbij zijn: meer ruimte voor water en waterbewust bouwen en inrichten.

Regelgeving

Directe aanleiding voor het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21e eeuw' (WB21)', is de zorg over het toenemende hoogwater in de rivieren, wateroverlast en de versnelde stijging van de zeespiegel. Het kabinet is van mening dat er een aanscherping in het denken over water dient plaats te vinden. Nadrukkelijker zal rekening moeten worden gehouden met de (ruimtelijke) eisen die het water aan de inrichting van Nederland stelt.

Het Watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de wettelijk verplichte werkingsfeer van het Watertoetsproces beperkt tot bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Bij landelijke, provinciale en gemeentelijke structuurvisies is het Watertoetsproces geen voorgeschreven onderdeel meer, maar in de praktijk zal daarbij ook de inbreng van de waterbeheerder gevraagd worden.

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In de Waterwet zijn alle vergunningen betreffende 'water' opgenomen. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.

De Watertoets

Onderdeel van het rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies.

Onderzoek

Het huidige verharde oppervlak binnen het plangebied is ca 4.500 m2. In de situatie na de herinrichting is de verharde oppervlaktes lager. Er wordt voorzien in een verharding van ca 3.350 m2. Ten tijde van de verdere uitwerking van het ontwerp voor het kruispunt is het ontwerp en de inrichting van het gebied afgestemd met de waterbeheerder. Onderstaand zijn de aangegeven randvoorwaarden opgenomen. In de verdere projectvoorbreiding van het project moet de invulling van het doelmatig afkoppelen afgewogen worden.

Invulling doelmatig afkoppelen in Sittard-Geleen
Afkoppelen is geen doel op zich, maar een middel dat kan worden ingezet om wateroverlast en/of de vervuiling uit het rioolstelsel te verminderen. Sittard-Geleen voert daarom geen afkoppelbeleid omwille van het afkoppelen, maar neemt afkoppelen als één van de opties mee bij vervangings- en verbeteringswerken. Door de specifieke kenmerken van de bodem en het glooiende karakter in Sittard-Geleen is er elke keer sprake van maatwerk. Een analyse van de lokale situatie biedt uitsluitsel over de geschiktheid van afkoppelen als maatregel. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Afkoppelen moet een meerwaarde bieden ten opzichte van het bestaande systeem en andere alternatieven.
  • Afkoppelen mag niet tot een verschuiving van problemen leiden (met name richting het beheer van de voorzieningen).
  • De toegepaste hemelwatersystemen moeten goed beheerbaar zijn, bij voorkeur open en zichtbaar.
  • Afkoppelen vindt plaats in de openbare ruimte.
  • Wanneer daarnaast gekozen wordt voor afkoppelen op particulier terrein, wordt alleen de voorkant van de huizen afgekoppeld. Bij renovaties van huizen worden de kansen bekeken om ook de achterkant af te koppelen.
  • Particulier initiatief voor hergebruik van regenwater wordt toegejuicht. In de omgevingsvergunning wordt gewezen op de mogelijkheden.
  • Afkoppelen vindt wijkgericht plaats. Er mag geen versnippering in de voorzieningen ontstaan.
  • Het afkoppelen vindt alleen plaats in samenhang met verbeterings- en vervangingswerkzaamheden.
  • Wanneer infiltratie niet mogelijk is, vindt afkoppelen alleen plaats in de nabijheid van oppervlaktewater of daar waar het regenwater via de straten kan afstromen (bovenstroomse regenwaterstructuur).
  • Afkoppelen op industrieterreinen heeft de voorkeur, omdat daar meestal met weinig maatregelen een groot effect kan worden bereikt.
  • Het afkoppelen wordt altijd bekeken in relatie tot de aanwezigheid van oppervlaktewater, de mogelijkheid van oppervlakkige afstroming, de haalbaarheid en het rendement van de maatregel, de mate van overlast tijdens de werkzaamheden, de basisinspanning, de mogelijke doorspoeling van oppervlaktewater en de beheerbaarheid van de voorzieningen.

Randvoorwaarden waterbeheerder

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een rotonde op de hoek Rijksweg Noord en Odasingel mogelijk. Waterschap Roer en Overmaas heeft diverse randvoorwaarden gesteld aan de ontwikkeling, te weten:

  • Voor het dimensioneren van de waterhuishoudkunidge voorzieningen dient uit te worden gegaan van een maatgevende bui met een herhalingstijd van gemiddeld 25 jaar (35 mm in 45 minuten).
  • 24 uur na een 25 jaars bui dienen de voorzieningen weer beschikbaar te zijn.
  • Ten slotte dient een doorkijk gemaakt te worden naar een 100-jaars bui (45 mm in 30 minuten). Deze dient geen overlast te veroorzaken ter plaatse van bebouwing.

Naast de opgesomde randvoorwaarden gaat de voorkeur uit naar open, bovengrondse voorzieningen zoals wadi's en bermsloten vanwege de goede werking en beheerbaarheid van dit type voorzieningen.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid het onderhavige bestemmingsplan.

4.1.2 Bodem

Algemeen

De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen.

Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

Regelgeving

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan regelt de bestaande situatie, uitvoering van bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Omdat er wel een signaalfunctie van het onderzoek uit kan gaan, wordt een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem in het plangebied uitgevoerd.

Beleid

Op 26 april 2011 hebben burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het Bodembeheerplan 2011 vastgesteld. Dat is vervolgens op 12 mei 2011 in werking getreden. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. Het Bodembeheerplan is niet van toepassing bij de aanpak van zo genaamde puntverontreinigingen en ook niet bij de aanpak van verontreinigd grondwater. Voor de aanpak van puntverontreinigingen gelden de Wet bodembescherming en het provinciale bodemsaneringsbeleid. (Diffuse) grondwaterverontreiniging kan worden aangepakt via het instrument van gebiedsgericht grondwaterbeheer, zodra de Wet bodembescherming daarin voorziet.

Algemeen geldt hierbij dat op een locatie alleen sanerende maatregelen moeten worden getroffen, indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Gebruik van de bodemkwaliteitskaart is ook mogelijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen een voldoende betrouwbare voorspelling te kunnen doen over de te verwachten bodemkwaliteit.

Bodemkwaliteit

Op een gedeelte van de locatie heeft voorheen een tankstation gestaan en is bodemverontreiniging veroorzaakt. Het tankstation is inmiddels gesaneerd en geamoveerd. Op de locatie is een restverontreiniging in de grond- en grondwater achtergebleven. Momenteel wordt het grondwater gemonitoord. Op basis van de huidige monitoringsresultaten is geen sprake van een toename van meer dan 1.000m3 per jaar, dus ook niet van een spoedlocatie. Echter er is nog geen sprake van een stabiele eindsituatie. De laatste monitoringsronde is een trendbreuk opgetreden en verspreiding geconstateerd. In overleg met het bevoegde gezag Wbb, zijnde de provincie, is afgesproken om het monitoringsplan aan te passen en in 2012, 2013 en 2014 te monitoren. Afhankelijk van deze resultaten zal bezien moeten worden welke maatregelen getroffen moeten worden.

Het aanleggen van een rotonde kan dus consequenties hebben indien er op termijn maatregelen getroffen moeten worden om de grond- en grondwaterverontreiniging aan te pakken. Hiervoor zal men in overleg moeten treden met bevoegd gezag en de Stichting SUBAT die de sanering en monitoring uitvoert. Voorafgaande aan vaststelling van voorliggend plan vindt nadere afstemming plaats tussen provincie en gemeente inzake de Wet bodembescherming.

In afwachting van de verdere planvorming en de realisatie dient aandacht besteed te worden aan het aspect bodemkwaliteit. Echter in het kader van onderhavig bestemmingsplan procedure is aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk.

4.1.3 Flora en fauna

Algemeen

Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.

Regelgeving

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de structuurvisie is vastgelegd.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit een oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998, die op 1 oktober 2005 in werking is getreden, van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van LNV aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van LNV aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van LNV). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen. Speciale beschermingszones maken onderdeel uit van een samenhangend Europees ecologisch netwerk: Natura 2000. Dit netwerk is vergelijkbaar met de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, echter op Europees niveau.

Ecologische Hoofdstructuur

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.

Flora en fauna

Op 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Deze wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantensoorten. In de wet zijn de voormalige Jacht- en Vogelwet opgenomen, alsmede de soortbeschermingsparagrafen uit de Natuurbeschermingswet. Tevens is een deel van de verplichtingen op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen. De Flora- en faunawet verbiedt om dieren te doden of hun rust- of verblijfplaats te verstoren. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Er zijn vrijstellingsbepalingen, onder andere in verband met de jacht en de schadebestrijding. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Onderzoek

In en grenzend aan het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden dan wel EHS gebieden gelegen, zie afbeelding 5. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in een transformatie van een bestaand verkeerskruispunt naar een rotonde waarmee geen natuurlijke waarden worden geschaad.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0005.jpg"

Afbeelding 5: overzicht EHS (groen) en Natura 2000 (niet aanwezig)

Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt verwacht dat de voorschriften uit de Flora- en faunawet niet worden overtreden. Er is dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek.

4.1.4 Wegverkeerslawaai

Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

Regelgeving

De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang.

Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai;
  • spoorlawaai;
  • industrielawaai;
  • vliegtuiglawaai.

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hier nader ingegaan.

Voor het aspect wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. Bij de aanleg van de rotonde bestaat vanuit deze wet een tweetal aandachtspunten. Ten eerste dient op basis van de Wgh bij de aanleg van een weg te worden aangetoond dat de geluidbelasting op woningen in de directe omgeving van het plangebied de grenswaarden uit de Wgh niet wordt overschreden. Wanneer de in de Wgh gestelde grenswaarden worden overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere waarde moet worden vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders.

Daarnaast dient aangetoond te worden of er sprake is van een reconstructie in het kader van de Wgh. Van een reconstructie in de zin van de Wgh is sprake bij een wijziging op of aan een aanwezige weg waarbij de toename van de geluidsbelasting 1,5 dB (afgerond 2 dB) of meer bedraagt op nabijgelegen woningen.

Onderzoek

De gemeente is voornemens de kruising Rijksweg Noord - Odasingel/Elisabeth van Barstraat fysiek te wijzigen ten behoeve van een betere doorstroming van het verkeer. Om dit te bereiken wil de gemeente de kruising wijzigen in een rotonde. Gedurende het onderzoek (1 februari 2012) was deze keuze voor rotonde of ovonde nog niet gemaakt. Deze keuze voor een rotonde is mede gemaakt op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlage 1). In het onderzoek zijn de gevolgen van de reconstructie van het kruispunt getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder geldende grenswaarden. Onderstaand wordt enkel ingegaan op de gekozen variant, te weten een turbo rotonde.

Fysieke wijziging van bestaande wegen - variant rotonde

Voor de zowel Rijksweg Noord als de Odasingel en Elisabeth van Barstraat geldt dat bij geen enkele woning sprake is van een toename van 2 dB of meer als gevolg van de fysieke wijziging. Er is dus nergens sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder (er is sprake van een reconstrucite indien de geluidsbelasting met 2 dB toeneemt). Vaststellen van hogere waarden en het treffen van geluidbeperkende maatregelen is dan ook niet noodzakelijk.

Effect op andere wegen ex artikel 99 Wet geluidhinder

Behoudens de nabij gelegen adressen (Reinoud Flat) is het verschil tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie nergens groter dan 1,5 dB. Er kan redelijkerwijs worden aangenomen dat dit ook geldt op wegen/ weggedeelten buiten het onderzoeksgebied. Het effect op andere wegen zal, vanwege voorgenomen wegaanpassingen, gering zijn. Temeer daar in de verschilberekening binnen het onderzoeksgebied autonome ontwikkelingen zijn meegenomen. Als sec naar het effect van de wegaanpassingen wordt gekeken dan zal het verschil geringer zijn.

Onderzoek 2014

Tussen de periode van uitvoering van bovengenoemd onderzoek en het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de uitgangspunten voor uitvoering van het akoestisch onderzoek gewijzigd en is het noodzakelijk het onderzoek met de gewijzigde uitgangspunten opnieuw uit te voeren. In het onderzoek van februari 2014 zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Berekeningen zijn gemaakt conform het nieuwe Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.
  • Het akoestisch rekenmodel is gemaakt met de nieuwe geomilieu software versie 2.31.
  • De verkeerscijfers van het jaar 2012 en 2023 zijn niet gewijzigd. Voor het jaar 2013 en 2024 zijn derhalve dezelfde verkeerscijfers aangehouden.

Resultaten 2014

Met behulp van het geluidrekenmodel is op alle ontvangerpunten de geluidbelasting vanwege het wegverkeer berekend. Voor de Rijksweg Noord, Odasingel en Elisabeth van Barstraat zijn de berekeningen uitgevoerd voor de jaren 2013 en 2024 in verband met de berekening van het effect van de fysieke wijziging.

Voor zowel de Rijksweg Noord als de Odasingel en Elisabeth van Barstraat geldt dat binnen het te wijzigen bestemmingsplan de conclusie niet gewijzigd is ten opzichte van het eerder uitgevoerd onderzoek van februari 2012. Dit houdt in dat bij geen enkele geluidgevoelige bestemming sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

Conclusie

Op basis van het akostisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat met de rotonde wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming.

4.1.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De gemeente heeft in 2008 het Luchtkwaliteitsplan 2008 vastgesteld. De raad heeft in juni 2011 een bijdrage van € 515.000 uit NSL middelen toegekend.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m².

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

Onderzoek

In opdracht van de Gemeente Sittard-Geleen heeft advies- en ingenieursbureau Oranjewoud een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd waarmee de concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn onderzocht, in beeld zijn gebracht en zijn beoordeeld (zie bijlage 2). Daarbij zijn zowel een beoogde turborotonde als een ovonde doorgerekend en beoordeeld op enkele maatgevende beoordelingspunten langs de in het onderzoek betrokken wegvakken.

Stikstofdioxide

De berekende jaargemiddelde concentraties NO2 zijn ter plaatse van diverse beoordelingspunten per beoordelingsjaar berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 (ruim) onder de van kracht zijden grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie NO2 liggen.

Fijnstof

De berekende jaargemiddelde concentraties PM10 zijn eveneens ter plaatse van diverse beoordelingspunten per beoordelingsjaar berekend. De berekende jaargemiddelde concentraties zijn niet gecorrigeerd voor zeezout. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 (ruim) onder de van kracht zijden grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie PM10 liggen. Ook het aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde grenswaarde PM10 (50 ìg/m3) is berekend. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 niet meer dan 35 keer per jaar zal worden overschreden.

Conclusie

Op basis van het luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten, zowel bij de alternatieven (turbo)rotonde en ovonde, wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Derhalve kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming.

4.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in afbeelding 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0006.png"

Afbeelding 6: Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Regelgeving

Besluit externe veiligheid

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten.

Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderzoek

In het kader van onderhavig bestemmingsplan dient een inventarisatie van mogelijke risicobronnen (zowel bedrijven als vervoer van gevaarlijke stoffen) plaats te vinden en dient bepaald te worden wat de gevolgen/consequenties van de aanwezigheid van mogelijke risicobronnen/Bevi-inrichtingen zijn. Indien noodzakelijk dient een beschrijving/verantwoording van het plaatsgebonden en het groepsgebonden risico te worden opgenomen.

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen.

Op de provinciale risicokaart staan de risico's die bij een ongeval mogelijk meerdere slachtoffers maken. Op de kaart is te zien of er gebouwen in een risicocontour staan. Ook zijn locaties aangegeven waarin zich veel mensen bevinden die bij een ramp hulp nodig hebben. In afbeelding 7 is een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0007.jpg"

Afbeelding 7: Uitsnede risicokaart

Bedrijven

In het plangebied komen geen bedrijven met een PR/GR contour voor.

Transport

In het plangebied komen geen transporten met een PR/GR contour voor.

Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen leidingen bekend die een belemmering vormen voor de voorgenomen besluitvorming.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.1.7 Kabels en leidingen

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het bestemmingsplan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn dergelijke belemmeringen niet aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan.

4.1.8 m.e.r.-beoordeling

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r.. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.

Het voorgenomen plan leidt echter niet tot een m.e.r. op grond van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

4.2 Historische kwaliteit

4.2.1 Archeologie

Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) is geïmplementeerd in de Monumentenwet. De wet op de archeologische monumentenzorg is in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de monumentenwet in werking getreden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.

Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode reeds een gebruikelijke praktijk.

De gemeenteraad heeft op 13 september 2012 de 'Beleidsnota archeologie en monumenten' vastgesteld. In deze beleidsnota zijn voor het gehele grondgebied van de gemeente de archeologische (verwachtings)waarden vastgelegd. Afhankelijk van de waarden uit de beleidsnota dient in het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen te worden ter bescherming van de (eventueel) in de grond aanwezige archeologische waarden (zie afbeelding 8).

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.BPdeWissel-VA01_0008.png"

Afbeelding 8: Uitsnede archeologische beleidskaart bijlage 4B (13 speptember 2012)

Het plangebied is deels gelegen in een categorie 3 gebied (paars). Dit zijn terrein met hoge archeologische waarde. Verder is het planbied gelegen in categorie 4 (groen), gebieden met middelhoge tot hoge verwachtingswaarde.

Voor beide gebieden is in voorliggend bestemmingsplan door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' een bescherming opgenomen. Binnen categorie 3 gebieden geldt een onderzoeksplicht voor het realiseren van gebouwen groter dan 50 m2 of graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor deze categorie is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Voor categorie 4 gebieden geldt een oppervlakte van gebouwen van 100 m2 en tevens een diepte van 30 cm. Deze gronden zijn beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Gelet op deze waarde kan archeologisch onderzoek voorafgaand aan de ontwikkeling uitgevoerd nodig zijn. Echter is het voor de uitvoering niet nodig dieper te graven dan 30 cm. Daarmee is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk en is het plan vanuit het aspect archeologie uitvoerbaar. Mocht bij de uitvoering blijken dat het nodig is dieper te graven dan 30 cm en daarnaast de ondergrens van verstoring respectievelijk 50 of 100 m2 worden overschreden dan dient alsnog archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden voordat de werkzaamheden verricht mogen worden.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De verbeelding is samen met de regels het juridisch bindend kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden.

In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er hoe er mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen.

In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelbepaling.

Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

5.2 Artikelsgewijze toelichting

In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen.

5.2.1 Inleidende regels


Artikel 1 Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten

In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

5.2.2 Bestemmingen

De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit bestemmingsregels en bouwregels. Voor enkele bestemmingen zijn daarbij bijzondere gebruiksregels opgenomen en/of een ontheffingsbevoegdheid.

De bestemmingsregels betreffen de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (=het gebruik). In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welke correspondeert met aanduidingen op de verbeelding.

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsregels. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning.

Binnen het plan worden de volgende bestemmingen gebruikt:

Artikel 3 Verkeer

Deze bestemming geldt voor wegen, straten en pleinen, voet - en fietspaden ten behoeve van de afwikkeling van alle verkeer en daarbij behorende voorzieningen.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 1

De bestemming ' Waarde - Archeologie 1' wordt gehanteerd voor die delen van het plangebied, die op basis van de archeologische beleidskaart een hoge archeologische waarde hebben. Bouwen is op deze gronden ten behoeve van een andere ter plaatse geldende (enkel)bestemming uitsluitend toegestaan, nadat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn. Uitzondering hierop is het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot. Daarnaast geldt de uitzondering ook voor het realiseren van gebouwen kleiner dan 50 m2 of werkzaamheden niet dieper dan 30 cm.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2

De bestemming ' Waarde - Archeologie 2' wordt gehanteerd voor die delen van het plangebied, die op basis van de archeologische beleidskaart een hoge archeologische verwachting hebben. Bouwen is op deze gronden ten behoeve van een andere ter plaatse geldende (enkel)bestemming uitsluitend toegestaan, nadat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn. Uitzondering hierop is het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot. Daarnaast geldt de uitzondering ook voor het realiseren van gebouwen kleiner dan 100 m2 of werkzaamheden niet dieper dan 30 cm.

5.2.3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen.

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

Artikel 7 Overgangsrecht

In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

Artikel 8 Slotregel

In de 'slotregel' is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden. De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

Hoofdstuk 6 Uitvoeringsaspecten

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De investering van de rotonde is in de raming voor het nieuwe mobiliteitsplan meegenomen. In de vergadering van 12 november 2013 heeft de raad besloten over dit beleid. De raad heeft ingestemd met het krediet ter realisatie van de rotonde.

De Wet ruimtelijke ordening geeft aan dat het een wettelijke plicht is om gelijktijdig met een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Gezien het feit dat de gemeente het plangebied zelf ontwikkelt is de uitvoering van het plan anderszins verzekerd en is er geen verplichting om gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitieplan op te stellen.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Overleg

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is getoetst met het opsturen van het plan naar de verschillende overlegpartners. Naast de overlegpartners is een ieder in de gelegenheid gesteld het plan te beoordelen tijdens de ter visie legging van het plan.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ontvangen. Het bestemmingsplan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld.