| Plan: | Tuin van Gulik |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1883.BPTuinvGulik-ON01 |
De verbeteringsopgave in de wijk Thienbunder is in volle gang. Op 26 juni 2012 is hiervoor bestemmingsplan vastgesteld. Als gevolg van gewijzigde inzichten in het stedenbouwkundig ontwerp is aanpassing van het bestemmingsplan Thienbunder noodzakelijk. De aanpassingen hebben te maken met gewijzigde bouw- en goothoogten en dakhellingen, de locatie van het appartementencomplex, het parkeren en het aantal cpo woningen. Daarnaast zijn, als gevolg van wat kleine wijzigingen in het ontwerp (conform de laatste tekeningen) die niet meer passen in de huidige (bouw)vlakken, hier een daar wat wijzigingen van(bouw) vlakken opgenomen op de verbeelding.
Om verwarring te voorkomen is de naam van het nieuwe bestemmingsplan “Tuin van Gulik” geworden.
Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding.
De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Dit onderdeel heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan. Ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, gebouwen en bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol bij de toepassing van de regels evenals een visualiserende functie van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen en randvoorwaarden weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.
Aan de zuidkant van de kern Sittard (gemeente Sittard-Geleen) ligt de wijk Sanderbout. Een van de buurten binnen Sanderbout is Thienbunder. Thienbunder vormt samen met de buurten Achtbunder, Sanderbout en de voormalige slachthuislocatie het TASs-gebied, dat als prioritair herstructureringsgebied is aangemerkt binnen de Westelijke Mijnstreek, dat wordt gevorm door de gemeenten Beek, Schinnen, Sittard-Geleen en Stein.
Figuur 1.1 Ligging plangebied Tuin van Gulik
Het plangebied wordt globaal begrensd door de Voetstraat aan de westzijde, de Monseigneur Canoystraat aan de noordzijde, aan de oostzijde de Monseigneur Vranckenstraat en de achtertuinen van de woningen gelegen aan de Rijksweg zuid en aan de zuidzijde de achtertuinen van de woningen gelegen aan de Geuweg.
Het plangebied is circa 5,4 hectare groot. In onderstaande figuur is een luchtfoto en de begrenzing van het plangebied opgenomen.
Figuur 1.2 Luchtfoto plangebied in ontwikkeling
Figuur 1.2 begrenzing plangebied Tuin van Gulik
Binnen de grenzen van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Thienbunder' dat is vastgesteld op 26 juni 2012. Binnen het plangebied wijzigen de bestemmingen niet.
Omdat er geen sprake is van nieuwe bestemmingen, maar er slechts sprake is van beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen en gewijzigde bouwregels, zijn er geen aanvullende onderzoeken uitgevoerd voor het onderhavige bestemmingsplan. Wel is vanwege een uitbreiding van het verhard gebied opnieuw gekeken naar de waterparagraaf.
Waterparagraaf wijk Thienbunder te Sittard, Grontmij Nederland B.V., Eindhoven, 7 oktober 2011, referentienummer GM-0036037;
De aanleiding van het plan en de ligging van het plangebied staan centraal in hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 is het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijke beleid beschreven voor zover relevant voor de met dit plan beoogde ontwikkelingen. Een beschrijving van het plan (situering, voorwaarden, planconcept en beeldkwaliteit) is opgenomen in hoofdstuk 3, gevolgd door een samenvatting en conclusie van de uitgevoerde onderzoeken in hoofdstuk 4. Uiteindelijk wordt het plan Tuin van Gulik juridisch vastgelegd met behulp van de regels en de verbeelding. De opzet hiervan wordt beschreven in hoofdstuk 5, waarbij is aangegeven op welke wijze de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkelingen juridisch zijn vertaald. Dit heeft een directe relatie met de uitvoerbaarheid, met name het beleid ter handhaving van de inrichting van het plangebied waaraan in hoofdstuk 6 aandacht wordt besteed. De procedure, het overleg en de inspraak komen tot slot aan bod in hoofdstuk 7.
De structuurvisie regelt ontw ikkelingen van landelijk belang. Regels en afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten.
Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouw en van huizen die aansluiten bij de w oonw ensen van mensen. Het roer moet om in de gebiedsontw ikkeling. De daadwerkelijke vraag van bew oners, bedrijven en organisaties wordt daarin leidend. Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontw ikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouw ing kan worden hergebruikt en mocht nieuw bouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afw eging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontw ikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tw eede lid Bro).
De ladder is van toepassing op nieuw e stedelijke ontw ikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontw ikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouw locaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderw ijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.
Kern van de ladder is dat de stedelijke ontw ikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal w ordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontw ikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien.
Indien een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling toestaat, is een zorgvuldige onderbouwing nodig. Deze wordt gevormd door de treden van de ladder uit te werken:
Trede 1: voorziet de voorgenomen stedelijke ontw ikkeling in een actuele regionale behoefte (kw antitatief en kwalitatief)?
Trede 2: kan die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio worden opgevangen, door benutting van beschikbare gronden (met aandacht voor mogelijkheden van herstructurering of transformatie)?
Trede 3: zo nee, is er voor de voorgenomen stedelijke ontwikkeling sprake van een locatie die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld?
Het doorlopen van deze treden zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.
Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1.6, tw eede lid van het Bro (nota van toelichting, blz 34 en 49 :Stbl 2012, 388) is met dit artikel beoogd dat het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt afgewogen aan de hand van de in het artikellid opgenomen stappen en dat hierover een motivering wordt opgenomen in de plantoelichting.
In onderhavig plan betreft het een gebied waarvoor in 2012 een bestemmingsplan is vastgesteld waarbij conform het proviciale beleid verdunning heeft plaatsgevonden van het aantal woningen. Het nu vast te stellen plan wijkt hier op onderdelen van af. Gezien de mogelijkheden van het voorgaande plan voorziet het voorliggende plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro, aangezien in het hiervoor geldende plan eveneens ter plaatse woningbouw mogelijk was.
Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels Ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:
Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het plangebied.
De Europese Unie heeft het initiatief genomen voor 'Natura 2000', een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn zijn ook aangegeven als Natura 2000-gebied. Het is niet toegestaan om zonder vooraf toegekende vergunning nieuwe activiteiten in deze gebieden uit te voeren.
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura2000-gebied en binnen een straal van 3 kilometer van het plangebied bevinden zich ook geen Natura2000-gebieden. Gelet op de afstand van het plangebied ten aanzien van deze gebieden en de centrale ligging van het plangebied tussen bestaande bebouwing zijn negatieve effecten door externe werking vanuit plangebied op Natura2000-gebieden niet te verwachten.
Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' (wijziging Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2. luchtkwaliteitseisen). In deze wet zijn voor verschillende vervuilende stoffen normen opgenomen waaraan minimaal voldaan moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een vervuilde lucht kan immers leiden tot gezondheidsklachten bij mensen. Voor Nederland zijn voornamelijk overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide aan de orde en plaatselijk van benzeen (parkeergarages).
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin worden gebiedsgerichte programma's en rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren opgenomen. Projecten worden niet meer aan de normen getoetst maar aan het doel van het programma. Bouwprojecten in een gebied kunnen dan doorgaan als maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit op zijn minst gelijk te houden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Projecten die opgenomen zijn in het NSL mogen worden vervangen door plannen van gelijke of kleinere omvang.
Naast de 'Wet Luchtkwaliteit' is in 2007 het begrip niet in betekenende mate bijdragen verduidelijkt (Besluit niet in betekenende mate bijdragen en Regeling niet in betekenende mate bijdragen). Door het in werking treden van het NSL op 1 augustus 2009 worden projecten die minder dan 3% bijdragen aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide geacht niet in betekenende mate bij te dragen. Voor dergelijke projecten is geen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk.
De voorgenomen locatieontwikkeling valt binnen de categorie die minder dan 3% bijdraagt aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide.
De Kaderrichtlijn water (hierna: Krw) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Krw is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. Doel is in 2015 de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in orde te hebben. In het verleden zijn vele Europese richtlijnen op het gebied van water verschenen. De Krw moet in deze verschillende soorten regels meer eenheid brengen.
De Kaderrichtlijn Water vindt zijn doorwerking in het waterbeleid van de gemeente en het waterschap.
Op 12 december 2014 zijn door Provinciale Staten het POL2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers en- Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden.
Figuur 2.1: Uitsnede plankaart Wonen en Leefbaarheid
Het projectgebied is op de Kaart Wonen en Leefbaarheid aangeduid als bebouw d gebied. Voor deze gebieden geldt het volgende.
In Sittard-Geleen is sprake van een stedelijke woonsfeer. Deze gebieden zijn bij uitstek het domein van de stedeling die de nabijheid van de binnenstad (o.a. cultuur, ontmoeting, voorzieningen en ontspanning) belangrijk vindt. De belangstelling voor de woonmilieus in en bij de stedelijke centra is en blijft groot. Beleidsopgaven die hierbij horen zijn: concentratie en verdichting, functiemenging en hergebruik van bestaand (karakteristiek en cultuurhistorisch) vastgoed.
Voor Zuid-Limburg geldt dat door de demografische omslag en de mismatch tussen vraag en aanbod er een gebrek is aan doorstroming en een onbalans op de w oningmarkt. Zo kunnen er in Zuid-Limburg momenteel op basis van planologisch onherroepelijke plannen circa 6.000 woningen aan de voorraad w orden toegevoegd, terw ijl op grond van de huishoudensontwikkeling de woningbehoefte daalt en er bovendien leegstand is. Dalende waarde van woningen, toenemende leegstand, verloedering en sociaal isolement liggen op de loer. Het is de Zuid-Limburgse ambitie om het woon- en leefklimaat kwalitatief te behouden en te versterken. De daarbij behorende herstructureringsopgave in Zuid-Limburg is zo complex, uniek en urgent dat gezamenlijke actie vereist is. Actie die alleen kan slagen als er in hoge mate een gezamenlijk besef is van het maatschappelijk belang, zonder onderlinge concurrentie.
Met de woonmilieuvisie leggen de gemeenten Sittard-Geleen, Stein, Beek en Schinnen en corporaties gezamenlijk een kwalitatieve visie neer op het wonen in de Westelijke Mijnstreek in een veranderende markt tot 2030.
De regionale woonmilieuvisie bevat een strategische visie. Deze formuleert het woonbeleid voor de periode tot aan de jaren 2020/2030, voor de Westelijke Mijnstreek als geheel en voor de 5 onderscheiden woonmilieus. De status van de visie is een richtinggevend kader per woonmilieu. Kwalitatieve en kwantitatieve doorvertaling van de visie naar de plannen en mogelijkheden binnen de woonmilieus zal als vervolg nog nader gestalte moeten krijgen. Daarbij zal de focus op de periode 2010-2020 liggen. Om dat goed te kunnen doen is onder andere de uitvoering van een kwalitatief woningmarktonderzoek noodzakelijk.
Het plangebied valt binnen het woonmilieu 'stedelijk wonen'. Deze hebben overwegend het karakter van woonwijken, waarbij sprake is van een sterke oriëntatie op de stad. De wijken maken namelijk nadrukkelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied.
Bewoners in deze wijken kunnen gebruik maken van een ruim aanbod aan voorzieningen in de stad, maar zeker ook in de wijken zelf. Het straatbeeld in de wijken wordt gedomineerd door een veelheid aan eengezinswoningen, afgewisseld met flats. In vergelijking met het ‘centrum stedelijk wonen’ is bij het ‘stedelijk wonen’ sprake van ruimere en groenere wijken. Binnen de wijken is sprake van beperkte sociale banden. De wijken die behoren tot het ‘stedelijke wonen’ hebben een vrij hoge woningdichtheid en kennen een laag aandeel koopwoningen. Met name in die opzichten behoren de woonmilieus echt tot de stad en onderscheiden zij zich duidelijk van het suburbaan wonen.
Het accent ligt voor Sittard op het verbeteren van de leefbaarheid en de kwaliteit van de woningen. Dit gebeurt door het realiseren van kwalitatief goede woningen in uiteenlopende typen. Deze zijn overwegend bedoeld voor (jonge) gezinnen en ouderen. Bij het huisvesten van (jonge) gezinnen gaat het enerzijds om huishoudens die sterk gebonden zijn aan de stad (lagere inkomensgroepen) maar anderzijds om het vasthouden van gezinnen die anders overwegen naar de suburbane kernen te verhuizen.
Ten aanzien van senioren gaat het om nultredenwoningen, gestapeld maar zeker ook grondgebonden. Daarmee leveren deze projecten een bijdrage aan het toekomstbestendig maken van het stedelijk woonmilieu. Omdat in grote delen van het stedelijk woonmilieu geherstructureerd wordt en daarmee de dichtheid zal gaan afnemen, is theoretisch gezien ruimte nodig om bewoners op te vangen. De bestaande voorraad en nieuwbouw kunnen daarvoor worden aangewend. Echter, omdat nu al blijkt dat corporaties de bewoners die moeten verhuizen vanwege sloop/nieuwbouw relatief eenvoudig kunnen herhuisvesten, kunnen vraagtekens bij de noodzaak tot als uitbreiding van het stedelijk wonen geplaatst worden. Zeker als over de gehele linie straks het aantal huishoudens in het stedelijk woonmilieu gaat afnemen. Overigens is voor een toekomstbestendig stedelijk woonmilieu meer nodig dan alleen fysieke veranderingen. Aandacht voor de sociale pijler, juist in dit woonmilieu waar de leefbaarheid in het geding is, is van groot belang. Een gezamenlijke aanpak tussen gemeente, corporatie en andere betrokken partij op het gebied van welzijn, zorg, arbeidsvoorziening en scholing is een vereiste. De aanpak moet gericht zijn op het vergroten van de kansen voor de individuele bewoners.
Gedeputeerde Staten hebben op 1 februari 2011 de Provinciale Woonvisie vastgesteld. Doel van de Provinciale Woonvisie is om samen met alle partners in de regio’s te bereiken dat de juiste woningen op de juiste plaats en op het juiste moment beschikbaar komen. De visie behandelt met nadruk de bovenlokale en –regionale sturing van de woningmarktontwikkeling (zeker tegen de achtergrond van de veranderende demografische context) en op kwalitatieve aandachtspunten als herstructurering, leefbaarheid en duurzaamheid. De Woonvisie behandelt de woonbehoeften van verschillende doelgroepen, de specifieke aandachtspunten voor de verschillende regio’s en gaat in op internationale aspecten van het wonen.
Geconcludeerd is dat er in Limburg sprake is van een dalende bevolkingsomvang. Limburg loopt hierin vooruit op andere provincies. Dit heeft ondermeer te maken met de vergrijzing en ontgroening van de bevolking, maar daarnaast ook met het negatieve migratiesaldo van Limburg. Dit negatieve migratiesaldo heeft ondermeer te maken met onvoldoende aanbod op de markt dat voldoet aan de vraag van de woonconsument en daarnaast de krimpende werkgelegenheid van Limburg. Verschil is duidelijk zichtbaar tussen Zuid en Midden Limburg ten opzicht van Noord Limburg. Noord Limburg volgt veel meer het landelijke patroon.
Woonregio Westelijke Mijnstreek
Eén van de zeven regio's die in de Provinciale Woonvisie wordt onderscheiden is Westelijke Mijnstreek. Deze woonregio bestaat uit de gemeenten Sittard-Geleen, Stein, Schinnen en Beek. Sittard-Geleen vervult de functie van centrumgemeente met ten zuiden en westen ervan de overige gemeenten gelegen. De grens van de regio wordt in het oosten gevormd door de landgrens met Duitsland en in het westen door de landgrens met België.
Wat betreft woningvoorraadontwikkeling zet de Provincie in deze regio duidelijk in op de herstructurering van enkele bestaande woonwijken, specifiek binnen deze regio haar rol als partner in de herstructurering van de wijken Thienbunder, Achtbunder, Sanderbout en de voormalige slachthuislocatie, kortweg TASs genoemd. De Provincie werkt hierbij samen met de gemeente Sittard-Geleen, woningcorporatie ZO Wonen en met de bewoners van de betrokken wijken. Vanuit deze samenwerking wordt er fors geïnvesteerd in mensen, woningen, infrastructuur en voorzieningen.
Vanuit de Woonregio Westelijke Mijnstreek heeft de regio voor de woningmarkt in het algemeen zelf op basis van onderzoek uitgangspunten geformuleerd, die in de ‘Structuurvisie Wonen’ gehanteerd worden. Deze structuurvisie is vastgesteld op 9 juni 2011.
De structuurvisie is erop gericht om de ontwikkelingen te stimuleren voor een hogere kwaliteit van wonen. De regio wil blijven werken aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met voldoende dynamiek. Om deze ambities voor de Westelijke Mijnstreek te bereiken, benoemen de gemeenten drie hoofduitgangspunten:
Sittard-Geleen wil zich ontwikkelen tot een herkenbare, samenhangende, levendige stad met een sterke eigen, stedelijke identiteit waarbinnen diverse stadsdelen een specifieke functie in het geheel uitoefenen. Het centrum van Geleen wordt in de stadsvisie bestempeld als een stedelijk servicecentrum en de binnenstad van Sittard als recreatief winkelgebied. Het middengebied dient zich te ontwikkelen tot gemengde stedelijke zone van wonen, zorg en sport. In de omliggende dorpen gaat het in de toekomst om het creëren dan wel in standhouden van een toekomstbestendige woningvoorraad binnen de contouren van het POL. Daarbij geldt ook in de dorpen dat ingespeeld moet worden op de ontgroening en vergrijzing door onder meer het bieden van adequate huisvesting voor starters, ouderen en alleenstaanden.
De ontwikkelingskaart wonen (zie figuur 2.2) borduurt voort op de woonmilieuvisie. Rondom de centra liggen stedelijke woongebieden, hier wordt ingezet op verdunning, al dan niet in combinatie met vergroening of met de clustering van wijkfuncties. Verschillende wijken vragen om een integrale vernieuwing, zoals Sanderbout (TASs).
Figuur 2.2 Uitsnede plankaart lokaal streefbeeld wonen gemeente Sittard-Geleen
Provinciaal beleid
Volgens de Omgevingsverordening Limburg (ingangsdatum 1 januari 2011) liggen binnen en in de nabijheid van het plangebied geen beschermingsgebieden ten behoeve van water. Op circa 450 m ten oosten van het gebied loopt een beschermingsgebied “Overige kwetsbare gebied in kader van de vrijstelling rioleringsverplichting. Het gaat hierbij om de Geleenbeek en haar omgeving. Op circa 700 m ten noorden van het gebied begint de boringsvrije zone “Roerdalslenk”.
Waterschap Roer en Overmaas
Uit het “Stroomschema toepassingsbereik watertoets” (waterschap Roer en Overmaas, 2010) kan worden opgemaakt dat voor het plangebied het ruimtelijke plan bij het watertoetsloket ingediend dient te worden.
Bij het indienen van het plan zijn de normen en uitgangspunten uit de volgende stukken van toepassing:
Op 2 augustus 2011 heeft Waterschap Roer en Overmaas een positief prewateradvies afgegeven.
Duurzame ontwikkeling is te kenschetsen als een ontwikkelingsproces waarbij gestreefd wordt een duurzame samenleving tot stand te brengen door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven zodat ook toekomstige generaties daarin delen.
Ook de gemeente Sittard-Geleen heeft duurzaamheid in haar beleidsdoelen opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen. Dit is onder meer vastgelegd in de volgende beleidsplannen; Duurzame Energie 2001, Convenant Duurzaam Bouwen SWM (Stadsgewest Westelijke Mijnstreek) 2002 en Klimaat en Dubobeleid in de gemeente 2003, Gebruik Duurzame bouwmaterialen gemeente Sittard-Geleen 2004.
Stedelijke ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande milieukwaliteit worden in sterke mate bepaald door menselijke activiteiten zoals bouwen, slopen, wonen, werken, mobiliteit en recreatie. Deze activiteiten hebben gevolgen voor onder andere de volgende milieuaspecten; energie (broeikasgas), bodem (verontreiniging), water (verdroging/overstroming), groen (tekort aan recreatieruimte), geluid (hinder) en lucht (gezondheid). Deze milieuproblemen doen zich voor op verschillende schaalniveaus. Het sterkst op lokaal niveau en in afnemende mate van regionaal naar mondiaal niveau.
Als algemeen uitgangspunt om de milieubelasting te verminderen wordt de ‘Drie Stappen Strategie’ (trias ecologica) gehanteerd:
Naast ecologische kwaliteit speelt de ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol bij duurzame stedelijke ontwikkelingen. De wijze waarop de ruimte voor wonen, werken en recreëren wordt ingericht bepaalt in sterke mate de gebruiks- en belevingswaarde, als ook de effectieve levensduur van een stedelijk gebied. Een gevarieerd ingerichte ruimte met een hoge gebruiks- en belevingswaarde, waar mensen prettig wonen en werken, met goede voorzieningen en recreatiemogelijkheden, is de beste garantie voor duurzaamheid. Aandachtspunten hierbij zijn; consumentgericht bouwen, differentiatie van functies, flexibiliteit en aanpasbaarheid, integratie van groen en water.
In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen is een planvormingsproces opgenomen dat de milieukwaliteitsaspecten integraal met de ruimtelijke kwaliteitsaspecten benadert. Deze integrale aanpak is –mede voortkomend uit de ondertekening van het SWM convenant duurzaam bouwen– de leidraad voor de ontwikkeling van gemeentelijke stedenbouwkundige plannen.
Het voorliggende bestemmingsplan moet de herstructurering van de wijk Thienbunder mogelijk maken. Bij de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, dient rekening gehouden te worden met duurzaamheid. Mede-ontwikkelaar Zo Wonen heeft zich via het DPL (waarover hierna meer) geconformeerd aan de duurzaamheidsambitie voor gebiedsontwikkeling. Daarnaast worden vanaf 2008 alle bouwplannen getoetst op milieukwaliteit d.m.v. de gemeentelijk prestatierichtlijn (GPL-gebouw), met een gewenste GPR-score van minimaal 7.
Leefbaarheid en flexibel ruimtegebruik
Belangrijke items voor het verkrijgen van een vitale stad zijn leefbaarheid en flexibel ruimtegebruik. Differentiatie en diversiteit spelen hierbij een belangrijke rol. Dit wordt onder meer bereikt door in het TASs-gebied de functies wonen, werken, winkelen, onderwijs, cultuur en recreatie te mengen, dit zowel qua plaats als tijd. Dit verhoogt de dynamiek in de stad. Binnen dit bestemmingsplan wordt de toekomstige situatie vastgelegd. Het betreft voor Thienbunder hoofdzakelijk een woonwijk.
De Structuurvisie Sittard-Geleen uit 2010 is een samenvoeging van alle bestaande ruimtelijke ambities en doelen van de gemeente Sittard-Geleen, op basis van het vigerend beleid. Het is tevens gebaseerd op de hoofdlijnen van nationaal en regionaal beleid dat doorwerkt binnen de gemeente, en op beleid dat is opgesteld met buurgemeenten in de Westelijke Mijnstreek.
De Structuurvisiekaart geeft ter plaatse van het plangebied een stedelijk woonmilieu aan met een verdunningsopgave ten aanzien van het verdunnen van de woonbuurt.
Figuur 2.3 Uitsnede Structuurvisiekaart Sittard-Geleen
Uitvoeringsparagraaf
De Structuurvisie bevat een uitvoeringsparagraaf waarin de gemeente aangeeft hoe zij de structuurvisie in uitvoerende zin zal realiseren; het vormt de strategische agenda. De transformatieopgave van de woningvoorraad is van toepassing op het plangebied. De herstructurering van TASs is hierbij als eerste concreet project in de uitvoeringsparagraaf opgenomen.
Figuur 2.4 Uitsnede kaart Strategische projecten en ontwikkelingen
Bij het samenvoegen van de voormalige gemeenten Sittard, Geleen en Born is de stadsvisie, die is vastgesteld in 2002, in 2011 geactualiseerd. In de stadsvisie staat de zoektocht naar een eigen identiteit van de nieuwe gemeente centraal waaruit een aantal strategische doelstellingen is afgeleid:
De herontwikkeling van Thienbunder sluit aan bij de doelstellingen van de stadsvisie.
In juli 2015 is de Nota ruimtelijke kwaliteit vastgesteld. Deze nota vervangt de Welstandsnota 2004. In de nota worden vaste en gebiedsspecifieke toetstingscriteria vastgelegd. Uitgangspunt hierbij is wel om te komen tot minder stringente welstandsregels.
In de nota worden verschillende gebieden onderscheiden. Het betreft Woongebieden, Werkgebieden, Stadscentra en Groengebieden. Het plangebied Tuin van Gulik is aangewezen als woongebied. Voor dit gebied geldt dat de vaste toetsingscriteria worden aangevuld met de omgevingscriteria. Op grond van de nota ruimtelijke kwaliteit geldt voor het plangebied dat sprake is van overwegend eengezinswoningen. Het gebied kenmerkt zich gewoonlijk door een sterke onderlinge samenhang in architectuur en het gebruik van baksteen.
Het beleid en de uitgangspunten van de gemeente Sittard-Geleen komen grotendeels overeen met de uitgangspunten van het waterschap Roer en Overmaas (zie paragraaf 2.3.5). Aanvullende uitgangspunten zijn:
Op 26 april 2011 hebben burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het Bodembeheerplan 2011 vastgesteld. Dat is vervolgens op 12 mei 2011 in werking getreden. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. Het Bodembeheerplan is niet van toepassing bij de aanpak van zogenaamde puntverontreinigingen en ook niet bij de aanpak van verontreinigd grondwater.
Voor de aanpak van puntverontreinigingen gelden de Wet bodembescherming en het provinciale bodemsaneringsbeleid. Diffuse grondwaterverontreiniging kan worden aangepakt middels het instrument gebiedsgericht grondwaterbeheer zodra de wetgeving op dat punt is aangepast en de provincie daarvoor beleid heeft geformuleerd.
Bodembeheerplan 2011 en ruimtelijke ordening
Wat betreft de te hanteren bodemkwaliteitsdoelstellingen kent de Wet ruimtelijke ordening beleidsvrijheid die in het bodembeheerplan, voor ruimtelijke ontwikkelingen, als volgt is ingevuld.
De ruimtelijke ontwikkeling is gelegen in het gebied Wonen 1 en vanuit de Wet ruimtelijke ordening is dan ook de gemeente bevoegd gezag voor het beoordelen van de bodemkwaliteit.
Voor wat betreft de saneringsdoelstelling bij saneringen van historische verontreinigingen (ontstaan vóór 1987) wordt onverkort aangesloten bij de functiewaarden uit het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bij de sanering van niet-historische verontreinigingen (ontstaan vanaf 1987) geldt de herstelplicht van de bodemkwaliteit.
Hierbij sluit de gemeente aan bij het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit wil zeggen dat een partij her te gebruiken grond moet voldoen aan de bodemfunctieklasse (volgens de bodemfunctieklassenkaart) van de ontvangende bodem en aan de bodemkwaliteitsklasse (volgens de bodemkwaliteitskaart) van de ontvangende bodem. In de concrete gevallen geldt de strengste van beide eisen.
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart is ook mogelijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen een voldoende betrouwbare voorspelling te kunnen doen over de te verwachten bodem-kwaliteit. Algemeen geldt hierbij dat bij locaties die mogelijk niet beïnvloed zijn door een puntbron, de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden om die voorspelling te doen.
Wanneer geldt de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit en is bodemonderzoek nodig?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen op locaties waar mogelijk sprake is van ernstige bodemverontreiniging, op locaties die zijn uitgezonderd van de bodemkwaliteitskaart en bij gronden met de bestemming moestuin/volkstuin, dient altijd een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Dit ter onderbouwing van de verwachting dat de bodem niet beïnvloed is door een puntbron en (vermoedelijk) geen sprake is van een geval van ernstige bodem-verontreiniging.
Het bodemkwaliteitsbeleid is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Sittard-Geleen, met uitzondering van het Maasdalgebied en Chemelot. Het grondgebied van de gemeente Sittard-Geleen, is ingedeeld in de volgende homogene deelgebieden:
Actief Bodembeheer Limburg is van toepassing op nieuwe situaties. Deze zijn gedefinieerd als een verschuiving naar een gevoeliger functie dan wel meer dan 25 m3 grondverzet.
Het parkeerbeleid vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid. In maart 2012 is de (nieuwe) Nota Parkeernormen Sittard-Geleen (hierna: de Nota Parkeernormen) vastgesteld. Eén van de belangrijke peilers van het gemeentelijk parkeerbeleid is de zogenaamde parkeerplaatsverplichting. Doelstelling van deze verplichting is dat iedere nieuwe ontwikkeling waarvoor een bouwvergunning en/of bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd, verplicht kan worden om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien.
In de Nota Parkeernormen zijn de gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen vastgelegd, om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen. De nota kent een algemene strekking. Dit betekent dat de nota niet in alle gevallen direct toepasbaar is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen wordt in de geest van de nota gehandeld.
De parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW publicatie 182 'Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering'. Waar mogelijk is de toepassing van deze normen voor de parkeersituatie in de gemeente Sittard-Geleen vereenvoudigd.
De bouwverordening fungeert als toetsingskader bij vergunningsaanvragen. Met betrekking tot de te hanteren parkeernormen is in de bouwverordening een verwijzing opgenomen naar de nieuwe Nota Parkeernomen. Het voldoen aan de parkeerplaatsenverplichting wordt hiermee een van de beoordelingsaspecten voor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Aanvragen kunnen dan ook worden afgewezen op het niet voldoen aan de parkeerplaatsverplichting. Omdat in onderhavig geval sprake is van een gebiedsontwikkeling kan in het plangebied de parkeerbehoefte niet worden opgevangen op het 'eigen terrein' van de diverse woningen. Conform paragraaf 3.2 van de Nota Parkeernormen kunnen Burgemeester en wethouders in onderhavig geval een ontheffing verlenen van de verplichting de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein te realiseren. Als gevolg van het planvoornemen dient parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied evenwel nog steeds te worden voorkomen.
Het bestemmingsplan dient vanwege de bebouwingsmogelijkheden getoetst te worden aan het parkeerbeleid. In paragraaf 3.2 wordt nader ingegaan op de parkeernormen als randvoorwaarde voor het plan. Hoe is opgelost in het plan, wordt beschreven in paragraaf 3.4.5.
De gemeente heeft in gezamenlijkheid met de provincie Limburg en woningcorporatie ZO Wonen een Duurzaamheids Prestatie op Locatie (hierna: DPL) uitgevoerd. In het DPL is de huidige duurzaamheidssituatie bepaald en zijn de verbeteringen in kaart gebracht. De voornoemde partijen hebben met elkaar afgesproken zich te zullen inspannen om de in de DPL opgenomen verbeteringen door te voeren. In het DPL is ook aandacht besteed aan het onderhavige plangebied Tuin van Gulik.
In het DPL worden diverse duurzaamheidsaspecten omschreven, waarvan onderstaand enkele aspecten zijn omgesomd. Bij elk aspect zijn de huidige situatie (2008) en de huidige plannen (2020) beschreven:
Het voorliggende plan draagt bij aan diverse aspecten op het gebied van duurzaamheid.
Het plan past binnen het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk is het voorgenomen plan beschreven, ondersteund door afbeeldingen.
De volgende randvoorwaarden van ZO Wonen en gemeente zijn leidraad geweest bij de ontwikkeling van dit stedenbouwkundig plan. Hieronder staan de belangrijkste punten voor TASs algemeen en voor Thienbunder specifiek weergegeven:
Algemeen TASs: Woonmilieus
Algemeen TASs: Programma
Specifiek Thienbunder
woning duur: 2,0 pp (waarvan min. 0,3 in de openbare ruimte)
woning middenduur: 1,8 pp (waarvan min. 0,3 in de openbare ruimte)
woning goedkoop: 1,6 pp (waarvan min. 0,3 in de openbare ruimte)
patiowoningen: 1,6 pp (waarvan min. 0,3 in de openbare ruimte)
Thienbunder was een woonbuurt waar met name twee aspecten de ruimtelijke verschijningsvorm sterk beïnvloedden. Eén van die aspecten waren de woningen die door de witte kleur van de gevels (uitgevoerd in pleisterwerk) sterk de beleving van een eigenstandigheid van de buurt manifest maakten. Daarnaast speelde de stedenbouwkundige opzet van de buurt een belangrijke rol in de beleving en verschijningsvorm. Lange rechte straten waaraan aan weerszijden de woningen waren geplaatst. De woningen waren naar uitvoering en type uniform. De beleving van woonbuurt Thienbunder was daarom niet gevarieerd, verrassend, afwisselend en ruimtelijk.
Gelet op de demografische ontwikkelingen in de regio en de gewijzigde vraag van de consument, vormen kwaliteit en ruimte de meest belangrijke sleutelbegrippen als het gaat om de beoogde toekomstbestendigheid.
Het programma voorziet in een gedifferentieerde doelgroep van huur en koop. Er is voorzien in gezinswoningen, senioren- woningen (levensloopbestendig) en appartementen. Tevens is er ruimte gegeven om te voorzien in de behoefte aan bouwkavels en aan Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Er wordt circa 50% van het oorspronkelijke woningaantal teruggebouwd. Door de nieuwe verkaveling ontstaat er in het binnengebied een groen centrum. Vrij in dit groene hart zijn een tweetal patioblokken en appartementen gesitueerd.
Thienbunder ligt als buurt in de directe nabijheid van het stadscentrum. De buurt wordt hierop georiënteerd. Hierbij is de aansluiting op de Monseigneur Vranckenstraat van belang. Deze fungeert als belangrijke entree naar de buurt.
Het witte wonen in een parkachtige setting is het leitmotiv van het vernieuwde Thienbunder. De woningen in het toekomstige Thienbunder worden in herkenbaar en vertrouwd wit uitgevoerd. De witte gevels van de nieuw te bouwen woningen komen voor een groot deel letterlijk terug zoals dat in het oorspronkelijke Thienbunder ook het geval was. De stedenbouwkundige opzet van Thienbunder is daarentegen doelbewust sterk anders. Omdat er minder woningen in het gebied worden teruggebouwd is er ruimte om Thienbunder een andere opzet te geven. Daarbij was het doel te komen tot een ruime verkaveling met veel groen waarin parkachtig gewoond kan worden. De visie gaat dan ook uit van een groene centrale ruimte, met daar omheen woningen gesitueerd. Er is gekozen om zo min mogelijk straten te maken en zoveel mogelijk ruimte. De groene randen van de buurt, de groene centrale ruimte maken dat nagenoeg alle woningen aan deze groene beelddragers zijn georiënteerd. Door de (her)inrichting van de Spoorzone ontstaat er een gebied dat ingericht wordt als groene openbare ruimte en daarmee een bijdrage levert aan een groene uitstraling van Thienbunder. In de Spoorzone kunnen tevens speelvoorzieningen worden ondergebracht. In het overig openbaar groen (centrale groene ruimte) van Thienbunder kunnen ook speelvoorzieningen worden ondergebracht, maar deze zullen kleinschalig van opzet zijn. De kwaliteiten van de huidige Monseigneur Canoystraat worden als structurerend element ingezet en versterkt. Deze laan vormt straks één element in het gehele TASs-gebied. De laan wordt een (langzaam verkeers)verbinding tussen Sittard Centrum, Thienbunder, Achtbunder, Sanderbout en verder. Deze verbinding zorgt voor levendigheid in de buurt.
Het stedenbouwkundig ontwerp gaat uit van ruimere woningen en kavels dan in de huidige situatie. De bebouwing rond de centrale ruimte bestaat uit verschillende types, rijwoningen met een kleinschalig karakter, twee-onder-één-kap-woningen en vrijstaande woningen. Op deze wijze ontstaat een afwisselend beeld langs de groene kern. De groene centrale ruimte is toegankelijk gemaakt voor voetgangers. Er worden parkpaden aangelegd. Bij de patiowoningen zijn deze parkpaden toegankelijk voor auto’s (auto te gast). De appartementengebouwen zijn ook toegankelijk via de parkpaden. Voor het gebouw met koopappartementen geldt dat een gebouwde en halfverdiepte voorziening is opgenomen. Voor het gebouw met huurappartementen geldt dat parkeerplaatsen nabij het gebouw op eigen terrein zijn ondergebracht, waarbij het zicht op de voertuigen vanuit de omgeving zoveel mogelijk wordt onttrokken.
Figuur 3.1 Van visie tot ontwerp
De bebouwingsstructuur is afwisselend en kent daarbij uiteenlopende woningtypologieën. Langs de randen van het plan zijn de grondgebonden woningen gesitueerd, variërend van vrijstaande woningen tot korte rijtjes van woningen (van maximaal 4 tot 5 woningen). Een begeleidende bebouwingswand is langs de Monseigneur Canoystraat voorzien. Langs de zuidzijde en oostzijde van de centrale groene ruimte is een wat lossere bebouwingskorrel als overgang naar de bestaande bebouwing de ambitie. In de centrale groene ruimte zijn bebouwingsobjecten in vorm van appartementen en patiowoningen opgenomen.Voor het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld dat is opgenomen in bijlage
Het beoogd programma bestaat uit maximaal 124 woningen verdeeld over diverse woningtypen:
Huur- en koopwoningen zijn verspreid in het plan gelegen. Een weloverwogen, maatschappelijk in evenwicht opgebouwd Thienbunder is daarbij het doel. Van de 124 woningen zijn circa 54 stuks een huurwoning (waarvan 8 patiowoningen en 16 appartementen). Aan de oostzijde van Thienbunder is de uitgifte van vrije kavels voorzien. De kopers van deze kavels kunnen hier binnen de kaders van dit plan een vrijstaande woning realiseren. Aan de zuidzijde van Thienbunder is het tevens mogelijk om in de vorm van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) een vrijstaande en/of twee-onder-één-kap-woning woning te realiseren. Ingeval van een CPO organiseert een groep van toekomstige bewoners zich als opdrachtgever. Vanuit de CPO worden de architect en aannemer gecontracteerd en zal tevens de uitvoering/realisatie van de woningen worden georganiseerd.
Rooilijnen en oriëntatie
De rooilijnen aan de Monseigneur Canoystraat, aan de westelijke straat aan de groene centrale ruimte, hebben een rooilijn die parallel aan de straat is gepositioneerd (3 en 5 meter voortuin). De woningen aan de zuidzijde en oostzijde van de centrale groene ruimte hebben een afwijkende rooilijn. De kavelrichting is hier gekoppeld aan de naastliggende bestaande kavels. De rooilijn is gebaseerd op deze kavelrichting, waardoor een speels beeld aan de straatzijde in Thienbunder ontstaat. De appartementengebouwen staan evenals de patiowoningen als objecten los in het groene grasbed. Voor deze woningen geldt dat de dubbele oriëntatie (oftewel het bereiken van een alzijdige kwalitatieve uitstraling van het gebouw) in de architectonische uitwerking een cruciale rol speelt.
Figuur 3.2 Stedenbouwkundig plan
Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zijn er enkele wijzigingen. Hieronder wordt per deelgebied ingegaan op de wijzigingen.
Figuur 1.2 begrenzing plangebied Tuin van Gulik
Gebied 1:
De gevels van de woningen in dit gebied passen niet volledig in het vigerende bestemmingsplan. Het bouwvlak is derhalve aangepast aan het nieuwe bouwplan. Verder zijn de regels inzake de dakhellingen aangepast.
Gebied 2 en 6:
In deze gebieden zijn parkeerplaatsen gesitueerd. In gebied 2 was dit in het vigerende bestemmingsplan niet het geval. Het betreft hier een uitbreiding in verband met het laten vervallen van de ondergrondse parkeerruimte. In gebied 6 is het gebied van de aanduiding aangepast aan het nieuwe ontwerp. De extra parkeerplaatsen betekent een extra verharding in het plangebied. Om deze reden is opnieuw gekeken naar de waterhuishouding in het gebied.
Gebied 3:
Het geplande appartementencomplex is enkele meters verschoven zodat het niet meer in het vigerende bouwvlak past. Het bouwvlak is hierop aangepast.
Gebied 4:
In dit gebieden is de dakhelling aangepast.
Gebied 5:
In dit gebied is een CPO ontwikkeling voorzien. Hier is het aantal woningen gesteld op 15 (voorheen 14), het betreft hier een omissie in aantallen uit het vorige bestemmingsplan.
Het plan kent een groene centrale ruimte, welke in verbinding staat met de speeltuin. Bestaande bomen hebben invloed gehad op de positionering van kavels en bebouwing. Er worden zoveel mogelijk bestaande bomen opgenomen in het plan, zodat de buurt direct een groen karakter krijgt. De Monseigneur Canoystraat wordt begeleid door laanbomen, voor een deel zijn dit bestaande bomen. Langs het spoor worden in het groen nieuwe speelvoorzieningen opgenomen in de vorm van verblijfs- en activiteitenplekken voor jongeren. Er wordt nagedacht over geluidswerende voorzieningen als gevolg van railverkeerslawaai, een van de mogelijke maatregelen betreft een geluidswerende voorziening in de groene zone langs het spoor.
Kleinschalige spel- en speelvoorzieningen voor jonge kinderen vinden een plaats in de centrale groene ruimte.
Figuur 3.3 Groenstructuur
Het concept voor de buitenruimte is eenvoudig van opzet en refereert aan de directe omgeving. Een no-nonsense, duidelijke buitenruimte gecombineerd met robuuste materialen waarborgt een duurzaam gebruik van de openbare ruimte. Er wordt geparkeerd op de rijloper. Elke straat heeft een berm waar bomen en verlichting in zijn opgenomen. Op deze wijze hebben alle straten een herkenbaar profiel, enkel de profielbreedte geeft aan wat de functie van de straat is. De Mgr. Canoystraat gaat over in een langzaamverkeersverbinding op de Geuweg. De straat wordt hier voor de auto ‘geknipt’, terwijl de laan visueel doorloopt, ook in de materialisering. De paden door de groene ruimtes zijn duidelijk herkenbaar.
Overgang openbaar - privé
De overgangen tussen het openbaar gebied en de kavels is in de meeste gevallen ingeplant met een lage haag. Dit draagt bij aan het beoogde groene straatbeeld. Op een aantal plaatsen wordt gebruikt gemaakt van hekwerken.
Op de ‘koppen’ van de bouwblokken –daar waar een zijtuin grenst aan het openbaar gebied- wordt een overgang gerealiseerd die bestaat uit een lage muur in combinatie met een open hekwerk. De vormgeving van deze overgang maakt onderdeel uit van de architectonische uitwerking. Doel is een verzorgd, samenhangend en eenduidig eindbeeld.
Figuur 3.4 Groen op overgangen openbaar-privaat
Ontsluiting autoverkeer
Visueel loopt de Monseigneur Canoystraat van de Monseigneur Vranckenstraat tot aan de Geuweg (bij de spoorwegovergang naar Achtbunder en Sanderbout). Zo ontstaat een aaneengesloten laan tussen het centrum van Sittard, Thienbunder, Achtbunder, Sanderbout en verder. Functioneel is het echter niet wenselijk dat deze verbinding door het autoverkeer wordt gebruikt. Dit zou sluipverkeer tussen centrum en de wijk sanderbout bevorderen hetgeen niet wenselijk is. In de huidige situatie wordt dit al belemmerd. Daarom is de verbinding functioneel ‘geknipt’ tussen Thienbunder en de Geuweg. Doorgaand verkeer wordt hierdoor geweerd. Deze knip is echter wel toegankelijk voor hulpdiensten. Naast de woonstraten zijn er bij de patiowoningen verbrede paden voorzien die toegankelijk zijn voor de auto (auto is ‘te gast’).
Ontsluiting langzaam verkeer
In tegenstelling tot het autoverkeer kan het langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) gebruik maken van de route tussen het centrum van Sittard, Thienbunder, Achtbunder, Sanderbout en verder. De eerder beschreven knip is niet van toepassing voor (brom)fietsers. De doorgaande fietsroute vanuit het centrum / station in de richting van Sanderbout en Fortuna versterkt de levendigheid in de buurt. Voor alle fietsroutes geldt dat deze zoveel mogelijk als meefietsen op de rijweg zijn uitgevoerd. De verbinding tussen de Monseigneur Canoystraat en de Monseigneur Buckxstraat verbinding tussen Sanderbout, Achtbunder en het centrum / station) is als fiets- en wandelpad uitgevoerd.
Parkeren
Parkeren wordt zoveel mogelijk op eigen terrein opgelost. Er is ruim voldoende parkeergelegenheid in het plan opgenomen. Bij de parkeerbalans is in ieder geval bepaald dat bij woningen met parkeren op eigen terrein minimaal wordt uitgegaan van 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte. Met andere woorden: Indien een woning volgens de telwijze 1,5 parkeerplaats heeft dient deze daarnaast nog 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte te hebben. Bij elkaar maakt dit voor deze woningen 1,8 parkeerplaats en daarmee wordt voldaan aan de norm van 1,7 parkeerplaats.
In het plan zijn 124 woningen gepland, waarvan 32 appartementen. het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor de woningen, niet zijnde appartementen bedraagt: 71.4. Voor de appartementen bedraagt dit 22.4.
Berekening parkeerbalans
| soort woning | aantal | norm | aantal pp OR | |
| lange oprit en garage | 37 | 37*0.3 | 11.1 | |
| korte oprit en garage | 18 | 18*0.3 | 5.4 | |
| lange oprit | 8 | 8*0.7 | 5.6 | |
| geen oprit | 29 | 29*1.7 | 49.3 | |
| appartement | 32 | 32*0.7 | 22.4 | |
| Totaal | 93.8 | |||
In de openbare ruimte zijn 100 parkeerplekken voorzien (vrij parkeren op straat, geen markeringen), terwijl er volgens de normen slechts 93.8 parkeerplekken benodigd zijn. Er is in Tuin van Gulik derhalve sprake van een positieve parkeerbalans als resultaat (+6 parkeerplekken).
Figuur 3.5 Verkeerssysteem en parkeren
In het kader van de ontwikkeling van het bestemmingsplan Tuin van Gulik zijn geen nieuwe onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan Thienbunder geven het benodigde inzicht op het gebied van de milieuaspecten en het woon en leefklimaat in het plangebied. Omdat de wijzigen in het plangebied minimaal zijn en de bestemmingen niet wijzigen is nieuw onderzoek niet nodig. Alleen op het gebied van water is opnieuw gekeken in verband met gewijzigde verharde oppervlakten.
Hieronder zijn de onderzoeksresultaten van de onderzoeken in het kader van het plan Thienbunder weergegeven.
Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van woningen
In het kader van de planvorming is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 ter plekke van de voormalige woningen en het openbaar groen. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn weergegeven in de rapportage die is opgenomen in bijlage 2. De huidige wegen binnen het plangebied zijn niet meegenomen in het verkennend bodemonderzoek, maar zijn apart onderzocht, omdat deze mogelijk zijn verontreinigd in verband met de mogelijke toepassing van metaalhoudende slakken in het funderingsmateriaal en de gedateerde riolering (verdachte deellocatie).
Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “onverdachte locatie”, strikt genomen niet juist is. De lichte verhoogde gehalten in de boven- en ondergrond vormen geen directe belemmering voor het huidige gebruik en toekomstige ontwikkelingen op de onderzoekslocatie.
Op basis van onderhavig onderzoek zijn er, behoudens enkele plaatsen waar sporen puin zijn aangetroffen, geen hergebruikbeperkingen binnen de zone voor wonen. Op deze plaatsen waar puin is gevonden is een verkennend asbestonderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden van grond die vrijkomt ter plaatse van de hierboven benoemde plaatsen worden in overleg met de gemeente bepaald.
Verkennend asbestonderzoek ter plaatse van woningen
Het verkennend asbestonderzoek (zie bijlage 3) heeft bestaan uit een maaiveldinspectie en het met een kraan graven van 58 asbestgaten.
Tijdens de uitvoering van het veldonderzoek is op het maaiveld ter plaatse van vijf locaties asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. In de grond is op één plaats asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen.
Geadviseerd wordt om een nader asbestonderzoek uit te voeren met als doel het bepalen van de concentratie asbest in de grond. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek dient beoordeeld te worden welke vervolgstappen eventueel benodigd zijn.
Nader asbestonderzoek ter plaatse van woningen
In het nader asbestonderzoek (zie bijlage 4) is de concentratie asbest in de bodem bepaald ter plaatse van de voormalige woningen, conform de NEN 5707. Het onderzoek bestond uit veldonderzoek en laboratoriumonderzoek.
Op het maaiveld van de gehele onderzoekslocatie en in de grondlaag van de vier ruimtelijke eenheden is het gehalte aan asbest onderzocht. Het gehalte aan asbest bevindt zich beneden de interventiewaarde en restconcentratienorm. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de voormalige woningen geen bodemverontreiniging is met asbest.
Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van wegen
Het verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de huidige wegen (zie bijlage 5) zijn gebaseerd op de NEN 5740 en de NEN 5707. Samengevat betreffen de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek:
Conclusies
Vanuit het aspect bodem bestaan ter plaatse van de voormalige woningen geen beperkingen voor het toekomstig gebruik van het plangebied als wonen met tuin. Ter plaatse van de voormalige wegen dient de bodem op twee plaatsen geschikt te worden gemaakt voor de beoogde bestemming wonen met tuin. Deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd bij het bouwrijpmaken van het terrein en in afstemming met de gemeente Sittard-Geleen.
In 2011 is de watertoets doorlopen voor de vernieuwing van de wijk Thienbunder, waarbinnen de huidige en toekomstige waterhuishouding zijn uitgewerkt en zijn vastgelegd in de waterparagraaf (Grontmij, 7 oktober 2011), zie bijlage 6. Op 17 januari 2012 heeft Waterschap Roer en Overmaas een positief wateradvies afgegeven. In 2012 is de waterparagraaf uitgewerkt in de notitie 'Hydraulische toetsing RWA en DWA afvoer wijk Thienbunder, te Sittard' (Grontmij, 6 juli 2012). Daarin is ingegaan op het openbare watersysteem, bestaande uit een infiltratietransport-riool (IT-riool) met lavakoffer, en de openbare afvalaterriolering. Zowel de waterparagraaf als de uitwerking zijn in afstemming met de gemeente Sittard-Geleen en het waterschap Roer en Overmaas opgesteld.
In deze paragraaf is aangegeven wat de invloed is van de planwijzigingen op de waterhuishouding, die in 2011 en 2012 is uitgewerkt.
Hemelwaterbehandeling en afvalwaterafvoer
De in de waterparagraaf d.d. 7 oktober 2011 en notitie 'Hydraulische toetsing RWA en DWA afvoer wijk Thienbunder, te Sittard' uitgewerkte hemelwaterbehandeling en afvalwaterafvoer blijven ongewijzigd. Dit betekent het volgende:
Gebied 1 en 4:
Het hemelwater dat tijdens de regenbui T=25 (=35 mm) op de verharding binnen de kavels (bestemming Wonen) valt, wordt binnen de kavels opgevangen, hergebruikt en (langzaam) geïnfiltreerd. Tijdens extreme neerslag (groter dan de regenbui T=25) mag overtollig water via het oppervlak overlopen en afstromen naar het openbaar gebied.
Binnen het openbaar gebied wordt het hemelwater dat op het openbare verhard oppervlak (wegen) aangesloten op het IT-riool met lavakoffer. Daar vindt de berging en infiltratie van het water plaats.
Gebied 2 en 3:
Binnen de bestemming Wonen (2 appartementencomplexen) is er geen ruimte voor waterberging. Deze bebouwing watert daarom direct af naar één tot twee bergingsvoorzieningen in het groen.
Voor de uitvoering van deze voorzieningen kan gedacht worden aan een wadi of (reinigbare) infiltratiekratten.
Het binnen de gebieden vrijkomende afvalwater wordt aangesloten op de vrijverval afvalwaterriolering, gelegen in de openbare weg.
Verhard oppervlak en waterberging
Gebied 1 en 4:
In deze gebieden neemt het verhard oppervlak, vanwege de wijzigingen, niet toe. Binnen de kavels blijft het verhardingspercentage 60% en binnen het openbaar gebied is rekening gehouden met verharde parkeerplaatsen. Omdat het verhard oppervlak niet toeneemt is geen extra berging nodig.
Gebied 2 en 3:
Ter hoogte van het noordelijke appartementencomplex (gebied 2) komt een parkeerplaats met een oppervlak van circa 249 m2. Het complex heeft een oppervlak van circa 540 m3. Van het zuidelijke appartementencomplex (gebied 3) neemt het oppervlak toe van circa 540 m2 naar circa 570 m2. Daarentegen neemt het oppervlak van de daar gesitueerde parkeerplaats af van circa 556 m2 tot circa 345 m2. In totaal neemt het verhard oppervlak met circa 70 m2 toe.
Afgaand op het verhard oppervlak komt de benodigde berging uit op:
Noordelijk appartementencomplex, incl. parkeerplaats (789 m2): circa 28 m3 tijdens de regenbui T=25 (35 mm) en circa 35,5 m3 tijdens de bui T=100 (45 mm).
Zuidelijke appartementencomplex, incl. parkeerplaats (915 m2): circa 32 m3 tijdens de regenbui T=25 (35 mm) en circa 41 m3 tijdens de bui T=100 (45 mm).
Uitwerking waterberging gebied 2 en 3:
Het benodigde bergingsoppervlak is afhankelijk van de toe te passen bergingsvoorziening. Wanneer wordt gekozen voor infiltratiekratten met een hoogte van 0,8 m komt het benodigde oppervlak voor de bui T=100 uit op 44 m2 voor gebied 2 en 51 m2 voor gebied 3.
Gezien het beschikbare oppervlak binnen de groenzones van ruim 1.000 m2 kan het oppervlak aan bergingsvoorzieningen binnen gebied 2 en 3 worden ingepast.
Bij de nadere uitwerking van de 2 gebieden wordt de ligging en maatvoering van de bergingsvoorzieningen in relatie tot de ruimtelijke en functionele inrichting van het gebied gedetailleerd uitgewerkt.
Ontwatering
Afgaand op de grondwaterstanden voldoen de gebieden, zoals in de waterparagraaf d.d. 7 oktober 2011 is bepaald, ruimschoots aan de ontwateringsnormen. Hiermee zijn geen ontwateringsmaatregelen noodzakelijk.
Wel dient rekening gehouden te worden met de matig tot (zeer) slecht waterdoorlatende leem-/lösslagen. Als gevolg van deze lagen kan het hemelwater niet snel wegzakken in de bodem met mogelijk “schijngrondwaterspiegels” tot gevolg. Hoe om te gaan met de schijngrondwaterspiegels wordt binnen de uitwerking van de gebieden nader belicht.
Omgevingsverordening Limburg
Volgens de Omgevingsverordening Limburg (ingangsdatum 1 januari 2011) liggen binnen en in de nabijheid van het plangebied geen beschermingsgebieden ten behoeve van water.
Bureauonderzoek
Grontmij Nederland B.V. heeft in mei 2011 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de nieuwbouwplannen in het plangebied (Geraeds, 2011). Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied.
Het plangebied was ten tijde van het onderzoek deels braakliggend en deels bebouwd. Een groot aantal huizen was reeds gesloopt.
Op de bodemkaart is het plangebied als niet gekarteerd weergegeven vanwege de ligging in bebouwd gebied. Uit extrapolatie van het omliggende gebied wordt verondersteld dat zich in het plangebied radebrikgronden bevinden. De bodemopbouw in het plangebied blijkt te zijn verstoord als gevolg van bouw en sloop activiteiten alsmede de aanleg van kabels, leidingen en riolering. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat zich in het plangebied geen bekende archeologische vindplaats bevindt. In de nabije omgeving van het plangebied zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd waarbij archeologische waarden van met name de Lineaire Bankeramiek zijn aangetroffen. Deze bestaan grotendeels uit kuilen en zijn aangetroffen in gebieden waar evenals in het plangebied gebouwen zijn gesloopt. Voor het plangebied is de volgende verwachtingswaarde opgesteld: een lage verwachting voor het aantreffen van jager-verzamelaar vindplaatsen, een hoge verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum (LBK vindplaatsen), een middelhoge voor vindplaatsen uit de Late Prehistorie en Romeinse tijd en een lage voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek werd aanbevolen het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven (IVO-P). Doel van het onderzoek is het opsporen en waarderen van archeologische waarden, alsmede de mate van verstoring van de bodemopbouw in kaart te brengen. Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kunnen al dan niet delen van het plangebied worden geselecteerd voor vervolgonderzoek.
Inventariserend veldonderzoek (IVO-P; proefsleuvenonderzoek)
Het proefsleuvenonderzoek is in mei 2012 uitgevoerd door bureau Archol. Voor de beschrijving van de werkzaamheden, de resultaten, de waardering en de uitwerking, wordt verwezen naar de betreffende rapportages (Pruijsen, 2012 en Porreij-Lyklema, in concept).
Op basis van de waardering van het proefsleuvenonderzoek is de vindplaats met crematiegraven uit de bronstijd/ijzertijd en kuil/paalsporen uit - vermoedelijk - het Neolithicum behoudenswaardig. Op basis van de aangetoonde verstoringen is een driehoekvormige zone gemarkeerd waarin het grafveld zich – althans binnen het plangebied – maximaal uit kan strekken (zie figuur 1; begrenzing vindplaats).
Behoud in situ van de vindplaats behoort niet meer tot de mogelijkheden, gezien de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden op korte termijn. Op grond van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseerde Archol om de bedreigde sporen van de vindplaats binnen het plangebied op te graven (behoud ex situ).
Tussentijdse bescherming in het voormalige bestemmingsplan Thien Bunder
Ter plaatse van de onderzochte en gewaardeerde vindplaats werd in het bestemmingsplan Thien Bunder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. In de regels werd een ondergrens van verstoring van 50 m2 en 0,3 m diepte opgenomen, conform het gemeentelijke beleid ten aanzien van vindplaatsen.
Voor het overige deel van het plangebied (buiten de vindplaats) kon gesteld worden dat de aangetroffen archeologische waarden niet behoudenswaardig zijn; hiervoor adviseerde Archol geen vervolgonderzoek. Aan dit deel van het gebied werd in het bestemmingsplan Thien Bunder dan ook geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie toegekend.
Archeologische begeleiding conform het protocol opgraven
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is door het bevoegd gezag (gemeente Sittard-Geleen) besloten om de aangegeven maximale begrenzing van het grafveld (zie figuur 1; begrenzing vindplaats) archeologisch te laten begeleiden conform het protocol opgraven. Deze begeleiding is door Archol BV in 2 fases (1e deel in 2012, 2e deel in 2013) uitgevoerd. De resultaten van deze archeologische begeleiding zijn gezamenlijk met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek gerapporteerd (Porreij-Lyklema, in concept).
Figuur 4.1 archeologisch onderzoeksgebied
In totaal werden in het gebied vijf graven aangetroffen, waarvan vier met crematieresten behorende aan een volwassen populatie (jong volwassenen en kinderen ontbraken). Een aantal graven bevatte bijgiften zoals een aardewerken kraal, wetsteen, kiezels en dierlijk bot. Een bijvangst van de onderzoeken was de vondst van een aantal bandkeramische kuilen die dateren in de oude fase van de Bandkeramiek. Zij behoren tot (de periferie van) een bandkeramische nederzetting.
Tijdens de archeologische begeleiding werd een groot deel van de vindplaats – voor zover gelegen binnen het plangebied - volledig opgegraven (845m² van de 2000 m² werd onderzocht). In deze opgegraven terreingedeelten worden géén archeologische resten meer verwacht. Op basis van extrapolatie van de opgravingsgevens kan bovendien worden gesteld dat een deel van het terrein (ten westen van de Thien Bunderstraat) verstoord is (mondelinge informatie dhr. I. van Wijk; Archol). Voor deze gebieden kan de dubbelbestemming Waarde-Archeologie komen te vervallen (figuur 1; grijze gebieden).
Enkele terreingedeelten waren tijdens de voorgaande gravende onderzoeken nog niet toegankelijk (zie figuur 1; niet onderzocht). Dit betekent dat op deze locaties nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Voor deze gebieden is de dubbelbestemming Waarde-archeologie gehandhaafd. Voor deze gebieden geldt – conform het gemeentelijk beleid ten aanzien van vindplaatsen – een archeologische onderzoeksplicht indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm -Mv én de omvang van het te verstoren gebied groter is dan 50 m².
Ter plaatse van de onderzochte en gewaardeerde vindplaats (de 'driehoek' aan de zuidoostzijde van het plangebied) is in voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. In de regels is een ondergrens van verstoring van 50 m2 en 0,3 m diepte opgenomen.
Figuur 4.2 begrenzing dubbelbestemming
Voor het overige deel van het plangebied (buiten de vindplaats) kan gesteld worden dat de aangetroffen archeologische waarden niet behoudenswaardig zijn; hiervoor adviseert Archol geen vervolgonderzoek.
De huidige inrichting van het plangebied bestaat uit grotendeels leegstaande huizenblokken met kale grond, waarop voorheen huizenblokken hebben gestaan. Op dit moment zijn nog een aantal huizenblokken ter plaatse aanwezig zijn. De overige voormalige bebouwing is inmiddels niet meer aanwezig, waardoor lege velden worden afgewisseld met bebouwing.
Voor het plangebied is een onderzoek gedaan naar de aanwezige natuurwaarden. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage 'Locatieonderzoek natuurwaarden, Natuur- en soortenbeleid Thienbunder, gemeente Sittard', dat is opgenomen in bijlage 9.
Het plangebied maakt geen deel uit van de EHS. Gelet op de afstand en tussengelegen bebouwing zijn tevens geen negatieve effecten te verwachten op nabijgelegen EHS gebieden door externe werking vanuit het plangebied. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van vervolgstappen.
Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden die beschermd zijn binnen de Provinciale Ontwikkelingszone Groen. Tevens zijn er geen negatieve effecten door externe werking vanuit het plangebied te verwachten op deze gebieden. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van vervolgstappen.
Op grond van de beschikbare verspreidingsgegevens, aangevuld met het veldbezoek 18 mei 2011 kan het volgende worden geconcludeerd ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van van bepaalde soorten flora en fauna in het plangebied:
Op basis van de conclusie wordt het volgende aanbevolen:
Indien de werkzaamheden in het kader van onderhavig plan zullen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, dan is het niet nodig om aanvullende maatregelen te nemen ten aanzien van broedvolgels.
De overige soorten die binnen het plangebied mogelijk aanwezig zijn, zijn geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
Aanvullend ecologisch onderzoek
Omdat het onderzoeksgebied mogelijk een leefgebied vormt voor de Huismus alsmede voor vleermuizen, is aanvullend onderzoek gedaan (zie bijlage 10). Er is hierbij in het bijzonder gekeken naar de verspreiding van de Huismus en eventueel andere vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen, evenals de aanwezigheid van functionele elementen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden) voor vleermuizen.
Op basis van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Op basis van de conclusies wordt het volgende geadviseerd:
Leefgebied huismussen
Op basis van het ‘Mitigatie- en compensatievoorstel leefgebied Huismus’, d.d. 21 september 2011 door Grontmij Nederland B.V. zijn in week 39 van 2011 18 nestkasten onder ecologische begeleiding op 6 verschillende locaties in de directe omgeving van de bestaande verblijfplaatsen geplaatst.
Met het aanbieden van de nestkasten binnen het bestaande leefgebied van de lokaal aanwezige huismuspopulatie in de wijk Thienbunder, zal er geen sprake zijn van negatieve effecten op de duurzame instandhouding van de aanwezige populatie. Derhalve zal er geen sprake zijn verbodsovertredingen van de Flora- en faunawet. Monitoring wordt ingezet om te bepalen of de geplaatste nestkasten ook daadwerkelijk worden gebruikt door de populatie in het aankomende broedseizoen. Indien uit de monitoring blijkt, dat de geplaatste nestkasten nog niet in gebruik zijn door de desbetreffende soort, dan worden in overleg met een ter zake deskundige op het gebied van huismussen gepaste aanpassingen getroffen.
Het gebied kent een geluidbelasting die voortkomt uit weg en spoor. Bij de nieuwbouwplannen zal hiermee rekening worden gehouden. Aan de zijde van Achtbunder/Sanderbout is enige jaren geleden een geluidscherm aan de spoorzijde geplaatst waarmee het geluidniveau binnen voor de woningen op vereist niveau gebracht hoort te zijn. Er is geen lopend saneringsprogramma voor geluidbelaste woningen van toepassing noch aan de orde.
In het kader van de voorbereiding van onderhavig plan is door Grontmij Nederland B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai en railverkeerlawaai. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage 'Bestemmingsplan Thienbunder te Sittard, Akoestisch onderzoek naar de effecten van weg- en railverkeerslawaai', dat is opgenomen in bijlage 11.
Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ten aanzien van wegverkeerslawaai ter plaatse van de gevels van geplande woningen niet wordt overschreden. Een nadere procedure met het oog op wegverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.
Ten gevolge van railverkeer over de trajecten 840 en 850 wordt de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van respectievelijk 21 en 18 geplande woningen overschreden. De kwaliteit van wonen staat voorop. Maatregelen worden in eerste instantie gezocht aan de spoorzijde, bijvoorbeeld middels een geluidswerende voorziening. Het restant van de geluidsbelasting wordt opgelost in de gevels van de woningen. Indien een geluidwal wordt aangelegd met een hoogte van 2,0 m langs het spoor is sprake van respectievelijk 21 en 14 overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde. De uiterste grenswaarde wordt niet overschreden.
Conclusie
Het wegverkeerlawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Ten aanzien van railverkeerslawaai wordt een hogere grenswaarde vastgesteld. Kwaliteit van wonen staat voorop; bezien wordt welke maatregelen worden genomen. Maatregelen worden gezocht in een geluidswerende voorziening of aanvullende maatregelen aan de gevels van de woningen. In de nadere technische uitwerking van het plan wordt deze keuze gemaakt.
Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' (wijziging Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2. luchtkwaliteitseisen). In deze wet zijn voor verschillende vervuilende stoffen normen opgenomen waaraan minimaal voldaan moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een vervuilde lucht kan immers leiden tot gezondheidsklachten bij mensen. Voor Nederland zijn voornamelijk overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide aan de orde en plaatselijk van benzeen (parkeergarages).
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin worden gebiedsgerichte programma's en rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren opgenomen. Projecten worden niet meer aan de normen getoetst maar aan het doel van het programma. Bouwprojecten in een gebied kunnen dan doorgaan als maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit op zijn minst gelijk te houden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Projecten die opgenomen zijn in het NSL mogen worden vervangen door plannen van gelijke of kleinere omvang.
Naast de 'Wet Luchtkwaliteit' is in 2007 het begrip niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) verduidelijkt (Besluit niet in betekenende mate bijdragen en Regeling niet in betekenende mate bijdragen). Door het in werking treden van het NSL op 1 augustus 2009 worden projecten die minder dan 3% bijdragen aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide geacht niet in betekenende mate bij te dragen. Voor dergelijke projecten is geen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk.
Voor pure woningbouw betekent dit dat bij een eenzijdige verkeersontsluiting niet meer dan 500 nieuwe woningen mogen worden gebouwd onder het NIBM regime en bij een tweezijdige ontsluiting 1000 woningen. Hiervan is in casu geen sprake.
Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.
Conclusie
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van Thienbunder.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRnvgs). Voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb).
Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 /jaar plaatsgebonden risicocontour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 / jaar plaatsgebonden risicocontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de f/N-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving kan komen te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Verantwoording van het GR
In het externe veiligheidsbeleid is voor bepaalde situaties een verplichting tot verantwoording van het GR opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het GR in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, de cRnvgs en het Bevb zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. Voor inrichtingen dient de verantwoording van het GR te voldoen aan artikel 12 of artikel 13 van het Bevi. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water dient de verantwoording van het GR te voldoen aan paragraaf 4.3 van de cRnvgs. Indien het GR verantwoord dient te worden voor buisleidingen, dan geldt dat deze verantwoording dient te voldoen aan de eisen die gesteld zijn in artikel 12 van het Bevb.
Het plangebied is gelegen in het potentiële invloedsgebied van diverse risicobronnen. In dit kader is door Grontmij een risico-inventarisatie uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid.
Voor de wettelijke aspecten alsmede de uitgangspunten, resultaten van berekeningen, de volledige informatie omtrent de personenaantallen en het bepaalde GR wordt kortheidshalve verwezen naar genoemde rapportage. In onderstaand overzicht zijn de conclusies van de risico-inventarisatie samengevat.
Risicovolle inrichtingen
De gemeente Sittard Geleen heeft aangegeven dat het plangebied binnen het invloedsgebied van Chemelot en het spoorwegemplacement ligt. Het plan is niet gelegen binnen een 10-6 /jaar plaatsgebonden risicocontour, met andere woorden het PR legt geen beperkingen op. De afstand tussen Chemelot en het plangebied bedraagt circa 2,9 kilometer en de afstand tussen het spoorwegemplacement en het plangebied bedraagt circa 500 meter.
Met betrekking tot het GR ligt het plangebied weliswaar binnen het invloedsgebied van de Chemelotsite maar op een dusdanige afstand dat dit geen significante bijdrage zal leveren aan het GR (zie ook Veiligheidsvisie externe veiligheid Chemelotsite / westelijke mijnstreek). Voor het emplacement geldt dat reeds bekend is dat het GR groter is dan de oriëntatiewaarde. Derhalve dient het GR verantwoord te worden.
Het Basisnet voorziet in een vervanging van de huidige ATB's (Automatisch Trein Beveiliger's) in een achttal ATBVVS's (Automatisch Trein Beveiliger Verbeterde Veiligheidssystemen). Hierdoor valt in de toekomst het GR ter hoogte van het station en het spoorwegemplacement lager uit dan nu bekend is.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Via de Risicokaart van Nederland zijn de ondergrondse buisleidingen opgevraagd die de externe veiligheid voor het plangebied mogelijk beïnvloeden. In totaal liggen vier hogedruk buisleidingen binnen de inventarisatieafstand, echter ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. Vanwege de ruime afstand tot het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden met de buisleidingen.
Transport van gevaarlijke stoffen over spoor
Binnen het inventarisatiegebied ligt het spoor tussen Heerlen en Sittard en het spoor tussen Maastricht en Eindhoven. Het plangebied ligt aan het spoor tussen Heerlen en Sittard en op een afstand van circa 90 meter van het spoor tussen Maastricht en Eindhoven. Hiervoor is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 13). Door de vermindering van het aantal personen in het nieuw te ontwikkelen plangebied neemt het GR, veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen Sittard en Heerlen af met iets minder dan 17%. Hierdoor komt het GR voor deze transportroute onder de 10% van de oriëntatiewaarde te liggen. Ondanks een vermindering van het aantal personen in het nieuw te ontwikkelen plangebied blijft het GR, veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen Sittard en Maastricht, hoog en wordt de oriëntatiewaarde met een factor 2,2 overschreden. Dit betekent dat voor het spoor het GR verantwoord dient te worden.
Transport van gevaarlijke stoffen over water
Binnen de inventarisatieafstand liggen geen vaarwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Transport vervoer gevaarlijke stoffen weg
Binnen de gemeente Sittard-Geleen geldt een routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen het plangebied zijn geen wegen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg aangewezen. Arcadis heeft in 2010 voor de provincie Limburg onderzoek uitgevoerd naar het vervoer van gevaarlijke stoffen over de provinciale wegen. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen wegen zijn met knelpunten. Gelet op de hoogte van het GR en het karakter van het bestemmingsplan waardoor er geen toename van het GR plaatsvindt, hoeft conform de cRnvgs het GR niet te worden betrokken bij het vaststellen van het bestemmingsplan.
Verantwoording van het GR
De planontwikkeling brengt een afname van de personendichtheid met zich mee. Ondanks de afname wordt de oriëntatiewaarde nog steeds overschreden en dient door de gemeente Sittard-Geleen in het kader van de verantwoordingsplicht een afweging te worden gemaakt. In de aanvullende rapportage (aanzet tot verantwoordingsplicht) dienen argumenten ten behoeve van deze afweging en verantwoording te worden opgenomen.
In de rapportage wordt ingegaan welke kansreducerende bronmaatregelen zullen worden genomen, die een gunstige invloed zullen hebben op het GR. Dit betreft onder andere maatregelen in het kader van het Basisnet Spoor. Ten aanzien van overdrachtsmaatregelen wordt opgemerkt dat deze, gelet op de afstand tot de bron en de toekomstige woonwijk, buiten de scope van onderhavig project vallen. Met betrekking tot mogelijke maatregelen bij de ontvanger (c.q. de woonwijk) is beschreven dat in dit kader vooroverleg dient plaats te vinden met de brandweer.
In het kader van de ongevalsscenario's plasbrand, BLEVE en toxisch kunnen de volgende organisatorische/stedenbouwkundige maatregelen worden getroffen:
Vanaf het terrein kan in meerdere richtingen gevlucht worden vanaf de bron (spoorweg). Extra vluchtwegen vanuit het gebied zijn niet nodig (Zie ook stedenbouwkundig plan). In het kader van de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen dient advies ingewonnen te worden bij de lokale brandweer.
De toekomstige bewoners in het plangebied zullen overwegend zelfredzaam zijn. Voor de volledige verantwoording van het GR wordt verwezen naar de betreffende rapportage.
Op basis van de gemaakte afwegingen acht de gemeente Sittard-Geleen de externe veiligheidssituatie voldoende verantwoord.
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald.
Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en eventueel specifieke regels voor het gebruik van de bouwwerken. De verbeelding (plankaart) heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding (plankaart) vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
In dit hoofdstuk wordt de systematiek, de opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.
Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient conform een vaste volgorde te worden aangehouden, te weten:
Hoofdstuk 1 Inleidende regels (paragraaf 5.2.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels (paragraaf 5.2.3)
Hoofdstuk 3 Algemene regels (paragraaf 5.2.4)
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels (paragraaf 5.2.5)
In dit artikel worden begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die om een nadere omschrijving vragen.
In artikel 2 wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden.
De regels in verband met de bestemmingen kennen allen een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.
De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend regels die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te verlenen van een specifieke regel.
Deze gronden zijn onder andere bestemd voor een park, plantsoenen, groenstroken, overige aanplanten. Tevens zijn (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling toegestaan. Kleine speelvoorzieningen passen binnen de gehele bestemming, grotere speelvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding ‘speelvoorziening'. De in het groen gelegen ontsluitingswegen of zoekgebieden daarvoor, zijn voorzien van de aanduiding 'ontsluiting'. Parkeren is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'. Ten behoeve van de aanleg van wadi's is in de groene centrale ruimte de aanduiding 'waterberging' opgenomen. Als zoekgebied voor wandel- en fietspad is een 'specifieke vorm van verkeer-langzaamverkeerroute' opgenomen in het plan. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd; bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn wel toegestaan. Binnen de bestemming kunnen ook bij de woningen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda’s en afdaken worden gebouwd mits wordt voldaan aan de regels. Balkons bij de appartementengebouwen zijn onder voorwaarden toegestaan binnen deze bestemming.
De gronden binnen deze bestemming betreffen de voortuinen behorende bij de woningen met de bestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Binnen de bestemming kunnen ook bij de woningen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda’s en afdaken worden gebouwd mits wordt voldaan aan de regels.
Deze gronden zijn onder andere bestemd voor wegen en voet- en fietspaden ten behoeve van doorgaand en overig verkeer. De plaatsen die niet bestemd zijn voor autoverkeer zijn aangegeven met de aanduiding specifieke vorm van verkeer-langzaamverkeerroute'. Bouwen binnen deze bestemming is beperkt mogelijk.
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor wonen. Voor de bebouwing geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken mogen worden gebouwd en tot aan het maximaal aangegeven woningaantal, waarbij de voorgevel in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd. Het toegestane woningtype is middels een bouwaanduiding aangegeven op de verbeelding. Voor enkele woningen is een kap voorgeschreven. Bij een omgevingsvergunning is onder voorwaarden een aan huis gebonden beroep of bedrijf of mantelzorg mogelijk.
Artikel 7 Waarde - Archeologie
Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. In de bestemming zijn bouwregels opgenomen, waarbij gebouwen van maximaal 500 m² zijn toegestaan. Voor gebouwen groter dan 500 m² en voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Waarde - Archeologie verwijderen indien middels archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat geen archeologische waarden beschermd dienen te worden.
In hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels.
De anti-dubbeltelregel, overeenkomstig artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening, is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
In dit artikel wordt, bij de toepassing van regels van het bestemmingsplan, de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten. Verder wordt in dit artikel een opsomming gegeven van onderwerpen, waarop de bouwverordening wel van toepassing is.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In dit artikel is een aantal aanvullende gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Verder zijn afwijkingsregels opgenomen om vrijstaande bijgebouwen te kunnen gebruiken als afhankelijke woonruimte.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is aan het college de bevoegdheid gegeven om gebruik te maken van een bestemmingswijziging. Hierbij gaat het om een wijzigingsbevoegdheid die geldt voor alle bestemmingen in het plan.
Bij de overige regels is de voorrangsregeling bij meedere bestemmingen opgenomen.
In deze regel is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Als laatste is de slotregel opgenomen. Dit omschrijft de titel van het plan.
In dit hoofdstuk wordt de (economische) uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd.
Bij onderhavig bestemmingsplan is dit laatste van toepassing en is een exploitatieplan daarom niet nodig. De kosten van de grondexploitatie zijn verzekerd door middel van gesloten overeenkomst met ZO Wonen en de Provincie Limburg.
Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten te kunnen borgen.
Daarnaast is handhaving van belang uit het oogpunt van rechtszekerheid. Alle gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze aan het plan te worden gehouden. Met deze oogmerken is in het plan gestreefd naar een eenvoud van in het bijzonder de planregels. Door de toegankelijkheid en de leesbaarheid daarvan worden de mogelijkheden om toe te zien op de naleving vergroot.
Sinds 1 april 2011 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r. aandacht moet worden besteed aan de vraag of er al dan niet een m.e.r.(beoordeling) nodig is.
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De voorgenomen activiteiten in het plan Thienbunder liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is: de oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 5,4 ha, het totale aantal geplande woningen bedraagt maximaal 124 en de bedrijfsvloeroppervlakte is 0 m2. Gelet hierop, kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
De resultaten van deze uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn weergegeven in bijlage 1 van dit bestemmingsplan.
pm
Het ontwerp bestemmingsplan Tuin van Gulik heeft van .... tot en met ..... ter inzage gelegen. Het plan is gepubliceerd op de website http://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Tijdens de periode van tervisielegging zijn ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan Tuin van Gulik pm zienswijzen ingediend, het betreft alle schriftelijke en ontvankelijke zienswijzen.
pm
Na vaststelling van het bestemmingsplan Tuin van Gulik kan binnen 6 weken na bekendmaking beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er staat echter geen beroep open als geen zienswijze is ingediend, tenzij het beroep zich richt tegen wijziging bij vaststelling van het bestemmingsplan Thienbunder.