direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Boslaan ongenummerd Naaldwijk
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 11 januari 2016 is door Teunissen en Berendse Vastgoed Projecten een aanvraag omgevingsvergunning (W-AV-2016-0030) ingediend voor het oprichten van een bedrijfsverzamelgebouw met opslag units gelegen op de locatie Boslaan ongenummerd te Naaldwijk. Het perceel is gelegen op de woonboulevard van Naaldwijk ter hoogte van de Hovenierstraat en de Warmoezenierstraat.

Vanwege het feit dat de bestemming van de percelen nog 'Agrarisch' is en er een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Hoge Woerd' wordt er een wijzigingsplan opgesteld om de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'.

1.2 Ligging plangebied

Het ten noorden van het centrum van de kern Naaldwijk gelegen plangebied is gelegen op het bedrijventerrein De Hoge Woerd op de woonboulevard van Naaldwijk aan de Hovenierstraat en de Warmoezenierstraat. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Naaldwijk sectie D, nummer(s) 9047, 10347 en 10611.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0001.jpg"

Kadastrale situatie plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht:

  • bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Hoge Woerd' vastgesteld 31 mei 2011 (IMRO Code NL.IMRO.1783.ABP00000014-vast).
1.3.1 Toets bestemmingsplan

Volgens voornoemd bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied ingevolge artikel 3 de bestemming "Agrarisch' en 'Wro zone wijzigingsgebied - 2' en ingevolge artikel 13 de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' .

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0002.jpg"

Uitsnede planverbeelding

Artikel 3 Agrarisch

De voor 'Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten.

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bestemming 'Agrarisch'. Binnen de bestemming is ingevolge artikel 3.3.2. wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Van deze wijzigingsbevoegdheid wordt gebruik gemaakt.

3.3.2. wro zone wijzigingsgebied - 2

Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied - 2' en de daar geldende bestemmingen wijzigen naar de bestemming 'Bedrijventerrein' ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein met bijbehorend groen en water, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 10 m;
  • b. voor het gebied wordt een milieuzonering vastgesteld overeenkomstig de toegepaste milieuzonering voor overige bedrijven in het plangebied, waarbij als hoogst toelaatbare bedrijfscategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' geldt;
  • c. detailhandel in auto's, boten en caravans is toegestaan;
  • d. de situering van het bouwvlak is ten minste 5 m van de wijzigingsbevoegdheidsgrens gelegen;
  • e. parkeren vindt plaats op eigen terrein en voldoet aan de eisen als gesteld in het Westlands Verkeers- en Vervoerplan;
  • f. de waterbergingsnorm bedraagt 325 m³ per hectare;
  • g. een advies van de Hulpverleningsregio Haaglanden dient te worden opgevraagd in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • h. de ontwikkeling dient te voldoen aan de overige randvoorwaarden als opgenomen in Bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan.

Artikel 13 Waarde - Archeologie

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

 

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040

Na een periode van ongekende groei heeft de economische conjunctuur een ongewild moment van bezinning gebracht. Ambities en de realiteit van alledag sluiten niet meer op elkaar aan. Met dit besef stelt de gemeente haar structuurvisie op, in de wetenschap dat de rol van de overheid de komende jaren zal veranderen. De visie geeft een ruimtelijk toekomstperspectief, ons streven voor de langere termijn, zonder daarbij de realiteit uit het oog te verliezen. In het perspectief 2040, dat in dialoog met de samenleving tot stand is gekomen, staan de ambities voor de toekomst van Westland. Hierin staan ook de kernwaarden die we als meetlat gebruiken bij toekomstige afwegingen of ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt of niet. We zetten zo eerst de stip op de horizon om aan te geven waar we naartoe willen. Op basis daarvan gaan we aan de slag met ruimtelijke ontwikkelingen die ons dichter bij het geschetste perspectief brengen. Met deze visie op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) faciliteert Westland de gewenste ontwikkelingen en stelt het tegelijkertijd het ruimtelijk kader tot 2025, met het besef dat de uitwerking aan vele partijen is. Westland wil ontwikkelingen mogelijk maken en niet opleggen onder het adagium ‘alleen ga je sneller, samen kom je verder'. Deze visie gaat uit van participatie planologie, wat betekent dat de gemeente nadrukkelijk andere partijen uitnodigt en haar partners zoekt bij het verwezenlijken van een gedeelde ambitie. De visie is het beleidsbepalend document voor ruimtelijke ontwikkeling in Westland, waarmee duidelijkheid wordt verschaft aan ontwikkelende partijen en over de functionele invulling van gebieden. De structuurvisie biedt een juridische basis voor bovenplanse verevening en vormt de basis voor bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen in anterieure overeenkomsten met marktpartijen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0003.jpg"

In de Structuurvisie zijn de gronden aangewezen als bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0004.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0005.jpg"

Weergave Structuurvisie

Bedrijventerreinenvisie 2013-2020 (25 april 2013, actualisatie beleid)

Met de actualisatie wordt het beleid uit de visie van 2008 vervangen. Twee sterke keuzes die zich bewezen hebben in de visie uit 2008 worden herhaald; de segmentering en de strategie voor milieuhinderlijke bedrijvigheid.

De eerste betreft de gebruiksfunctie van bedrijventerreinen en de mogelijkheden voor functiemenging. De tweede is de behoefteraming voor bedrijventerreinen tot 2030. De derde hoofdlijn gaat over uitdagingen voor de toekomst zoals glasvezel, parkmanagement en duurzaamheid.

In deze visie wordt bedrijventerrein De Hoge Woerd benoemd als een gemengd bedrijventerrein met een parkmanagement en een bedrijfsinvesteringszone (BIZ) waarbij de inrichting is gericht op winkelend publiek. Aandachtspunt bij verdere ontwikkeling is het in voldoende mate aanbrengen van parkeergelegenheid.

Nota publieksfuncties op bedrijventerreinen (2011)

Als nadere uitwerking van de Bedrijventerreinenvisie Westland hebben burgemeester en wethouders de Nota publieksfuncties op bedrijventerreinen vastgesteld om maatwerk te kunnen bieden voor publieksfuncties op lokale bedrijventerreinen. In deze nota is aangegeven wat wel en niet is toegestaan op lokale bedrijventerreinen. Wonen, detailhandel, horeca, leisure en care-functies zijn uitgesloten in bestemmingsplannen die betrekking hebben op bedrijventerreinen. Bij leisure kan worden gedacht aan fitness, kookstudio's en hobbyfuncties. Care-functies zijn onder andere kinderopvang, ouderenzorg, gehandicaptenopvang en huisartsen- en fysiotherapie-collectieven.

In hoofdzaak zijn op bedrijventerreinen bedrijfsmatige en industriële functies toegestaan. Genoemd worden het vervaardigen, bewerken, installeren en inzamelen van goederen. Ook verhandelen van goederen wordt genoemd, waarbij detailhandel (verkoop aan een eindconsument) is uitgesloten.

De verkoop van de zogenoemde ABC-goederen (Auto's, Boten en Caravans) is alleen toegestaan met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Elk bedrijf kan ruimte nodig hebben voor een administratie- en verkoopafdeling, waarbij de oppervlakte maximaal 3.000 m² bedraagt.

Zelfstandige kantoren kunnen in bestemmingsplannen door middel van een afwijkingsprocedure mogelijk worden gemaakt tot 500 m² per gebouw. Hierbij kan worden gedacht aan accountants en architecten. De kantoren mogen echter geen baliefunctie hebben (zoals makelaars en uitzend- of reisbureaus) en moeten ingepast (kunnen) worden op het bedrijventerrein. Inpassing is mogelijk bij de entree, of op de eerste verdieping van bestaande panden. Daarnaast moet voldaan worden aan de parkeernorm, die voor kantoren hoger is dan voor bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0006.jpg"

Plangebied binnen rode cirkel op de kaart bedrijventerreinen Westland. De oranjekleur geeft aan dat het een lokaal georiënteerd bedrijventerrein betreft.

Duurzaamheidsagenda 2012-2020

In de Duurzaamheidsagenda 2012-2020 is het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Westland op verschillende thema's opgenomen. Ten aanzien van woningbouw is het speerpunt Duurzame woningen opgenomen. Hiermee wordt bedoeld het verduurzamen van zowel de nieuwbouw- als bestaande woningen. Het gemeentelijk beleid koerst hierbij op de mogelijkheden voor duurzame energie in of bij de wijk. Verder sluit de gemeente aan bij het landelijk beleid op duurzaam bouwen en controleert zij aan de hand van de EPC de mate van energiezuinigheid van nieuwbouw door middel van het uitvoeren van EPC-checks ter toetsing.

Verkeer- en vervoerbeleid

In de structuurvisie Westland uit 2014 is in hoofdlijnen het verbeteren van de bereikbaarheid van Westland opgenomen. Het verbeteren van de bereikbaarheid ondersteunt de ambities om een duurzame Greenport gemeente zijn, waar het goed wonen, werken en recreëren is. Speerpunten voor de bereikbaarheid zijn:

  • Aansluiting op het rijkswegennet verbeteren;
  • Realiseren vlinderstructuur Westland;
  • Mobiliteitsmanagement;
  • Hoogwaardig openbaar vervoer ontwikkelen;
  • Langzaam verkeer stimuleren;
  • Ontsluiting kernen en glastuinbouwgebieden verbeteren.


De kaders voor onder andere duurzaam veilige inrichting van de wegen en de parkeernormen zijn opgenomen in het Westlands Verkeer en Vervoerplan, vastgesteld door de raad van de gemeente op 28 november 2006.

Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

Beleid en beleidsregels voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in Westland

In deze Nota wordt aangegeven dat het wenselijk is een goede ruimtelijke spreiding van de verkooppunten van consumentenvuurwerk te bewerkstelligen. Doel bij een ruimtelijke benadering is het bereiken van een gelijkmatige spreiding van (kleine) bedrijven voor verkoop en opslag van consumentenvuurwerk over Westland, om op deze wijze straathandel en vuurwerktoerisme zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet er binnen elk verzorgingsgebied sprake zijn van voldoende (vuurwerk)aanbod om de lokale markt te voorzien en zodoende illegale handel in principe overbodig te maken en te voorkomen.

Het uitgangspunt voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk van de gemeente Westland is:

Ruimte bieden aan ondernemers voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk met inachtneming van veiligheid en milieuregelgeving onder voorwaarde van een goede ruimtelijke spreiding.

Met daarbij de volgende randvoorwaarden:

  • in de gemeente Westland wordt alleen consumentenvuurwerk opgeslagen. Opslag en verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan;
  • iedere vestiging van opslag en verkoop van consumentenvuurwerk zal worden getoetst aan voldoende ruimtelijke spreiding in de gemeente Westland;
  • in de gemeente Westland worden maximaal 18 vestigingen voor opslag- en verkooppunten van consumentenvuurwerk toegestaan;
  • opslag tot en met 1.000 kg is beperkt toegestaan in de dorpskernen;
  • nieuwe vestiging in dorpskernen is niet toegestaan;
  • de vestiging van bedrijven met een opslag tot en met 10.000 kg heeft de voorkeur in gebieden waar een bedrijfsbestemming geldt of in tuincentra;
  • opslag boven de 10.000 kg consumentenvuurwerk is uitgesloten;
  • bestaande bedrijven in strijd met deze uitgangspunten mogen de activiteiten voortzetten.

In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet is toegestaan.

2.1.2 Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc..

Met de verdere versterking van de kennisintensiteit van de economie van Haaglanden levert de regio een stevige bijdrage aan de realisatie van de in Europa afgesproken Lissabon-doelstelling, dat streeft naar de versterking van de innovatiekracht van de Europese economie.

Het plangebied wordt aangewezen als een gebied voor betere benutting van bestaande bedrijventerreinen. Herstructurering en beter gebruik van bestaande bedrijventerreinen heeft een hoge prioriteit. Het streven is erop gericht om na 2020 de vraag naar ruimte voor werken op de bestaande terreinen en in het bestaand stedelijk gebied op te kunnen vangen. Daar is een innovatief gebruik van de ruimte voor nodig. Herstructurering en intensiever gebruik van verouderde terreinen, dubbel grondgebruik, functiemenging en het ontwikkelen van milieumaatregelen die hinder van bedrijven verminderen, zijn hierbij belangrijke aangrijpingspunten. Bedrijven en kantorenlocaties moeten niet zonder meer worden getransformeerd naar woongebieden, maar moeten waar mogelijk worden behouden en gemoderniseerd.

2.1.3 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit provincie Zuid-Holland (1 augustus 2014)

Algemeen

De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld maar een perspectief voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Zuid Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt en bevat voldoende flexibiliteit om in ruimtelijke ontwikkelingen te reageren op maatschappelijke initiatieven.

In de visie zijn vier rode draden aangegeven welke richting geven aan de gewenste ontwikkelingen vanuit de provincie namelijk:

  • 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. Vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Ruimtelijke hoofdstructuur

Het beleidsbeeld van de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur combineert de huidige ruimtelijke situatie, de vier rode draden en de strategische doelstellingen. Het beeld toont de essentie en de samenhang van de verschillende kaartbeelden uit de Visie ruimte en mobiliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0007.jpg"

Kaart ruimtelijke hoofdstructuur

Programma ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma mobiliteit en de Verordening ruimte opgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. Beiden worden vastgesteld door Provinciale Staten. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid.

Zuid-Holland heeft een rijke voedingsbodem voor een groot aantal krachtige economische clusters en topsectoren. Een belangrijke sleutel voor een sterke en veerkrachtige economie is het innoverend vermogen van mensen en bedrijven. Wanneer talent, bedrijven en banen dicht bij elkaar verkeren, ontstaan (agglomeratie)voordelen. De Zuidelijke Randstad en de grote economische complexen in Zuid-Holland vormen in potentie één grote agglomeratie, die enorme schaal- en clustervoordelen met zich mee kan brengen. De Mainport en de Greenports zijn schoolvoorbeelden van goed werkende clusters. De provincie streeft naar het creëren en benutten van die schaal- en clustervoordelen.

 

2.1.4 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0008.jpg" 

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

2.1.5 Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden. Aandachtspunten bij de realisatie zijn het aanbrengen van de voldoende parkeerplaatsen en een hoge beeldkwaliteit van de te realiseren bedrijfsgebouwen teneinde een kwalitatief goede uitstraling te krijgen.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1 Inventarisatie van functies

Het terrein ligt momenteel braak en wordt deels door de buurman gebruikt voor het parkeren van enkele auto's.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0009.jpg"

2.2.2 Inventarisatie van waarden

Het plangebied is gelegen op geulafzettingen van de Gantel, die in de eeuwen voor het begin van de jaartelling de voornaamste inbraakgeul van het geulensysteem in het Westland vormde (afbeelding). Deze geulafzettingen, die bestaan uit een afwisseling van klei- en zandlaagjes, worden bedekt door dekafzettingen, die op grond van archeologische vondsten en gegevens zijn gedateerd in de Late Middeleeuwen. Vanaf de 12e eeuw werden dijken aangelegd en kwam de mariene invloed ten einde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0010.jpg"

Het plangebied op de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk.

Uit de kaart van Kruikius blijkt dat het plangebied in het begin van de 18e eeuw deel uitmaakte van de tuinen van het paleiscomplex van Huis Honselaarsdijk, dat in de 17e eeuw als jachtslot van Prins Frederik Hendrik fungeerde (afbeelding). Aan het begin van de 19e eeuw werd het grootste gedeelte van het paleis gesloopt

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0011.jpg"

Het plangebied op de kaart van Kruikius (1712).

In het plangebied is een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (Nederpelt & Van der Zee 2008). Hierbij zijn afzettingen van de Gantel aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren of een bewoningslaag gevonden. Geconcludeerd wordt dat het onwaarschijnlijk is dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Er is dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd.

2.2.3 Wenselijke afwijking van het bestemmingsplan

De gronden zijn gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Hoge Woerd' en hebben de bestemming "Agrarisch" met de 'wro-zone wijzigingsgebied -2'.

Agrarisch

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten.

Over de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het gaat om de 'wro-zone wijzigingsgebied -2'.

'wro-zone wijzigingsgebied -2'

Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied - 2' en de daar geldende bestemmingen wijzigen naar de bestemming 'Bedrijventerrein' ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein met bijbehorend groen en water, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 10 m;
  • b. voor het gebied wordt een milieuzonering vastgesteld overeenkomstig de toegepaste milieuzonering voor overige bedrijven in het plangebied, waarbij als hoogst toelaatbare bedrijfscategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' geldt;
  • c. detailhandel in auto's, boten en caravans is toegestaan;
  • d. de situering van het bouwvlak is ten minste 5 m van de wijzigingsbevoegdheidsgrens gelegen;
  • e. parkeren vindt plaats op eigen terrein en voldoet aan de eisen als gesteld in het Westlands Verkeers- en Vervoerplan;
  • f. de waterbergingsnorm bedraagt 325 m³ per hectare;
  • g. een advies van de Hulpverleningsregio Haaglanden dient te worden opgevraagd in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • h. de ontwikkeling dient te voldoen aan de overige randvoorwaarden als opgenomen in Bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan.

Een toekomstig bouwplan dient te voldoen aan de voorwaarden opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid. Om dit te waarborgen zijn de voorwaarden opgenomen in de planregels en op de planverbeelding van dit wijzigingsplan.

2.2.4 Verkeer & parkeren

De te realiseren bedrijven worden ontsloten via de bestaande wegenstructuur van het bedrijventerrein 'De Hoge Woerd'. Zo is de Hovenierstraat in zijn geheel aangelegd en zal de Warmoezenierstraat nog verder afgemaakt moeten worden.

Voor wat betreft parkeren wordt uitgegaan van het Westlands Verkeer en Vervoerplan (WVVP). Waarbij onder andere wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • parkeren moet gerealiseerd worden op eigen terrein;
  • de parkeerplekken in de zone aan de Hovenierstraat dienen een openbaar karakter te krijgen;
  • de zone aan de Hovenierstraat dient te worden ingericht met haaksparkeren. De maatvoering is een voortzetting van het profiel van de Hovenierstraat in het oude deel van de Woerd (Hoge Woerd);
  • In de parkeerzones aan de Hovenierstraat dienen bomen te komen. Deze dienen uitgevoerd te worden zoals beschreven in het bestek voor het bedrijventerrein de Woerd.

De uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning zal moeten voldoen aan de uitgangspunten.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Bedrijven en milieuzonering

3.1.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Voor het zoneren van bedrijventerreinen en bedrijfsactiviteiten, die op enige afstand van woningen plaats dienen te vinden, wordt gebruikgemaakt van de SvB 'Bedrijventerreinen'. In deze lijst is per bedrijfscategorie een richtafstand ten opzichte van een rustige woonwijk bepaald. Door het aanhouden van de richtafstand tussen hindergevoelige functies en bedrijven wordt onaanvaardbare milieuhinder voorkomen en wordt het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd.

3.1.2 Onderzoek

In de nabijheid bevinden zich, naast enkele autobedrijven en detailhandel, 2 objecten met een mogelijk verhoogde gevoeligheid, nl. een woning (Warmoezenierstraat 48) en een sportschool (The Fitness Experience Naaldwijk B.V., Warmoezenierstraat 21), welke in de BAG als winkel en industriefunctie opgenomen is.

Het aangrenzend gebied aan de overzijde van de Burgemeester Elsenweg is te karakteriseren als kassengebied met bijbehorende woningen. In het gebied zijn op relatief korte afstand een drietal woningen. Van deze woningen bevindt zich de dichtstbijzijnde op ongeveer 50 meter van de grens van het projectgebied.

De voorgenomen activiteiten zullen in beperkte mate verkeer aantrekken, maar dit zal, gezien de aanwezigheid van veel detailhandel, geen grote verandering veroorzaken ten opzichte van de bestaande verkeersstromen.

Op kavel 1 zal een (personen)autobedrijf met verkoop en reparatie worden gerealiseerd. Deze valt onder de SBI code 45112. De maximale afstand bedraagt 30 meter vanwege mogelijke geluidshinder.

Op beide kavels mag maximaal een categorie 3.2 bedrijfsactiviteit gevestigd worden. Hiervoor geld een grootste afstand van 100m. Bij de inrichting van kavel 2 zal rekening gehouden moeten worden met de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen. Eventuele geluidsbronnen zullen inpandig geplaatst moeten worden en zo ver mogelijk verwijderd van de woningen teneinde mogelijke overlast te voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0012.jpg"

3.1.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkelingen geen onacceptabele nadelige invloed heeft op de omgeving. Bij de ontwikkeling van een categorie SBI3.2 activiteit met geluidsemissies moet bij de inrichting rekening worden gehouden met de dichtstbijzijnde woningen teneinde overlast te voorkomen.

3.2 Geluid

3.2.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.2.2 Onderzoek

Voor alle nieuwe situaties van geluidsgevoelige bestemmingen (onder andere nieuwe woningen) in de zin van de Wet geluidhinder binnen de geluidszone van een nieuwe en/of een bestaande weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Dit akoestisch onderzoek dient uit te wijzen of voldaan wordt aan de normen van de Wet geluidhinder. In dit wijzigingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen gerealiseerd. Akoestisch onderzoek is derhalve niet nodig

3.2.3 Conclusie

Er wordt met de voorgenomen ontwikkeling geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Vastgesteld wordt dat er in het kader van wegverkeerlawaai geen verdere procedures nodig zijn.

3.3 Luchtkwaliteit

3.3.1 Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 ìg/m³   2010 t/m 2014   
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 ìg/m³      
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³       
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); 
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); 
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); 
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); 
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

 

Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.3.2 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling betreft maximaal 2 bedrijfspanden met maximaal categorie 3.2 uit de SBI als bedrijfsvoering. Naar verwachting zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen op het bedrijventerrein. Ook de voorgenomen activiteiten zelf dragen niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging. Ten aanzien van de luchtkwaliteit bestaat er geen bezwaar tegen de planontwikkeling.

3.4 Externe veiligheid

3.4.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.
Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen, en aan de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2004) van belang. Deze Circulaire heeft een looptijd tot 31 juli 2012 en zal opgaan in het nieuwe Besluit transportroutes externe veiligheid en Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.

Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.4.2 Onderzoek

Bedrijvigheid

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied - binnen een straal van 1,5 km - zich 2 inrichtingen bevinden met een ammniak - koelinstallatie.

FloraHolland B.V. 

Het projectgebied ligt ver buiten de risicocontouren van FloraHolland, maar binnen het in de geldende QRA bepaalde invloedsgebied van 1125 meter (zie kwantitatieve risicoanalyse Flora Holland Naaldwijk).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0013.jpg"

Gemodelleerde objecten binnen invloedsgebied Flora Holland

In onderstaande afbeelding zijn de plaatsgebonden risicocontouren van FloraHolland weergegeven. Uit de afbeelding blijkt dat de plaatgebonden risicocontour van 10-6 per jaar (PR10-6) geheel binnen de inrichtingsgrenzen van FloraHolland is gelegen en is gelegen rondom de koelcentrale. De afstand vanaf de koelcentrale tot de PR10-6 bedraagt circa 45 meter. Rondom de vloeistofleidingen die van de koelcentrale naar de verdampers in de koelcellen loopt wordt geen (PR10-6) waargenomen.

Conform artikel 8a van de REVI geldt voor ammoniakkoelinstallaties echter dat indien de berekende risicoafstanden kleiner zijn dan de bij een inrichting uit dezelfde categorie behorende grootste afstand genoemd in tabel 6 van bijlage 1 van de REVI, de in die bijlage genoemde grootste afstand als minimaal aan te houden afstand geldt. Voor de installatie van FloraHolland (met een maximale werktemperatuur van circa -6 °C, opstellingsuitvoering 2 en een diameter van de vloeistofleiding van de koelcentrale naar de verdampers van DN100) geldt zodoende een PR10-6 van 85 meter vanaf de koelcentrale en een PR10-6 van 85 meter vanaf de vloeistofleiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0014.jpg"

Berekende plaatsgebonden risicocontouren Flora Holland, Naaldwijk.

Het groepsrisico dat wordt veroorzaakt door de ammoniakkoelinstallatie van FloraHolland is weergegeven in onderstaande afbeelding. Hieruit blijkt dat de curve beneden de oriëntatiewaarde is gelegen. Aangezien het maximale aantal dodelijke slachtoffers bij een incident minder dan 10 bedraagt, is er feitelijk geen sprake van een groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0015.jpg"

groepsrisico (paars), oriëntatiewaarde (rode lijn) en apart toegevoegd 0,1 maal oriënterende waarde (blauwe lijn)

Uit de grafiek valt op te maken dat het groepsrisico in de uitgangssituatie ver onder de 0,1 x OW ligt. In formele zin is er geen sprake is van een groepsrisico, omdat het maximale aantal slachtoffers 2 bedraagt, terwijl het begrip groepsrisico gedefinieerd is vanaf 10 slachtoffers.

Van den Bos Flowerbulbs B.V.

Het projectgebied ligt buiten de risicocontouren van Van den Bos Flowerbulbs. Het bedrijf bevindt zich aan de Dijkweg 115 te Honselersdijk en heeft als hoofdactiviteit dienstverlening t.b.v. de akker- en tuinbouw. De inrichting valt onder het Bevi vanwege een ammoniak koelinstallatie met een inhoud van 4000 kg. Deze valt onder de categorale inrichtingen, waarvoor geen QRA wordt uitgevoerd.

Risico-relevante gegevens kunnen rechtstreeks uit het REVI worden afgeleid. Voor deze afleiding zijn de volgende gegevens van belang, verkregen uit de risicokaart:

De opstellingsuitvoering is 1 (machinekamer), de maximale werktemperatuur bedraagt 3 gr C, er is een pompbeveiliging zowel als een inblokvoorziening.

Volgens de risicokaart is er geen 10-6 contour voor deze installatie. Uit tabel 6, bijlage 1 REVI blijkt dat op basis van de opgegeven gegevens de 10-6 afstand 0 dan wel 60 meter bedraagt. Omdat de afstand van het project tot de installatie 322 meter bedraagt, is de 10-6 contour in beide gevallen geen belemmering voor het project. Uit tabel 3 van bijlage 2 van het Revi is af te leiden dat in dit geval geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

LPG - Tankstations

Binnen een straal van 1km bevinden zich geen LPG-tankstations.

Opslag van gevaarlijke stoffen

Binnen een straal van 1 km bevindt zich 1 inrichting met opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die relevant is in het kader van het BEVI.

Nic. Sosef B.V.

Het projectgebied ligt buiten de risicocontour van Nic.Sosef B.V., maar juist binnen het invloedsgebied. Het bedrijf is echter failliet en de gronden zijn verkocht aan een derde partij.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

De N213 (Burgemeester Elsenweg) bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied. De afstand bedraagt ruim 94 meter uit de hartlijn van de weg.

Op de risicokaart komt in de nabijheid van het projectgebied alleen de Veilingroute (N222) tot aan FloraHolland voor. De N213 ten noorden van de kruising met de Middelbroekweg is niet gemarkeerd op de risicokaart. De N213 maakt geen deel uit van het basisnet.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor of over het water vindt eveneens niet plaats in of in de omgeving van het plangebied.

Plasbrandaandachtsgebied

In gevallen waar een relatief hoog aantal transporten brandbare vloeistoffen plaatsvindt, wordt geadviseerd rekening te houden met een strook van 30 meter aan weerszijde van de weg, waar geen zeer kwetsbare bestemmingen worden gevestigd. Hier geldt dat het plangebied is gelegen op circa 90 meter van de hartlijn van de weg, het aantal transporten brandbare vloeistoffen laag is en de bestemming als beperkt kwetsbaar beschouwd moet worden, zodat geen plasbrandaandachtsgebied geldt.

Leidingen

In het plangebied of in de directe omgeving liggen geen leidingen waarvan het plangebied binnen PR 10-6 risicocontour en het invloedsgebied ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0016.jpg"

NAM leiding

Ten westen van het project bevindt zich een NAM leiding voor brandbare vloeistof(fen) in de K1 klasse. De leiding heeft een 10-6 risicoafstand van 10 meter. De afstand tot het project bedraagt ongeveer 900 meter, zodat deze NAM-leiding geen invloed heeft op het projectgebied.

Gasunie leiding(en)

Globaal ten NO van het project ligt een aardgasleiding van de gasunie (W-522) met een diameter van 16 duim en een druk van 40 bar. De leiding heeft geen 10-6 contour en een effectafstand van 180 meter. De afstand tussen leiding en projectgebied is +- 650 meter, zodat ook deze leiding geen invloed heeft op het projectgebied.

Verdacht van conventionele explosieven

Op de explosievenkaart van de gemeente Westland zijn gebieden aangegeven waar een verhoogd risico aanwezig is van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. De kaart geeft in grove lijnen verdachte gebieden aan, maar geeft geen indicatie van de aard, omvang en risico. Uit de explosievenkaart blijkt dat er in het plangebied geen locatie is voor wat betreft explosieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0017.jpg"

Uitsnede explosievenkaart

3.4.3 Conclusie

3.5 Water

3.5.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.


Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

 

Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor die periode. Het vervangt het provinciaal waterbeleid zoals dat is vastgelegd in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006) en vervangt het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dan ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de 'wat' vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de 'hoe' vraag. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Provinciale Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (structuurvisie), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen met betrekking tot het water en waterstaatswerken in bestemmingsplannen. De provincie heeft in samenwerking met de gemeente Westland een eindrapport opgesteld over Westlandse waterlijnen, een project dat de vaartenstructuur in het Westland probeert te versterken.

 

Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2010-2015. Het beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de Legger.

De verbreding van bestaande boezemwateren en de aanleg van nieuwe verbindingen bieden kansen om een groot aantal maatregelen, die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water te realiseren en het watersysteem robuuster te maken. Waar mogelijk worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Ook met het terugdringen van rioolvreemd water en het verminderen van riooloverstorten snijdt het mes aan meerdere kanten tegelijk: het riool en de afvalwaterzuiveringsinstallaties (awzi's) kunnen met minder capaciteit uit de voeten, het minder verdunde vieze water is efficiënter te zuiveren, en er komt minder vies water rechtstreeks in het oppervlaktewater. Het waterplan van de Gemeente Westland zal in de periode 2010 – 2015 worden uitgevoerd. Omdat het bij de ruimtelijke ontwikkelingen in het glasgebied vaak om relatief kleinschalige projecten gaat, zal er nadrukkelijk samenwerking tussen het Hoogheemraadschap van Delfland, de gemeente en de glastuinbouwsector worden gezocht om de kansen voor water in deze projecten optimaal te benutten. Dit gebied levert kansen om de wateropgave te realiseren door middel van innovatief meervoudig ruimtegebruik, met behoud van voldoende robuustheid en ruimte voor ecologie in het systeem.

Ten slotte is in 2007 een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten:

  • beleidskader omtrent water;
  • waterkeringen;
  • waterkwantiteit;
  • waterkwaliteit en ecologie;
  • afvalwater en riolering;
  • waterprojecten welke onderdeel zijn van ABC-Delfland.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0018.jpg"

3.5.2 Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied gelegen is buiten de beschermingszone van een primaire waterkering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0019.jpg"

Uitsnede 'Legger regionale waterkeringen'

Waterkwantiteit

De planlocatie is gelegen in boezempeilgebied I van de Boschpolder. Het vastgestelde boezemwaterpeil is ca. 0,43 m – NAP. Hierbij geldt een maximale peilstijging van 0,35 m. Er zijn geen knelpunten in het gebied volgens het peilbesluit

Waterkwaliteit en ecologie

Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit in de boezemwatergang hebben, indien het hemelwater wordt afgevoerd middels een gescheiden rioolstelsel. Wel geldt dat het gebruik van uitlogende materialen niet is toegestaan. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater

Onderhoud en bagger

Onderhoud en bagger is niet aan de orde aangezien het plangebied niet is gelegen bij een watergang.

Afvalwater en riolering

De te ontwikkelen bedrijfspanden worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde A.W.Z.I., zijnde Hoek van Holland.

3.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de planontwikkeling voldoet aan de criteria en eisen van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente.

3.6 Ecologie

3.6.1 Wettelijk kader

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) weer. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt, een Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

 

Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en
    bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EL&I de volgende interpretatie van artikel 11:

'De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar
gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én
slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt.'

Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen:


Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen:

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

 

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd:

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

De soorten uit categorie 5 vragen wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.


Natuurbeschermingswet

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EL&I aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn; 
  • b. door de minister van EL&I aangewezen beschermde natuurmonumenten; 
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EL&I). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

3.6.2 Onderzoek

Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van beschermde natuurgebieden of ecologische verbindingszones. Een nadere toetsing aan de Natuurbeschermingswet of de ecologische hoofdstructuur is niet nodig. Natuurwaarde zijn er buiten eventuele vogelnesten in een broedseizoen niet aanwezig.

Vogels

De nesten van vogels in het projectgebied zijn beschermd tijdens het broeden. Om verstoring van broedvogels te voorkomen, wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg van 15 maart t/m 15 juli) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in de periode maart t/m juli worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Ter voorkoming van broedgevallen in het projectgebied, wordt geadviseerd het aanwezige groen in het projectgebied buiten het broedseizoen te verwijderen.

3.6.3 Conclusie

Voor het plangebied is er naar verwachting geen strijdigheid met de Flora- en faunawet. Met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen wordt overtreding van de Flora- en faunawet voorkomen, is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Flora- en faunawet en is het plan haalbaar.

3.7 Cultuurhistorische aspecten

3.7.1 Wettelijk kader

Rijksbeleid

De Wet op de archeologische monumentenzorg (een wijzigingswet van de Monumentenwet 1988) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse Wetgeving. De Wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten:

  • het streven naar behoud in situ van archeologische waarden;
  • het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen;
  • de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Gemeentelijk beleid

Op 26 juni 2012 heeft de gemeente Westland haar archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze kaart is weergegeven waar in de gemeente (en in welke mate) kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone. Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld, die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. De beleidskaart geeft een globaal inzicht in de te verwachten archeologie, in het wijzigingsplan wordt het beeld aangescherpt.

Het archeologiebeleid legt vast hoe de gemeente Westland met haar bodemarchief omgaat. De gemeente Westland stelt met dit beleidsplan:

  • ondergrenzen vast (uitgedrukt in oppervlakte en diepte) die duidelijk aangeven of een initiatiefnemer dan wel vergunningaanvrager verplicht is archeologisch vooronderzoek te laten verrichten;
  • de in dit beleidsplan opgestelde normen vast teneinde deze normen op te nemen in alle bestemmingsplannen;
  • de beleidskaart vast.
3.7.2 Onderzoek

Op de gemeentelijke beleidskaart is voor het plangebied één zone met archeologische waarden en archeologische verwachtingen aangegeven: verwachtingszone III (zie afb. 3). De kaart is voor dit wijzigingsplan aangevuld met informatie uit historische en archeologische bronnen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het onwaarschijnlijk is dat er archeologische waarden aanwezig zijn.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000014w03-VA01_0020.jpg"

Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart

3.7.3 Conclusie

Het plangebied is op de beleidskaart gelegen in verwachtingszone III. Archeologisch booronderzoek heeft aangetoond dat het onwaarschijnlijk is dat in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn. Er wordt dan ook geen archeologische bestemming opgelegd in het plangebied.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008).

Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1)

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels

De bestemming 'Bedrijventerrein' (artikel 3) is gekopieerd uit het bestemmingsplan ' De Hoge Woerd'. Wel is de bestemming specifiek toegespitst op deze locatie, zodat het één en ander uit de planregels is toegevoegd en verwijderd.

   

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.abp00000014w03-ON01.

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling worden op risico en kosten van de ontwikkelaar uitgevoerd. Voor de realisatie is met de gemeente een overeenkomst afgesloten.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Zienswijzen

Van 29 april 2016 tot en met 9 juni 2016 heeft het ontwerp van dit wijzigingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM AANTAL zienswijzen ingediend.

De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage PM van deze toelichting.