direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Haagweg 39 te Monster
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Er is een verzoek ingediend om de bouw van 9 woningen mogelijk te maken op de percelen gelegen bij de bestaande woning Haagweg 39 te Monster gelegen op een perceel kadastraal bekend sectie I, nummer(s) 3004 en 3007 met een oppervlakte van circa 5.700m². De bestaande woning Haagweg 39 te Monster wordt gesloopt, zodat er depositieruimte vrij komt die ervoor zorgt dat er geen negatief effect is op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Uit de vergelijkberekening van het huidige gebruik met het toekomstige gebruik volgt dat de stikstofdepositie in de toekomst permanent daalt met 0,28 mol/ha/jaar tot een substantieel lager niveau. De woningen zijn gasloos en zullen ontsluiten op de Haagweg (het verlengde Schelpenpad).  

Voor het perceel sectie I nummer 3004 is er in het verleden reeds een uitwerkingsplan en een bestemmingsplan vastgesteld welke beide zijn vernietigd door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie geschiedenis).  

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0001.png"

Uitsnede Gis

Geschiedenis

Uitwerkingsplan 'Haagweg nabij 39 te Monster'

Voor het perceel sectie I, nummer 3004 is door het college van burgemeester en wethouders op 23 juni 2015 een uitwerkingsplan vastgesteld voor de bouw van maximaal 8 woningen. Naar aanleiding van twee beroepschriften is het uitwerkingsplan bij uitspraak van 8 juni 2016 door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: afdeling) vernietigd onder andere wegens stikstof.

Bestemmingsplan 'Haagweg achter 39 te Monster'

Voor dit zelfde perceel is door de raad van de gemeentewestland op 12 december 2017 het bestemmingsplan 'Haagweg achter 39 te Monster' vastgesteld voor de bouw van 6 woningen. Tegen dit besluit zijn 4 beroepen ingediend bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. De afdeling heeft destijds de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof (hierna; PAS) die de Afdeling had gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Na beantwoording van de prejudiciële vragen heeft de Afdeling op 17 juli 2019 - zonder zitting - het bestemmingsplan vernietigd vanwege het feit dat het bestemmingsplan voor het aspect stikstof heeft verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag was gelegd aan het PAS.

"Voor de onderhavige zaak is van belang dat zowel het standpunt van de raad dat de woningbouw niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde van 1 mo;/ha/per jaar als het standpunt dat de woningbouw onderdeel is van een prioritair project berust op de passende beoordeling voor het PAS is gemaakt. Gelet op vorenstaande overwegingen is de Afdeling daarom van oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming."

1.2 Ligging plangebied

Het buiten de bestaande kern van Monster gelegen plangebied grenst aan de zuidzijde aan de woningbouwlocatie Westlandse Zoom, aan de zuidwest zijde aan de Haagweg en aan de noordzijde aan de tuinen van woningen gelegen aan de Haagweg. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Monster, sectie I nummer(s) 3004 en 3007.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0002.png"

Uitsnede Gis

1.3 Geldend bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan vervangt (gedeeltelijk) het volgende bestemmingsplan op de dag dat het bestemmingsplan van kracht wordt als bedoeld in artikle 3.8 lid 5 van de Wet ruimtelijke ordening:

  • Het bestemmingsplan 'Westmade', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 30 augustus 2005 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 18 april 2006.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplan Westmade

In dit bestemmingsplan hadden de gronden reeds de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden' en de bestaande woning Haagweg 39 had een in te passen woonfunctie.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan "Haagweg 39 te Monster" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland

Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities.


De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen).


De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn. Met een people - planet - profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen.


De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten uit bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen. Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten.


Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft.


Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt.


Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water. Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen.


De toekomstkaart van Westland:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0004.png"

Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland

Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen.  

Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040:

  • Logistieke bereikbaarheid;
  • De auto minder dominant;
  • Volwaardige alternatieven voor de auto;
  • Westland verkeersveilig;
  • Duurzaam Bereikbaar Westland.

Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018

In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).

Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2025

Op 7 februari 2022 hebben burgemeester en wethouders van Westland de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2025 bekend gemaakt. Deze strategie bevat de weergave van hoe de gemeente Westland haar uitvoerings- (vergunningen) en handhavingstaken (toezicht en handhaving) uitvoert en hoe de interpretatieruimte die de wetgeving wordt ingevuld. Er is alvast aangesloten bij de terminologie en begrippen uit de komende Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.  Naast de preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt ook het toezicht tijdens en na realisatie van de bouw vervangen door toezicht door private kwaliteitsborgers. Hierdoor verschuift het toezicht van de voorkant van het proces naar handhaving achteraf. In navolging van maatschappelijke ontwikkelingen is de bedoeling van de Omgevingswet dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor deze initiatieven. Gemeente Westland zal risicogestuurd aanvragen om een omgevingsvergunning vergunnen. Na vergunningverlening wordt toezicht gehouden op de naleving van de vergunnings- of ontheffingsvoorwaarden, terwijl continue toezicht wordt gehouden op de naleving van wet- en regelgeving als het omgevingsplan. Ook voor bouwtoezicht en handhaving geldt dat er risicogestuurd wordt gewerkt. Strijdig gebruik van bedrijfsterreinen geldt als een bestuurlijk speerpunt, zodat een overtreding met hoge prioriteit zal worden aangepakt.

De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig  mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten.

Woonvisie 2020-2030

De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties.


Conclusies Woonvisie

De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn:

  • de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma;
  • blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd;
  • het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld;
  • de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel;
  • flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma.


Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten.

Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (2018)

Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant (overeenkomst) klimaatadaptief Bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten -waaronder Westland-, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.


Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat voor een grote bouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. Dit is concreet vertaald in het convenant klimaatadapatief bouwen in Zuid-Holland. Hierin zijn procesafspraken gemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan. In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen voor nieuwbouw in relatie tot:

  • Hevige neerslag: Hevige neerslag leidt niet tot grote schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in of buiten het plangebied;
  • Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de gebouwde omgeving;
  • Hitte: Tijdens hitte biedt de bebouwd omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;
  • Bodemdaling: Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar;
  • Overstromingen: Bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen;
  • Biodiversiteit: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving.

De gemeente Westland zal minimaal aan deze eisen voldoen en gebruikt daarmee het programma van minimale eisen uit het Convenant als uitgangspunt voor het realiseren van klimaatadaptieve woningen.

2.1.2 Regionaal beleid

Metropoolregio Den Haag-Rotterdam

In de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken 23 gemeenten samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en het vernieuwen van de economie. Daarmee versterken ze onder meer de (internationale) concurrentiepositie van de regio. Met elkaar vormen deze 23 gemeenten het bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).

Voor het overleg tussen de 23 gemeenten en het nemen van besluiten kent de MRDH de volgende besturen en commissies: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (Va), de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (EV) en de voorzitter. Met 23 gemeenten, 2,3 miljoen mensen, 1,2 miljoen banen met werk voor 13,5% van de Nederlanders en een bijdrage van 15% aan het BNP is de metropoolregio een regio die er toe doet. Voor een grootstedelijke regio waar het goed wonen, werken en recreëren is, heeft de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) zichzelf twee belangrijke ambities gesteld: het vernieuwen van economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. Het Rijk gaf de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de status van vervoerregio. En daarmee ook wettelijke taken rond verkeer en vervoer. Aan het begin van elke nieuwe bestuursperiode (elke vier jaar) stelt het bestuur een regionale strategische agenda vast, van waaruit de regionale vraagstukken worden opgepakt. De huidige strategische agenda loopt tot en met 2022.

2.1.3 Provinciaal beleid

Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid.

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit provinciale opgaven en belangen. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de provinciale verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur

Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien.

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0005.png"

figuur 3: de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur (uitsnede Westland)

Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven.

Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten.

Omgevingsverordening

Regels aangaande bestemmingsplannen bv. met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, de ladder voor duurzame verstedelijking en voor ruimtelijke ontwikkelingen als stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouwgebied, infrastructuur, veiligheid, natuur en cultureel erfgoed zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De regels zijn van overeenkomstige toepassing op ruimtelijke initiatieven waarvoor een zogenaamde 'grote buitenplanse afwijking' wordt doorlopen. Op grond van de regels die zijn gesteld voor natuur, is voor Westland het volgende gebied aangewezen als ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0006.png"

figuur 4: uitsnede provinciale kaart Natuurnetwerk Nederland

Programma Ruimte

Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op de kaart 'woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen' (ook wel genoemd: '3ha kaart') zijn nog te ontwikkelen locaties voor deze doeleinden groter dan 3 ha buiten BSD opgenomen. Als een locatie hier is opgenomen, betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0007.png"

figuur 5: de '3ha kaart'

Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit.

Woningbouwlocaties die voor Westland zijn opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0008.png"

2.1.3.1 Afwijken middels 6.15 Omgevingsverordening

Volgens kaart 11 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de gronden aangewezen als 'Greenport'. Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst.

Volgens artikel 6.15 lid 1 is het volgende toegestaan:

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

Om de ontwikkeling van de 9 woningen mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de afwijking uit artikel 6.15 lid 4 uit de Omgevingsverordening.

In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het glastuinbouwgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

In deze gaat het om de bouw van 9 woningen op gronden die reeds de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden' hebben in het vigerende bestemmingsplan 'Westmade' vastgesteld door de gemeenteraad op 30 augustus 2005 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 18 april 2006. Gelet op deze bestemming 'uit te werken woondoeleinden' gaat er geen glastuinbouwareaal verloren en is er geen onevenredige aantasting van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied van Westland. Daarnaast zijn het plangebied en de omliggende gronden van Westmade opgenomen op de 3ha kaart.

2.1.4 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0009.jpg" 

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de komst van de Omgevingswet die vanaf 2022 in werking zal treden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang.

Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:

  • Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.

Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.

De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

2.1.5 Conclusie

De ontwikkeling voor 9 gasloze woningen op de percelen behorende bij Haagweg 39 zijn in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1 Inventarisatie van functies

Het plangebied omvat de twee kadastrale percelen Kadastraal bekend gemeente Monster sectie I, nummers 3004 en 3007 met een totale oppervlakte van 5.629 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0010.png"

Uitsnede Gis

Woning Haagweg 39

Op het kadastrale perceel sectie I, nummer 3007 staat de bestaande woning Haagweg 39 met bijgebouwen. De aanvrager zal de bestaande woning Haagweg 39 slopen ten behoeve van deze ontwikkeling.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0011.png"

Uitsnede Gis

Naast gelegen kavel

Op het kadastrale perceel sectie I, nummer 3004 met een oppervlakte van 4.102 m² zijn momenteel geen andere functies aanwezig. Het perceel ligt braak en wordt in het oosten en zuiden omringd door water. In het noorden sluit het perceel aan bij bestaande erven van de woningen gelegen aan de Haagweg.

Voor dit perceel heeft de gemeente in het verleden een uitwerkingsplan en een bestemmingsplan opgesteld voor de bouw van 6 tot 8 woningen. Beide ruimtelijke procedures zijn, door beroep van omwonenden, vernietigd door de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State met name op het aspect stikstof.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0012.png"

Uitsnede Gis

2.2.2 Hobbymatig houden van paarden

In de nabij omgeving van het plangebied zijn twee locaties aanwezig waar hobbymatig paarden worden gehouden. Het gaat om de percelen behorende bij de bestaande woningen Haagweg 41A en Haagweg 43A te Monster. In de paragraaf 3.3 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt daar verder op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0013.png"

2.2.3 Inventarisatie van waarden

Waterkering en waterberging

Op de leggerkaart van het Hoogheemraadschap van Delfland staat waar de waterkeringen liggen en hoe breed de beschermingszones zijn. Werkzaamheden in de zones die de veiligheid in gevaar kunnen brengen of het beheer van de waterkering bemoeilijken zijn niet toegestaan. Volgens de leggerkaarten is er geen zeewering en geen waterkering gelegen in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0014.jpg"

Cultuurhistorische waardevolle bebouwing

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorische waardevolle bebouwing die vanuit de Monumentenwet wordt beschermd, de rijks- en gemeentelijke monumenten, en cultuurhistorische bebouwing en objecten die beeldbepalend, waardevol en gebiedseigen zijn. De laatstgenoemde objecten staan in het rapport inventarisatie historisch waardevolle objecten gemeente Westland maar zijn nog niet aangewezen als gemeentelijk monument.

In het plangebied zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig.

2.3 Gebiedsvisie

2.3.1 Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Westmade' en maakt in die zin onderdeel uit van de Westlandse Zoom. De gronden van het plangebied liggen echter buiten het exploitatie gebied van het 'Ontwikkeling Bedrijf de Westlandse Zoom' en worden ontwikkeld onder de term 'Zelfrealisatie'.

In de voornoemde situatie dient er aan dezelfde Stedenbouwkundige Randvoorwaarden voldaan te worden als ontwikkelingen die zijn gelegen binnen het exploitatie gebied van het 'Ontwikkeling Bedrijf de Westlandse Zoom' en dient met de ontwikkeling voor wat betreft de aspecten verkeer en landschap aangesloten te worden op het binnen het exploitaitiegebied geldend beleid ten aanzien van voormelde aspecten.

Ten aanzien van het plangebied gelden de navolgende Stedenbouwkundige Randvoorwaarden:

Maximaal 9 woningen; 

Binnen de woningbouw ontwikkeling van de Westlandse Zoom wordt voor projectmatige kavels, met vrijstaande woningen een gemiddelde aangehouden van 250m2 en 550 m2. De kavels in het plangebied zullen ongeveer hetzelfde gemiddelde aangehouden als in de Westlandse Zoom.

Het totale te ontwikkelen kavel meet 5.629m². Met maximaal 9 woningen wordt er een dichtheid gehaald van circa 16 woningen per hectare. Een dichtheid van 20 woningen of minder is te typeren als landelijk of dorps (afhankelijk van de verdere inrichting) en is passend bij de directe omgeving en het beoogde woonmilieu Westmade. Zo is de dichtheid van het naastgelegen uitwerkingsplan “Westmade fase 1b” circa 20 woningen per hectare (er worden namelijk 39 woningen op circa 2 hectare opgericht). 

Hoofdgebouw mag maximaal 30 % van de totale oppervlakte van de uitgeefbare kavel beslaan;

Door maximaal 30% van de uitgeefbare kavel te bebouwen met een hoofdgebouw zijn de maximale footprints van de beoogde woningen overeenkomstig met de woningen aan de Haagweg.

Minimum afstanden tussen uitgiftegrens en bebouwingszone:

Door het opnemen van bouwvlakken waarbinnen de vrijstaande woningen of twee-onder-één kappers gebouwd mogen worden, wordt er een afstand gecreëerd tot de belendende percelen. Daarnaast kunnen er op deze manier geen grote blokken ontstaan en wordt er toch een open structuur nagestreefd.

Minimum afstand tussen de hoofdgebouwen van woningen

Door het opnemen van een minimale afstand tussen woningen (behoudens de aaneengebouwde zijde van een twee-onder-één kapper) van 6 meter zijn de woningen goed van elkaar te onderscheiden. Aangezien doorsnee grondgebonden woningen veelal uit 2 lagen met kap bestaan komt een onderlinge afstand van 6 meter tussen (eind)woningen ongeveer overeen met de gebruikelijke goothoogte. Met een verhouding van circa 1 op 1 ontstaat zo de nodige geleding tussen de hoofdmassa's, die minder duidelijk wordt als de tussenruimte kleiner wordt. Daarnaast is 3 meter in veel gevallen ook een bruikbare maat om naast de woning nog een garage te kunnen plaatsen of voor een uitbouw waar nog een keuken of andere gebruiksruimte in past.

Hoogte maximaal 2 lagen met een kap: goothoogte 7 meter, nokhoogte 11 meter.

Volgens het bestemmingsplan 'Westmade' konden binnen deelgebied A eengezinswoningen opgericht worden van ten hoogste drie bouwlagen al dan niet met kap of een substitutielaag. Door de woningen te laten aansluiten bij de woningen die in het lint van de Haagweg staan (die zijn overwegend 1 en 2 lagen met een kap) en de nieuw op te richten woningen in het achtergelegen plangebied van de Westlandse Zoom, is er voor gekozen om in dit bestemmingsplan uit te gaan van een goot- en bouwhoogte van 7 meter respectievelijk 11 meter (twee lagen met een kap)

Deze hoogtes worden gerelateerd aan het afgewerkte maaiveld. Deze maatvoering is om een woning van twee bouwlagen met een kap maximaal mogelijk te maken. Deze is binnen de gebieden van OWBZ als standaard voor dit woningtype opgenomen. Lager bouwen is natuurlijk altijd ook mogelijk binnen het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0015.jpg"

Overzicht omringende bebouwing plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0016.jpg"

Parkeerplaatsen

De parkeerbehoefte van de beoogde woningbouw kan worden berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen. De Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland (2018) onderscheidt parkeernormen voor verschillende woningtypen. Op grond van deze beleidsregel wordt uitgegaan van een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per woning waarvan 0,5 uitwisselbaar moet zijn voor bezoekersparkeren. Voor een ontwikkeling van maximaal 9 woningen zijn er 9 x 2,3 = 20,7 = 21 parkeerplaatsen noodzakelijk, waarvan minimaal 5 parkeerplaatsen uitwisselbaar te gebruiken moeten zijn.

In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor het parkeren opgenomen (artikel 12.4) inhoudende dat:

Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik) is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels.

Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning moet de aanvrager aantonen dat voldaan wordt aan de voorwaardelijke verplichting.

Ontsluiting

Het plangebied wordt ontsloten op de Haagweg via de Haagweg (het verlengde Schelpenpad). Op de planverbeelding is hiervoor een 10 meter brede zone opgenomen. Tevens is op de planverbeelding de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen waarbinnen een ontsluitingsweg aangelegd wordt.

De Haagweg (het verlengde Schelpenpad) is een doodlopende weg met een 30 km/uur regime. Volgens de kencijfers van de CROW genereert een woning van deze klasse maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal (hoogste waarde van de bandbreedte). Uitgaande van 8,6 vervoersbewegingen per woning is dat een toename van 69 vervoersbewegingen (8,6 x 8 = 68,8) per etmaal. Rekening houdend met de bestaande woningen en de woningen van andere plannen (Schelpenduin) zijn er 147 vervoersbewegingen (19 x 8,6 = 163,4) per etmaal. Een verkeerskundige stelregel is dat in het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit rijdt. Dat betekent 16 verkeersbewegingen per uur in de spits. Dat is ongeveer 1 verkeersbeweging per 4 minuten in de spits. Bij elkaar zijn dit verkeerskundig gezien zeer lage aantallen, die met de beschikbare infrastructuur moeiteloos opgevangen kan worden.

Het CROW stelt globaal dat een erftoegangsweg ongeveer 5.000 motorvoertuigen per etmaal kan verwerken. Gebruikelijker is zo'n 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Bovenstaande geeft een indicatie van de (bescheiden) omvang van deze verkeersstromen op een doodlopende weg met een 30 km/uur regime. Ten opzichte van de huidige situatie zal er meer verkeer zijn, maar in absolute aantallen is dit nog steeds zeer beperkt. Daarnaast wordt opgemerkt dat er in het verleden gebruik werd gemaakt van de Haagweg (het Verlengde Schelpenpad) door de voormalige glastuinbouwbedrijven en die hadden een aanzienlijke hoeveelheid vrachtwagens rijden die er nu niet meer rijden.

Daarnaast is er een verkeersveilige ontsluiting op de Haagweg, waar staat aangegeven dat verkeer van de Haagweg (het Verlengde Schelpenpad) voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Haagweg.

Groen

In de gemeente is het streven om meer groen aan te leggen. Hoewel dit flinke kosten met zich meebrengt gaat Westland voor de haalbare ambitie om voor 2040 één extra vierkante meter verblijfsgroen per huishouden te realiseren (groen binnen een bebouwde kom en/of binnen 500 meter van een bebouwde kom. In nieuwbouwwijken wordt een norm mee gegeven van 50 m2 groen per woning.

In het plangebied wordt circa 50m2 aan groen aangelegd per woning. Dit is vastgelegd op de planverbeelding met de bestemming 'Groen'.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Stiltegebied

3.1.1 Wettelijk kader

Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten.

Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden.

Stiltegebieden zijn geregeld in de Provinciale Omgevinsverordening.

3.1.2 Onderzoek

Het plangebied is niet gelegen in het stiltegebied 'Monster':

Solleveld ligt tussen Kijkduin en Monster / Ter Heijde. Dit stiltegebied is tevens een belangrijk drinkwaterbeschermingsgebied. Het bestaat uit duinen, duinbossen, graslanden, duinheiden, struwelen, ruigten en plassen. Bijzondere elementen herinneren de bezoeker aan het vroegere agrarische gebruik.

Er vinden geen incidentele geluidsverstoringen plaats. De Omgevingsverordening heeft betreffende structurele geluidverstoring echter alleen betrekking op de gebieden die daarin gedefinieerd zijn. Buiten die gebieden gelden de regels uit de Omgevingsverordening niet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0017.png"

Stiltegebied Monster in de omgeving van de locatie

3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1 Wettelijk kader

In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland.

De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd.

De provincies mogen deze wettelijke regel aanvullen. Deze aanvulling mag echter niet in strijd zijn met het doel van de regel, namelijk vereenvoudiging van de ladder zoals die vóór 1 juli 2017 luidde en daarmee het loslaten van de norm "actuele regionale" behoefte en de drie treden van de ladder.

De provinciale regeling in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 bevat nog wel de drie treden van de ladder. Gelet op bovenstaande uitleg van de aanvullingsbevoegdheid van provincies, hoeft aan artikel 2.1.1 niet te worden getoetst voor zover deze regels in strijd zijn met - het doel van - de wijziging van de wettelijke regeling.

3.2.2 Preliminaire toets

Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met het woningbouwplan voor 9 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft.

Het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro is niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling.

Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling voorziet een plan met maximaal elf woningen niet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing.

3.3 Bedrijven en milieuzonering

3.3.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

3.3.2 Onderzoek

Door Aqua Terra Nova is een onderzoek bedrijven en milieuzonering (zie bijlage) uitgevoerd.

Bedrijven in plangebied

Binnen het plangebied zelf worden in de te bestemmen situatie alleen woningen bestemd. Er worden geen functies gerealiseerd waarop de richtafstanden van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van toepassing zijn.

Bedrijven buiten plangebied

Binnen een straal van 200 meter van het plangebied zijn alleen woonfuncties, uit te werken woongebieden en maatschappelijke bestemmingen met een woonfunctie aanwezig. Binnen een straal van 200 meter zijn geen bedrijfsactiviteiten bestemd.

Hobbymatig houden van paarden

In de nabij omgeving van het plangebied zijn twee locaties aanwezig waar enkele paarden worden gehouden:

  • Haagweg 43a : 2 paarden
  • Haagweg 41a : max. 4 paarden

Voor deze twee locaties is in het verleden geen Hinderwetvergunning, Wet milieubeheervergunning verleend of een melding ingediend op grond van het Activiteitenbesluit of het Besluit landbouw milieubeheer. Er is hierdoor geen sprake van vergunde rechten voor het bedrijfsmatig houden van paarden. Verder is het ook niet mogelijk om op deze locaties nu bedrijfsmatig paarden te gaan houden vanwege de korte afstand tot bestaande woningen. De beide locaties zijn beschouwd als het hobbymatig houden van paarden.

Het hobbymatig houden van paarden valt niet eenduidig in te delen op grond van de VNG publicatie aangezien deze bedoeld is voor bedrijven met een bedrijfsmatige omvang. Onderstaand staan de mogelijke activiteiten weergegeven waarbij aansluiting kan worden gezocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0018.png" Richtafstanden VNG voor houden van graasdieren, kinderboerderijen en maneges

De categorieën Fokken en houden van overige graasdieren en Maneges zijn bedoeld voor het bedrijfsmatig houden van dieren waarbij veel meer dieren (in de ordegrootte 50-100 dieren) worden gehouden dan hier het geval is. Het hobbymatig houden van dieren komt qua activiteiten en aantal te houden dieren meer overeen met de categorie kinderboerderijen.

Op basis hiervan wordt het hobbymatig houden van enkele paarden ingedeeld in categorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter voor geur. Voor geluid geldt een afstand van 30 meter en voor stof een afstand van 10 meter en voor gevaar 0 meter. De grootste richtafstand van 30 meter is in onderstaande weergeven als rode lijn en is getrokken rondom de stal, de mestopslag en de paardenbak. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit die wordt nagestreefd in een 'rustige woonwijk'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0019.png"

Richtafstanden VNG publicatie 

Geconcludeerd wordt dat de milieuzones (richtafstanden) de geplande locatie voor woningbouw overlappen. Indien milieuzones een gewenste woningbouwlocatie overlappen kan volgens het stappenplan in paragraaf 4.2 van de VNG publicatie als volgt worden gehandeld in stap 3 en 4 (stap 1 t/m 2 zijn bovenstaand al uitgewerkt):

3. indien de milieuzones de gewenste woningbouwlocatie overlappen:

  • a. pas de woningbouwplannen aan, of;
  • b. ga na wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten kleinere richtafstanden opleveren, beoordeel dan of het benedenwaarts aanpassen van richtafstanden in het – vigerende – bestemmingsplan wenselijk is. Overweeg dit ook los van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, vanuit een langere termijn visie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein. Bestaande bedrijven kunnen immers vertrekken en nieuwe bedrijven kunnen zich aandienen.

4. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van de vestigde bedrijven strijdig zijn met de gewenste woningbouw:

  • c. pas de woningbouwplannen aan, of;
  • d. doe gewenst vervolgonderzoek naar de daadwerkelijke milieubelasting van de bedrijven.

Uitwerking stap 3

Er is getracht om het hobbymatig houden van enkele paarden zo goed mogelijk in te delen in een bedrijfsactiviteit met een vergelijkbare milieucategorie. Om na te gaan of het benedenwaarts bijstellen van de richtafstand van 30 meter mogelijk is, is nader onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke milieubelasting (zie verder uitwerking stap 4).

Uitwerking stap 4 (Hobbymatig houden van paarden)

De hinderaspecten van het hobbymatig houden van paarden zijn onderstaand verder beschouwd.

Stof (10 meter):

Stofhinder kan ontstaan bij gebruik van een paardenbak en paardencarrousel met zand en bij het verladen van hooi naar de stal. De paardenbak wordt op beide locaties (eigen gebruik, er worden geen lessen gegeven) niet intensief gebruikt waardoor hiervan geen significante stofhinder valt te verwachten. Gezien het niet intensieve gebruik, is een afstand van 10 meter meer dan afdoende om stofhinder te voorkomen voor de paardenbak op de locatie Haagweg 43a. Voor dit onderzoek is echter verder uitgegaan van een contour van 10 meter rondom de paardenbak en paardencarrousel.

Licht (geen afstand in VNG publicatie) 

De paardenbak locatie Haagweg 41a is voorzien van verlichting (lantaarnpaal) bij de zuidzijde van de paardenbak. Er is geen afschermende kap aangebracht bij de verlichtingsarmatuur maar het licht schijnt in noordelijke richting waardoor geen directe instraling van licht bij de woningen zal optreden. De afstand van de verlichting tot het bouwvlak van de woningen bedraagt 18 meter. Hierdoor zal bij de woningen in het plangebied geen lichthinder worden ondervonden.

Geluid (30 meter):

Bij het bedrijfsmatig houden van dieren is deze afstand vereist vanwege het gebruik van tractoren en ander gemechaniseerd agrarisch materieel. Bij maneges en kinderboerderijen speelt ook het geluid van bezoekers met bijbehorende aan- en afrijdende voertuigen en geluid tijdens rijlessen een rol. Al deze geluidbronnen spelen geen rol van betekenis voor de beide locaties. Er bestaat geen aanleiding om hiervoor een richtafstand aan te houden.

Geur (30 meter):

Geurhinder kan ontstaan vanuit de stal waar de dieren worden gehouden en vanaf de opslaglocatie van vaste mest. Voor geurhinderaspecten is getoetst aan de eisen in het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit wordt een onderscheidt gemaakt tussen het houden van landbouwhuisdieren en het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren.

Paarden, schapen, koeien en kippen zijn landbouwhuisdieren als deze worden gehouden voor de productie van b.v. melk, vlees, wol, veren of eieren of het berijden van dieren (zoals een manege of veehouderijbedrijf). Als dezelfde dieren bij een kinderboerderij of dierentuin worden gehouden worden deze niet gezien als landbouwhuisdieren omdat deze niet voor de productie worden gehouden.

Voor het houden van landbouwhuisdieren gelden om geurhinder te voorkomen:

  • vaste afstanden voor dieren zonder geuremissiefactor (paarden, koeien)
  • een geurnorm voor dieren met een geuremissiefactor (kippen, schapen)
  • een minimale afstand tussen de gevel van de stal en de gevels van woningen.

Deze normen gelden niet als er minder dan 10 schapen (inclusief bijbehorende lammeren), 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

Voor het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren gelden geen vaste afstanden maar is opgenomen dat geurhinder moet worden voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder. Het bevoegd gezag kan hierbij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de frequentie waarbij stallen worden schoongemaakt en dierlijke meststoffen van de locatie moeten worden verwijderd.

Verder gelden voor de opslag van vaste mest (vanaf 600 m3) vaste afstanden.

Bij de locaties Haagweg 41a en Haagweg 43a worden de aanwezige paarden niet bedrijfsmatig voor de productie van vlees of het berijden gehouden. De mate van geurhinder is verder getoetst aan de eisen voor het fokken houden of trainen van vogels of zoogdieren: geurhinder moet worden voorkomen of indien niet mogelijk tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

Het aantal paarden op beide locaties is dermate beperkt (resp. max 5 en max. 4) dat bij een normale schoonmaakfrequentie van de stallen in het plangebied geen geurhinder valt te verwachten. De afstand voor geur kan hierdoor voor beide locaties met een afstandstap worden teruggebracht tot 10 meter rondom de stal. Door middel van een indicatief geuronderzoek is deze afstandsreductie onderbouwd. deze onderbouwing is opgenomen in bijlage 1 van het onderzoek bedrijven en milieuzonering.

De aanwezige vast mestopslag heeft op beide locaties een omvang van ca. 10 m3 en daarmee veel minder dan 600 m3 waardoor voor deze opslag geen vaste afstand geldt. Verder zit in paardenmest relatief veel stro waardoor van de opslag van paardenmest weinig geur valt te verwachten. De afstand voor geur kan hierdoor voor beide locaties met een afstandstap worden teruggebracht tot 10 meter rondom de mestopslag.

Gezien het bovenstaande kan om geurhinder te voorkomen de richtafstand voor geur worden teruggebracht tot 10 meter rondom de vaste mestopslag en de stal.

3.3.3 Conclusie

De aan te houden afstand tussen de woonbestemmingen en de stallen, mestopslagen en paardenbakken kan worden teruggebracht tot 10 meter zonder dat dit leidt tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen in het plangebied . Deze afstanden zijn in onderstaand figuur weergeven als een rode lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0020.png"

Gereduceerde afstanden voor geur, geluid en stof

De richtafstand van 2 stallen is gelegen over het plangebied. De richtafstand van 1 paardenbak is gelegen over het plangebied. Bij de opmaak van de planverbeelding is rekening gehouden met deze afstanden. Eveneens is rekening gehouden met vergunningsvrij bouwen door de bouwvlakken erop aan te passen.

Kopers van de gronden worden door de verkoper tijdens de bezichtiging van de gronden en door een clausule in het koop contract erop gewezen dat er naast de gronden twee buurpercelen zijn gelegen die hobbymatig paarden houden. De nieuwe bewoners kunnen dit dan ook mee laten wegen in hun aankoopbeslissing.

De aanwezigheid van het hobbymatig houden van paarden in de omgeving van het plangebied zal niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen in het plangebied.

3.4 Geluid

3.4.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.4.2 Onderzoek

Door Aqua-Terra Nova B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van woningen Haagweg 39 te Monster. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door het 60 km/uur-gedeelte van de Haagweg (na aftrek van 5 dB op grond van artikel 110 van de Wet geluidhinder). De voorkeursgrenswaarde wordt alleen overschreden ter plaatse van het meest westelijke deel van het bouwvlak (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0021.png"

Geluidscontouren Haagweg

De hoogst toelaatbare waarde van 63 dB voor stedelijk gebied (binnen de bebouwde kom) wordt niet overschreden. Voor het gedeelte van het bouwvlak waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden zijn Hogere Waarden aangevraagd bij het bevoegd gezag.

3.4.3 Conclusie

Het akoestische onderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Haaglanden en akkoord bevonden. Voor het gele gedeelte (2 woningen) is een Hogere Waarden aangevraagd. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 59 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh). 13 januari 2023 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden de hogere grenswaarden voor geluid vastgesteld (zie bijlage).

3.5 Luchtkwaliteit

3.5.1 Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 ìg/m³   2010 t/m 2014   
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 ìg/m³      
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³       
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); 
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); 
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); 
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); 
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

 

Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.5.2 Onderzoek

In voorliggende situatie gaat het om de realisatie van 9 nieuwe woningen (waarvan één bestaande wordt gesloopt). In de rapportage is rekening gehouden met 8 woningen. Berekend is dat de planbijdrage maximaal (afgerond) 69 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Met behulp van de NIBM-Rekentool is berekend dat een dergelijke bijdrage niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een impressie van de uitkomst is weergegeven in onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0022.png"

Impressie van de uitkomsten van NIBM-Rekentool

3.5.3 Conclusie

Omdat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is in voorliggende situatie geen nader onderzoek noodzakelijk.

3.6 Externe veiligheid

3.6.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.


Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.6.2 Onderzoek

Inleiding

Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.


In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.


In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.


Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden.


Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend.


Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven.


In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl ) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen BEVI inrichtingen aanwezig zijn. Binnen het plangebied wordt geen vestiging van nieuwe bedrijven die onder het BEVI vallen mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0023.png"

Uitsnede risicokaart

Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen.


De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd.


Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.


Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in
werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling).
Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).


Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.


In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water vindt niet plaats in of in de omgeving van het deelgebied.


Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.


De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.


Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording:

  • 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of
  • 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Vanwege de aanwezigheid van een hoge druk aardgastransportleiding (79,9 bar en 12,2 inch) nabij het plangebied, is op het plangebied het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) van toepassing. In onderstaande tabel zijn de eigenschappen van deze leiding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0024.png"

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is geheel afhankelijk van technische specificaties aan de leiding, en is daarom in de huidige situatie gelijk aan de toekomstige. Uit de berekeningsresultaten volgt dat binnen het plangebied van Westmade nergens sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van het plaatsgebonden risico (1 x 10-6). Dit vormt daarmee geen belemmering voor dit plangebied.

Groepsrisico

Ten behoeve van de bouw van ten hoogste acht woningen op de locatie Haagweg is een berekening groepsrisico Westmade uitgevoerd (Berekening groepsrisico Westmade 1b, Stadsgewest Haaglanden bureau externe veiligheid, datum 30 maart 2011). De resultaten hiervan zijn hieronder verwoord en in beeld gebracht.

Huidige situatie

In de huidige situatie is geen sprake van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. De maximale overschrijdingsfactor voor dit tracé is gelijk aan 0.080 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 1020.00 en stationing 2020.00 (zie afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0025.png"

Kilometer met de maximale overschrijdingsfactor in de huidige en toekomstige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0026.png"

FN curve voor A-617 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 1020.00 en stationing 2020.00 - huidige en toekomstige situatie.

Toekomstige situatie

Het plan voorziet in een kleine toename van de personendichtheid langs de leiding (8 woningen ~ 19 personen). Hierdoor kan het groepsrisico stijgen. Uit de berekeningen blijkt dat in de toekomstige situatie de maximale overschrijdingsfactor binnen het plangebied gelijk aan 0.080 blijft. Deze blijft dus ook onder de oriëntatiewaarde. Deze maximale overschrijdingsfactor bevindt zich op dezelfde locatie als in de huidige situatie (zie afbeelding)

Toename groepsrisico

Er is geen sprake van een toename van het rekenkundige groepsrisico. De nieuwe woningen hebben geen invloed op de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Het is belangrijk om regionale brandweer voorafgaand aan de te doorlopen planologische procedures in de gelegenheid te stellen om een advies te geven over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Explosieven

Op de Explosievenkaart van de gemeente Westland zijn gebieden aangegeven waar een verhoogd risico aanwezig is van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. De kaart geeft in grove lijnen verdachte gebieden aan, maar geeft geen indicatie van de aard, omvang en risico. Uit de explosievenkaart van de gemeente Westland blijkt eveneens dat er het plangebied geen verdachte locatie is voor wat betreft explosieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0027.png"

Uitsnede Explosievenkaart Westland

3.6.3 Conclusie

De hoogte van het groepsrisico is zowel in de huidige als toekomstige situatie lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (0,080). Het groepsrisico neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er uit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen bestaan.

Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd:

  • Vluchtweg (verhogen zelfredzaamheid);
  • Voorbereiding interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid);
  • Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid).

3.7 Water

3.7.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.
  • Nationaal waterplan

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Visie Ruimte en Mobiliteit;
  • Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.


Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.

 

Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.

In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid:

  • de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol;
  • aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem;
  • het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid;
  • tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021.

Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.

De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.

De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.

De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.

 

Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:

  • de waterveiligheid;
  • het waterbeheer;
  • de waterkwaliteit;
  • het zuiveren van afvalwater.


Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.


De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:

  • 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering;
  • 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen;
  • 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden;
  • 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten:

  • Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit;
  • Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten:

  • Beleidskader omtrent water;
  • Veiligheid en waterkeringen;
  • Waterkwantiteit;
  • Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort;
  • Onderhoud en bagger;
  • Watersysteemkwaliteit en ecologie;
  • Afvalwater en riolering;
  • Klimaatadaptie.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0028.jpg"

3.7.2 Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen.

In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten.

In het plangebied komen 'geen' waterkeringen voor. Op de planverbeelding hoeft dan ook geen beschermingszone opgenomen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0029.png"

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen

Waterkwantiteit

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

In het kader van de ontwikkeling is de waterhuishouding onderzocht en gerapporteerd (Watertoets plangebied Haagweg nabij nr. 39 te Monster). Uit het onderzoek komt naar voren dat er ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling 470 m2 wateroppervlak benodigd is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0030.png"

Ten behoeve van dit project is in 2014 al 214 m² extra water gegraven dus dient er nog 256m² bij te komen. Hiervoor zijn in het plangebied twee wadi's voorzien die in totaal minimaal 76 m3 kunnen opvangen. De wadi aan de zuidzijde heeft een lengte van 63m en aan de noordzijde 73m. De wadi zuidzijde heeft een breedte van 2 meter en een capaciteit van 0,53 m3/m1. De wadi aan de noordzijde heeft een breedte van 3 meter en een capaciteit van 0,75 m3/m1. In totaal kan hiermee 33,39m³ + 54,75m³ = 88,14m³ water. Er komt per wadi een overstort richting de sloot. Er is voldoende infiltrerend vermogen in de ondergrond. (zie hieronder).

Infiltratie

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0031.png"

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen.

De hemelwaterafvoeren van de daken zullen worden aangesloten op de wadi's. De weg zal worden uitgevoerd met open (klinker) bestrating en afvoerkolken die worden aangesloten op de wadi. Afvalwater wordt aangesloten op het gemeenteriool. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.

Onderhoud en bagger

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland.
Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet.

Er gelden de volgende criteria:

  • als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn).
  • voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde.
  • voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen.

Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen.

Voor het onderhoud van de sloot aan de oostzijde zal worden uitgegaan van onderhoud vanaf het water. De bebouwingsgrens ligt hier op ruim 6 meter vanaf de beschoeiing. De sloot is hiervoor voldoende breed. De sloot aan de zuidzijde valt niet binnen het plangebied. Onderhoud hiervan dient via eigen terrein te gebeuren. Er wordt voldoende afstand gehouden tussen de slootkant oostzijde en bebouwing om onderhoud te plegen. Het onderhoud van de sloot en de wadi's zal worden geregeld in de statuten van de, door bewoners op te richten, Vereniging van Eigenaren. Er is een beheerplan opgesteld voor de wadi's waarin o.a. is opgenomen de frequentie en het type onderhoud per jaar, type beplanting wat is toegestaan en geadviseerd aan de bewoners. De eerste aanleg wordt door de opdrachtgever verzorgd.

Bodem en grondwater

Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. De peilhoogte van de begane grond ligt min. 1 meter boven het waterpeil oppervlaktewater van 0,43 – NAP.


Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige ontwikkeling worden geen ondergrondse werken worden gebouwd.

Afvalwater en riolering

De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en de nog te bouwen woningen zullen worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke.

Bij de verkoop van de kavels zal het toepassen van een regenopslag (ton o.g.) en/of het toepassen van een groendak worden geadviseerd. De bestrating in het plan wordt waterdoorlatend uitgevoerd of wordt aangesloten op de wadi's en de parkeerplaatsen worden voorzien van groen/beplanting.

3.8 Bodem

3.8.1 Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Wet bodembescherming  

De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen:

  • a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;
  • b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;
  • c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

3.8.2 Onderzoek

Door Lawijn is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Haagweg 39 te Monster (sectie I, nummers 3004 en 3007 (zie onderzoeksgebied)). Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de NEN 5740 en de NEN 5707 / NEN 5897. Het gaat om rapportnummer: 21.4633-A1, september 2021.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0032.png"

Onderzoekslocatie Haagweg

3.8.3 Conclusie

Na toetsing van het rapport door de Omgevingsdienst Haaglanden blijkt dat de locatie voldoende is onderzocht. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik.

3.9 Ecologie

3.9.1 Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.


Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.


Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.


In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

  • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
    beschermd via de vogelrichtlijn;
  • Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.


Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0033.png"

Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten:

  • 1. Achterwege gelaten worden, of
  • 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
  • 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt


Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.9.2 Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling is door Aqua-Terra Nova een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Hieronder volgen de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek:

3.9.2.1 Gebiedsbescherming

Bij gebiedsbescherming wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

Natura 2000-gebieden

Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bevindt zich op circa 60 meter naast de noordwestelijke kant van het plangebied, zie figuur. Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark & Wapendal' is gelegen op circa 4,3 km afstand ten noordoosten van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0034.png"

Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevinden zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora.

Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark' is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. 'Wapendal' bestaat uit oud duin met struikheivegetatie.

De werkzaamheden hebben vanwege de korte afstand en de aard van de werkzaamheden mogelijk negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Negatieve effecten aan het Natura 2000-gebied kunnen niet worden uitgesloten.

Uit de ecologische voortoets uitgevoerd in 2016 (kenmerk 216008AQT301dFFML) kwam naar voren dat de volgende verstoringsfactoren (significant) negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten:

  • Oppervlakteverlies;
  • Versnippering;
  • Verzuring door N-depositie uit de lucht;
  • Vermesting door N-depositie uit de lucht;
  • Verzoeting;
  • Verzilting;
  • Verontreiniging;
  • Verdroging;
  • Vernatting;
  • Verandering stroomsnelheid;
  • Verandering overstromingsfrequentie;
  • Verandering dynamiek substraat;
  • Verstoring door geluid;
  • Verstoring door licht;
  • Verstoring door trilling;
  • Optische verstoring;
  • Verstoring door mechanische effecten;
  • Verandering in populatiedynamiek;
  • Bewuste verandering soortensamenstelling;

Wel moet in het kader van de stikstofdepositie een berekening gemaakt moet worden met behulp van AERIUS.

Stikstofdepositie

Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NOX (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot In Nederland is in 118 van de 161 Natura 2000-gebieden, de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Een passende beoordeling (zie bijlage) en een stikstofdepositie berekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden is door Aqua-Terra Nova uitgevoerd (zie bijlage).

Wnb vergunning

Op basis van deze passende beoordeling en bijgevoegde stikstofdepositie berekeningen kan gesteld worden dat enkel op het vlak van stikstofdepositie het project invloed uitoefent op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.

Door middel van intern salderen (de huidige woning Haagweg 39 wordt gesloopt) komt depositieruimte vrij die zorgt dat er verder geen negatief effect is op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Daarnaast komt uit de vergelijkberekening van het huidige gebruik met het toekomstige gebruik, dat de stikstofdepositie in de toekomst permanent daalt met 0,28 mol/ha/jaar tot een substantieel lager niveau. Dit is gunstig voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Op basis van de Beschikking Wnb van 6 oktober 2021 (zaaknummer 00611360 zie bijlage) is gebleken dat er geen vergunning verleend behoeft te worden. Het project is sinds het in werking treden van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 niet meer vergunningplichtig.

Porthos uitspraak

Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de 'Porthos-uitspraak' geoordeeld dat de partiële (stikstof) bouwvrijstelling niet mag worden toegepast bij (bouw) projecten (ECLI:NL:RVS2022:3159). Ondanks dat er sprake is van een positieve weigering is er toch een nieuwe stikstofdepositieberekening uitgevoerd door AQUA-TERRA NOVA van 27 maart 2023 (zie bijlage rapport 20066/AQT301g/RS).

Door de huidige woning Haagweg 39 te slopen wordt gebruik gemaakt van intern salderen. In de rapportage wordt uitgegaan van een fasering van de sloop, bouw en gebruiksfase. De sloopfase, bouwfase en gebruiksfase wordt als volgt gefaseerd:

  • Huidige situatie (2022)
  • Sloop huidige woning, bouw drie woningen en in gebruik nemen drie woningen (2023)
  • Bouw drie woningen en in gebruik zes woningen (2024)
  • Bouw drie woningen en in gebruik negen woningen (2025)
  • Gebruiksfase, in gebruik name van negen woningen (2026)

Op basis van de berekeningen kan gesteld worden dat er tijdens geen van de fasen een toename is van stikstofdepositie. In alle fasen is er sprake van een afname van stikstofdepositie.

Onderzoek zonder souterrain

Vanwege het handhavingstraject tegen het souterrain is er een nieuw stikstofonderzoek uitgevoerd (11 december 2023 rapportnummer 20066/AQT301h/RS). In de nieuwe stikstofberekening is het souterrain niet meegenomen bij de referentiesituatie van de huidige woning:

Bij de woning is een illegaal souterrain. Het gebruik hiervan is sinds 2018 verboden en er wordt daarom ook geen gas voor verbruikt voor dat gedeelte van de woning. Voor 2018 werd het souterrain beperkt gebruikt. Wanneer er naar verhouding van radiatoren in het gebouw gekeken wordt is circa 16% van het gasverbruik toe te schrijven aan het souterrain. Dit is een overschatting van het gasverbruik.

Dit stikstofonderzoek toont aan dat er ook in het geval het souterrain niet word meegenomen in de berekening er in geen van de fasen een toename is van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Het plan heeft geen significante gevolgen voor de nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Ecologische verbindingszones

Het plangebied is gelegen aan de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie figuur. Het betreft het gebied 'Solleveld'. Het NNN kent geen externe werking, wat betekent dat de nabije gelegenheid van het plangebied geen effect zal hebben op het NNN. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0035.png"

Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.

3.9.2.2 Soortbescherming

Bij soortbescherming worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn.

Vaatplanten 

Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van de Nationale Databank en het gebruik van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.

Vogels

Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als jaarrond beschermde broedende vogels en soorten uit categorie 5.

Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van Haagweg 39 de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen. Tijdens het veldbezoek is naar voren gekomen dat het plangebied niet geschikt is voor deze soorten. Er zijn wel aanwijzingen van vogelnesten gevonden maar het wordt onwaarschijnlijk geacht dat deze aan huismussen of gierzwaluwen toebehoren. Tijdens het veldbezoek zijn er geen huismussen in de omgeving waargenomen of gehoord. Huismussen zijn afhankelijk van een aantal habitatelementen in de omgeving van hun verblijfplaats. Essentiële habitattypen die niet in het plangebied voorkomen zijn onder andere groenblijvende struiken en/of klimplanten direct nabij de mogelijke verblijfplaatsen en stilstaand water om in te badderen. Voldoende zaadplanten in de omgeving of bewoners die de vogels voeren zijn tevens afwezig. Er zijn geen structuren waargenomen, in de vorm van gaten en kieren in de bouwwerken waarin rust- en/of verblijfplaatsen van gierzwaluwen voor kunnen komen. De aanwezigheid van huismussen en gierzwaluwen kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Een aantal roofvogels en uilen hebben ook een jaarrond beschermde verblijfplaats. Er zijn geen nesten van roofvogels binnen het plangebied aangetroffen. Er zijn ook geen hoge bomen aanwezig in het plangebied die van nesten kunnen voorzien. Tevens zijn er geen sporen, in de vorm van krijtstrepen of prooiresten aangetroffen. De aanwezigheid van roofvolgels en uilen kan, gezien de ongeschiktheid van het plangebied en de afwezigheid van sporen, uitgesloten worden binnen de grenzen van het plangebied. Direct naast het plangebied staan echter grote bomen die mogelijk tot het leefgebied van roofvogels behoren. Er broedt vermoedelijk een ransuil in het bosje ten noorden van het plangebied. Hiervoor dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Vogels uit categorie 5

Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten: bosuil, ekster, koolmees, pimpelmees, groene specht en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied. Echter is er in de omgeving voldoende alternatief en zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen. Wel zijn de vogels en hun nesten beschermd tijdens het broeden. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Algemene (broed)vogels

In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals grasmus, braamsluiper, houtduif, roodborsttapuit, boompieper, tjiftjaf, boomleeuwerik, zwartkop, spreeuw en kauw. Het groen in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels.

Er zijn aan de zuidelijke kant van het huis uitwerpselen van vogels gevonden die duiden op de aanwezigheid vogels. De bewoner van de woning heeft aangegeven dat ganzen uitrusten op de schoorsteen en dakrand. Hierbij vallen hun uitwerpselen op de muur en grond onder de schoorsteen en het dak. Voor zover verwachten we geen broedende vogels in de bebouwing. In het groen kunnen wel vogels tot broeden komen. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden. Er wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen (wat grofweg van maart t/m juli is) te werken (bv. verwijderen van groen). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen. Het voorkomen van strikt beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor de nationaal beschermde zoogdiersoorten haas, woelrat, dwergspitsmuis, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, vos, egel en konijn. Ook kunnen er binnen het plangebied algemene zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat. Voor nationaal beschermde zoogdiersoorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.

Verblijfplaatsen

Het huis is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten maken gebruik van kieren en gaten in huizen, die zijn aangetroffen binnen het plangebied. De aanwezigheid van laatvlieger wordt uitgesloten omdat de aanwezige kieren en gaten niet groot genoeg zijn voor deze grotere vleermuissoort. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is noodzakelijk.

In het plangebied zijn geen bomen aanwezig die geschikte holtes bevatten voor boombewonende vleermuizen zoals de watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kan worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0036.png"

Een dak overstek en zonnewering die geschikt kunnen zijn voor vleermuizen.

Foerageergebied en vliegroute

Sommige vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren, zoals watergangen en bomenrijen, als vliegroute. Andere vleermuizen zijn minder afhankelijk van dit soort structuren. Het plangebied bevat geen geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen.

Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Er is echter voldoende alternatief aanwezig in de omgeving, met name het natuurgebied Solleveld. Door de werkzaamheden zal geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De zorgplicht tijdens werkzaamheden blijft wel van kracht.

Amfibieën

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat de strikt beschermde rugstreeppad in de omgeving van het plangebied voorkomt. De rugstreeppad betreft een pioniersoort die zich snel kan vestigen op bouwterreinen met vergraafbare grond en bouwmaterialen om onder te schuilen. De geplande werkzaamheden maken het plangebied geschikt als leefgebied voor deze soort. Er dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van de vestiging van de rugstreeppad. Als deze zich eenmaal heeft gevestigd in het plangebied, dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

De ruigtes/groenstroken en watergangen in het plangebied zijn ook geschikt voor algemene amfibieënsoorten (beschermd volgens art. 3.10 Wet natuurbescherming) als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.

Reptielen

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied de (strikt) beschermde zandhagedis voorkomt. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden met een mozaïek van rijk gestructureerde dwergstuikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, 'kale' grond en plekken met open zandgrond. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat, het intensive gebruik en onderhoud van het plangebied wordt de zandhagedis redelijkerwijs niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming.

Vissen

Uit de landelijke verspreidingsgegevens blijkt dat in de omgeving van de het plangebied geen (strikt) beschermde vissoorten voorkomen. De aanwezigheid van (strikt) beschermde vissoorten kan worden uitgesloten. De watergang in het plangebied is geschikt voor algemene vissoorten. De geplande werkzaamheden hebben geen effect op de mogelijk aanwezige (strikt beschermde) vissoorten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming.

Overige beschermde soorten

Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming.

Rode-lijst soorten die in de omgeving voorkomen zijn bruin blauwtje, kleine parelmoervlinder, heivlinder en blauwvleugelsprinkhaan. De vochtige duinvalleien zijn regionaal van belang voor zwervende, tang- en tengere pantserjuffers en in sommige jaren voor de zuidelijke glazenmaker. Het plangebied voorziet voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming.

De rode Amerikaanse rivierkreeft is in 2020 waargenomen in de omgeving van het plangebied. Deze soort betreft een uitheemse rivierkreeft in Nederland en het uitzetten van uitheemse rivierkreeften is zowel onder de Visserijwet als de Europese exotenverordening verboden. Onder de genoemde verordening is het ook niet toegestaan uitheemse rivierkreeften te verplaatsen naar andere wateren of watergangen. Uitheemse rivierkreeften hebben een negatieve invloed op de biodiversiteit in Nederland. Ze woelen de bodem om en zorgen voor vertroebeling van het water, dit kan leiden tot het afsterven van waterplanten en algenbloei. Ook eten ze watervegetatie op of knippen deze weg.

Indien er tijdens de werkzaamheden uitheemse rivierkreeften aangetroffen worden, dienen deze naderhand en in hetzelfde water terug geplaatst te worden. Indien dit niet mogelijk is, dienen de uitheemse rivierkreeften op humane wijze te worden gedood.

Overzicht beschermde soorten

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0037.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0038.png"

3.9.2.3 Aanvullende notitie veldinventarisatie Haagweg 39 te Monster (zie bijlage)

Naar aanleiding van de eco effectscan is er een aanvullende veldinventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van vogels en amfibieën. Op basis van de veldinventarisaties kan worden gesteld dat er geen roofvogels of uilen in het plangebied aanwezig zijn. Het is mogelijk dat de torenvalk het grasveld binnen het plangebied gebruikt om zo nu en dan een muis te verschalken, er is echter aan de overzijde van de Haagweg in het duingebied van 'Solleveld' en in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig.

De bosschages grenzend aan het onderzoeksgebied zijn zo goed mogelijk doorzocht op sporen van uilen of roofvogels zoals oude kraaiennesten, krijtstrepen langs bomen die roestplaatsen aangeven of braakballen. Deze zijn niet aangetroffen. Om meer zekerheid te verkrijgen over het voorkomen van uilen is ook 's-avonds gezocht naar jagende uilen. Deze zijn niet waargenomen.

In de woning aan de Haagweg 39 zijn op dit moment geen broedende vogels aanwezig.

Er zijn geen sporen van rugstreeppadden waargenomen en het voorkomen van deze amfibieënsoort kan worden uitgesloten door het gebrek aan vergraafbaar zand en waterplassen. Om vestiging te voorkomen bij het bouwrijp maken van de kavel zullen paddenschermen en -roosters worden geplaatst.

Bij de nieuwbouw zal met de uitvoerders worden gesproken over het aanbieden van nieuwe nestgelegenheid binnen de nieuwbouw voor de huiszwaluw.

3.9.2.4 Aanvullende notitie vleermuizen (zie bijlage)

Naar aanleiding van de eco effectscan is er door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een aanvullende veldinventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Uit de inventarisatie blijkt dat er drie soorten vleermuizen zijn aangetroffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0039.png"

Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties in Haagweg 39 in 2022

Op basis van de inventarisatie kan het volgende worden gesteld:

  • In het plangebied zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen;
  • Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan de bebouwing in het plangebied worden gekoppeld;
  • het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen 'essentieel' deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken;
  • Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb.
3.9.3 Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt ecologie geen belemmering voor de planontwikkeling. Voor het overige gelden de volgende adviezen:

Broedvogels

Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden.

Vleermuizen

Geadviseerd wordt om de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden.

Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen.

Rugstreeppad

In het nabijgelegen Natura 2000-gebied Solleveld en Kapittelduinen komen rugstreeppadden voor. Hoewel het plangebied in de huidige situatie ongeschikt is als leefgebied voor de rugstreeppad, kan deze zich wel vestigen tijdens de werkzaamheden indien het plangebied geschikt wordt. Juveniele padden kunnen afstanden tot wel vijf kilometer afleggen op zoek naar geschikt leefgebied. Bouwterreinen vormen vaak ideaal leefgebied voor rugstreeppadden. In bouwterreinen is vaak een goed vergraafbare bodem aanwezig, schuilplaatsen onder bouwmateriaal, en regenplassen in sporen van zwaar materieel. In deze ondiepe plassen warmt het water snel op en is er geen concurrentie aanwezig van andere amfibieën of waterinsecten waardoor deze zeer geschikt voortplantingswater vormen. Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tijdens de winterslaapperiode van de rugstreeppad, welke loopt van november tot en met maart.

Indien dit niet mogelijk is, moeten de volgende maatregelen getroffen om vestiging van de rugstreeppad in het plangebied tijdens de werkzaamheden te voorkomen, zoals:

  • Voorkomen dat er (tijdelijke) grond- en/of zanddepots ontstaan op het werkterrein die als respectievelijk voortplantingshabitat of functioneel leefgebied van rugstreeppad kunnen functioneren;
  • Indien niet voorkomen kan worden dat grond- en/of zanddepots meer dan vier weken blijven liggen, dienen deze grond- en/of zanddepots direct na storting afgedekt te worden met landbouwplastic of aan de onderzijde een goed afsluitend zeildoek;
  • Voorkom de vorming van ondiepe plassen op het werkterrein;
  • Pas de maatregelen toe tijdens de gehele periode van de werkzaamheden, ook tijdens de winterslaapperiode, wanneer de padden overwinteren in vergraafbare grond. Er is met name extra aandacht vereist op aanwezige padden in de actieve periode maart t/m oktober.
  • Mochten ondanks de maatregelen rugstreeppadden of eisnoeren, worden gesignaleerd op het werkterrein, schakel dan zo spoedig mogelijk de hulp in van een ecologisch deskundige. De ecoloog bepaalt dan de benodigde vervolgstappen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0040.png"

ei-snoer russtreeppad rugstreeppadden

Aquatische fauna

Indien werkzaamheden aan watergangen plaatsvinden, dient dit buiten de kwetsbare periode voor aquatische fauna uitgevoerd te worden. De voorkeursperiode voor de uitvoering is begin september t/m eind oktober. Dit is ná de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën. Indien dit niet mogelijk is wordt aanbevolen om de werkzaamheden in de minder kwetsbare periode van november- februari uit te voeren. In deze periode is aquatische fauna in winterrust en zijn ze minder mobiel.

Indien er tijdens de werkzaamheden uitheemse rivierkreeften aangetroffen worden, dienen deze naderhand en in hetzelfde water terug geplaatst te worden. Indien dit niet mogelijk is, dienen de uitheemse rivierkreeften op humane wijze te worden gedood.

Zorgplicht

Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.

3.10 Cultuurhistorische aspecten

3.10.1 Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.  

De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.

Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

3.10.2 Onderzoek

Het plangebied is gelegen in een strandwallenlandschap. Dit landschap is ontstaan rond circa 4000 v. Chr. toen de zee haar grootste uitbreiding bereikte na het stijgen van de zeespiegel sinds de laatste ijstijd. De oudste strandwal markeerde de toenmalige kustlijn en ligt ter hoogte van de lijn Rijswijk-Voorburg-Leidschendam-Voorschoten. Ter plaatste van deze strandwal is de kustlijn enige tijd stabiel geweest en kon duinvorming optreden. Na 4000 v .Chr. steeg de zeespiegel niet zo snel en breidden de strandwallen zich naar het westen uit richting de zee. Het kustlandschap bestond uit een complex van langgerekte ruggen – de strandwallen – waarop zich lage duinen ontwikkelden en uit depressies – de strandvlakten. De strandwallen waren zeer geschikte bewoningslocaties vanaf het Late Neolithicum tot heden. Duingebied Solleveld, dat ten noorden van het plangebied is gelegen, is dan ook een beschermd archeologisch terrein.

In het plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd. Hierin is geconcludeerd dat de bodem van het plangebied is verstoord en dat geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit wordt bevestigd door de bodemkartering van Van Liere die in het midden van de 20e eeuw is uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat het plangebied is afgegeest. Er worden dan ook geen archeologische waarden meer verwacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02_0041.png"

In bovenstaande afbeelding is het plangebied geplot op de kaart van Van Liere (1948), waarop afgegeeste gronden zijn weergegeven.

3.10.3 Conclusie

Ten behoeve van de ontwikkeling is verder archeologisch onderzoek niet benodigd.

De meldingsplicht blijft altijd, ook voor vrijgegeven gebieden van kracht: Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Tevens wordt verzocht contact op te nemen met de gemeentelijke archeoloog, cluster Ruimte, team Omgeving en Toezicht.

3.11 Vorm vrije mer-beoordeling

Doordat artikel 2 lid 5 aanhef en onder b Besluit m.e.r. sinds 7 juli 2017 het bevoegd gezag verplicht om de artikelen 7.17, 7.17 leden 1 – 4, 7.18, 7.19 leden 1 en 2 en 7.20a Wet milieubeheer toe te passen, is het bevoegd gezag verplicht om een beslissing te nemen over de vraag of bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Bepalend voor het antwoord op die vraag is of de betrokken activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Door het bevoegd gezag is op 5 april 2022 een besluit genomen om geen milieueffectrapportage op te stellen Haagweg 39 te Monster'. Uit de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage) blijkt namelijk het volgende:

Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen duidelijke nadelige effecten optreden, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r. (- beoordeling) noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008).

Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen (Begrippen)

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten (Wijze van meten)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • doeleindenomschrijving (gebruiksregels); 
  • bouwregels; 
  • nadere eisen; 
  • afwijkingsregels.

 

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

 

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

 

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

 

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

 

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.WZHAAGWG39MONobp-VA02

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2 Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

4.2.1 bestemming 'Groen'

De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groen. Binnen deze bestemming mag geen bebouwing worden opgericht. Voor een deel van het groen wordt een inrichtingsplan bestemming 'Groen' als bijlage bij de regels gevoegd.

4.2.2 Bestemming 'Water'

De gronden binnen de bestemming 'Water' zijn bestemd voor waterlopen en waterpartijen, waterberging, sierwater, groenvoorzieningen, bruggen en overige bij de bestemming horende voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

4.2.3 Bestemming 'Wonen'

Op de gronden met de bestemming 'Wonen' zijn woningen toegestaan met daarbij behorende erven en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken. Het maximum aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte van de woningen is middels een aanduiding op de verbeelding weergegeven.

'specifieke bouwaanduiding - 1'  

Uit het onderzoek 'Bedrijven & Milieuzonering Haagweg 39 te Monster' van 21 december 2022 (20066AQT304bPBBMZV03) volgt dat de aan te houden afstand tussen de woonbestemmingen en de stallen, mestopslagen en paardenbakken kan worden teruggebracht tot 10 meter zonder dat dit leidt tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen in het plangebied.

Om nu ook uit te sluiten dat er vergunningsvrij mantelzorg binnen de richtafstand van 10 meter kan komen is er een voor een kleine zone van het plangebied een specifieke bouwaanduiding – 1 opgenomen op de planverbeelding en in artikel 7.1 lid c en d van de planregels is bepaald dat het aangeduide gebied geen gebouwerf is, als bedoeld in bijlage IA behorende bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Aan-huis-gebonden-ondernemingen

Aan-huis-gebonden-ondernemingen zijn als ondergeschikte functie onder voorwaarden bij de hoofdfunctie toegestaan. Zo mag onder andere de omvang niet meer bedragen dan 25% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van het hoofdgebouw met een maximum van 50m2 per woning.

4.2.4 Bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonerven, woonstraten, pleinen en speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, parkeerplaatsen, bermen en groenvoorzieningen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Grondexploitatiewet is een onderdeel van de Wro. In de Grondexploitatiewet is een regeling opgenomen ten aanzien van onder andere het kostenverhaal, de binnenplanse verevening en de te stellen locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie.

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit waar in bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden.

Voor het bestemmingsplan is geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening opgesteld, omdat de kosten voor het realiseren van het plan, die verhaald dienen te worden, op een andere wijze is voorzien. Met de grondeigenaar is een anterieure overeenkomst gesloten. Eventuele vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, is in de overeenkomst opgenomen.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Overleg

In de periode van 18 maart 2022 t/m 22 april 2022 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd:

  • Provincie Zuid-Holland
  • Hoogheemraadschap van Delfland
  • Omgevingsdienst Haaglanden
  • Evides

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in de bijlage 'reacties wettelijk vooroverleg' van deze toelichting.

5.2.2 Zienswijzen

Van vrijdag 21 oktober 2022 tot en met donderdag 1 december 2022 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn 3 zienswijzen ingediend.

De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar de bijlage van deze toelichting.