direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Madeweg 44A Monster
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De woning Madeweg 44A te Monster is sinds 1986 niet meer als agrarische bedrijfswoning in gebruik. Naar aanleiding van het voorgaande heeft de eigenaar van voornoemde woning de toenmalige gemeente Monster verzocht de agrarische bestemming van de woning te wijzigen in woondoeleinden. Op 18 februari 1999 is door het college van gemeente Monster besloten de raad voor te stellen de bestemming te herzien zoals gevraagd.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de Westlandse Zoom. Naar aanleiding van de ontwikkeling van de Westlandsezoom plannen is door de gemeente in het jaar 2003 voorkeursrecht op ondermeer het voorliggende perceel gevestigd. In 2011 is dit voorkeursrecht niet meer verlengd en komen te vervallen en is door de gemeente afgezien van woningbouwplannen op de voorliggende locatie. Vanuit de Westlandse Zoom bestaan geen belemmeringen meer tegen het voorliggende bestemmingsplan.

In navolg van het voorgaande is door de aanvrager een verzoek gedaan om de huidige bestemming van het perceel van de woning Madeweg 44A te Monster en het achtergelegen perceel over een oppervlakte van ca. 1.018 m2 te herzien in de bestemmingen Tuin en Wonen. Hierbij wordt de hoeveelheid aan bijgebouwen binnen het plangebied teruggebracht tot ca. 75 m2. en is de gedeeltelijk op het perceel gelegen toegangsweg van het achtergelegen bedrijf Madeweg 44 te Monster buiten de bestemmingsplan herziening gehouden.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de Westlandse Zoom op een stuk grond gelegen in het aan de noordzijde van de Madeweg gelegen bebouwingslint kadastraal bekend gemeente Monster, sectie I nummers 1900 en 2268.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0001.jpg"

Luchtfoto ligging percelen

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plan is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan 'Monster Noord'. Volgens voormeld bestemmingsplan geldt ter plaatse van de gronden waarop het project is gesitueerd ingevolge artikel 9 de bestemming ”Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen -UW-”.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0002.jpg"

fragment plankaart vigerend bestemmingsplan

Ingevolge artikel 9. lid 1.1 zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. woondoeleinden;

b. maatschappelijke doeleinden;

c. recreatieve, sportieve en verenigingsdoeleinden;

d. verkeersvoorzieningen;

e. nutsvoorzieningen;

f. groenvoorzieningen,

g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

h. geluidwerende/-afschermende voorzieningen;

i. en andere tot een woongebied behorende voorzieningen;

met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken. Ingevolge artikel 9. lid 3.1. dienen Burgemeester en wethouders met inachtname van bij het bestemmingsplan gegeven regels overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ( i.c. de in lid 1.1 bedoelde bestemmingen uitwerken .

Gelet op de leeftijd van het vigerende bestemmingsplan is er in de voorliggende situatie voor gekozen om ipv een uitwerkings- een bestemmingsplan op te stellen.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040 

De op 17 december 2013 vastgestelde Structuurvisie Westland 2020 en Perspectief 2040 bieden het ruimtelijk toekomstig ruimtelijk kader van de gemeente in woord en beeld. In het in dialoog met de samenleving tot stand gekomen perspectief 2040 staan de ambities en kernwaarden met het hieraan gekoppelde toetsingskader voor de ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente Westland beschreven. Naast de ruimtelijke vertaling op hoofdlijnen bieden voormelde documenten ook de onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente op de gebieden water en groen, verkeer en vervoer, wonen, de glastuinbouwsector en economische voorzieningen.


afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0003.jpg"

Relatie met het plangebied 

Volgens de vastgestelde structuurvisie is het plangebied aangewezen als te ontwikkelen woongebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0004.jpg"

fragment structuurvisiekaart met ligging plangebied

Binnen voornoemd gebied kan het bestemmingsplan nader uitgewerkt worden ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw. De voorgestane herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van het wonen past hier binnen.

2.1.2 Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Haaglanden 2020

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc..

De vraag naar woningen, bedrijven en kantoren houdt aan, maar de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied gaat al snel ten koste van het groen, de Greenport of de ruimte voor water. Dit betekent dat deze ruimte in het bestaande stedelijke gebied gevonden moet worden en efficiënt moet worden gebruikt. Een woning binnen gebied aangewezen als ontwikkelgebied (kaart Ontwikkelbeeld 2030 wonen en werken) past binnen het regionale beleid.

2.1.3 Provinciaal beleid

Algemeen

De Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland (geconsolideerd, in werking per 12 januari 2017) biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld maar een perspectief voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Zuid Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt en bevat voldoende flexibiliteit om in ruimtelijke ontwikkelingen te reageren op maatschappelijke initiatieven.

In de visie zijn vier rode draden aangegeven welke richting geven aan de gewenste ontwikkelingen vanuit de provincie namelijk:

  • 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. Vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Verordening ruimte 2014 (geconsolideerd, in werking per 12 januari 2017)

Voor het uitvoeren van het provinciaal ruimtelijk beleid heeft de provincie vier instrumenten vastgesteld waarvan de Visie Ruimte en Mobiliteit en de Verordening ruimte 2014 er een zijn. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Het projectgebied is op de kaart behorende tot de genoemde verordening ondermeer aangewezen als 'Glastuinbouw'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0005.jpg"

Programma ruimte (geconsolideerd, in werking 12 januari 2017)

Volgens de Verordening ruimte moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vast te stellen Programma ruimte staan. Daarmee ligt het eindoordeel over omvangrijke verstedelijking buiten BSD bij PS. Indien in regionale visies of bestemmingsplannen locaties worden opgenomen buiten bestaand stads- en dorpsgebied die groter zijn dan 3 hectare, dienen die dus door PS in het Programma ruimte te worden opgenomen, voor zover zij daar al niet in opgenomen zijn. Bij een verschil tussen het Programma ruimte en de regionale visie, is het programma leidend.

Daarop vooruitlopend, staan in dit Programma ruimte kaarten en tabellen met woningbouwlocaties en plannen/reserveringen voor bedrijventerreinen buiten BSD groter dan 3 ha. Het betreft zowel “harde” als “zachte” capaciteit. De kaart is voorzien van een overzicht met de namen van de plaatsen en plannen en met de oppervlaktes van de locaties. In de voorliggende situatie maakt het plangebied van 1.132m2 onderdeel uit van het meer dan 3 hectare groot zijnde woongebied de Westlandse Zoom.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0007.jpg"

Fragment kaart en tabel programma ruimte woningbouwlocaties en bedrijventerreinen buiten BSD (3 tot en met 8 hectare)

2.1.4 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0008.jpg" 

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

2.1.5 Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen het overheidsbeleid.

2.2 Gebiedsvisie

De Madeweg is een doorgaande polderweg waarlangs bomen staan en is ontstaan op laaggegelegen en nattere poldergedeelten. Het plangebied maakt deel uit van de tussen de sportvelden en het terrein van Westerhonk (zorginstelling) gelegen bebouwing en is in het verleden glastuinbouwgebied geweest. De in het bebouwingslint achtergebleven voormalige tuinderswoningen met hierin inmiddels ook een aantal nieuwe woningen kenmerken zich door een sprongsgewijze oriëntatie op de Madeweg. Hierdoor is een soort getrapte, wigvormige rooilijn langs de weg ontstaan waarvan het karakter dusdanig waardevol is dat dit behouden dient te worden.

Momenteel zijn de kassen deels gesloopt om ruimte te maken voor de woningbouwontwikkelingen van Monster Noord (onderdeel van de Westlandse Zoom). Het plangebied is gelegen naast een uitleglocatie zoals beschreven in de structuurvisie Westland 2025. Vanuit de Westlandse Zoom zijn er geen bezwaren tegen het omzetten van deze voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning.

2.3 Ruimtelijke aspecten

Ter behoud van het voornoemde wigvormige karakter van de voortuinen verkrijgt het bestaande hoofdgebouw een bouwvlak gelegen evenwijdig aan de situering van de woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0009.jpg"

Impressie ruimtelijke invulling plangebied

Standaard worden in voorliggende gevallen toekomstige (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden aan de achterzijde van een bestaande woning geboden. Gelet op de vorm van de kavel alsmede de bijzondere positionering van de bestaande woning is er in de voorliggende situatie er voor gekozen om ruimte voor uitbreiding te zoeken aan de zijkanten en het nog niet ingevulde gedeelte aan de voorkant van de bestaande woning. Vanwege het behoud van het vrije zicht op het hoofdgebouw is het van belang dat de voortuin evenwijdig aan de Madeweg komt te liggen.

2.4 Verkeer

Westlands Verkeers- en Vervoersplan

In de ontwikkelingsvisie Greenport Westland zijn de beleidslijnen voor de lange termijn aangegeven voor de gehele gemeente. Met de relevante onderdelen van deze visie is het vervoersplan als sectorale nota vastgesteld. Met dit beleidsdeel, vastgesteld door de raad van de gemeente op 28 november 2006, wordt aangegeven welke richtingen de gemeente Westland de komende jaren opgaat en wordt het beleid van de 'oude' gemeenten geharmoniseerd. Het Westlands Verkeers- en Vervoersplan (WVVP) dient meerdere doelen, het uitwerken van de in de Greenport gestelde kaders en het schetsen van kaders voor de toekomst op het gebied van verkeer en vervoer.


Parkeren

Parkeren vindt plaats op het eigen perceel. Op het woonperceel is voldoende parkeerruimte voor bewoners en bezoekers aanwezig. De woning wordt via de bestaande in- /uitrit ontsloten op de Madeweg.

 

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Bedrijven en milieuzonering

3.1.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

3.1.2 Onderzoek

In de directe omgeving van de om te zetten percelen naar wonen zijn volgens de planverbeelding planologisch gezien wonen, glastuinbouwbedrijven, sport (manege) en bedrijven toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0010.jpg"

Fragment plankaart

Gemengd gebied

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Zoals vermeld zijn in de directe omgeving van de in duurzaam glastuinbouwgebied gelegen, om te zetten percelen planologisch gezien wonen, glastuinbouwbedrijven, sport (manege) en bedrijven toegestaan. Gelet op het voorgaande kan het gebied ten aanzien van bedrijven en milieuzonering beschouwd worden als gebiedstype 'Gemengd'.

Wonen

Ten aanzien van omringende woonbestemmingen hoeft vanuit bedrijven en milieuzonering geen rekening gehouden te worden.

Glastuinbouwbedrijven

Voor de milieuzonering van glastuinbouwbedrijven ten opzichte van woningen wordt conform de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als richtlijn - categorie 2 toegepast. Het plan is gelegen in het buitengebied waardoor het gebied getypeerd kan worden als 'Gemend gebied'. Volgens de brochure moet dan een richtafstand van 10 meter aangehouden worden. In de planregels is een afstand van 12,5 meter (10 meter + 2,50meter vergunninsvrij) opgenomen om een goed woon- en leefklimaat voor de nieuw op te richten woningen te garanderen.

Sport

Voor de manege gelden op grond van bedrijven en milieuzonering afstandseisen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (o.a. paarden) geldt voor buiten de bebouwde kom en gebiedstype gemengd gebied een eis van 30 meter tussen een emissiepunt en een geurgevoelig object. De afstand van de woning Madeweg 44a te Monster tot aan het dichstbijzijnde emissiepunt van de manege bedraagt ca. 48 meter.

Bedrijf

Aan de zuidzijde van het plangebied is een perceel gelegen met de bestemming 'Bedrijf met functie aanduiding opslag' . Volgens de regels en de toelichting van het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Boomawatering' gaat het om een bedrijf tot ten hoogste milieucategorie 2. De afstand tussen de woning en de grens van de bedrijfsbestemming is ca. 75 meter en voldoet op de van toepassing zijnde richtafstanden van de VNG brochure.

3.1.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.2 Geluid

3.2.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.2.2 Onderzoek

Ten behoeve van het plan zijn de milieuaspecten beoordeeld. Uit de beoordeling is niet gebleken dat er sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Het plan stuit niet op bezwaren vanuit de Wet geluidhinder, er is geen procedure vaststelling hogere waarden en verder onderzoek nodig.

3.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.3 Water

3.3.1 Wettelijk kader

Watertoets

Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is een verplichte watertoets in het leven geroepen. In de watertoets komen verschillende waterthema's aan de orde, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw oppervlaktewater. Het doel van de watertoets is een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen te bewerkstelligen. Wanneer knelpunten in de projectvoorbereiding worden gesignaleerd moeten er alternatieve en/of compenserende maatregelen worden genomen in de planontwikkeling en uitvoering. De waterstudie is opgesteld volgens de “Handreiking Watertoets” en de Beleidsnota “Beperken en voorkomen wateroverlast” (2016) van het Hoogheemraadschap van Delfland (www.hhdelfland.nl/watertoets).

Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast

Op nationaal niveau (Nationaal Bestuursakkoord Water 2011) zijn afspraken gemaakt over het voorkomen van wateroverlast. Het doel van het Bestuursakkoord is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De normen van de provinciale waterverordening (2009) geven aan waar de regionale wateren, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit, op ingericht moet zijn. Provincie en waterschappen hebben vervolgens samenwerkingsafspraken gemaakt over de realisatie van de doelen in de waterverordening en vastgelegd in de Wateragenda 2012 - 2015. Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit.

De Beleidsnota “Beperken en voorkomen wateroverlast” (2016) van het Hoogheemraadschap van Delfland bevat het beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Hiervoor is een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak uitgewerkt. De aanpak houdt in dat Delfland in nauwe samenwerking met de partners in het gebied op zoek gaat naar doelmatige oplossingen om wateroverlast te beperken en te voorkomen. De aanpak is ook gericht op samenwerking en op oplossingen in “de weg van het water” (vasthouden, bergen en afvoeren) die bijdragen aan een beter functionerend watersysteem.

Met het vaststellen van de beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast komen de Nota Normering Wateroverlast (2005) en het Kaderdocument Vasthouden en Bergen (2008) te vervallen. Deze documenten zijn bij inwerkingtreding van de Beleidsnota ingetrokken. In de huidige Handreiking Watertoets voor gemeenten zijn al beoordelingscriteria, richtlijnen en aandachtspunten opgenomen.

Waterplan

Begin januari 2015 is het Programma 2015-2018 Waterplan Westland vastgesteld. Dit programma is het resultaat van enkele verkenningen en uitwerkingsprogramma's sinds in 2008 het gezamenlijke waterplan “Westlands Water, Nu en Later” is opgesteld.

Ten opzichte van eerder beleid is bij het nieuwe waterplan alleen het voldoen aan de vaste waterbergingsnormen voor specifieke functies losgelaten en worden er maatwerkoplossingen en bijdragen van projecten ten gunste van het watersysteem gevraagd. De gemeenten worden geacht te werken volgens de Beleidsnota van het Hoogheemraadschap van juli 2014 en het Waterbeheerplan van Delfland 2016 – 2021.

3.3.2 Onderzoek

Ten behoeve van het plan heeft een toets aan de thema's van de Handreiking Watertoets voor gemeenten plaatsgevonden. In de handreiking komen verschillende waterthema's aan de orde, zoals veiligheid en waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en ecologie, onderhoud en bagger en afvalwater en riolering.

Veiligheid en waterkeringen

De beoogde bebouwing is niet binnen de keurzone van het hoogheemraadschap van Delfland gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0011.jpg"

Fragment leggerkaart wateren en regionale waterkeringen met beschermingszone.

Waterkwantiteit

Voor Delfland geldt het standstillbeginsel, dat betekent dat het plan geen verslechtering van de waterhouding mag betekenen. In de voorliggende situatie wordt binnen het plangebied de hoeveelheid bijgebouwen teruggebracht van 250m2 naar 75m2 hetgeen een verkleining van het verhard oppervlak oplevert van 175m2. Gelet op het vorenstaande hoeft er geen compensatie plaats te vinden en voldoet het plan aan het standstillbeginsel.

Waterkwaliteit en ecologie

Het projectgebied heeft in de nieuwe situatie geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. De aquatisch-ecologische toestand blijft voor een belangrijk deel afhankelijk van de vermindering van verontreiniging van gebieden elders, zoals uitwaterende polders, overstorten van riolering, diffuse bronnen en stedelijk gebied. Het afstromend hemelwater vanaf het projectgebied heeft een gering positief effect op de waterkwaliteit aangezien het hemelwater wordt afgevoerd middels een gescheiden rioolstelsel. Er kan door de infiltratie van hemelwater in de bodem als gevolg van de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater.

Beheer en onderhoud

Binnen het plangebied zijn geen waterlopen aanwezig.

Afvalwater en riolering

Het huishoudelijk afvalwater dient, samen met het hemelwater van potentieel vervuilde oppervlakken, tot de perceelgrens gescheiden van hemelwater van schone oppervlakken te worden afgevoerd. Het projectgebied wordt aangesloten op een gescheiden rioolsysteem. Het rioleringsstelsel loost op AWZI Nieuwe Waterweg te Hoek van Holland. Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Hemelwater afkomstig van de op het perceel geprojecteerde verharding mag niet direct in de naastgelegen watergang stromen of direct op de riolering geloosd worden.

3.3.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.4 Externe veiligheid

3.4.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.


Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan de op 1 april 2015 in werking getreden Besluit externe veiligheid transportroutes (Stb. 2013, 465) en de Regeling basisnet (Stcrt. 2014, 8242) inrichtingen van belang.

Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.4.2 Onderzoek

Plaatsgebonden risico

Ten aanzien van inrichtingen is alleen getoetst aan bedrijven waarvoor het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is. Overige risicobronnen zijn tevens van belang voor het bestemmingsplan zoals gasdrukregelstations, opslag van explosieven voor civiel gebruik en bijvoorbeeld windturbines. Het plangebied ligt ecnter buiten de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van voornoemde overige risicobronnen.

Groepsrisico

Voor een transportroute geldt een afstand van 200 m waarbinnen het groepsrisico moet worden beoordeeld. Het invloedsgebied (effectafstand 1%-letaliteit) kan echter veel verder reiken. Het plangebied ligt buiten de 200 m zone van een transportroute en buiten het invloedsgebied van rijkswegen en provinciale wegen.

3.4.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.5 Bodem

3.5.1 Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Wet bodembescherming (Wbb)

De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen:

a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;

b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;

c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

3.5.2 Onderzoek

Het plangebied is deels bebouwd met een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die sinds 1986 niet meer als zodanig gebruikt wordt. Daarnaast staan er glasopstanden die in gebruik waren als hobbykas voor het kweken van eigen groente en opslaan van planten in de winter. In de directe omgeving van het plangebied hebben enkele bedrijven met bodembedreigende activiteiten hun vestiging (gehad). Het gaat hierbij om kwekerijen en/of glastuinbouwbedrijven. Er zijn geen ondergrondse brandstoftanks bekend in het plangebied.

Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Gemeente Westland (Bodembeheernota Gemeente Westland, 12-0022795, d.d. november 2012) bevindt het plangebied zich in een zone met bodemgebruiksfunctie 'wonen'. Op basis de bodemkwaliteitskaart is de te verwachten kwaliteit van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) klasse 'wonen'. Dit betekent dat de bovengrond licht verhoogde gehaltes kan bevatten aan zware metalen, PAK, minerale olie en PCB. De te verwachten kwaliteit van de ondergrond is 'achtergrondwaarde'. Echter, in verband met de voormalige bedrijvigheid (kassen) en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kunnen voor Drins (Aldrin, Dieldrin en Endrin) hogere gehaltes in de bodem worden aangetroffen.

Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

Er is geen bodemonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Direct aangrenzend aan het plangebied zijn bodemonderzoeken uitgevoerd in verband met aangetroffen verontreinigingen, herinrichting en/of bouwplannen. Hierbij zijn geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging aangetroffen. Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume). Indien asbest aanwezig is (>interventiewaarde) wordt ook gesproken van een ernstig geval van bodemverontreiniging, ongeacht het volume.

Binnen het plangebied is geen onderzoek bekend. Bij herinrichting en/of nieuwbouw moet verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd voor het plangebied, en afhankelijk van de resultaten dient mogelijk een sanering te worden uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat de bedrijvigheid op de locatie wordt beëindigd, hiervoor dient tevens een eindsituatie onderzoek uitgevoerd te worden. Deze kan worden gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek.

3.5.3 Conclusie

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.6 Ecologie

3.6.1 Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.


Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.


Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.


In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

  • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
    beschermd via de vogelrichtlijn;
  • Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.


Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01_0012.png"

Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten:

  • Achterwege gelaten worden, of
  • Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
  • deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt


Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.6.2 Onderzoek

Voor de ecologie in Monster Noord zijn een aantal belangrijke ambities geformuleerd. Belangrijke bronnen zijn de Ecologische inrichtingsvisie die mede ten behoeve van de Monster Noord is opgesteld (door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum te Dordrecht in samenwerking met (en in opdracht van) Ontwikkelingsbedrijf De Westlandse Zoom.


Voor de verschillende ambities wordt verwezen naar het bestemmingsplan Monster Noord. De bestemmingswijziging staat de in voornoemd bestemmingsplan genoemde ambities niet in de weg.

3.6.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

3.7 Cultuurhistorische aspecten

3.7.1 Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2.

De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan.

Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

3.7.2 Onderzoek

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Westland ligt het plangebied in verwachtingszone III. Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek vereist is in die gevallen waarin binnen het betreffende terrein bodem verstorende werkzaamheden (graafwerkzaamheden) plaats gaan vinden die qua omvang groter zijn dan 500 m² én dieper zullen reiken dan de toegestane 0,50 meter -/- maaiveld. In voornoemd geval dient archeologisch onderzoek uit te wijzen of er archeologische waarden verstoord worden. Ter waarborging van het voorgaande is in het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie (swr-5)' opgenomen.

Uit bureauonderzoek is naar voren gekomen dat de bestemming zonder directe consequenties voor archeologische waarden gewijzigd kan worden. Indien een omgevingsvergunning in een later stadium benodigd is, zal alsnog een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.

3.7.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het herzien van de bestemming.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op een bestaande woning met bijbehorend planregime.

4.1.1 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.MONMADEWG44Apbp-VA01

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2 Bestemmingsregeling

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels  

Tuin

De met de bestemming 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor voortuinen of zijtuinen bij de op de gronden aanwezige woning. De tuin bestemming is gelegen op 2 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Binnen de bestemming tuin is een functieaanduiding opgenomen voor het realiseren van twee parkeerplaatsen.

Wonen

De bestaande woning is opgenomen met de bestemming 'Wonen'.

Dubbelbestemmingen

Waarde-Archeologie

Aan de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' is een omgevingsvergunning voor bouwwerken, werken en werkzaamheden verbonden. Archeologisch onderzoek is in verband met een omgevingsvergunning slechts noodzakelijk indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden zowel de maximale oppervlakte alsmede de maximale diepte (van de toegekende waarde) overschrijden. Zo is ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-5)" archeologisch onderzoek benodigd indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden zowel een oppervlakte hebben van meer dan 500 m² en een diepte beneden maaiveld hebben van meer dan -/- 50cm. Een bouwwerk, werk of werkzaamheid van bijvoorbeeld 1.000 m2, maar 30 cm diep is zodoende gevrijwaard van archeologisch onderzoek. Eenzelfde geldt voor een bouwwerk, werk of werkzaamheid van bijvoorbeeld 400 m2 met een diepte van 70 cm.

Algemene regels

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

 

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

 

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

 

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

 

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

Hoofdstuk 5 Handhaving

5.1 Handhavingsbeleid

Handhaven op maat

Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Binnen het huidige stelsel van regelgeving moet de gemeente de kosten van een bouwplan verhalen op de aanvrager. Deze verplichting is neergelegd in afdeling 6.4. Wro, meer in het bijzonder artikel 6.12 van die afdeling.

Kostenverhaal niet vrijblijvend, maar verplicht

In artikel 6.12 Wro staat dat de gemeente een exploitatieplan moet vaststellen bij alle soorten bouwplannen "aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur" (artikel 6.2.1 Bro). In dergelijk exploitatieplan dienen alle kosten verplicht te zijn gedekt die door de gemeente gemaakt worden . De gemeente kan aanuitsluitend afzien van het opstellen van een exploitatieplan als de gemeentelijke kosten op een andere manier worden verhaald, bijvoorbeeld door middel van een exploitatieovereenkomst.

In de voorliggende situatie is er geen sprake van een aangewezen bouwplan zoals opgenomen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. De aanvrager dient echter wel leges te betalen conform de legesverordening van de gemeente Westland van 2017.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Overleg

In de periode van 20 juni 2017 t/m 17 juli 2017 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij zijn de volgende instanties geinformeerd:

  • Provincie Zuid-Holland
  • Hoogheemraadschap van Delfland
  • Veiligheidsregio Haaglanden
  • Omgevingsdienst Haaglanden

Provincie Zuid Holland

Na het doorlopen van het e-formulier 'Aanbieden ruimtelijke plannen Wro en ontheffingsverzoeken provinciale verordening ruimte' is naar voren gekomen dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen en het plan niet opgestuurd hoeft te worden aan de provincie Zuid-Holland.

Hoogheemraadschap Delfland

Van het Hoogheemraadschap van Delfland is buiten de termijn een reactie ontvangen. Samengevat zijn er opmerkingen gemaakt over de toelichting met betrekking tot beleid en de planbeschrijving. Het ontwerp bestemmingsplan is op de in de reactie aangehaalde punten aangepast.

Veiligheidsregio Haaglanden

Vanuit de veiligheidsdienst is geen reactie ontvangen

Omgevingsdienst Haaglanden

Vanuit de omgevingsdienst is buiten de gestelde termijn een reactie ontvangen. De reactie richt zich met name op de aspecten Externe veiligheid en Bodem. Het ontwerp bestemmingsplan is op de in de reactie aangehaalde punten aangepast.

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in de bijlagen van deze toelichting.

6.2.2 Zienswijzen

Van 1 september 2017 t/m 12 oktober 2017 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn geen zienswijzen ingediend.