direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Achterom versie 2
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.denbpachterom2-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Initiatiefnemer is voornemens circa 5 woningen te bouwen op het nog onbebouwde perceel, gelegen daar waar de straat Achterom aansluit op de Sombeekweg in Denekamp. Hiertoe is in het verleden het bestemmingsplan 'Achterom' opgesteld. Dit bestemmingsplan is abusievelijk niet meegenomen in het bestemmingsplan 'Denekamp kern' waardoor de gronden momenteel bestemd zijn als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Voor de gronden in het plangebied is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de huidige bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen'. Voorliggend wijzigingsplan geeft hier uitvoering aan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is circa 7.700 vierkante meter, is gelegen aan de zuidzijde van de Achterom en de Sombeekweg en staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie O, nummer 4349 (ged.). De locatie ligt aan de oostelijke rand van Denekamp tussen de oude dorpsrand, een nieuw bedrijventerrein en woonwijk. Het plangebied wordt aan de zuid-, oost- en westzijde omzoomd door boomsingels/houtwallen en (woon)bebouwing met bijbehorende tuinen.

In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven en in figuur 1.2 de precieze begrenzing.

Figuur 1.1: de ligging van het plangebied oranje omcirkeld
afbeelding "i_NL.IMRO.1774.denbpachterom2-0401_0001.png"

Figuur 1.2: de begrenzing van het plangebied
afbeelding "i_NL.IMRO.1774.denbpachterom2-0401_0002.jpg"

1.3 Geldende bestemmingsplan

Op onderhavige locatie is het bestemmingsplan 'Denekamp kern' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 9 oktober 2012 als gevolg van een tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 augustus 2012 opnieuw vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland. Met deze hernieuwde vaststelling is abusievelijk het op 29 november 2011 vastgestelde bestemmingsplan 'Achterom' komen te vervallen. Dit bestemmingsplan voorzag in de juridisch-planologische kaders voor de bouw van 5 vrijstaande woningen in het plangebied.

In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied bestemd als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. In artikel 4.6 van deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan de bestemming van de gronden in het plangebied kan worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen' en bouwvlakken kunnen worden toegevoegd. Eén van de voorwaarden is dat ten hoogste 5 woningen mogen worden gebouwd binnen het gebied. Voorliggend wijzigingsplan geeft uitvoering aan de betreffende wijzigingsbevoegdheid.

1.4 Bij het plan behorende stukken

Het wijzigingsplan 'Achterom versie 2' bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (plan idn. NL.IMRO.1774.denbpachterom2-0401);
  • regels.

 

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij weergave en onderbouwing van het wijzigingsplan en bij uitleg van verbeelding en planregels.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de planuitgangspunten van dit plan en wordt de beoogde ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de opzet van het wijzigingsplan. In hoofdstuk 7 ten slotte wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Op historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat de locatie in 1832 nog ver buiten de bebouwde kom van Denekamp is gelegen en bestond uit heide en broekgrond, deel uitmakend van een veel groter heidegebied. De Nordhornsestraat was er in die tijd al wel, evenals de Sombeekweg. Verder waren er geen of nauwelijks doorgaande wegen in de directe omgeving.

Op het kaartmateriaal van begin 1900 is zichtbaar dat steeds meer van de gronden rondom het plangebied in cultuur worden genomen en veel van de huidige, direct rond het plangebied gelegen bebouwing er destijds ook al was. Ook het gebruik van de projectlocatie zelf is sindsdien hetzelfde gebleven: gras-/bouwland. Begin 1900 lagen er direct ten oosten van het plangebied nog wel grote heidevelden, maar die zijn in 1935 verdwenen.

Kampenlandschap
Het plangebied maakt deel uit van het gebiedstype 'Kampenlandschap'. De kampenlandschappen, ook wel 'oude hoevenlandschappen' genoemd, zijn vooral gekenmerkt door het voorkomen van hagen, boomsingels, houtwallen e.d. De inrichting van het kampenlandschap stamt uit de periode van voor de 19e eeuw. Dit type landschap treffen we met name aan in de gebieden met een sterk afwisselend microreliëf. Op de hoogtes (dekzandterreinen) werden akkerkampen (eenmansessen) aangelegd, terwijl de lagere vochtigere delen gebruikt werden als grasland of woeste grond. Deze lage delen vindt men dan ook vooral in de dalen van de beken en riviertjes alsook in andere laag liggende terreinen. Om het akkerland tegen het vee te beschermen werd elk kamp omgeven door hagen en houtwallen. Hierdoor kreeg het landschap een gesloten uiterlijk. Deze ruimtelijke indeling bracht een verspreide bewoning met zich mee. Het landschap wordt gekenmerkt door zogenaamde hoevenzwermdorpen en essenzwermdorpen. De landschappelijke structuur resulteert tevens in een onregelmatige verkavelingsstructuur en infrastructuur.

Landelijke linten in het kampenlandschap bestaan veelal uit vrijstaande bebouwing. Deze hebben van oorsprong een relatie met het achterliggende agrarische gebied. Het beeld vanaf de linten wordt gekenmerkt door een zekere openheid. Dit wordt nog eens versterkt door de situering van de bebouwing; overwegend op enige afstand van de weg. Tussen de lintbebouwing liggen vaak lege kavels waardoor doorzichten mogelijk zijn naar het achterliggende landschap. De bebouwing bestaat voornamelijk uit (historische) boerderijen. Deze zijn opgebouwd uit een woonhuis met direct daarachter het stalgedeelte. De bouwhoogte bedraagt veelal 1 tot 2 lagen met een zadelkap. De historische panden zijn vaak voorzien van fraaie detailleringen als rollagen, strekken, windveren en muurankers. De erfbeplanting is een belangrijk onderdeel van het lint, het zorgt voor een karakteristieke groene uitstraling.

Veel van de voornoemde gebiedskenmerken en -karakteristieken zijn nog steeds herkenbaar in de directe omgeving van het plangebied.

2.2 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de straat Achterom daar waar deze aansluit op de Sombeekweg. Het terrein is onbebouwd en wordt extensief gebruikt als grasland (voor paarden). Het wordt deels omzoomd met boomsingels/houtwallen. Het terrein rondom is extensief bebouwd met 'dorpsrandachtige' bebouwing en functies (woningen op grote kavels, kwekerij, moestuinen, enz.). Naar het westen toe ligt de vroegere bebouwde kom van Denekamp en richting het oosten een (nog deels in aanbouw zijnde) nieuw bedrijventerrein en woonwijk, welke de ruimte opvullen die is ontstaan door de aanleg van de rondweg rond Denekamp.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nota Ruimte

De Nota Ruimte is een strategische nota op hoofdlijnen waarin het nationaal ruimtelijk beleid en de daarbij behorende doelstellingen tot 2020 zijn opgenomen. Hoofddoel is het scheppen van ruimte voor de ruimtevragende functies. Het Rijk mengt zich niet in kwesties op microniveau maar stuurt op hoofdlijnen. Het motto is, “Decentraal wat kan, centraal wat moet”. De verantwoordelijkheid voor de inrichting van het ruimtelijk gebied wordt neergelegd bij decentrale overheden.

Het rijksbeleid werkt door in het provinciale en gemeentelijke beleid (zie paragrafen hierna).

3.1.2 Vierde Nota Waterhuishouding

Het Rijksbeleid ten aanzien van water is neergelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (1998) en de Nota Ruimte. Hierin wordt gesteld dat water één van de ordenende principes is bij de opzet van nieuwbouwplannen. Het waterbeheer in Nederland moet zijn gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde duurzame watersystemen. Om dit te bereiken moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van een watersysteembenadering en integraal waterbeheer. In de nota is onder andere aangegeven dat stedelijk water meer aandacht moet krijgen. Volgens de nota Waterbeheer 21e eeuw moet aan het watersysteem meer aandacht worden gegeven om de natuurlijke veerkracht te benutten. Voorkomen van afwenteling door middel van het hanteren van de drietrapsstrategie “vasthouden-bergen-afvoeren” staat hierbij centraal.

In paragraaf 4.4 komt de wijze waarop in onderhavig wijzigingsplan wordt omgegaan met water aan de orde.

3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg

In 1992 is op Malta het Europees verdrag gesloten over het cultureel erfgoed in de bodem, het Verdrag van Valetta genoemd. Doel: bij ruimtelijke planning meer en beter rekening houden met de archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Het verdrag van Malta is vertaald in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. De wet is op 1 september 2007 in werking getreden.

De gemeente heeft in overeenstemming met deze wet eigen archeologiebeleid opgesteld, zie paragraaf 3.3.7.

3.1.4 Flora en faunawet

De Flora- en faunawet (2002) richt zich op de bescherming van in het wild levende planten en dieren. Op basis van deze wet is het onder meer verplicht om bij het opstellen van ruimtelijke plannen na te gaan of er mogelijke nadelige consequenties zijn voor beschermde inheemse soorten.

In paragraaf 4.6 komt de wijze waarop in onderhavig plan wordt omgegaan met flora en fauna aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie

In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van onze provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Provinciale Staten heeft de Omgevingsvisie op 1 juli 2009 vastgesteld.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De drie niveaus komen hieronder aan de orde.

1. Generieke beleidskeuzes (of)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. ‘SER-ladder’ gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Onderhavig plan betreft een inbreidingslocatie, waarmee voldaan wordt aan de SER-ladder. Uit paragraaf 3.3.3 blijkt dat er voldoende behoefte is aan het plan en uit het gestelde in hoofdstuk 4 blijkt dat er geen sprake is van belemmeringen op het gebied van de andere generieke beleidskeuzes.

2. Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang.

Het plangebied is aangeduid als 'woonwijk' binnen het ontwikkelingsperspectief 'dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus (breed spectrum woon- werk- en mixmilieus)’. Het ontwikkelingsperspectief ‘woonwijk’ verzet zich niet tegen de bouw van vijf woningen op de bewuste locatie.

3. Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De nieuwe ontwikkeling moet zoveel mogelijk aansluiten bij de gebiedskenmerken. De voor onderhavige locatie geldende lagen met bijbehorende gebiedskenmerken zijn:

  • natuurlijke laag: dekzandvlakte
  • laag van het agrarisch cultuurlandschap: oude hoevenlandschap
  • stedelijke laag: woonwijken 1955 - nu
  • lust en leisurelaag: donkerte

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de stedelijke laag. Wat betreft het oude hoevenlandschap kan gesteld worden dat daarvan binnen het gebied van de rondweg nauwelijks nog sprake is, waardoor met dit landschapskenmerk geen rekening meer gehouden hoeft te worden. Het landschapskenmerk is nu bebouwd gebied (woonwijk, bedrijventerrein, enz.), waarop de voorgenomen invulling mede qua vorm en volume aansluit. Gezien de hoeveelheid bebouwing, met bijbehorende lichtuitstraling, in de directe omgeving is de lichttoevoeging van vijf woningen verwaarloosbaar.

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Er is sprake van bestaand stedelijk gebied. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt voegt het nieuwe woongebiedje zich qua aard en maat naadloos in de bebouwde omgeving. De ontwikkeling van het plangebied sluit aan bij een kenmerk van het oude hoevenlandschap: een erf in de vorm van verspreide bebouwing rond een centrale ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland

In deze in voorbereiding zijnde, maar nog niet vastgestelde structuurvisie is het plangebied opgenomen als extensieve woningbouwlocatie. De gemeente ziet daarom op voorhand geen ruimtelijke bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

3.3.2 Verkeersbeleid

In oktober 2009 heeft de gemeenteraad het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Dit betreft een weergave van het beleid van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer. De algemene visie van de gemeente Dinkelland op verkeer en vervoer bestaat uit de volgende pijlers: bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid en recreatie en toerisme. Voor het centrum van Denekamp geldt dat er bijzondere aandacht is voor de kwaliteit van de voorzieningen en de openbare ruimte. Een goede bereikbaarheid betekent dat er een goed aanbod van parkeervoorzieningen moet zijn. Dit betekent dat er op acceptabele loopafstand altijd een parkeerplaats beschikbaar moet zijn. De mate waarin een loopafstand als acceptabel kan worden gekwalificeerd is afhankelijk van de functie. Zoekverkeer moet zoveel mogelijk worden vermeden. Wel wordt er gestreefd naar dubbelgebruik, met name tijdens piekmomenten. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in principe parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd.

Het onderhavige plan betreft de realisatie van circa vijf vrijstaande woningen op grote kavels, parkeren vindt plaats daarom op eigen terrein. Het plangebied krijgt in principe één ontsluiting op de Achterom, ongeveer daar waar deze aansluit op de Sombeekweg. De toename van de verkeersdruk op deze weg door het voorgenomen project is minimaal en bovendien is er voldoende capaciteit voor een goede verkeersafwikkeling.

In verband met de verkeersveiligheid zal de uitrit zodanig gerealiseerd worden dat er voldoende zicht is op eventueel verkeer op de Achterom/Sombeekweg en omgekeerd.

3.3.3 Woningbouwprogramma

Op 28 januari 2010 zijn met de provincie Overijssel schriftelijke prestatieafspraken gemaakt op het taakveld Wonen. Voor de lokale woningbehoefte van de gemeente Dinkelland geldt een programma van 370 woningen tot 1 januari 2015 (binnenstedelijk en uitleg). De plancapaciteit mag maximaal 130% zijn van het woningbouwprogramma derhalve 370 x 130% = 480 woningen, waarvan binnenstedelijk 40% x 480 = 192 woningen. Uitleggebied: 60% x 480 = 288 woningen. In deze aantallen telt de woningbouw voor bijzondere doelgroepen zoals statushouders, jeugdzorg, dak- en thuislozen en woonwagenbewoners niet mee. Voor deze doelgroepen zijn ongeveer 40 woningen geprogrammeerd.

Geconstateerd wordt dat het voorgenomen bouwplan niet past binnen het programma van 2010-2015. Hierin zijn de 5 woningen niet meegenomen. Wel is met de provincie een prestatieafspraak gemaakt en mogen er in binnenstedelijk gebied 192 woningen worden gerealiseerd. Omdat niet alle voorgenomen plannen zullen worden gerealiseerd binnen 5 jaar is er ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.3.4 Welstandsnota

Het projectgebied maakt volgens Welstandsnota deel uit van 'Kampenlandschap - G6.3'.

Voor de bebouwing in het kampenlandschap is gekozen voor een PLUS niveau van Welstand. Het kampenlandschap heeft een zekere gaafheid met betrekking tot landschappelijke waarde, architectuur en stedenbouw. De landelijke linten in het buitengebied hebben een sterk wisselende kwaliteit en wordt gekenmerkt door een mix van (historische) boerderijen en burgerwoningen. De gemeente Dinkelland hecht een grote waard aan het agrarische karakter. De gemeente wil voor deze verschillende landschappen zorgdragen voor een beperkte conservatie dan wel versterking van het ensemble binnen de linten. Het welstandsbeleid is voornamelijk gericht op het behouden en versterken van de kwaliteit van (historische) hoofdbebouwing. Het welstandsbeleid voor de bijgebouwen op de kavels moeten dit beeld versterken maar mogen de bedrijfsvoering niet beperken. Nieuwe bouwopgaven moeten echter ook mogelijk zijn, zodat het gedifferentieerde beeld, wat karakteristiek is voor het buitengebied van de gemeente Dinkelland, blijft gehandhaafd.

Bovengenoemde gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.

Criteria
Voor de bebouwing in het kampenlandschap (G6.3) gelden aparte criteria, waarbij onderscheid wordt gemaakt in type A agrarische bebouwing en type B niet-agrarische bebouwing. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Één van de aanbevelingen is de volgende:
'Omdat (erf)beplanting voor een groot deel het beeld van deze gebieden bepaalt, wordt bij een (ver)bouwplan in deze gebieden (in de aanbevelingensfeer) extra aandacht gevraagd voor de inpassing van erfbeplanting in de bestaande landschaps- en groenstructuren.'

Er is een beeldkwaliteitsplan voor dit plangebied opgesteld omdat de geldende welstandsnota ontoereikend is voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.3.5 Milieubeleid

Bij het realiseren van nieuwe voorzieningen dient met verschillende milieuaspecten rekening gehouden te worden. De gemeente Dinkelland stelt eisen aan de verschillende onderzoeken die in het kader van het Milieubeleid moeten worden verricht. In hoofdstuk 4 komt elk aspect (luchtkwaliteit, bodem, geluid en externe veiligheid) aan de orde. Ook de aspecten water en cultuurhistorie komen daar aan de orde.

3.3.6 Waterbeleid

De gemeente sluit zich aan bij het waterbeleid van het waterschap Regge en Dinkel. Deze hanteert de volgende beleidsregels.

Afkoppelen of het niet-aankoppelen van verharde oppervlakken wordt gezien als een maatregel met milieuhygiënische en hydrologische voordelen. Afkoppeling reduceert de vuiluitworp via rioolstelsels en verbetert het zuiveringsrendement van RWZI’s. Verder draagt afkoppelen bij aan het bereiken van een veerkrachtig watersysteem en het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime. In de zogenaamde ‘Afkoppelnota’ van het waterschap is één van de doelstellingen dat bij vernieuwing van bestaand bebouwd gebied gestreefd wordt naar het afkoppelen van zoveel mogelijk vierkante meters schoon verhard oppervlak. Ook in de ‘Beleidsnota Retentie’ wordt de noodzaak tot het vasthouden en bergen van water onderstreept.

In paragraaf 4.4 komt de wijze waarop in onderhavig plan wordt omgegaan met water aan de orde.

3.3.7 Archeologiebeleid

Omdat de meeste verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig omgaan met (eventuele) archeologische waarden bij de gemeente ligt heeft de gemeente Dinkelland hiervoor eigen beleid opgesteld: 'Archeologiebeleid gemeente Dinkelland'.

De gemeentelijke 'archeologische verwachtings- en advieskaart' speelt daarbij een belangrijke rol. Aan de op de kaart vlakdekkend weergegeven verwachtingszones zijn beleidsadviezen gekoppeld. Uitgangspunten voor de adviezen zijn de beleidskaders zoals deze op de verschillende overheidsniveaus zijn geformuleerd en het besluitvormings- en archeologisch onderzoekstraject zoals beschreven in het Handboek Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. In deze beleidsnota zijn de aan de verwachtingenkaart gekoppelde beleidsadviezen onverkort overgenomen.

In paragraaf 4.5 komt de wijze waarop in onderhavig plan wordt omgegaan met archeologie aan de orde.

3.3.8 Bestemmingsplan 'Denekamp kern'

Het Bestemmingsplan 'Denekamp' betreft een integrale herziening van de planologische regelingen voor de bebouwde kom van Denekamp. Hierbij zijn de bestemmingen voor de gronden die gerekend worden tot de kern Denekamp opnieuw vastgelegd.

Op een aantal locaties in Denekamp zijn in de (nabije) toekomst specifieke ontwikkelingen aan de orde, die voor een wezenlijk andere invulling van de betreffende locaties zullen zorgen. Algemeen uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is een goede ruimtelijke en functionele inpassing en waar mogelijk een versterking van de ruimtelijke waarden. Omdat voor de betreffende ontwikkelingen nog geen concreet bouwplan beschikbaar is, zijn ze gekoppeld aan een nadere afwegingsprocedure in de vorm van een wijzigingsbevoegdheden. Een dergelijke bevoegdheid geldt eveneens voor onderhavig plangebied. In het plangebied is door middel van de gebiedsaanduiding wro-zone - wijzigingsgebied 3' aangegeven dat ter plaatse een wijzigingsbevoegdheid geldt. In de regels zijn voor specifiek deze gebiedsaanduiding/bevoegdheid nader voorwaarden opgenomen. Zo kan de geldende bestemming worden gewijzigd naar de bestemming 'Wonen' en mogen bouwvlakken worden toegevoegd. Dit is mogelijk indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeerssituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, en mits:

  • 1. deze wijziging uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3";
  • 2. ten hoogste 5 vrijstaande woonhuizen worden gebouwd;
  • 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende functies;
  • 4. de gebouwen op een verantwoorde wijze worden ingepast in de omgeving;
  • 5. de gebouwen aansluiten bij het woningbouwprogramma conform de prestatieafspraken met de provincie Overijssel;
  • 6. de inrichting van het gebied aansluit bij de inrichting en het gebruik van de (openbare) ruimte in de directe omgeving;
  • 7. het parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  • 8. de verkeersdruk op de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt;
  • 9. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 20 van toepassing zijn.

Onderhavig plan voldoet aan bovengenoemde voorwaarden.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden

4.1 Inleiding

In de vorige hoofdstukken is de bestaande situatie en de aanleiding voor dit wijzigingsplan beschreven. Daarnaast is het beleidskader waarbinnen dit plan valt nader omschreven. Dit hoofdstuk zal zich toeleggen op de mogelijke beperkingen in de omgeving. Hier zijn met name de milieuaspecten van belang.

4.2 Milieu

4.2.1 Milieuzonering

In de directe omgeving bevinden zich een bedrijventerrein, kleinschalige agrarische bedrijvigheid.

Het bedrijventerrein bevindt zich op meer dan 100 meter afstand en bovendien bevinden zich op kortere afstand al een aantal woningen. Gezien de afstand tot en de kleinschaligheid van de agrarische bedrijven in de omgeving valt daarvan eveneens geen onacceptabele hinder te verwachten.

4.2.2 Bodem

Voor het wijzigen van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van het voorgenomen plan is in juni-juli 2010 een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Uit het historisch vooronderzoek is geen informatie naar voren gekomen waaruit blijkt dat op of nabij de locatie sprake is (geweest) van activiteiten die een bedreiging voor de bodemkwaliteit zouden kunnen vormen.

Het veldwerk is uitgevoerd op 28 juni 2010 en op 5 juli 2010 is het grondwater bemonsterd. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat er in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters zijn aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, koper en zink aangetoond. De aangetoonde concentraties overschrijden de streefwaarde in geringe mate. De tussenwaarden worden niet benaderd. Waarschijnlijk zijn de aangetoonde licht verhoogde concentraties toe te schrijven aan licht verhoogde natuurlijke achtergrondconcentraties.

De opzet van het huidige onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van de parameter asbest in bodem als 'onverdacht' kan worden aangemerkt is juist gebleken. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht gezien de geringe verhogingen. Milieuhygiënisch zijn er geen bezwaren tegen het voorgenomen plan op onderhavige locatie.

Grond dient te worden hergebruikt op eigen terrein. Indien grond verwerkt wordt op een andere locatie dan dient er een melding ingediend te worden.

4.2.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een wijzigingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect 'geluid'.

In april 2011 is door Lycens Milieu & Ruimte onderzoek verricht naar geluidbelasting ten gevolge van verkeerslawaai, zie bijlage 2.

Berekend is de geluidbelasting LDEN bij de geplande woningen, dat is de gemiddelde geluidbelasting van de dag, avond en nachtperiode. De geluidbelasting is berekend conform het gestelde in het 'Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006' ex art 110d van de wet geluidhinder. De berekening van de geluidbelasting is gemaakt volgens de standaard rekenmethode II.

In het rekenmodel (DGMR-Geomilieu V1.51) zijn schematisch opgenomen:

  • de weg met intensiteiten;
  • het bouwblok van de geplande woning, objecten en verharde bodemgebieden;
  • 2 waarneempunten met een waarneemhoogte van 1.5 meter boven de vloer op een hoogte van 1.5 en 4. 5 meter boven het maaiveld.

Alvorens de geluidbelasting te toetsen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag de berekende waarde op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder worden verminderd (in verband met het stiller worden van motorvoertuigen) met 5 dB voor wegen met een wettelijke maximum snelheid tot 70 km/uur.

In figuur 4.1 is de geluidbelasting LDEN opgenomen.

Figuur 4.1: overzicht berekende invallende geluidbelasting LDEN incl. aftrek

punt   waarneemhoogte   Sombeekweg   Achterom   cumulatief
excl. aftrek  
eis GA;k  
1

2
 
Hw = 1.5
Hw = 4.5
Hw = 1.5
Hw = 4.5  
44
45
43
44  
35
36
46
46  
49
51
53
53  
201
201
201
201  

1 minimaal 20 dBA conform het Bouwbesluit

Conclusie is dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden, er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Voor de geluidwering geldt de minimumnorm overeenkomstig het Bouwbesluit. Bij standaardmaatregelen (dubbel glas, goede kierdichting, ventilatieroosters RqA >= -2) kan aan deze norm worden voldaan en is het niet nodig de geluidwering te controleren/berekenen.

4.2.4 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmings-, wijzigingsplan of ruimtelijke onderbouwing worden vastgesteld indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmings-, wijzigingsplan of ruimtelijke onderbouwing biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 (van de Wet Milieubeheer, hfdst. 5, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen)opgenomen grenswaarde, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmings-, wijzigingsplan of ruimtelijke onderbouwing biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmings-, wijzigingsplan of ruimtelijke onderbouwing biedt, niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in eerder genoemde bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekende mate' als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: 10.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 20.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Het criterium 'niet in betekende mate' kan pas worden toegepast als het NSL en de nieuwe regionale programma's zijn vastgesteld en dat is sedert 1 augustus 2009 het geval. Daarom kan nu van de 3%-regeling gebruik gemaakt worden (het percentage van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 of NO2, waarmee de luchtkwaliteit verslechtert als gevolg van het project), maar geldt de 1%-grens. Voor woningbouw betekent dat bijvoorbeeld dat de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechtert zolang het aantal woningen niet boven de 1.500 uitkomt.

Onderhavig plan betreft slechts de nieuwbouw van circa vijf woningen en daarom kan geconcludeerd worden dat door de ontwikkeling, die in het onderhavige wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt, de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.

4.3 Externe veiligheid

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water.

Inrichtingen
De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:

  • of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

Uit de risicokaart Overijssel blijkt dat de dichtstbij gelegen risicovolle inrichting Autobedrijf Wiefferink (LPG), gelegen op het adres Kloppendijk 44 te Denekamp, is. De afstand tot het bedrijf is ruim 500 meter.

Buisleidingen
De dichtstbij gelegen buisleiding ligt op circa 300 meter afstand en vormt daarmee geen risico voor het onderhavige project.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor
Op dit moment wordt het beleidskader nog gevormd door de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (circulaire RNVGS, 4 augustus 2004) en de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (nota RNVGS, 1995/96). De circulaire is een operationalisering en verduidelijking van het beleid uit de Nota Vervoer stoffen (2005) . Op basis van deze beleidstukken gelden er normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het plaatsgebonden risico geldt ten opzichte van woningen (kwetsbare objecten) een grenswaarde van 10-6 per jaar.

Het groepsrisico is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarom rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Wat betreft het groepsrisico is de oriëntatiewaarde bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per transportsegment gemeten per kilometer per jaar:

  • 10-4 voor een ongeval met een tenminste 10 dodelijke slachtoffers;
  • 10-6 voor een ongeval met een tenminste 100 dodelijke slachtoffers;
  • 10-8 voor een ongeval met een tenminste 1.000 dodelijke slachtoffers;
  • Et cetera.

De dichtstbijzijnde route gevaarlijke stoffen is de rijksweg A1, welke zich op ruim 7 kilometer afstand van de planlocatie bevindt. Onderhavige locatie vormt daardoor geen (mogelijk) aandachtspunt voor zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico.

Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is de planontwikkeling aanvaardbaar.

4.4 Waterhuishouding

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

De locatie is niet gelegen in een beekdal, waterwingebied of anderszins kwetsbaar gebied met het oog op de waterhuishouding. Het hemelwater dient uit het rioolsysteem te worden gehouden. Er is voldoende tuingrond en onverhard oppervlak aanwezig waarin het hemelwater van het verhard en dakoppervlak kan infiltreren. Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is meer dan 1.500m2 en hemelwater zal zoveel mogelijk worden geïnfiltreerd op eigen terrein. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voor alle inbreidingen en uitbreidingen gelden in principe onderstaande beleidsregels.
Algemeen

  • Bij de keuze voor de locatie van het plangebied wordt rekening gehouden met de wateropgave en de
    eigenschappen van het watersysteem.
  • Bij het stedenbouwkundig plan moet notie worden genomen van het feit dat water van hoog naar laag
    stroomt. Water is daarmee ordenend voor het plan.
  • Per project moet in het overleg tussen gemeente en waterschap worden bezien of maatwerkoplossingen nodig en/of wenselijk zijn.

Afvalwater

  • Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en
    douche en het eventuele bedrijfsafvalwater) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering.

Hemelwater

  • De afvoerpiek uit het plangebied door de toename van verhard oppervlak wordt afgevlakt door berging van hemelwater in wadi's of retentievijvers met een gedoseerde afvoer.
  • De norm voor de maximale hoeveelheid te lozen water bedraagt 2,4 l/sec.ha bij een maatgevende neerslaghoeveelheid van 40 mm in 75 minuten.
  • Het hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het lokale water- of grondwatersysteem.
  • Zichtbare oppervlakkige afvoer van hemelwater heeft de voorkeur boven afvoer van hemelwater door
    buizen, vanwege het grotere risico op ongewenst lozingsgedrag en foutieve aansluitingen bij buizen.
  • Infiltratie van hemelwater in de bodem via een graspassage is de beste optie, omdat hiermee zuivering, retentie en grondwateraanvulling worden gerealiseerd.
  • Op kleine schaal kan dit goed door middel van individuele voorzieningen, op grotere schaal verdient de
    toepassing van wadi's de voorkeur.
  • Afvoer van hemelwater vindt bij voorkeur plaats via de reeks regenpijp - perceelsgootje - straatgoot - wadi.
  • Bij het ontwerp van het bouwwerk wordt een zodanig samenspel van dakvlakken, dakgoten, regenpijpen en perceelsgoten gekozen dat het water niet in riolen onder de grond hoeft.
  • Goede alternatieven in geval van nauwelijks verontreinigd hemelwater zijn regenwaterhergebruik op individuele schaal of directe oppervlakkige afvoer naar sloten of vijvers met retentievoorzieningen op grotere schaal.
  • In het geval van bedrijventerreinen met risico op vervuiling verdient hemelwaterafvoer via een verbeterd gescheiden rioolstelsel met retentievijvers de voorkeur.
  • Het ontwerp van een verbeterd gescheiden stelsel wordt afgestemd op het risico op verontreiniging van het verhard oppervlak en het uitgangspunt dat de afvoer van relatief schoon hemelwater naar de rwzi wordt geminimaliseerd.

Grondwater

  • Het grondwater wordt zoveel mogelijk aangevuld met schoon infiltrerend water.
  • Te hoge grondwaterstanden in natte winterperioden mogen worden beteugeld met drainage in de openbare weg en eventueel op de kavels zelf, mits dit niet leidt tot een permanente grondwaterstandsverlaging in of buiten het plangebied.
  • De drainage voert af naar een wadi of naar oppervlaktewater; dus niet naar de RWZI.
  • Vochtoverlast door hoge grondwaterstanden wordt geminimaliseerd door te bouwen zonder kruipruimten en door kelders waterdicht te maken.

Oppervlaktewater

  • Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Regge en Dinkel leidend.
  • Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefbaar is en goed te beheren.

De initiatiefnemer heeft het waterschap Regge en Dinkel en de gemeente geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Daartoe zijn een aantal vragen beantwoord welke er toe hebben geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Het plan is erop gericht zoveel mogelijk hemelwater binnen het plangebied in de bodem te infiltreren en ten minste zo lang mogelijk vast te houden alvorens een overschot aan water af te voeren op oppervlaktewater.

Geconcludeerd wordt dat de bestemming en de grootte van het te realiseren plan een geringe invloed hebben op de waterhuishouding. Het waterschap Regge en Dinkel heeft een positief wateradvies afgegeven. Zie ook bijlage 3.

4.5 Cultuurhistorie

Archeologie
Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologische waardevolle elementen. Daartoe is de 'Archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd.

Het plangebied ligt op de gemeentelijke archeologische waarden- en advieskaart in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Volgens het beleid van de gemeente is onderzoek nodig bij bodemingrepen over een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en bodemingrepen dieper dan 40 cm. Maatgevend is de gezamenlijke oppervlakte van de in het wijzigingsplan op te nemen bouwblokken. Het plangebied is circa 7.700 m2, waarvan minder dan een kwart bebouwingsoppervlak betreft. Daaruit blijkt dat het oppervlak aan bodemingrepen ruim onder de vrijstellingsgrens van 5.000 m2 blijft.

Conclusie: Op basis van het gemeentelijke beleid hoeft er geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in het kader van het wijzigingsplan.

Overige cultuurhistorie
Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid zijn waarmee rekening dient te worden gehouden.

4.6 Flora en fauna

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij is onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is hier niet aan de orde. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

In juni-juli 2010 is in het plangebied door Econsultancy een Quickscan flora&fauna (rapportnr. 10055641) uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied zich niet bevindt in of in de buurt van een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of in de ecologische hoofdstructuur (zoals opgenomen in het Natuurbeleidsplan) of andere natuurgebieden.

Het veldbezoek is afgelegd op 7 juni 2010. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de omliggende percelen onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Met uitzondering van de beschermde veldspitsmuis is geconcludeerd dat er geen beschermde en bedreigde diersoorten op de locatie zijn te verwachten. Aanwezige diersoorten worden niet onacceptabel geschaad.

Aanvullend veldspitsmuisonderzoek
Midden september 2010 is met behulp van 40 lifetrap-vallen veldonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van de veldspitsmuis. In deze periode zijn de dieren in de hoogste aantallen aanwezig.

Aan de hand van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, opgenomen in bijlage 5, is voldoende aangetoond dat er door de voorgenomen ingreep geen overtredingen van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet zijn te verwachten met betrekking tot de veldspitsmuis. Geadviseerd wordt om de te handhaven houtwal in de huidige situatie te behouden zodat de veldspitsmuis er wel gebruik van kan maken. Hierdoor kan een positieve bijdrage worden geleverd aan het leefgebied van deze zeldzame soort.

Geconcludeerd kan worden dat het plan geen belemmeringen vormt voor waardevolle flora en fauna, en vice versa.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Voorgeschiedenis

Op 28 november 2009 is per brief aan de gemeente verzocht medewerking te verlenen aan het ontwikkelen van woningbouw op het onderhavige plangebied. Op 23 februari 2010 heeft de gemeente laten weten in principe medewerking te kunnen verlenen aan dit verzoek middels een partiële bestemmingsplanherziening ex artikel 3.1 Wro. Hiertoe is in het verleden dan ook het bestemmingsplan 'Achterom' opgesteld. Dit bestemmingsplan is abusievelijk niet meegenomen in het later opnieuw vastgestelde bestemmingsplan 'Denekamp kern' waardoor de gronden momenteel bestemd zijn als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Voor de gronden in het plangebied is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de huidige bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen'. Voorliggend wijzigingsplan geeft hier uitvoering aan.

5.2 Planbeschrijving

Het voorgenomen plan behelst de realisatie van circa vijf vrijstaande woningen rond een middenterrein dat tevens als terreinontsluiting zal dienen. Het terrein krijgt daarmee het karakter van een woonerf.

Het plan verkeert nog in schetsfase, zie figuur 5.1.

In de verdere uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met hetgeen in de ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling opgestelde beeldkwaliteitsplan staat, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat het plan voldoende zal passen in de omgeving.

Figuur 5.1: een schets van het beoogde plan voor de realisatie van vijf woningen
afbeelding "i_NL.IMRO.1774.denbpachterom2-0401_0003.png"

5.3 Algemene onderbouwing

Het plangebied maakt deel uit van een gebied dat vroeger de dorpsrand van Denekamp was. Met de aanleg van de rondweg en daarna een nieuw bedrijventerrein en woonwijk is dit gebied nu een soort 'tussengebied' geworden en het onderhavige plangebied kan gezien worden als een inbreidingslocatie waar redelijk extensieve woonbebouwing goed past.

Het plan sluit goed aan op relevant beleid, er is afdoende rekening gehouden met de omgeving en relevante (milieu)aspecten. Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan 'een goede ruimtelijke ordening'.

Hoofdstuk 6 Opzet wijzigingsplan

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het wijzigingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

6.2 Plansystematiek

6.2.1 Algemeen

In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van ruimtelijke plannen.

De SVBP 2012 maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare ruimtelijke plannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het wijzigingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemming is aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit wijzigingsplan verklaard het bestemmingsplan "Denekamp kern" grotendeels overeenkomstig van toepassing. Uitsluitend daar waar noodzakelijk om het planvoornemen mogelijk te maken, zijn bepalingen toegevoegd danwel gewijzigd.

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet.

De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.
6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn enkele in het kader van de SVBP2012 verplichte begrippen en enkele aanvullende begrippen opgenomen die dienen ter verduidelijking van de in dit wijzigingsplan gehanteerde definities. Voor het overige worden de begrippen zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Denekamp kern" onverkort van toepassing verklaard'.

In dit artikel wordt de wijze van meten zoals opgenomen in het moederplan, het bestemmingsplan "Denekamp kern", onverkort van toepassing van toepassing verklaard.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. In dit geval betreft dit de bestemming 'Wonen'. In paragraaf 6.3 wordt deze bestemmingen nader toegelicht.

6.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Omdat het in dit geval een wijzigingsplan betreft zijn de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Denekamp kern" onverkort van toepassing verklaard.

6.2.5 Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk worden de regels ten aanzien van het overgangsrecht zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Denekamp kern" onverkort van toepassing verklaard. In de slotregel wordt aangegeven hoe het wijzigingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen

Het is noodzakelijk dat een bestemmings- of wijzigingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmings- of wijzigingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Wonen (Artikel 3)

Middels dit wijzigingsplan wordt de bestemming in het plangebied gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De bestemmingsregels zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan "Denekamp kern" voor wat betreft de bestemming 'Wonen' zijn van toepassing verklaard op het plangebied. Op de verbeelding wordt deze bestemming weergegeven.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6. van het Bro geeft de toelichting inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.12 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij een besluit tot vaststelling kan de raad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

De beoogde ontwikkeling ten behoeve waarvan dit plan wordt opgesteld is een particulier initiatief en wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Voor de gemeente zijn daar verder geen kosten aan verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen om bouwvergunning. Die kosten worden door middel van leges gedekt.

Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een exploitatieovereenkomst gesloten waarin staat opgenomen dat de te maken kosten (die niet anderszins zijn gedekt) voor de initiatiefnemer zijn en waarin tevens kostenverhaalsclausule met betrekking tot eventuele planschadekosten is opgenomen. Tevens staan hierin de kosten rond de te realiseren uitweg geregeld. Met het sluiten van de exploitatieovereenkomst is het kostenverhaal in het kader van de Grondexploitatiewet verzekerd is.

Samenvattend kan gesteld worden dat het plan financieel haalbaar is en voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen zal hebben. Een verdere uiteenzetting van de financiële aspecten van deze ontwikkeling kan daarom in dit kader achterwege blijven.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Vooroverleg

Het bestemmingsplan 'Het Achterom' is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel en het waterschap. Zowel de provincie als het waterschap hebben destijds ingestemd met het bestemmingsplan. Om deze reden wordt het voorliggende wijzigingsplan niet nogmaals voorgelegd aan de provincie en het waterschap.

7.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 28 augustus 2015 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend tegen het plan.