| Plan: | Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMKKLATDORPSSTONG-VG01 |
Initiatiefnemer is voornemens één vrijstaande woning en een twee-onder-éénkapwoning te realiseren op de percelen tussen nummer 75 en 83 aan de Dorpsstraat in Lattrop - Breklenkamp. Het voorliggende plan is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland door de functie 'groen' die geldig is op het plangebied.
Om het voorgenomen plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied ligt tussen de nummers 75 en 83 aan de Dorpsstraat in de kern Lattrop - Breklenkamp van de gemeente Dinkelland. In de omgeving van de planlocatie zijn verschillende functies aanwezig. Het plangebied wordt voornamelijk begrensd door woningen, aan de oostzijde een fietswinkel en aan de westzijde een basisschool. De planlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, nummers 2085 en 2057. Deze percelen hebben samen een oppervlakte van 1.149 m2. In figuur 1.1 is de globale ligging en de omgeving van het plangebied te zien. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing weer van het plangebied.
Figuur 1.1 Uitsnede omgeving plangebied, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart, plangbied in rood omkaderd (Bron: kadastralekaart.com)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het plan niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Het waterschap is akkoord met het plan. Verder is het plan afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het plan te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
In de huidige situatie is sprake van grasland en een stuk bestrating waar ook voor een deel beplanting aanwezig is. De aanwezige bestrating op het plangebied is in gebruik (geweest) als (prive)parkeerplaats. Aan de linker- en rechterzijde van het plangebied, gezien vanaf de Dorpsstraat, bevinden zich bestaande woningen. Aan de overzijde van de straat bevinden zich nieuwbouw woningen op Erve Stok. Naast dit erf (Erve Stok) is een detailhandel aanwezig, daarnaast bevindt zich de HH Simon en Judas kerk.
Figuur 2.1 geeft een luchtfoto van de huidige situatie weer. Figuur 2.2 geeft een weergave weer vanaf de Dorpsstraat.
Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie, plangebied in rood globaal omkaderd (Bron: PDOK viewer)
Figuur 2.2 Aanzicht vanaf de Dorpsstraat op het plangebied (Bron: Google Streetview)
Het plangebied ligt in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich bestaande woningen. De nieuw te bouwen woningen krijgen dezelfde uitstraling als de omliggende woningen. Zoals te zien is in figuur 2.3 en 2.4.
Het plangebied is gelegen binnen de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de huidige situatie is er sprake van een open ruimte in het straatbeeld. Met de realisatie van de drie woningen word deze open ruimte in het straatbeeld opgevuld. De uitstraling van de nieuwe woningen past binnen de stijl van bouwen die reeds aanwezig is in het straatbeeld ter plaatse.
Figuur 2.3 Voorgevel twee-onder-één kapwoning (Bron: Leferink Architecten BNA)
Figuur 2.4 Voorgevel vrijstaande woning (Bron: Leferink Architecten BNA)
In het voorliggende plan zijn enkele milieukundige aandachtspunten. Deze aandachtspunten worden in Hoofdstuk 5 getoetst.
De initiatiefnemer is voornemens om één vrijstaande woning en een twee-onder-eenkapwoning te realiseren in het plangebied. De woningen moeten bijdragen aan de woningbehoefte en aan het landelijke uiterlijk van de dorpskern Lattrop. In figuur 3.1 is de nieuwe situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1 Situatietekening van de nieuwe situatie van het plangebied (Bron: Leferink Architecten BNA)
Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten:
De planlocatie is gelegen binnen het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland' met als onderdeel het bestemmingsplan 'Lattrop' en 'Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland'. De percelen tussen de Dorpsstraat 75 en 83 hebben de functie 'Groen'. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Zoals te zien is in figuur 3.2.
Figuur 3.2 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Lattrop', plangebied in rood globaal omkaderd (Bron: regels op de kaart)
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden etc. Daarnaast kent het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
Het voorliggende initiatief is strijdig met het omgevingsplan. Binnen de functie 'Groen' ontbreken de bouw- en gebruiksregels voor de te realiseren woningen. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' op het plangebied. Binnen 400 meter van de molen mag de bouwhoogte van bouwwerken worden vermeerderd met 1 meter per 30 meter afstand tussen de molen en het bouwwerk, gemeten vanaf het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen. Omdat het plangebied op circa 286 meter van de molen ligt, mag de bouwhoogte van de bouwwerken 9,5 meter hoger zijn dan het laagste punt van de wieken. De nieuwe woningen zullen een maximale bouwhoogte van 9,5 meter krijgen. Het voorliggende plan vormt geen belemmering voor de molen.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het omgevingsplan. In voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt aangetoont dat het plan voldoet aan de vereisten van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
In de NOVI wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies.
Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat tussen nummer 75 en 83. Hiermee wordt de woningvoorraad aangevuld. Zoals beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het Rijksbeleid.
Provinciale Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld:
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit plan zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
Artikel 4.4 principe van concentratie
Lid 1
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop, op een braak liggend stuk grond. De realisatie van deze woningen is in overeenstemming met de lokale woningbouwbehoefte, zoals ook te lezen is in paragrafen 4.1.4 en 4.1.5. Hiermee voorzien de drie woningen in de lokale behoefte en is de ontwikkeling in lijn met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop. Hierbij moet het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland worden aangepast. Het plangebied is gelegen in de kern van Lattrop en is voorzien van de functie groen en is bestemd voor stedelijke functies, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, etc. Er is dan ook geen sprake van een een Groene Omgeving, zodat artikel niet van toepassing is.
Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.6 toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Toets
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen in de kern Lattrop. Het hebben van een woonruimte is een behoefte van de huidige generatie, maar ook voor de toekomstige generatie. Door het realiseren van de drie nieuwe woningen worden voor de huidige en toekomstige generatie voorzien van een woonruimte en hebben de woningen op lange termijn een toegevoegde waarde.
Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.14 woonafspraken
Lid 1
Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
Omgevingsplannen kunnen alleen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Wanneer de realisatie niet past binnen deze afspraken of wanneer er geen woonafspraken gelden, moet de behoefte worden aangetoond met actueel onderzoek waarop instemming is verkregen van andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. In dat geval mag het omgevingsplan in maximaal 80% van de aangetoonde behoefte voorzien.
Het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda Twente.
Toets
Met voorliggend plan worden drie nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Er is behoefte aan nieuwe woningen. Zoals ook te lezen is in paragraaf 4.1.3, 4.1.4 en 4.1.5.
Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraad gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het gebied van toepassing is. De provincie heeft zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd voor de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarna gemotiveerd af te wijken. In figuur 4.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectieven, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Zoals in figuur 4.2 is afgebeeld (zie blauwe markering), ligt het plangebied in het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets
In het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' mag er altijd voor eigen behoefte worden gebouwd. In de gemeente Dinkelland is behoefte aan nieuwe woningen, zoals blijkt uit paragraaf 4.1.4. Met de realisatie van drie woningen worden er nieuwe woningen aan de woningvoorraad toegevoegd en kan er bijgedragen worden aan de woningbehoefte. Voorliggend initiatief is in lijn met het ontwikkelingsperspectie 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Gebiedskenmerken
Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied is voornamelijk de ‘stedelijke laag’ van belang. Naast de kenmerken van de stedelijke laag zijn er ook een kenmerken van de laag van beleving van belang. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied, hierdoor zijn de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag niet meer aanwezig, de natuurlijke laag zal daarom verder achterwege worden gelaten.
Figuur 4.3 Uitsnede gebiedskenmerk 'woonwijken van 1955 tot nu', plangebied onder het rode kruisje (Bron: provincie Overijssel)
In figuur 4.3 zijn de kenmerken van de ‘woonwijken van 1955 tot nu’ opgenomen. De woonwijken van 1955 tot nu zijn plan matig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar.
Het realiseren van drie woningen aan de Dorpsstraat, met dezelfde uitstraling als omliggende gebouwen, past binnen het gebiedskenmerk 'woonwijken 1955-nu'. In het ontwerp van de woningen word rekening gehouden met de uitstraling. Met de realisatie van de drie woningen word een leegte tussen twee bestaande woningen opgevuld. Hierdoor wordt er dus rekening gehouden met de bestaande structuren van de kern Lattrop-Breklenkamp. Gesteld kan worden dat het voorliggende plan in lijn is met de gebiedskenmerk 'woonwijken van 1955 tot nu'.
Figuur 4.4 Uitsnede gebiedskenmerk 'Donkerte', plangebied onder het rode kruisje (Bron: provincie Overijssel)
In gebieden met het kenmerk 'Donkerte' (zie figuur 4.4) wordt het 's nachts nog echt donker en kan men de sterrenhemel waarnemen. Het zijn relatief dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is om de huidige 'donkere' gebieden, tenminste even donker te houden, of bij nieuwe ontwikkelingen nog liever wat donkerder te maken.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de bestaande bebouwde omgeving. In deze bestaande bebouwing is er al een niveau aan licht aanwezig. Het toevoegen van drie woningen doet geen afbreuk aan beoogde donkerte.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
Speerpunten
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema's Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'leefbare kernen' van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten:
Toets
Om te zien wat in de omgeving belangrijk is, heeft de gemeente Dinkelland een waardenkaart opgesteld. Het plangebied ligt volgens de waardenkaart in het lichtroze gebied 'Landelijke kernen'. Zoals te zien is in figuur 4.5.
Figuur 4.5 Uitsnede waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied onder het icoontje (Bron: regels op de kaart)
Bij dit gebied horen de volgende kenmerken:
Bij ontwikkelingen binnen dit gebied wordt ingespeeld op:
Voorliggend plan heeft betrekking op een kleinschalig woningbouwplan dat aansluit bij het bebouwingsgebied in de kern Lattrop, welke ook kleinschalig van aard is. Daarnaast wordt de in de buurt gelegen kerk niet aangetast door het bouwproject. Hierbij word er namelijk de zicht op de kerk vanuit de omgeving niet ontnomen. Achter het perceel zijn geen andere woningen gelegen, die door het voorliggende plan hinder zouden kunnen ondervinden op het zicht op de kerk. Zoals is aangegeven bij richtlijnen van de gemeentelijke waardenkaart. Voorliggend initiatief is in lijn met de uitgangspunten die voortkomen uit de gemeentelijke waardenkaart.
Conclusie
Voorliggend plan is in lijn met de Omgevingsvisie van gemeente Dinkelland.
De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 4.1.5 is de toets aan dit programma opgenomen.
Dinkelland kijkt met ambitie naar de toekomst. In 2050 zal de woningmarkt volledig in balans zijn, met een woonaanbod dat perfect aansluit op de woonvraag. De gemeente Dinkelland zal bloeien als een levendige en dynamische plek, waar woningen en voorzieningen op niveau zijn en inspelen op de behoeften van onze inwoners.
Om te voorzien in de groeiende woonbehoefte zet gemeente Dinkelland in op het optimaal benutten van de bestaande woningvoorraad. Immers is 94% van het aantal benodigde woningen in 2032 reeds aanwezig in de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om bestaande woningen te renoveren en te verduurzamen zodat deze beter aansluit bij de veranderende behoeften van de samenleving. Dit omvat het herbestemmen van leegstaande kantoren tot appartementencomplexen en het transformeren van industrieterreinen tot aantrekkelijke woonwijken.
Ontwikkeling woningbehoefte
De gemeente Dinkelland staat voor een belangrijke uitdaging op het gebied van woningbouw in de komende jaren. Met de groeiende vraag naar woningen, zowel vanuit de eigen bevolking als binnen de woningmarktregio, dient de gemeente in kaart te brengen wat de omvang is van de woningbouwbehoefte. Hierbij wordt ook de kwalitatieve woonbehoefte van verschillende aandachtsgroepen en ouderen meegenomen. Het vinden van een balans tussen het behouden van het karakter van de dorpen en het bieden van voldoende en passende huisvesting is cruciaal voor de toekomstige leefbaarheid en ontwikkeling van de gemeente Dinkelland.
Toekomstig aantal huishoudens
Gemeente Dinkelland telde op 5 juli 2023 in totaal 10.630 huishoudens. De Primos prognose verwacht een groei van +4.2% in extra huishoudens naar een totaal van 11.076 huishoudens in 2032. Deze groei in huishoudens is verwacht ondanks de hierboven beschreven verwachte bevolkingskrimp volgens Primos. Dit kan worden verklaard door huishoudingsverdunning (bijvoorbeeld echtscheidingen, latere paarvorming, etc.). De prognose van Tellers & Benoemers verwacht een groei van +6.7% in extra huishoudens naar een totaal van 11.336 in 2032. De groei in het aantal huishoudens ligt in lijn met de verwachte bevolkingsgroei volgens Tellers & Benoemers.
Concluderend: de gemeente Dinkelland houdt rekening met 708 nieuw te bouwen woningen tot het jaar 2032 vanwege de algemene lokale bevolkingsen huishoudensgroei.
Waar bouwen we nieuwe woningen
De woningbouwopgave vormt een van de meest urgente uitdagingen binnen het huidige beleidslandschap. De veranderende samenstelling van huishoudens, de beperkt beschikbare ruimte, de behoefte aan betaalbare en duurzame woningen, de specifieke opgaven voor aandachtsgroepen, ouderen en starters op de woningmarkt vereisen een integrale en gecoördineerde aanpak. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de vraag naar woningen het aanbod ver overstijgt. Dit heeft geleid tot stijgende woningprijzen en een toenemende druk op de huurmarkt. Het beleid ter verwezenlijking van de woningbouwopgave richt zich daarom op het vergroten van het woningaanbod, het verbeteren van de betaalbaarheid van woningen, en het waarborgen van de kwaliteit en duurzaamheid van de gebouwde omgeving.
De afgelopen jaren heeft de gemeente Dinkelland niet stil gezeten. De gemeente heeft actief grondbeleid gevoerd om gronden te verwerven voor de ontwikkeling van woningbouwplannen. Daarnaast zijn er ook diverse marktpartijen en particuliere initiatieven gestart om woningbouw te realiseren binnen de gemeente Dinkelland. Zoals eerder beschreven heeft de gemeente een totale woningbouwbehoefte van 871 woningen (100%). De gemeente programmeert 130% van de woningbehoefte (1.133 woningen) vanwege vertragingen in het ontwikkelproces of het uiteindelijk niet doorgaan van plannen. Totaal kent de gemeente 934 woningen in verschillende woningbouwplannen (82% van de totale plancapaciteit). Er is dus nog ruimte voor 199 nieuwe woningbouwinitiatieven (18% van de totale plancapaciteit). Deze open plancapaciteit zal met nieuwe voornemens vanuit zowel de gemeente als particuliere initiatieven worden ingevuld. Figuur 4.6 geeft weer hoeveel harde en zachte woningbouwplannen er in welke Dinkellandse kern in voorbereiding zijn.
Figuur 4.6 Woningbouwplannen (harde en zachte plannen) per kern in relatie tot de totale plancapaciteit (Bron: gemeente Dinkelland)
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. Met de realisatie van de drie nieuwe woningen wordt er voorzien in de woningvoorraad die gemeente Dinkelland gesteld heeft voor haar grondgebied. Daarnaast is in het huisvestingsprogramma de locatie van het voorliggende initiatief al meegenomen als zachte plan locatie voor woningbouwontwikkeling. Hiermee kan gesteld worden dat het voorliggende initiatief in lijn is met het volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van de gemeente Dinkelland.
Algemeen
Bij de gemeente Dinkelland werd en wordt er regelmatig een aanvraag ingediend voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Daarbij gaat het dan veelal om kleinschalige grondgebonden woningbouw zonder functiemenging binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de beoordeling van dergelijke aanvragen is voor het eerst in 2011 door de gemeenteraad een beleidskader vastgesteld in de vorm van een “Beleidsnota Inbreidingslocaties”. Nadien is het beleid aangepast in de versie “Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020”.
Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is.
Toepassing
Het beleid is van toepassing op:
Voorwaarden
Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken verstaat de gemeente Dinkelland plekken die:
Locaties met een beeldbepalende groen- of bosfunctie zijn uitgesloten.
Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland de volgende overige stedenbouwkundige voorwaarden geformuleerd:
Situatie plangebied
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de kern van Lattrop-Breklenkamp. De planlocatie bestaat uit een braakliggend stuk grond dat gedeeltelijk groen is en deels uit verharding bestaat. Het plangebied bevindt zich binnen het bestaand bebouwd gebied van Lattrop en is goed bereikbaar voor verkeer door de ligging aan de Dorpsstraat. In de huidige situatie geldt een groenfunctie op het perceel. Dit stuk groen kan worden omschreven als stedelijk groen, maar is er geen sprake van een beeldbepalend groen. Het bestaande groen betreft geen hoogwaardig kwalitatief groen. Het betreft voornamelijk een kleine weide. Het aanwezige kwalitatieve groen, de bomen langs de Dorpsstraat, blijven tevens behouden. Op het stuk grond zijn parkeervoorzieningen en grasland aanwezig. Hiermee wordt er voldaan aan punt 1 door de ligging van het gebied, punt 2 door de ligging aan de Dorpsstraat en punt 3 het herontwikkelen van een lege plek.
Naast de algemene voorwaarden word er ook voldaan aan de stedenbouwkundige voorwaarden. Zo sluit de ontwikkeling aan aan de bestaande stedenbouwkundige structuur. De woningen worden namelijk gerealiseerd tussen twee bestaande woningen, zonder dat er aanpassingen worden gedaan aan de huidige structuur. De nieuw te bouwen woningen sluiten aan op de bestaande voorgevelrooilijn van de Dorpsstraat. Daarnaast grenzen de percelen aan de openbare weg, namelijk de Dorpsstraat. In het ontwerp is rekening gehouden met de uitstraling van omliggende bebouwing. Dit word gedaan doormiddel van de puntdaken en enkel twee bouwlagen te realiseren. Met de hoogtes van de woningen is aangesloten bij de omliggende bouwhoogtes. De vastgestelde bouwhoogtes van omliggende woningen ligt tussen de 8 tot 10 meter. Als laatste worden er met de realisatie van de drie woningen geen woonmilieus in de omgeving aangetast.
Voorliggend initiatief is in lijn met de nota inbreidingslocaties 2020 gemeente Dinkelland.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.
De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'Kernen - Niveau midden'. Zie figuur 4.7.
Figuur 4.7 Kaart welstandsnota gemeente Dinkelland plangebied in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Het plangebied is gelegen in het gebied dat beschreven is als kernen - niveau midden. Hierbij zijn de ontsluitingswegen van belang voor de ruimtelijke kwaliteit. Hier staan vooral vrijstaande woningen. Langs de ontsluitingswegen word er gestuurd op representatieve architectuur. Vanuit de oude kern zijn langer uitlopers van het esdorp aanwezig.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen. Met de realisatie van de drie woningen wordt er rekening gehouden met de omliggende bebouwing.
Gelet op de locatie van de beoogde woningen, het ontwerp van de woningen en de ligging van de woningen t.o.v. de wegen, kan gesteld worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Nota omgevingskwaliteit.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een positieve principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen in een kern (Lattrop-Breklenkamp) met een inwoneraantal van 300 tot 1000 inwoners. Volgens de uitzonderingenlijst van de provincie Overijssel is voor het voorliggende initiatief geen provinciaal vooroverleg nodig.
Op 8 april 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 1. Uit de watertoets is gebleken dat er een korte procedure moet worden gevolgd. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Het waterschap vechtstromen heeft schriftelijk op 8 april 2025 bevestigd dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering zijn en/of tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan (zaaknummer 26731).
Initiatiefnemer heeft in het kader van het beleid 'Inwonersparticipatie' gesproken met omwonenden. De omwonenden zijn blij met de voorliggende plannen. Ze zijn positief te spreken over de verjonging van de buurt. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 2.
Naast participatie is het voor belanghebbenden mogelijk om in de formele besluitvormingsprocedure bezwaren kenbaar te maken. Het TAM-IMRO omgevingsplan met bijbehorende stukken wordt als ontwerp ter inzage gelegd gedurende zes weken. Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen.
Onderhavig plan heeft met ingang van 19 december 2026, 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Voorliggend plan maakt het realiseren van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop mogelijk. Uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat bij realisatie van 11 of minder woningen geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Ook als de Ladder niet van toepassing is, moet de behoefte aan de in het plan voorziene woningen worden gemotiveerd. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1.5 voorziet het plan in een behoefte.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op de realisatie van drie woningen. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414).
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de kern van Lattrop - Breklenkamp. De woningen worden gerealiseerd op een braakliggend terrein tussen bestaande bebouwing. Naar aard en omvang is het voorliggende initiatief passend in de omgeving, ook heeft het geen negatieve gevolgen voor omliggende functies en tast het het straatbeeld niet aan. Er wordt aangesloten op de omliggende woonfuncties.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het plan en de kernmerken van het potentiële effect van het plan is vastgesteld dat er geen sprake is van een plan dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de volgende uitgangspunten gebruikt.
De planlocatie is gelegen aan de Dorpsstraat. De Dorpsstraat vormt een van de belangrijkste ontsluitingswegen van Lattrop-Breklenkamp. Met de realisatie van de drie woningen zal de verkeersintensiteit toenemen. De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de Dorpsstraat. Voorliggend plan voorziet in de volgende verkeersgeneratie:
Voor de vrijstaande woning word de verkeersgeneratie als volgt berekend:
((7,8 + 8,6)/2)= 8,2 per woning
Voor de twee-onder-een kapwoningen word de verkeersgeneratie als volgt berekend:
((7,4 + 8,2)/2) = 7,8 per woning
In totaal zal de verkeersintensiteit met 23,8 (2 x 7,8 + 8,2) verkeersbewegingen toenemen. Met voorliggend plan neemt de verkeersintensiteit in beperkte mate toe. De Dorpsstraat (ontsluitingsweg) waar de woningen aan komen te liggen kan de lichte toename aan verkeersbeweging gemakkelijk afwikkelen.
Situatie plangebied parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven.
Voor de drie te realiseren woningen moeten parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voor de vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,3 per woning. Voor de twee-onder-éénkap woning geldt een parkeernorm van 2,2 per woning. Voor de voorliggende ontwikkeling moeten in totaal 6,7, afgerond 7 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er is de mogelijkheid om een deel van de parkeerplaatsen op eigen kavel te realiseren. Zoals te zien is op figuur 5.1.
Bij de vrijstaande woning worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd, bij de woning ernaast wordt er één parkeerplaats gerealiseerd en bij de laatste woning worden 2 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de vrijstaande woning worden nogmaals 3 langsparkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zullen in de toekomstige situatie onderdeel worden van de openbare ruimte.
Figuur 5.1 Siuatieschets parkeren voor de woningen (Bron: Leferink Architecten BNA)
Conclusie
Het aspect 'Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren' vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een plan een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' en ligt op een afstand van circa 1,427 km van de planlocatie. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.2.
Figuur 5.2 Afstand tot dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied, plangebied onder de blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving)
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop. Voor de ontwikkeling van deze woningen is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 3.
Uit het rapport volgen de volgende conclusies:
De berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2025. De aanlegfase kan naar verwachting vanaf midden 2026 worden uitgevoerd. Naar verwachting zijn de woningen pas in 2027 daadwerkelijk bewoonbaar. Dit komt doordat de woningen na de bouw nog verkocht moeten worden en helemaal ingericht moeten worden, om te kunnen bewonen. Voor de gebruiksfase is daarom gerekend met het jaar 2027.
De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Natura 2000-activiteit. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS-analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase.
Aanlegfase
De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 11,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Gebruiksfase
De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 2,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het voorgenomen woningbouwplan aan de Dorpsstraat tussen nummers 75 en 83 in Lattrop zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en ammoniak.
Derhalve wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen woningbouwplan. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk.
Het aspect 'Stikstofdepositie' vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Conclusie
Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 726 m van de planlocatie. NNN-gebieden kennen geen externe werking. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.3.
Figuur 5.3 Afstand tot dichtsbijzijnde NNN-gebied, plangebied onder de blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving)
Conclusie
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN-gebied. Daarnaast kennen NNN-gebieden geen externe werkingen. Voorliggend plan vormt geen belemmering voor het dichtbijzijnste NNN-gebied.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
Voor het voorliggende plan is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 4.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen wel worden uitgesloten.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied.
Door het bouwen van de woningen en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Als de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een
activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Situatie plangebied
In de toekomstige situatie worden er drie nieuwe woningen gebouwd in de kern Lattrop-Breklenkamp. Als gevolg van de realisatie van deze woningen neemt de verkeersintensiteit toe met 23,8 per etmaal. Als er uit word gegaan van de wost-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 48 per etmaal gesteld worden (het dubbele van het berekende aantal). Bij woningen kan er uit worden gegaan van 2% aandeel voor vrachtverkeer. Dit zijn onder andere vuilniswagens.
In figuur 5.4 is de worst-case berekening weergegeven met 48 extra voertuigbewegingen.
Figuur 5.4 Worst-case berekening voor bijdrage extra verkeer (Bron: INFOMILL.NL)
Conclusie
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.5 Standaardwaarden (Bron: Art. 5.78T van het BKL)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
Voorliggend initiatief is gelegen aan de Dorpsstraat tussen de huisnummers 75 en 83. De Dorpsstraat is een gemeentelijke weg waar een maximale snelheid van 30km/h geldt. Volgens artikel 5.78u t/m atikel 5.78ad van het Bkl en de 'Nota geluidsbeleid Dinkelland' zijn er een aantal aanvaardbare grenswaardes opgesteld. Voor beiden geldt er een bovengrens van 53 Lden.
Volgens de kaart van Atlas van de Leefomgeving zitten de nieuw te bouwen woningen voor een deel in de geluidsbelasting van minder dan 45 dB en in de geluidsbelasting van 46 tot 50 dB. Zie figuur 5.6. Hiermee blijft de geluidbelasting onder de voorgestelde grenswaarden. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt op basis hiervan niet noodzakelijk geacht.
Figuur 5.6 Uitsnede wegverkeerslawaai kaart, plangebied globaal in blauw omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving)
Situatie plangebied, industrielawaai
Voorliggen initiatief is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen, groen functies of maatschappelijke functies. Er ligt geen industriegebied in de buurt van het plangebied. Er is geen sprake van industrielawaai op de planlocatie.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
Voor het voorliggende plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 5. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies:
Basisschool 't Kampke
Aannemersbedrijf Warmes BV
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal andere bedrijven te vinden. Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied. Hierdoor kan er een lagere benodigde afstand worden gehanteerd.
Aan de Dorpsstraat 66 bevind zich de kerk H.H. Simon en Judas kerk. Deze kerk bevind zich op circa 11 meter van het plangebied. Hiermee kan gesteld worden dat deze kerk op voldoende afstand ligt en geen geluidsoverlast geeft op het plangebied.
Tegenover het plangebied aan de Dorpsstraat 70 bevindt zich een fietsenzaak die een detailhandelfunctie heeft. De afstand tussen het plangebied en de Dorpsstraat 70 bedraagt circa 8 meter. Hiermee wordt er voldaan aan de richtafstand van 0 meter die geldig is voor een dergelijke functie.
Andersom, het geluid vanaf de planlocatie is net storend voor de omliggende bedrijven. De omliggende bedrijven zijn al beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden door reeds bestaande woningen. De realisatie van 3 nieuwe woningen zal deze bedrijven niet opnieuw beperken. Daarnaast geldt dat wonen geen milieubelastende activiteit is.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen, industrielawaai en belastende activiteiten niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Situatie plangebied
Het plangebied is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Het meest dichtbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van ongeveer 270 meter (Ottershagenweg 31). Het gaat hierbij om een grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 100 meter tot agrarische bedrijven zonder geuremissiefactor. Gelet op de onderlinge afstand wordt er voldaan aan de minimaal gestelde afstand van 100 meter.
Conclusie
Het dichtstbijzijnde (agrarische) bedrijf in de omgeving betreft het agrarische bedrijf aan de Ottershagenweg 31 en ligt op circa 270 meter. Hiermee word er voldaan met de minimale afstand die gesteld is in artikel 5.110 t/m artikel 5.112 van het Bkl.
Milieuaspect 'geur' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerkenleefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
Situatie plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen (gevaarlijke buisleidingen en gastransportleidingen, transport van gevaarlijke stoffen en andere externe veiligheidsbronnen) gelegen die invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Eveneens ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied op grond van omgevingsveiligheid. In de omgeving is één mestvergisting gelegen. Deze ligt op een afstand van circa 439 meter. Zoals te zien is in figuur 5.7.
Figuur 5.7 Uitsnede risicokaart, plangbied onder blauw icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Het milieuaspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Situatie plangebied
Het plangebied bevindt zich in Lattrop-Breklenkamp, waar geen spoorwegen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde provinciale weg (N349) ligt op ongeveer 3 km afstand. Eventuele trillingen als gevolg van zwaar verkeer zijn naar verwachting niet merkbaar binnen het plangebied. Dit komt doordat de verkeersintensiteit van de weg laag is en de onderlinge afstand met het plangebied redelijk groot (3 km) is. Nader onderzoek naar trillingen wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'trillingen' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied
Cultuurhistorie
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in het plangebied gelegen zijn. Aan de overzijde van de straat is wel sprake van een rijksmonument. Het gaat hier om de H.H. Simon en Judas kerk. Met de ontwikkeling van de drie woningen word er een gat opgevuld in het straatbeeld. Aan de kant van de kerk wordn geen aanpassingen gedaan in het straat beeld. Gesteld kan worden dat het plan geen afbreuk doet aan het monument.
Archeologie
Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat het plangebied bedekt is met dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek. Dit heeft een hoge archeologische waarde, zie figuur 5.8.
Figuur 5.8 Uitsnede archeologische waardenkaart, plangebied in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland geldt voor een gebied van meer dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm verplichting tot archeologisch onderzoek. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 3 woningen. De totaal oppervlakte van deze woningen is minder dan 2500 m2. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk, het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.
Conclusie
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Om te bepalen of de bodem van voldoende kwaliteit is, is er een bodemonderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied. Het gehele rapport voor het bodemonderzoek is te lezen in bijlage 4. De belangrijkste conclusie luid als volgt:
In de ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport. In de bovengrond is geen verontreiniging gemeten.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de functiewijziging van de locatie en de nieuwbouwplannen, aangezien de gemeten verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Conclusie
Het milieuaspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Om te bepalen of er belangen van het waterschap worden geraakt is er een digitale watertoets ingevuld. Zoals in paragraaf 4.2.2 te lezen is, heeft het waterschap geen bezwaren tegen dit plan.
Conclusie
Het aspect 'waterbelang' vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. De dichtsbijzijnde agrarische grond is gelegen op een afstand van circa 43 meter. Het plangebied is mede afgeschermd door de groenstroken die aangelegd zijn bij de ontwikkeling van de Erve Stok. De eerder benoemde agrarische gronden zijn onderdeel van het talud van de es behorende bij Erve Stok. Zoals ingetekend in het landschapsplan van het onderdeel van het omgevingsplan 'Lattrop, Dorpsstraat 70'. Drift van beschermingsmiddelen zal hierdoor meevallen. Gewasbeschermingsmiddelen vormen geen belemmering voor het voorliggende plan.
Conclusie
Het aspect 'Spuitvrije zones' vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal en nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het plan financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: