| Plan: | Bestemmingsplan Ootmarsum Timmusweg 11 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.OOTBPTIMMUSWEG-VG02 |
Aan de Timmusweg, tegenover Timmusweg 11, te Agelo wil de eigenaar, hierna initiatiefnemer, het perceel herontwikkelen. Dit perceel werd gebruikt als modeltuin 'de Alpentuin'.
Op de gronden achter de modeltuin staat nog een oude schuur. De initiatiefnemer wil deze oude schuur slopen en een nieuw gebouw/schuur realiseren op het perceel van de voormalige modeltuin. Tegelijkertijd wil de initiatiefnemer de bijgebouwen op het perceel Timmusweg 11 'legaliseren'.
De gemeente heeft aangegeven onder voorwaarden mee te willen werken aan het verzoek. De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan 'Ootmarsum - Brookhuis' (zie paragraaf 1.2). Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is een nieuw juridisch-planologisch kader noodzakelijk. Dit bestemmingsplan dient hiervoor.
De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
Het perceel aan de Timmusweg is geregeld in het bestemmingsplan 'Ootmarsum - Brookhuis', vastgesteld door de gemeenteraad op 18 maart 2008. Het perceel is voorzien van de enkelbestemmingen 'Modeltuin' en 'Cultuurgrond'. Kadastraal bekend als OMS00C2164G0000 (Kad: 2164) en OMS00C3211G0000 (kad: 3211).
Binnen de bestemming 'Modeltuin' (kad: 2164) mag het gezamenlijke oppervlakte van gebouwen maximaal 75 m2 bedragen en de bouwhoogte maximaal 4 meter. Binnen de bestemming 'Cultuurgrond' (kad: 3211) zijn, ter plaatse van de aanduiding 'gebouw toegestaan', gebouwen met een maximale goothoogte van 3,5 meter toegestaan.
Strijdigheid met het bestemmingsplan
Het beoogde gebruik van het perceel aan de Timmusweg komt niet overeen met de bestemming 'Modeltuin' of 'Cultuurgrond'. Bovendien wordt met de beoogde ontwikkeling, zie paragraaf 2.2 zowel het gezamenlijke oppervlakte als de maximale bouwhoogte overschreden.
In figuur 1.2 is een uitsnede van het bestemmingsplan te zien.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Ootmarsum Brookhuis' (bron: ruimtelijke plannen)
Dit perceel kadastraal bekend als OMS00C2155G0000 (kad: 2155) en OMS00C2154G0000 (kad: 2154), is gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Ootmarsum Overige Gebieden' vastgesteld door de gemeenteraad op 18 september 2012.
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen'. Op grond van de bouwregels mag bij een perceel groter dan 400 m2 de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m2 bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt tot een maximum van 350 m2. Het maximum aan bijbehorende bouwwerken is in dit geval 246 m2.
Strijdigheid met het bestemmingsplan
Aan de Timmusweg 11 ligt het legaal bestaande maximum van bijbehorende bouwwerken op 246 m2. Met de legalisering van de illegaal gebouwde bijgebouwen (gezamenlijke oppervlakte 110,3 m2) wordt deze oppervlakte (246 m2) overschreden en legalisering is dus strijdig met het bestemmingsplan.
In figuur 1.3 is een uitsnede van het bestemmingsplan te zien.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Ootmarsum Overige Gebieden' (bron: ruimtelijke plannen)
Het Bestemmingsplan 'Buitengebied Denekamp' vastgesteld door raad op 24 maart 1994. Is niet meer actueel, en is inmiddels geactualiseerd door verschillende bestemmingsplan. Echter is dit bestemmingsplan voor onderhavige locatie wel van belang. In dit bestemmingsplan zijn beide percelen bestemd met een woonbestemming. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de gronden ter hoogte van de voormalige Alpentuin en het achterliggende perceel ooit bedoeld waren voor een woondoeleinden. Met deze herziening wordt dus een voormalige bestemming terug gebracht in het gebied.
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plan. Hierbij wordt ingegaan op de ruimtelijke en functionele aspecten van het plan. Vervolgens staat in hoofdstuk 3 een beschrijving van het beleid dat relevant is voor het plangebied en/of de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt op de diverse omgevingsaspecten ingegaan. Een juridische beschrijving van het plan wordt gegeven in hoofdstuk 5. Dit hoofdstuk gaat in op de bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het plan.
Het perceel aan de Timmusweg 11, en het perceel ertegenover, liggen in Agelo. Het buurtschap Agelo ligt ten zuiden van Ootmarsum, in de Twentse gemeente Dinkelland. De percelen worden ontsloten door de Timmusweg, dit is een doodlopende 30 km/uur-weg. De omgeving van het plangebied is erg groen. In de directe omgeving van de percelen zijn veelal woningen gelegen. De gebouwen in de omgeving hebben een sobere, ingetogen en ondergeschikte uitstraling.
Achter de Timmusweg 11 is een hotel gelegen en het naastgelegen perceel heeft de bestemming 'Agrarisch' en is in gebruik als weiland. Aan de Timmusweg 2-4 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Verder zijn er geen bedrijven in de directe omgeving.
Voormalige Alpentuin
Tegenover Timmusweg 11 was modeltuin de Alpentuin gevestigd. De Alpentuin was een openbare modeltuin die overgekocht is door de initiatiefnemer. Op het perceel (kad: 3211) ten oosten van deze voormalige modeltuin staat nog een oude schuur van 160 m², in figuur 2.1 wordt deze schuur weergegeven. Vanwege de slechte staat van de modeltuin, is de modeltuin gesaneerd. In figuur 2.2 is de situatie van de voormalige Alpentuin te zien. In figuur 2.3 is een luchtfoto van de huidige situatie weergeven, hierin is goed te zien dat de modeltuin is opgeruimd en wordt gebruikt als grasveld.
Figuur 2.1: Huidige schuur (Kad: 3211)
Figuur 2.2: Alpentuin Agelo (kad: 2164) (bron: Tubantia)
Figuur 2.3: Perceel Alpentuin Agelo en achterliggend perceel (Bron: Esri)
Timmusweg 11
Het perceel aan de Timmusweg 11 ligt in het buitengebied van Ootmarsum. Het perceel vormt een groot erf met een hoofdgebouw en verschillende bijgebouwen rondom een 'centraal plein'. De bijgebouwen onderbrengen een zwembad, schuur, garage, kantoor, opslag en een schuur ten behoeve van het houden van paarden.
Rondom de gebouwen is een tuin en in het noorden ligt een paardenbak. Langs het erf staan boomsingels. De begroeiing op het erf bestaat uit: Taxussen, Rododendrons, Hulsten, Krenten en Hazelaars.
Op het perceel staat 356,3 m² aan bijgebouwen. Van deze bijgebouwen zijn 246 m² vergund en 110,3 m² is niet vergund. In figuur 2.6 wordt een overzicht van vergunde en niet vergunde bijgebouwen weergegeven.
Figuur 2.4: Huidige situatie Timmusweg 11 (bron: esri)
Figuur 2.5: Huidige situatie Timmusweg 11 (Bron: Google Streetview).
Figuur 2.6: Overzichtstekening bestaande bebouwing vergund/ niet vergund
Voormalige Alpentuin
Het perceel de voormalige Alpentuin (kad: 2164) gaat functioneel deel uitmaken van het perceel Timmusweg 11. De modeltuin is inmiddels gesaneerd. Het perceel ten oosten van de voormalige Alpentuin (kad: 3211) wordt samengevoegd met het naastgelegen perceel (kad: 2164) waardoor een geheel ontstaat. De huidige vervallen schuur die op dit perceel (kad: 3211) aanwezig was is inmiddels gesloopt. Ter compensatie wordt door middel van de schuur voor schuur regeling een nieuwe schuur gerealiseerd. Aan de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente voorwaarden verbonden:
Met de nieuwe schuur wordt aangesloten op de bebouwing van het perceel aan de Timmusweg 11. Het betreffende perceel krijgt de bestemming 'Wonen' waarbij de bijgebouwen functioneel ondergeschikt zijn aan het bestaande hoofdgebouw aan de Timmusweg 11. Een nieuwe woning wordt niet mogelijk gemaakt, enkel bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Deze omzetting wordt passend binnen de systematiek van het buitengebied en ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Voor de landschappelijke inpassing is een inrichtingsplan opgesteld. In figuur 2.7 is het inrichtingsplan van de Timmusweg 11 en de voormalige Alpentuin te zien. Dit figuur is ook opgenomen in bijlage 1. Paragraaf 2.2.1 wordt ingegaan op de ruimtelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling.
Timmusweg 11
De illegale bebouwing (110,3 m2) kan door middel van het schuur-voor-schuur-regeling van de gemeente Dinkelland worden gelegaliseerd. Deze regeling is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door de sloop van leegstaande schuren, ontwikkeling van economische activiteiten te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven. Paragraaf 3.3.2 gaat hier verder op in.
Voor de herinrichting van de voormalige Alpentuin is het van belang dat het erf goed wordt ingepast. Daarom dient de nieuwe erfopzet helder te zijn en moet de nieuwe schuur een onderdeel vormen van het erf aan de Timmusweg 11. Voor het plan is een inrichtingsplan opgesteld. Het inrichtingsplan is bijgevoegd als bijlage 1 en weergegeven in figuur 2.7.
Figuur 2.7: Inrichtingsplan
De ruimtelijke inpassing van het perceel wordt bereikt door de uitwegen tot de bebouwing aan beide zijden van de Timmusweg op elkaar aan te laten sluiten. De bestrating op de Timmusweg 11 bestaat uit oud gebakken rode klinkers. Deze bestrating gaat ook worden gebruikt aan de overzijde. hierdoor ontstaat een optische verbinding tussen de twee percelen. De nieuwe schuur komt op de zelfde 'hoogte' als de bestaande schuur (E). Daarnaast wordt de nokrichting van de nieuwe schuur gelijkgesteld met de nokrichting van de bestaande bijgebouwen op het bestaande erf. Bij de landschappelijke inpassing van de nieuwe schuur wordt dezelfde streekeigen beplanting als aan de overzijde van de weg gebruikt.
Er moet sprake zijn van de soberheid van een schuur met een ingetogen en ondergeschikte uitstraling. Hierdoor sluit de schuur goed op om de bebouwing in de omgeving (zie paragraaf 2.1). Tevens moet het ontwerp passen binnen de welstandscriteria voor het buitengebied. Rondom het nieuwe erf worden nieuwe gemengde plantsoenen aangelegd. In deze plantsoenen worden gevuld met verschillende streekeigen beplating. In bijlage 1 wordt beschreven welke beplating waar wordt aangeplant.
Om een spiegeling te creëren met het bestaande erf, wordt de nieuwe schuur op dezelfde afstand van de openbare weg en op de zelfde hoogte gerealiseerd als bestaande schuur E.
De nieuwe schuur moet qua omvang en uitstraling passend zijn binnen het buitengebied en herkenbaar als een bijbehorend bouwwerk en niet als een op zichzelf staand hoofdgebouw. Hierbij zijn zowel de afmetingen als de uitvoering van belang. De beoogde nokhoogte van de schuur is 6 meter.
Als vuistregel in het buitengebied geldt dat bijbehorende bouwwerken minimaal 1 meter lager zijn dan de nokhoogte van het hoofdgebouw. De nieuwe schuur wordt planologisch aangemerkt als bijbehorend bouwwerk bij de bestaande woning Timmusweg 11. De bestaande woning heeft een nokhoogte van 8,85 m. Dat houdt in dat de maximale nokhoogte van de nieuwe schuur maximaal 7,85 meter zou mogen zijn.
De nieuwe schuur dient vanuit ruimtelijke oogpunt ook aan te sluiten op de naastgelegen bebouwing aan de Timmusweg 10. Het hoofdgebouw aan die zijde (woning Timmusweg 10) heeft een nokhoogte van 7 meter. Om in dit gebied visueel een duidelijk onderscheid te houden tussen hoofd- en bijgebouwen zal de maximale nokhoogte van het bijbehorend bouwwerk op de voormalige locatie van de Alpentuin maximaal 6 meter mogen bedragen. De goot- en nokhoogte van de bijbehorende bijgebouwen worden in de planregels gemaximeerd. De nieuwe schuur past daarmee qua omvang binnen de uitstraling van het gebied.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro.
In de SVIR is ook 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio en de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied.
In dit bestemmingsplan is er geen sprake van stedelijke ontwikkeling. Het plan betreft namelijk de bouw van één schuur en de legalisatie van bestaande bijgebouwen. Dit wordt mogelijk gemaakt door middel van het 'schuur-voor-schuur-beleid' (zie paragraaf 3.3.2) en de huidige planologische mogelijkheid om 75m² aan bijbehorende gebouwen te realiseren (zie paragraaf 1.2.1). Een schuur als bijbehorend bouwwerk bij een woning wordt niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Daarnaast wordt een bestaande schuur gesloopt en daarvoor in de plaats wordt een nieuwe schuur gerealiseerd. In verhouding neemt de bebouwing binnen het plangebied niet toe.
Toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de orde.
De Omgevingsvisie Overijssel is in 2017 vastgesteld als de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (straks: de Omgevingswet). De twee belangrijkste thema's van de vorige omgevingsvisie waren duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Als derde thema heeft de provincie daar nu sociale kwaliteit aan toegevoegd.
Het thema sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. Zaken die daarbij een belangrijke rol spelen zijn gezondheid, vitaliteit, arbeidsparticipatie, sociale uitsluiting en armoede. Binnen het thema sociale kwaliteit zijn vier categorieën van menselijke behoeften die samenhangen met de inrichting of vormgeving van onze leefomgeving: de behoefte aan geborgenheid en veiligheid, de behoefte aan contact en communicatie, de behoefte aan informatie en variatie en tenslotte de behoefte aan duidelijkheid en herkenning.
Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Een doelstelling van de Omgevingsvisie is het creëren van ruimtelijke kwaliteit, wat als volgt wordt omschreven: "Datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is". De Omgevingsvisie benoemt een ontwikkelperspectief voor de locatie. Daarnaast wordt uitgegaan van een lagenbenadering met vier lagen. Zo is er de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, een stedelijke laag en een 'lust- en leisure' laag. Deze benadering van ruimtelijke kwaliteit is een optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. De lagen worden hieronder kort beschreven, waarbij de conclusies worden samengevat en vertaald naar concrete uitgangspunten.
Generieke beleidskeuzes
Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkeling nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor onder andere voorzieningen in het stedelijk gebied hanteert de provincie de Ladder voor duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.
Ontwikkelingsperspectieven
Voor het perceel geldt het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken', hiervoor geldt dat altijd gebouwd mag worden voor de lokale behoefte. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken.
Gebiedskenmerken
De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. Hierna wordt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering:
Natuurlijke laag
De locaties zijn gelegen op de dekzandvlakken en ruggen. Ontstaan na de ijstijden toen er na het verdwijnen van het ijs in grote delen van Overijssel een reliëfrijk, door de wind gevormd zandlandschap over bleef. De ambitie is om de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan door natuurlijkere watersystemen en door beplanting met "natuurlijke soorten". En door de strekkingsrichting van het landschap meer zichtbaar te maken. Sturing kan door het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Uitgangspunt is daarbij de strekkingsrichting van het landschap.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De erven liggen in het oude hoevenlandschap. Het oude hoevenlandschap is ontstaan door nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Kleine dekzandkopjes werden individueel ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, individuele en jongere variant. De erven volgen daarbij de 'organische' vormen van het landschap.
De ambitie is om het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.
Sturing kan door ontwikkelingen bij te laten dragen aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.
De stedelijke laag
De percelen liggen in de stedelijke lagen 'woonwijken 1955-nu' en het informele trage netwerk'. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt.
De laag van de beleving
Deze laag is niet van toepassing op de plangebieden.
Conclusie
De ontwikkeling van de erven sluit aan bij het agrarisch cultuurlandschap. Gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling wordt geen afbreuk gedaan aan de hierboven genoemde gebiedskenmerken. In een erfinrichtingsplan (zie paragraaf 2.2.1) zijn deze gebiedskenmerken ingepast.
De uitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente al langer samen opgepakt. Dit willen de gemeente voortzetten aan de hand van vier speerpunten:
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Aantrekkelijk wonen' van belang.
Toetsing
Met dit bestemmingsplan wordt aangesloten op het speerpunt aantrekkelijk wonen. Met dit bestemmingsplan wordt de voormalige Alpentuin herbestemd voor een woonbestemming zonder bouw mogelijkheden van een woongebouw.
Grenzend aan de Alpentuin was een vervallen schuur aanwezig. Deze schuur is in middels gesloopt. Ter compensatie voor de sloop van deze schuur, wordt 110,3 m² aan illegale bebouwing, door middel van de schuur-voor-schuur-regeling van de gemeente Dinkelland, gelegaliseerd. De volgende paragraaf gaat hier nader op in. Daarnaast wordt een nieuwe kleinere schuur terug gebouwen.
Met het inrichtingsplan, zie bijlage 1, wordt het gebied landschappelijk goed ingepast. Iets dat in het verleden, de alpentuin, niet het geval was. Hierdoor wordt niet alleen de kwaliteit van het plangebied versterkt, maar ook van de omgeving.
Vanwege de verwachting dat er de komende jaren steeds meer (grote) erven leeg komen te staan, alsook de verwachting dat deze leegstaande schuren niet allemaal ingevuld kunnen worden met andere functies, is gekeken of sloop uitkomst biedt. Veel eigenaren willen namelijk wel van de schuren af, maar laten dit vooralsnog na vanwege onder meer de kosten. Bovendien wil men de bestaande bouwrechten niet ‘zo maar’ verliezen. Anderzijds zijn er ook eigenaren van erven die graag wat extra bebouwing willen realiseren, maar hiervoor de bouwrechten niet hebben. Bekeken is of er een win-win-situatie te behalen valt.
De schuur voor schuur-regeling is enerzijds bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door de sloop van leegstaande schuren. Anderzijds is het de bedoeling om ontwikkeling van economische activiteiten te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven. Bovendien wil de gemeente graag stimuleren/faciliteren dat asbesthoudende schuren worden verwijderd.
Uitgangspunten Beleid
Bij de totstandkoming van het schuur voor schuur-beleid is een aantal uitgangspunten gehanteerd:
Spelregels Schuur voor schuur-regeling
In ruil voor de mogelijkheid om extra bebouwing te kunnen realiseren, moet elders een veelvoud aan schuren worden gesloopt. Hierbij geldt de volgende sloopverhouding:
| Oppervlakte extra te bouwen | Met asbesthoudende golfplaten | Zonder asbesthoudende golfplaten |
| Tot en met 100 m² | 1:1 | 1:2 |
| 101 m² tot en met 500 m² | 1:2 | 1:4 |
| 501 m² en meer | 1:3 | 1:5 |
Toetsing
Het schuur-voor-schuur-beleid is van toepassing op bouwlocaties waar een woonbestemming geldt (en de aangrenzende gronden) en op VAB-locaties waarop het beleidskader Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving-beleid (KGO) niet van toepassing is (en de aangrenzende gronden).
De locatie van de Timmusweg 11 heeft een woonbestemming en valt daarmee binnen de reikwijdte van het schuur-voor-schuur-beleid. De locatie van de voormalige Alpentuin heeft de bestemming 'Modeltuin'. Beide percelen zijn in eigendom van dezelfde eigenaar, liggen tegenover elkaar en worden enkel van elkaar gescheiden door een weg (bestemming Verkeer). Binnen de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' zijn er vaker gebieden die gescheiden worden door een weg, maar wel één bouw- of bestemmingsvlak vormen. ln die zin kan gesteld worden dat ook voorliggende gronden aan elkaar grenzen en daarmee onder de reikwijdte van de schuur-voor-schuur-regeling vallen.
De nieuwe schuur op het perceel van de voormalige Alpentuin heeft een oppervlakte van 94,7 m². Hiervan kan 75 m2 gebouwd worden door een beroep te doen op de bestaande bouwmogelijkheden die binnen de bestemming voor de Modeltuin golden. Dat betekent dat er voor de overige 24,2 m2 nog een beroep op de schuur voor schuur regeling gedaan moet worden. Daarnaast wordt er met voorliggend plan 110,3 m² aan bijgebouwen gelegaliseerd. In totaal is de nieuwe gewenste oppervlakte aan bebouwing dus 130 m2. Voor deze bouwwens moet op grond van het schuur voor schuur beleid elders 160 m2 schuur met asbesthoudende golfplaten worden gesloopt. De te slopen schuur heeft een oppervlakte van 160 m2 en bevat asbest waardoor dus voldaan wordt aan de regeling.
Aan de toepassing van het schuur-voor-schuur-regeling zijn voorwaarden verbonden. Onderstaand wordt aangegeven hoe hieraan voldaan wordt:
Niet van toepassing.
Het plangebied ligt op de grens met de stad Ootmarsum. Het huidige woonperceel aan de Timmusweg 11 valt binnen het bestemmingsplan 'Ootmarsum Overige Gebieden' en is onderdeel van het buitengebied van Ootmarsum.
Niet van toepassing
De bestaande schuur is geheel gesloopt. Hiervoor is door de gemeente Dinkelland doormiddel van een brief, zie bijlage 2 toestemming voor verleend.
De schuur was voor 31 december 1997 op het perceel aanwezig.
De bestaande schuur heeft geen cultuurhistorische waarde.
Met dit bestemmingsplan worden de planologische bouwmogelijkheden van de twee percelen aangepast.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wnb. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het provinciale bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Weidevogelleefgebieden.
Soortenbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.
Het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de wet Natuurbescherming. Mogelijk moet rekening gehouden worden met deze soorten, bij de ruimtelijke procedure, als zijn voorkomen.
Gebiedsbescherming
In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is 1,3 km. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking.
Gezien het relatief kleinschalige karakter (perceelsgebonden) van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
De afstanden tot de dichtstbijzijnde NNN-gebieden zijn 750 meter (Timmusweg 11) en 780 meter (voormalige Alpentuin). Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie
Het plangebied ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bedraagt 1,3 km. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
Met dit bestemmingsplan wordt een nieuw schuur gerealiseerd en 110,3 m² aan bijgebouwen gelegaliseerd. De bijgebouwen die worden gelegaliseerd zijn onderdeel van een bestaand woonerf. Door de legalisatie ontstaan geen extra vervoersbewegingen, aangezien deze verkeersbewegingen in de huidige feitelijke situatie al aanwezig zijn.
Met de nieuwe schuur en het toevoegen van een woonbestemming (zonder bouw mogelijkheden van een nieuwe woning) is het aannemelijk dat er verkeersbewegingen ontstaan. Op basis van het geldende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.2.1) is juridisch planologisch een modeltuin toegestaan. Op basis van de kengetallen van het CROW heeft een Plantentuin modeltuin) een verkeersaantrekkende werking van minimaal 25 mvt/etmaal per tien tuinen). Een vrijstaande woning, restbebouwde kom in weinig stedelijk gebied heeft een verkeersaantrekkende werking van minimaal 7,8 mvt/etmaal. Het aantal verkeersbewegingen ligt daarmee lager dan wat planologisch mogelijk is op deze locatie.
Omdat dit bestemmingsplan geen nieuwe woning mogelijk maakt, komt werkelijke het aantal verkeersbewegingen nog lager te liggen. Met de realisatie van de nieuwe schuur kan tijdens de bouwperiode stikstofdepositie ontstaan. Echter gaat zeer korte periode waarin de schuur wordt gerealiseerd. Ook zal de inzet van zwaar materiaal minimaal zijn. Al met al kan worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden. Daarom hoeft voor dit plan geen vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd.
Soorten- en plantenbescherming
Het voorgenomen initiatief zou samen kunnen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten (bijlage 3).
Uit de quickscan blijkt dat het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels (al dan niet met vaste rust- en verblijfplaatsen) wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig aan de rand van het perceel. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Overijssel. Doordat deze algemene soorten mogelijk leven aan de randen van het perceel kunnen deze er ongehinderd blijven leven. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.
Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden uitgesloten; de plannen voor de bouw en het gebruik van een schuur aan de Timmusweg te Agelo en het gebruik van de te legaliseren gebouwen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Cultuurhistorische waarden
De plangebieden liggen in het cultuurhistorische deelgebied 'Stuwwal van Ootmarsum'. Dit heeft echter geen gevolgen voor de ontwikkeling.
Archeologie
De gemeente heeft ten behoeve van archeologiebeleid een Archeologische verwachtingskaart opgesteld. De plangebieden liggen in het gebied 'dekzandvlakken en -ruggen'. Deze gebieden scoren middelmatig voor de kans op de aanwezigheid van voor archeologische resten uit alle perioden. Op grond van de Archeologische verwachtingskaart is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Het oppervlak van de nieuwe schuur is maximaal 94,7 m2 en blijft daarmee ruim onder de gestelde grens van 5.000 m2. Met de legalisatie van de bijgebouwen ontstaan geen nieuwe bodem ingrepen. Daarnaast blijft met de 110,3 m2 aan legalisatie het oppervlak ruim onder de grens van 5.000 m2 Hiermee is het plan vrijgesteld van archeologisch onderzoek
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is het aspect water. De 'watertoets' is dan ook wettelijk verplicht gesteld. De watertoets wordt vooral gezien als een procesinstrument. Dit procesinstrument moet waarborgen, dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is een vroegtijdige afstemming van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het desbetreffende plangebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Vechtstromen. Volgens de watertoets moet de korte procedure worden gevolgd.
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.
Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Wateraspecten plangebied
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m2, namelijk 94,7 m² voor de nieuwe schuur, circa 200m² nieuwe verharding. Voor de locatie aan de Timmusweg 11 geldt dat het hier gaat om het legaliseren van bestaande gebouwen. Deze bijgebouwen zijn aanwezig binnen het plangebied. Desalniettemin als de 110,3 m² aan bijgebouwen meenenem in de berekening, blijft de toename in verharding onder de grens van 1.500 m². De (straat)verharding de aanwezig is op de Timmusweg 11, is niet meegenomen, aangezien deze verharding ook mogelijk is zonder bijgebouwen.
Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
Het hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel of het wordt geïnfiltreerd in de bodem.
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn.
Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt ernaar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Watertoets
In het kader van het voorliggend bestemmingsplan is een digitale watertoets doorlopen. De watertoets is opgenomen in bijlage 4. Aangegeven wordt dat de procedure in het kader van de watertoets goed is doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
De ontsluiting van de percelen is via de Timmusweg. De Timmusweg is een doodlopende weg dat gebruikt wordt voor bestemmingsverkeer. De modeltuin was voorheen toegankelijk voor bezoekers. Met de beoogde ontwikkelingen valt dit weg. De verkeersgeneratie in het gebied zal met de ontwikkeling afnemen.
Parkeren zal net als in de huidige situatie op eigen terrein plaatsvinden aan Timmusweg 11. Met de bestemmingswijziging naar wonen neemt de parkeerbehoefte af, omdat er met de beoogde ontwikkeling geen extra woning mogelijk wordt gemaakt. Tevens neemt de parkeerbehoefte af doordat de tuin niet meer toegankelijk is voor bezoekers.
Regels met betrekking tot parkeren zijn vastgelegd in het 'Facetbestemmingsplan Parkeren Dinkelland' van de gemeente Dinkelland. Er wordt op eigen terrein in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid.
Onder andere vanuit milieuhygiënisch oogpunt vergt een woonbestemming een goede afstemming met andere, in de omgeving aanwezige (milieubelastende) functies. Voor het bepalen in hoeverre de nieuwe woonbestemming vanuit milieuhygiënisch oogpunt toelaatbaar is, is in het kader van dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).
In de omgeving van het plangebied is een agrarisch bedrijf en een hotel gevestigd. Op basis van de VNG - uitgave geldt voor Akker-en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (niet intensief) een grootste richtafstand van 100 meter. Voor een Hotel geldt een grootste richtafstand van 10 meter.
De nieuwe woonbestemming ligt op circa 90 meter ten opzichte van het agrarische bedrijf. Daarmee ligt het perceel in de invloedssfeer van het bedrijf. Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe schuur mogelijk gemaakt. Een schuur wordt niet gezien als een gevoelig object en hoeft niet getoetst te worden. De bestaande woning op Timmusweg 11 blijft op dezelfde locatie gehandhaafd en ligt op 140 meter ten opzichten van het bedrijf en valt daarmee ruimt buiten de invloedssfeer. Daarnaast wordt het agrarische bedrijf door bestaande woningen in de omgeving, die dichterop het bedrijf zijn gesitueerd niet verder in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt.
Het Hotel ligt op ruim 140 meter ten opzicht van de huidige woonbestemming (Timmusweg 11) de nieuwe woonbestemming ligt op circa 180 meter. Daarmee ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van het hotel.
Vanuit milieuzonering bestaat geen belemmering voor dit bestemmingplan.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging moet verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek (bijlage 5) uitgevoerd. In dit onderzoek is het perceel 2164 onderzocht omdat hier de bestaande bestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming.
Het bestaande woonperceel (Timmusweg 11) is al voorzien van een woonbestemming. Op dit perceel wordt 110,3 m² aan bestaande bebouwing gelegaliseerd. In deze gebouwen zijn geen verblijfsruimte aanwezig. Ook worden hier geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Voor dit deel van het plangebied is dan ook geen bodemonderzoek noodzakelijk.
Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (bijlage 5) blijkt dat een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht.
Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.
Op grond van het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied, wordt een nieuwe schuur binnen een woonbestemming mogelijk gemaakt en wordt er 110,3 m² aan bestaande bebouwing gelegaliseerd. De nieuwe schuur en de te legaliseren bijgebouwen zijn in het kader van de wet geluidhinder geen gevoelig object.
De Timmusweg is een 30 km/uur weg en daarmee in het kader van de Wet geluidhinder niet onderzoeksplichtig. In het kader van een goed woon- en leefklimaat moet wel worden onderbouwd dat er is sprake van een goed woon- en leefmilieu.
De Timmusweg is uitsluitend bestemd voor bestemmingsverkeer en ter hoogte van het plangebied loopt deze weg dood. Het is dus aannemelijk dat er geen 30 km/uur wordt gereden en dat de verkeersintensiteit minimaal is. Daarnaast worden er met dit bestemmingsplan geen nieuwe woningen of geluidgevoelig object mogelijk gemaakt en de bestaande woning op Timmusweg 11 blijft op dezelfde locatie gehandhaafd. Er is sprake van een goed woon- en leefmilieu.
Figuur 4.1: Geluidsbelasting plangebied (Bron: Atlasleefomgeving)
In de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het Besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als:
Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit door de sloop en bouw van een schuur. Luchtkwaliteit vormt daardoor geen beletsel voor de realisatie van het initiatief. Ook een goed woon- en leefklimaat wat betreft de luchtkwaliteit wordt gewaarborgd.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in diverse wet- en regelgeving.
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6 -contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Het plangebied en de omgeving zijn geïnventariseerd op de aanwezigheid van de mogelijke risicobronnen.
In en rond het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen, die zijn opgenomen in de lijst met risicovolle inrichtingen en die van invloed kunnen zijn op het plangebied.
Zoals weergeven in figuur 4.2 ligt op een afstand van 245 meter ten noorden en oosten van het plangebied een aardgasleiding van de Gasunie. De leiding die de Alleeweg in de kern volgt heeft een doorsnede van 4,5 inch, met een druk van 40 bar. Er dient een afstand gehanteerd te worden van ten minste 5 meter.
Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het aantal personen neemt als gevolg van deze ontwikkeling niet toe. Bovendien ligt het plangebied op ruime afstand (245 meter) van de aardgasleiding. Voor de beoogde ontwikkeling vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering.
Figuur 4.2: Ligging aardgasleiding ten opzichte van plangebied
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
Er lopen geen kabels en leidingen door en nabij het plangebied.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.
RO standaarden 2012
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat planologische visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene maatregelen van bestuur digitaal vervaardigd en op elektronische wijze beschikbaar gesteld moeten worden. Om dit mogelijk te maken zijn de RO standaarden ontwikkeld. De SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen) bevatten de normen die van toepassing zijn op de vormgeving en inrichting van onder andere het bestemmingsplan, met het doel om deze op vergelijkbare wijze op te bouwen en weer te geven.
Deze uniforme opbouw maakt het eenvoudig bestemmingsplannen te tonen en te raadplegen, wat gebeurt via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Deze site toont een overzichtskaart met alle bestemmingsplannen. Door een bestemmingsplan te selecteren kunnen vervolgens ook de bijbehorende regels en de toelichting worden geraadpleegd. Bestemmingsplannen worden hiertoe gecodeerd op basis van IMRO 2012 om digitale publicatie mogelijk te maken.
Aan deze digitale wijze van publicatie is gekoppeld dat de digitaal gepubliceerde versie van het bestemmingsplan de juridisch bindende versie is.
Planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangegeven. Aan de afzonderlijke bestemmingen zijn gebruiks- en bouwmogelijkheden toegekend in de planregels.
De toelichting heeft geen juridische betekenis, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voor dit bestemmingsplan is gekozen voor een directe planvorm. Het gehele plan kent een directe wijze van bestemmen. Dit wil zeggen dat een aanvraag omgevingsvergunning direct aan het bestemmingsplan getoetst kan worden en indien de aanvraag passend is een omgevingsvergunning afgegeven kan worden. Hiervoor zijn geen wijzigings- of uitwerkingsprocedures nodig. In de bestemmingsregels zijn kaders gesteld ten aanzien van de gebruiks- en bouwmogelijkheden.
De planregels zijn als volgt opgebouwd:
en indien van toepassing:
Voor de Timmusweg 11 en het perceel van de voormalige Alpentuin en het daarachter gelegen perceel is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De bestaande woning is door middel van een bouwvlak, voorzien van de maximale maatvoering, op de huidige locatie weergegeven. In de planregels is vastgelegd dat er ten hoogste 1 woning mag worden gerealiseerd.
De voormalige Alpentuin en het daarachter gelegen perceel zijn ook voorzien van een woonbestemming met bouwvlak. Daarnaast is voor deze percelen de aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen. In de planregels is vastgelegd dat ter plaatste van de aanduiding 'bijgebouwen' geen hoofdgebouw is toegestaan en dat bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak gerealiseerd moeten worden. De bijbehorende bouwwerken mogen ter plaatste van de aanduiding 'Bijgebouwen' een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter.
Door middel van de figuur 'relatie' is aangegeven dat deze gronden deel uit maken van de gronden die behoren bij de betreffende woning aan de Timmusweg 11. In de bouwregels is de gezamenlijke oppervlakte door middel van een aanduiding gemaximaliseerd op 356,3 m2 en 94,7 m2 .
De inrichting van het plangebied dient te voldoen aan het inrichtingsplan. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Hiermee kan worden voldaan aan de eisen van de schuur-voor-schuur-regeling (zie paragraaf 3.3.2)
Binnen deze bestemming worden kleinschalige beroepen- en bedrijven aan huis toegestaan. Ook is het toegestaan om bij deze bestemming behorende voorzieningen te plaatsen, zoals tuinen, in- en uitritten, (erf)ontsluitingen, parkeervoorzieningen en water.
Anti-dubbeltelregel (artikel 4 )
De anti-dubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de anti-dubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Algemene bouwregels (artikel 5 )
Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.
Overschrijding van bouwgrenzen
Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de kaart aangeduid met een dikke lijn. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn.
Parkeergelegenheid
Dit is een regeling ten aanzien van aan te houden parkeernormen en de regels uit het 'Facetbestemmingsplan Parkeren' van de gemeente Dinkelland.
Algemene gebruiksregels (artikel 6 )
In dit artikel is bepaald welk gebruik in ieder geval als strijdig wordt gezien.
Overige regels (artikel 7 )
In een aantal gevallen wordt in dit plan verwezen naar een (andere) wettelijke regeling, begrip en/of functie uit die andere regeling. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van onderhavig plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling zou anders een wijziging van onderhavig plan met zich mee kunnen brengen, zonder dat hiertoe is besloten door de gemeenteraad.
Overgangsrecht (artikel 8 )
Overgangsrecht bouwwerken
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is geregeld in dit artikel. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.
Overgangsrecht gebruik
Dit artikel betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.
Slotregel (artikel 9 )
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op grondexploitatie.
In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
Zienswijze
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 januari 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn twee zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. De wijzigingen zijn opgenomen in de zienswijze nota (bijlage 6) van de gemeente Dinkelland.
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Hiermee is aan de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
Grondexploitatie
Doel van de grondexploitatieregeling is het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal door de gemeente. De gemeente heeft hierdoor meer sturingsmogelijkheden. Daarnaast kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen is de grondexploitatie regeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Hiervoor is tussen de gemeente en de initiatiefnemers een (anterieure) overeenkomst gesloten. Hier zijn onder andere het verhalen van eventuele planschade- en het verhalen van de kosten met betrekking tot het opstellen van het bestemmingsplan in geregeld. Hiermee is het voor het plan relevante kostenverhaal anderszins verzekerd.