| Plan: | Klooster Ootmarsum 2015 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.OOTBPKLOOSTER2015-VG01 |
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het voormalige klooster Maria ad Fontes en de Radboudzalen te Ootmarsum. Voor deze locatie is op 20 december 2011 het bestemmingsplan 'Klooster te Ootmarsum' vastgesteld om een hoogwaardige hotelfunctie, gecombineerd met een restaurant, winkels en 19 appartementen te kunnen realiseren. Eind 2013 heeft de betreffende projectontwikkelaar zich echter teruggetrokken. Economische omstandigheden hebben ertoe geleid dat het eerder beoogde plan niet is uitvoerd.
Inmiddels is het plan aangepast, in die zin dat het beoogde gebruik in de bestaande gebouwen zal gaan plaatsvinden. Nieuwbouw is niet langer aan de orde. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing weer voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader.
Het plangebied maakt deel uit het centrum van Ootmarsum. Het gebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door de Oostwal, aan de westzijde door de Kloosterstraat en aan de zuidzijde door belendende bebouwing. Het plangebied wordt ontsloten middels de Oostwal en Kloosterstaat. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen met bijbehorende tuinen en erven alsmede centrumfuncties aanwezig. Aan de noordoostzijde van het plangebied is de voormalige kloostertuin gelegen. Deze tuin is opnieuw ingericht en zal voorzien in parkeervoorzieningen. Navolgende afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
Figuur 1.1: Globale ligging plangebied
In figuur 1.2 is nader ingezoomd op het plangebied (rood omcirkeld). In figuur 1.2 is goed te zien dat de gebouwen een behoorlijke omvang hebben en beeldbepalend zijn voor de kern Ootmarsum. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 4.550 m2 en behoort tot de kadastrale percelen Ootmarsum sectie A nummer 3744, 3745 en 3858.
Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied
Het bestemmingsplan 'Klooster te Ootmarsum' is op 20 december 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. In dit plan hebben de betrokken gronden de bestemming 'Centrum' en 'Verkeer', zie ook figuur 1.3 waarin een uitsnede van de vigerende verbeelding is opgenomen. De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
De eerder beoogde nieuwbouw welke in het vigerende bestemmingsplan mogelijk werd gemaakt, zal niet worden gerealiseerd. Als gevolg hiervan zijn er bouwvlakken toegekend aan gronden waarop niet gebouwd gaat worden, terwijl een deel van de bestaande gebouwen onder het overgangsrecht valt. Het is daarom wenselijk het bestemmingsplan te herzien.
Met onderhavig bestemmingsplan wordt de feitelijk aanwezige bebouwing weer voorzien van bouwvlakken. Het gebruik zal overeenkomen met de geldende de bestemming. Voor nadere verduidelijking over de invulling van het gebruik wordt verwezen naar paragraaf 2.3.
Figuur 1.3: Uitsnede vigerende bestemmingsplan 'Klooster te Ootmarsum'
In 1850 stichtten de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort hier een klooster. Ze vestigden zich in een groot huis, dat diverse keren werd uitgebreid, maar dat in 1936 plaatsmaakte voor het huidige kloostergebouw. De zusters hielden zich ruim anderhalve eeuw bezig met het geven van onderwijs en het opvangen van kinderen.
Figuur 2.1: foto Maria Ad-Fontes Klooster (Bron: www.ootmarsuminbeeld.nl)
Ootmarsum staat met zijn galerieën, musea en het specifieke winkelaanbod in Nederland bekend als een 'kunststadje'. Vanuit het hele land en ook het buitenland (Duitsland) komen mensen naar Ootmarsum voor cultuur, winkelen, horeca, e.d. Hierdoor heeft Ootmarsum een zeer groot centrumgebied in vergelijking met andere plaatsen van deze omvang. De concentratie van op kunst, antiek en lifestyle gerichte voorzieningen is zeer sterk en trekt voortdurend nieuwe ondernemers/ voorzieningen aan.
De Radboudzalen liggen zeer centraal in de nabijheid van het historische centrum en het winkelcentrum de Meierij. Het merendeel van de sociale en maatschappelijke voorzieningen ligt op loopafstand, net als het klooster en de kloostertuin.
In deze paragraaf zal worden ingegaan op de functionele structuur binnen het plangebied. Binnen het plangebied is sprake van een veelvoud aan functies. Het gaat hierbij om functies als wonen, bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en horeca.
In het plangebied is in het geldende bestemmingsplan wonen op de tweede en/of hogere bouwlaag toegestaan. In dat plan waren 19 appartementen beoogd. In onderhavig plan is dit aantal bijgesteld naar 15 appartementen. Deze appartementen zullen verdeeld over het klooster (o.a. boven de recreatiezalen) en de Radboudzalen (gebouw ten noordwesten van het klooster, gelegen aan de Oostwal).
De kapel (zie figuur 2.2) en de eerste verdieping aansluitend aan de Kapel wil de gemeente in eigendom houden om invulling te geven aan de afspraken die gemaakt zijn met de vorige gebruikers, waarbij het gedachtengoed van de voormalige bestemming gerespecteerd wordt. Dit deel zal worden gebruikt voor sociaal, cultureel maatschappelijke activiteiten.
In het rectoraat aan de oostvleugel van het klooster worden werkplekken gecreërd voor jonge kunstenaars met daarboven woonruimtes.
Figuur 2.2: foto kapel Maria Ad-Fontes Klooster (Bron: www.inenomootmarsum.nl)
Onder de kapel komt een ambachtelijke whiskey-stokerij met proeverijen en demonstraties. De kloosterkeuken behoudt zijn functie. De keuken zal ingericht worden, zodat deze kan dienen als een maatschappelijke keuken met werkplekken voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
In de Radboudzalen is een glasblazer gevestigd. Er worden ook demonstraties op gebied van glasblazen gegeven.
De aanwezige detailhandel heeft voornamelijk betrekking op de kunstenaars en de daaraan gekoppelde galerie.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld en van kracht geworden. In deze visie geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de structuurvisie worden belangrijke andere accenten geplaatst op het brede gebied van ruimtelijke ordening en bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het betekent voor de ruimtelijke ordening in brede zin een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden en actualisatie van het Nationaal Ruimtelijk Beleid. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
De 'stappen van de ladder' worden is artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
Toets
Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande gebouwen. De daarin beoogde functies komen overeen met de gebruiksbepalingen uit de geldende bestemming. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro). De ladder van duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Het plan raakt ook geen van de overige benoemde nationale belangen. Het plan past binnen het rijksbeleid.
De Omgevingsvisie Overijssel 2009 betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en vervoerplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omgevingsvisie is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden.
In 2013 is de Omgevingsvisie op een aantal onderwerpen aangepast. Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld. Reden voor deze actualisatie is de evaluatie van de Omgevingsvisie en het Hoofdlijnenakkoord uit 2011. De actualisatie richt zich alleen op de volgende onderwerpen: de ecologische hoofdstructuur (EHS), het streefbeeld Wegencategorisering, windenergie (rol provincie), nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's), kantorenbeleid, definitie van lokaal gewortelde bedrijvigheid, ruimtelijke reservering gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. en tot slot de aanpassing van de verordening op basis van eerder uitgevoerde evaluatie. Wanneer hieronder wordt gesproken over de Omgevingsvisie, dan is dat de geactualiseerde versie.
De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht en getoetst.
Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Toets
In de omgevingsverordening verstaat de provincie onder bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Bij voorliggend plan is sprake van de herstructurering van bestaande bebouwing van het voormalige klooster. Dit is in lijn met het streven van de provincie en de SER-ladder, zoals beschreven in artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening. Bovendien staat, conform artikel 2.11.2 van de omgevingsverordening in deze toelichting ook beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het plangebied ligt niet in één van de genoemde reserveringsgebieden. Het plan voldoet daarmee aan de generieke beleidskeuzes.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Op de kaart behorende bij het ontwikkelingsperspectief voor de stedelijke omgeving, 'dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus', is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'historische kern, binnenstad'. Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.
Toets
Met voorliggend plan wordt de bestaande bebouwing van het voormalig klooster Maria ad Fontes weer voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader. Daarmee wordt het mogelijk deze cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te gebruiken voor een mix van nieuwe functies. Het plan draagt bij aan het behoud van historische bebouwing en de versterking en een mix van functies in de historische kern van Ootmarsum. Dit past binnen het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:
Toets
Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op het hergebruik van bestaande bebouwing. Hierdoor blijft de aanwezige en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing intact. Het plan heeft daarmee geen invloed op de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Door de toevoeging van een mix van stedelijke functies en het behoud van de waardevolle bebouwing heetf het plan een positieve invloed op de stedelijke laag. De lust- en leisurelaag is niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat het plan bijdraagt aan de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. De structuurvisie is op 10 september 2013 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. Feitelijk betreft de Structuurvisie Dinkelland een actualisering en integratie van het bestaande beleid. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan.
Hoofdambitie van de (ontwerp) Structuurvisie is: "Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie".
Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt:
Met betrekking tot de kern Ootmarsum wordt ingezet op de volgende punten:
In de structuurvisie wordt verwezen naar het Masterplan Ootmarsum. De locatie het klooster wordt genoemd en nader toegelicht in het masterplan. In de structuurvisie is op de kaart aangewezen als ontwikkellocatie. Voorliggend plan is in lijn met de Structuurvisie Dinkelland.
Figuur 3.2: Uitsnede Structuurvisie Dinkelland, plankaart Ootmarsum
De gemeente Dinkelland wil een optimale detailhandelsstructuur realiseren, behouden en daar waar mogelijk versterken. Daarom heeft Dinkelland een detailhandelsstructuurvisie opgesteld. De visie geeft inzicht in de toekomstige functie en positie per kern, uitgewerkt in een plan van aanpak. Met deze visie kan Dinkelland inspelen op lokale en regionale ontwikkelingen en initiatieven van marktpartijen beoordelen.
In de functioneel-ruimtelijke visie voor Ootmarsum maakt het plangebied deel uit van het 'toeristisch-recreatief gebied'. Het maakt deel uit van het historische centrum binnen de stadswallen. het historische centrumgebied heeft door de aantrekkelijke uitstraling in combinatie met het aanwezige aanbod een een aantrekkingskracht op toeristisch-recreatieve bezoekers. Daarmee neemt dit gebied een bijzondere bovenlokale en toeristische positie in binnen de totale detailhandelsstructuur. Voor dit gebied wordt ingezet op een verdere versterking van de toeristische functie waarbij kan worden gedacht aan een uitbreiding van het bijzondere aanbod (kunst, interieur, horeca).
Met voorliggend plan wordt een mix van functies, waaronder detailhandel (begane grond) en horeca mogelijk gemaakt. Deze functies zij overigens ook binnen het vigerende bestemmingsplan al mogelijk. Geconcludeerd wordt dat het plan op een postieve wijze bijdraagt aan de uitvoering van de detailhandelsstructuurvisie.
In de Woonvisie 2011+ wordt het volgende toekomstbeeld van de gemeente Dinkelland geschetst:
"Dinkelland is in 2020 een aantrekkelijke agrarisch-toeristische gemeente met drie verzorgingskernen (Denekamp, Ootmarsum en Weerselo) en zes woonkernen. Alle kernen hebben een diversiteit aan groene woonmilieus. In de verzorgingskernen wil de gemeente onder meer de grotere gemeenschapsvoorzieningen en woningen voor ouderen concentreren".
Uit de provinciale prognose ten aanzien van de woningmarkt blijkt dat de woningbehoefte in Dinkelland voor de periode 2009 - 2020 960 woningen bedraagt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de behoefte aan nieuwbouw voor 75-plussers (260 woningen) en van overige doelgroepen (700 woningen). Naast de behoefte aan nieuwbouwwoningen voor senioren bestaat er een behoefte aan het ‘opplussen’ van 260 bestaande woningen tot seniorenwoning. Dit omdat ouderen liever in hun eigen woning blijven wonen dan verhuizen.
Aanvullend op de provinciale prognose voor de woningmarkt heeft de gemeente eigen onderzoek laten verrichten. Hieruit is gebleken dat de gemiddelde woningbezetting in Dinkelland sneller daalt dan de provinciale prognose aangeeft. Oorzaken hiervan zijn het meerekenen en oplossen van inwoonsituaties en het inlopen van het woningtekort uit het verleden. De gemeentelijke prognose voor de vraag naar woningen komt hierdoor uit op in totaal 1590 woningen tot 2020.
Het concrete woningbouwprogramma voor de kern Ootmarsum tot 2020 is in de woonvisie vastgesteld op totaal 229 woningen. Het vigerende bestemmingsplan 'Klooster te Ootmarsum' maakt de realisatie van 19 appartementen mogelijk. Met voorliggend plan is dit aantal met 4 stuks naar beneden bijgesteld tot 15 appartementen. Het initiatief is in lijn met de Woonvisie 2011+.
Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota gemeente Dinkelland (mei 2004). De welstandsnota bevat de welstandscriteria waaraan bouwaanvragen getoetst worden. Afhankelijk van de waarde van een gebied en de gemeentelijke ambitie zijn de criteria meer of minder streng. Een middel om het welstandsbeleid transparanter te maken is het gebiedsgericht maken van het welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Dinkelland ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied. Binnen het grondgebied van de gemeente komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. In zijn algemeenheid geldt dat naar mate de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt.
Op basis van de welstandsbeleidskaart is het plangebied aangemerkt als 'Bijzonder'. Bij het bijzonder niveau van welstand wordt het bouwwerk ook op detailaspecten beoordeeld. Naast de eerder genoemde criteria wordt dan ook gelet op de materiaalverwerking, de specifieke materiaalkleuren en de verdere detaillering van de architectuur in de vorm van gevelafwerking, ornamenten, voegvormen en -kleur, aanduiding van bewegende delen in kozijnen, muurankers en muurschotels. Daarbij is afstemming, consistentie, evenwicht en samenhang in materiaal, kleur en detaillering een criterium. Dit niveau van welstandstoezicht beperkt zich tot gebieden waar de combinatie van ruimtelijke kwaliteiten en samenhang en de aanwezige of verwachte dynamiek van de bouwopgaven vragen om extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. In deze gebieden zullen naast het welstandsbeleid aanvullende ruimtelijke beleidsinstrumenten moeten bijdragen aan de te bereiken ruimtelijke kwaliteiten.
Voorliggend plan gaat uit van het bestemmen van de bestaande gebouwen. Mocht er in de toekomst een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de (ver-)bouw van een gebouw, dan zal het aspect 'welstand' wordt beoordeeld bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht.
Figuur 3.3: Uitsnede Welstandsbeleidskaart
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk instrument voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. Daarom wordt in het vervolg van dit hoofdstuk het plan getoetst aan de diverse relevante omgevingsaspecten.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Richtlijnen
Bij een beoordeling van de milieubelasting van bedrijven kan de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” als leidraad gehanteerd. Deze VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd hulpmiddel voor de ruimtelijke inpassing van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. De handreiking geeft een systematiek waarbij bedrijven in categorieën worden ingedeeld op basis van de ingeschatte milieubelasting. Per bedrijfscategorie zijn hierbij afstandcriteria tot de woonomgeving opgenomen die bij de planvorming bij voorkeur in acht dienen te worden genomen. De categorieën zijn als volgt:
Figuur 4.1: Indicatieve hinderzones per milieucategorie
Bovenstaande richtlijnen gaan er vanuit dat er sprake dient te zijn van functiescheiding, bijvoorbeeld tussen bedrijventerreinen en woonwijken. Er zijn echter ook gebieden waar functiemening juist gewenst is. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn:
In tegenstelling tot in woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. In de VNG-publicatie is daarvoor een specifieke lijst opgenomen voor gebieden met functiemenging. In de lijst worden 3 categorieën gehanteerd:
Categorie A
Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemening - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
Categorie B
Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
Categorie C
De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Toets
Het plangebied maakt deel uit van een gebied met functiemenging, het centrum van Ootmarsum. In paragraaf 2.3 zijn de aanwezige functies beschreven. Globaal gaat het om de volgende functies:
Dit betekent dat het merendeel van de functies bestaat uit activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Een uitzondering hierop is de glasblazerij, welke bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
De whiskeystokerij valt conform de VNG-publicatie onder 'destilleerderijen en likeurstokerijen'. Voor dergelijke bedrijven (SBI-2008: 110101) geldt een richtafstand van 300 meter voor geur, 50 meter voor stof, 200 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. Dergelijke bedrijven vallen daarmee binnen de milieucategorie 4.2 en komen daarom niet voor op de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging', welke slechts bedrijven tot milieucategorie 3.1 bevat. De VNG-publicatie gaat echter uit van gemiddelde moderne bedrijven, oftewel de grote(re) productie-destilleerderijen en gaat qua milieubelasting niet op voor de onderhavige ambachtelijke whiskeystokerij. De ambachtelijke stokerij komt door de kleinschaligheid voor het geluid en geuraspect meer overeen met de categorie 1102 tot 1104, 'vervaardiging van wijn, etc.', welke wel voorkomt op de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging' en onder categorie B valt. Om te borgen dat er sprake is van een ambachtelijke kleinschalige stokerij wordt in de regels bij dit bestemmingsplan een maximum oppervlakte voor deze functie opgenomen.
Bij de uitwerking van de plannen en inrichting van de gebouwen wordt voor de functies die onder categorie B vallen rekening gehouden met de vereiste bouwkundige afscheiding. De functies onder categorie A kunnen zonder nadere beperking aanpandig worden uitgevoerd. Voor het aspect 'bedrijven en milieuzonering' is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan is het van belang om de bodemgesteldheid van het plangebied inzichtelijk te maken. Indien sprake is van bodemverontreiniging dient een afweging plaats te vinden over de te realiseren functies op, dan wel nabij betreffende verontreiniging alsmede voor de mogelijke kosten omtrent bodemsanering. De kwaliteit van de bodem dient uiteindelijk zodanig te zijn, dat zij geen belemmering oplevert voor de ter plaatse te realiseren bebouwing, c.q. functies.
Toets
Met voorliggend bestemmingsplan worden bestaande gebouwen wederom voorzien van een bouwvlak. Op de betreffende gronden en in de gebouwen zijn binnen de vigerende bestemming reeds bij recht functies toegestaan waarmee een langdurig verblijf mogelijk is (o.a. voor wonen). Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan is eerder een bodemonderzoek uitgevoerd (Kruse Milieu, 2007). Uit het onderzoek ter plaatse van het voormalige kloostercomplex is gebleken dat in de bovengrond zeer lichte verontreinigingen met koper, zink en PAK's aanwezig zijn. De ondergrond is zeer licht verontreinigd met koper en lood. Uit het onderzoek ter plaatse van de Radboudzalen is gebleken dat in de bodem enkele (zeer) lichte tot matige verontreinigingen aanwezig zijn. De aangetoonde verontreinigingen leveren geen risico's op voor de volksgezondheid. De bodem wordt dan ook geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In een bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met geluidhinder ten opzichte van gevoelige functies. Ten aanzien van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) bepalend. Deze onderscheidt drie vormen van geluidhinder: wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. De wet geeft (voorkeurs) grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige functies zoals woningen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dienen deze grenswaarden in acht te worden genomen.
Op 2 september 2008 heeft de gemeenteraad van Dinkelland de nota “Gebiedsgericht geluidsbeleid gemeente Dinkelland” vastgesteld. De Nota geluidsbeleid beschrijft welke geluidsambities de gemeente Dinkelland heeft met betrekking tot verkeer en bedrijven. Het doel van het gemeentelijk geluidsbeleid is het behouden van de goede kwaliteiten en het benutten van de kansen om voor de verschillende gebieden binnen de gemeente de geluidskwaliteit te verbeteren. Dit betekent dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen specifiek aandacht zal worden besteed aan (een eventuele overschrijding van) de geluidsnormen. In de nota zijn gebiedsgerichte ambities geformuleerd. Voor het centrumgebied van Ootmarsum betekent dit bijvoorbeeld dat de ambitie voor geluid als gevolg van wegverkeer is vastgesteld op de klasse "redelijk rustig", hetgeen overeenkomt met een maximale geluidsbelasting van 48 dB (de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh).
Toets
In het plangebied of in de nabijheid van het plangebied komen geen spoorwegen voor. Railverkeerslawaai is daarom niet van toepassing. Het bedrijventerrein in het noorden van Ootmarsum is op ruime afstand gelegen van het plangebied, tevens is het geen gezoneerd bedrijventerrein, waardoor het aspect industrielawaai, als bedoeld in de Wet geluidhinder, niet van toepassing is.
Voor dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai relevant. Op grond van de Wgh hebben alle wegen een geluidzone waarbinnen in principe akoestisch onderzoek moet plaatsvinden. De breedte van de geluidzone van wegen is afhankelijk van de ligging van de weg in (buiten)stedelijk gebied en van het aantal rijstroken. Het plangebied maakt deel uit van stedelijk gebied. In stedelijk gebied geldt een zone met de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, hebben geen zone. Het plangebied is gelegen in een 30 km/uur zone. Voor gedezoneerde wegen wordt akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanuit wegverkeerslawaai op de buitengevel van de nieuwe bebouwing niet noodzakelijk geacht. Het binnenniveau wordt gewaarborgd middels het bouwbesluit. Voor het aspect 'geluid' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets
Voorliggend plan heeft geen extra verkeersaantrekkende werking, omdat het gebruik en de bijbehorende oppervlakten ten opzichte van het vigerende plan niet toenemen. Het plan leidt daarmee niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Risicokaart Overijssel
Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets
Volgens de Risicokaart Overijssel zijn in of in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Wel ligt er in Ootmarsum een buisleiding van de Gasunie. De leiding die de Alleeweg in de kern volgt heeft 4,5 inch doorsnede, met een druk van 40 bar. Er dient in verband met het plaatsgebonden risico een afstand gehanteerd te worden van tenminste 5 meter, welke ruimschoots (op afstand van circa 475 meter gelegen) in acht genomen wordt.
In het plangebied en de directe omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied komen geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Op basis hiervan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet, Barro) en provinciale regelgeving (EHS in provinciale verordening). De resultaten zijn in de volgende paragrafen opgenomen.
Het plangebied ligt in bestaand bebouwd gebied in de kern Ootmarsum, op meer dan 500 meter afstand van de Ecologische hoofdstructuur (bron: Provincie Overijssel, 2015). Bij voorliggend plan is sprake van de herinrichting van het voormalige klooster Maria ad Fontes. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het plangebied buiten de EHS, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS.
Het plangebied ligt in bestaand bebouwd gebied in de kern Ootmarsum. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Springendal en Dal van de Mosbeek, ligt op circa 2000 meter ten noorden van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.
In de Flora- en faunawet zijn planten- en diersoorten aangewezen die beschermd moeten worden. De bescherming houdt in dat het verboden is beschermde, inheemse planten te beschadigen en om beschermde inheemse dieren te doden, te verontrusten, dan wel hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen of te verstoren. Binnen de soortenbescherming bestaan drie soortcategorieën:
Naast de bovenstaande soortenbescherming is er ook sprake van een 'algemene zorgplicht'. Deze geldt voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe omgeving. Dit houdt in dat iedereen moet voorkomen dat zijn handelen nadelige gevolgen voor flora en fauna heeft. De zorgplicht geldt altijd, zowel voor beschermde als onbeschermde soorten.
Dit bestemmingsplan behelst een overwegend conserverende regeling, waarbij de bouwvlakken weer gelegd worden op de bestaande bebouwing. Dit brengt geen veranderingen met zich mee voor eventueel aanwezige soorten. In de huidige situatie is geen sprake van een verstorende werking naar soorten in de omgeving. Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijke verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvies Overijssel en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2010-2015. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
De gemeente heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. Het waterschap heeft een positief wateradvies afgegeven. Zie ook bijlage 1 behorende bij de toelichting. Het beleid van het waterschap Vechtstromen is vastgelegd in het vigerend waterbeheerplan. Het waterbeheerplan kunt u downloaden via onze website http://www.vechtstromen.nl/. Voor alle inbreidingen en uitbreidingen gelden in principe onderstaande beleidsregels.
Algemeen
Afvalwater
Hemelwater
Grondwater
Oppervlaktewater
Het plan maakt geen toename aan verharding en bebouwing mogelijk ten opzichte van de feitelijk aanwezige situatie. Ook vindt er geen wijziging plaats in de afvoer van hemel- en/of afvalwater. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Derhalve heeft het waterschap geen bezwaren tegen het bestemmingsplan.
Algemeen
Op grond van de Monumentenwet en het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verantwoordelijk voor de archeologische monumentenzorg in haar gebied. De gemeente heeft een archeologische zorgplicht en dient in ruimtelijke plannen te borgen dat bij ontwikkelingen die leiden tot grondwerken er voldoende aandacht is voor de aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, kunnen verplicht zijn om archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen de terreinen van archeologische waarde (AMK-terreinen) dienen zoveel mogelijk worden voorkomen. Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) kan per perceel onderzocht worden welke verwachtingswaarde het perceel heeft. De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart (rapport RAAP, juli 2008). Een uitsnede van deze kaart met daarin weergegeven het plangebied is opgenomen in figuur 4.2.
Toets
Voor het plangebied geldt een terrein van hoge en zeer hoge archeologische waarde. Hiervoor geldt een streven naar behoud via het bestemmingsplan, archeologisch onderzoek in plangebieden groter dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. Het gaat hier om een gebied waarin op basis van eerdere vondsten en waarnemingen ook archeologische vindplaatsen zijn aangetoond. Dit gebied is op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) van Nederland reeds opgenomen als een terrein van hoge archeologische waarde.
Het gearceerde vlak ligt op het klooster. Het gearceerde vlak betekent dat het gebied verstoord is. Dit betekent dat bij bodemingrepen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van nieuwe gebouwen, waarbij bodemingrepen plaats zullen vinden. Derhalve is er ten behoeve van dit plan geen archeologisch vooronderzoek noodzakelijk.
Figuur 4.2: uitsnede beleidskaart archeologierapport, bureau RAAP
Het centrumgebied van Ootmarsum is bij aanwijzingsbesluit van 13 mei 1996 aangewezen als beschermd stadsgezicht (zie bijlage 2 behorende bij de toelichting). Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als een zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen. De aanwijzing beoogt op die wijze een grondslag te bieden voor een ruimtelijke ontwikkeling die recht doet aan de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt. Een bestemmingsplan voor een (deel van een) beschermd stadsgezicht vraagt om een specifieke regeling. De kenmerkende waarden en kwaliteiten van de bebouwing in het plangebied zijn voor een belangrijk deel gewaarborgd en versterkt door het leggen van een dubbelbestemming ("Waarde - Beschermd stadsgezicht").
Het klooster zelf en de Radboudzalen zijn geen gemeentelijk- of rijksmonument. Desondanks gelden ze als beeldbepalend. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing planologisch vastgelegd, zodat deze gebruikt kan worden voor de beoogde functies. Daarmee kan de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing behouden blijven. Voorliggend plan heeft geen nadelige gevolgen voor het aspect 'cultuurhistorie', maar draagt bij aan het behoud en gebruik van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur in beeld brengen. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt. Het Gemeentelijk Verkeer en VervoerPlan van de gemeente Dinkelland geeft een indicatie van acceptabele verkeersintensiteiten van de categorie erftoegangsweg, welke aanwezig zijn rond het plangebied: “Als voorkeursgrenswaarde voor erftoegangswegen geldt een etmaalintensiteit tot maximaal 3.000–4.000 motorvoertuigen in verblijfsgebieden.” De parkeernorm binnen de gemeente Dinkelland is vastgelegd in de beleidsnotitie"Bouwen en parkeren 2014". Dit plan maakt echter geen nieuwe functies mogelijk, maar gaat uit van bestaande bebouwing en reeds toegestane functies. Er treedt dan ook geen toename op van verkeersbewegingen. Voorliggend plan heeft geen nadelige gevolgen voor het aspect 'verkeer en parkeren'.
De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan
bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en
verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische
binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding (plankaart) heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Binnen deze hoofdstukken kan naar gelang de ontwikkeling dit vraagt meer of minder regels opgenomen worden. Het is dus niet verplicht om alle onderdelen van de betreffende hoofdstukken op te nemen.
De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.
Bestemming “Centrum”
Gelet op de verscheidenheid aan functies in het plangebied, wordt de bestemming "Centrum" passend geacht. Deze bestemming staat namelijk bedrijvigheid, detailhandel, dienstverlening, horeca, maatschappelijke voorzieningen, parkeren en wonen bij recht toe. Ten behoeve van de toegestane bedrijvigheid is een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen als bijlage bij de regels. Middels de bestemming "Centrum" kan een uitwisseling van de hierboven genoemde functies mogelijk worden gemaakt. Binnen de bestemming is horeca 1 bij recht toegestaan. Daarbij hoort tevens het toestaan van terrassen. De horeca 2 bedrijven zijn specifiek aangeduid met "horeca van categorie 2". Wonen is binnen de bestemming "Centrum" toegestaan vanaf de tweede bouwlaag of hoger.
Grootschalige en perifere detailhandel als bouwmarkten en tuincentra, alsmede supermarkten, zijn binnen het plangebied uitgesloten.
Bestemming “Verkeer - Verblijf”
Een gedeelte van het plangebied wordt bestemd worden als “Verkeer - Verblijf”. Hierbinnen mogen gronden gebruikt worden voor straten en paden en de daarbij behorende voorzieningen zoals, parkeergelegenheden en water. Gebouwen zijn niet toegestaan. Andere bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen een hoogte hebben van niet meer dan 2 meter. Hieronder worden niet de vergunningsvrije objecten ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer gevat.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.
Rijkswaterstaat
Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat zij tijdig betrokken wenst te worden bij plannen die betrekking hebben op de drie netwerken die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn: het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.
Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke uitgevoerd door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft een lijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder deze lijst in de categorie A.9 waardoor vooroverleg niet gevoerd hoeft te worden met de ambtelijke diensten van de provincie.
Waterschap Vechtstromen
Op 4 februari 2015 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap Vechtstromen een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 15 januari 2016 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
Op grond van artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet door de gemeenteraad een exploitatieplan vastgesteld worden voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen (Besluit ruimtelijke ordening, artikel 6.2.1) bouwplan is voorgenomen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a, b en c (Wro) kan hiervan afgeweken worden. Er hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld indien:
Het voorliggende bestemmingsplan heeft overwegend een conserverend karakter, waarbinnen geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk. De uitvoering van het bestemmingsplan brengt geen (overige) kosten met zich mee voor de gemeente. Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan financieel-economisch uitvoerbaar is.