direct naar inhoud van Regels
Plan: Vliegveldstraat 41 - Beekdal, Deurningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.DEUBPVLIEGVELDST41-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.2 plan:

het bestemmingsplan "Vliegveldstraat 41 - Beekdal, Deurningen" met identificatienummer NL.IMRO.1774.DEUBPVLIEGVELDST41-VG01 van de gemeente Dinkelland.

1.3 aan huis verbonden beroep:

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan particulieren, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.7 bed-and-breakfast:

het bieden van, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt binnen de woning aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.8 bestaand:

legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

1.9 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.10 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tevens bouwkundig ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is tevens functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

1.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.13 bijgebouw:

Een op zichzelf staand, vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonische zin ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist.

1.14 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.15 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.16 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van een zolder en vliering;

1.17 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.18 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.19 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.20 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.21 carport:

staanplaats, stalling voor een auto onder een vrijstaand dak of afdak aan het huis;

1.22 dak:

iedere vorm van bovenbeëindiging van een gebouw;

1.23 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.24 eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond;

1.25 erf:

een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw;

1.26 geaccidenteerd terrein:

een perceel of een gedeelte van een perceel met een helling van ten minste 1:10 gemeten over een afstand van minimaal 5 m (glooiend landschap);

1.27 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.28 (hoek)erker

een bijbehorende bouwwerk met een beperkte omvang, gerealiseerd voor een naar de weg of openbaar groen gekeerde gevel van het hoofdgebouw;

1.29 hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.30 huishouden:

een zelfstandig dan wel samenwonend persoon of personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen, zoals keuken, sanitaire voorzieningen en entree. Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen wordt daaronder niet begrepen;

1.31 inwoning:

het bewonen van de wooneenheid die met een woning binnen het woonhuis aanwezig is;

1.32 kap:

een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15o en ten hoogste 75o;

1.33 kelder:

een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,50 m boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel is gelegen; bij 'bebouwing in geaccidenteerd terrein' gelegen beneden peil;

1.34 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen vergunningplicht op grond van milieuwetgeving geldt en die door de beperkte omvang in een gedeelte van een woning uitgeoefend kunnen worden;

1.35 mantelzorg:

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

1.36 overkapping:

een bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

1.37 parkeren:

een geparkeerd voertuig is een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- en uitstappen of voor het laden en lossen;

1.38 peil:
  • a. Voor zover gelegen aan de Vliegveldstraat:

- de hoogte van de Vliegveldstraat ter plaatse van de hoofdtoegang.

  • b. Voor zover gelegen aan de Beekdal:

- de hoogte van de Beekdal ter plaatse van de hoofdtoegang, plus 0,75 meter;

1.39 permanente bewoning:

bewoning door een of meer personen die niet elders over een hoofdverblijf beschikken;

1.40 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

1.41 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang als zij het bedrijfsmatig, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische- of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt tevens verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub, (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.42 verbeelding:

de analoge en digitale kaart met de bestemmingen en eventueel de aanduidingen behorend bij dit bestemmingsplan;

1.43 verdieping(en):

de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn;

1.44 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of; indien het een gebouw betreft zonder of met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de feitelijke indeling van het gebouw, als voorgevel moet worden aangemerkt;

1.45 voorgevelrooilijn:

de begrenzing van het bouwvlak, waarop de voorgevel van het hoofdgebouw is georiënteerd, alsmede het verlengde daarvan;

1.46 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve en/of ten dienste van de waterhuishouding, waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, bruggen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers, voorzieningen voor infiltratie, buffering, berging en afvoer van water, voorzieningen ten behoeve van biologische waterzuivering en (secundaire en/of tertiaire) bluswatervoorzieningen;

1.47 woning:

een complex van ruimten in een gebouw uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.48 wooneenheid:

een tot zelfstandige bewoning bestemd gedeelte van een woonhuis dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, blijvend is bestemd voor permanente bewoning, voldoet aan alle criteria die van toepassing zijn op woningen, waarbij een keuken mag ontbreken indien deze wel als voorziening aanwezig is als gemeenschappelijke voorzieningen in de woning binnen het woonhuis. De wooneenheid moet binnen het woonhuis rechtstreeks bereikbaar zijn vanuit die woning;

1.49 woonhuis:

een gebouw, dat één woning met een wooneenheid, dan wel twee woningen omvat ,die naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar zijn gelegen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. Alle aangebouwde bijbehorende bouwwerken maken daarbij onderdeel uit van het woonhuis;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, wolfseinden en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. Indien deze maat wordt overschreden dient de oppervlakte van het betreffende bouwdeel te worden meegerekend bij het bepalen van "de oppervlakte van een bouwwerk".

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuin, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen/woonhuizen;
  • b. erven;
  • c. in- en uitritten;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater.
3.2 Bouwregels

Het bouwen van bouwwerken is niet toegestaan.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2, voor het bouwen van erkers, luifels, balkons en ingangspartijen aan hoofdgebouwen die aanwezig zijn binnen de aangrenzende bestemming "Wonen", mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.2.3, aanhef en onder f van deze regels.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Behoud kenmerkende hoogteverschil

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het aanbrengen en/of veroorzaken van veranderingen in de hoogte van maaiveld, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan in een strook van 1 meter grenzend aan de bermtalud, tevens de kavel- en bestemmingsgrens langs de Beekdal.
3.4.2 Voorwaardelijke verplichting erfinrichting
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" en "Tuin", voor zover dat gebruik verband houdt met de twee bouwvlakken aan de Beekdal, zonder de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen en inritconstructies in de bestemmingen "Wonen"en "Tuin", conform Bijlage 1 (Inrichtingsplan), Bijlage 2 (3D uitwerking inritten Beekdal), en Bijlage 3 (Inrichtingsschets groen en inritten Beekdal) behorend bij deze planregels.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in 3.1 en 4.1 opgenomen bestemmingen "Wonen"en "Tuin" worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen en inritconstructies in de bestemmingen "Wonen"en "Tuin", conform Bijlage 1 (Inrichtingsplan), Bijlage 2 (3D uitwerking inritten Beekdal) en Bijlage 3 (Inrichtingsschets groen en inritten Beekdal) behorend bij deze planregels.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. tuinen;
  • c. erven;
  • d. aan huis gebonden beroepen;
  • e. mantelzorg;
  • f. in- en uitritten;
  • g. parkeren;
  • h. voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Ten behoeve van de in 4.1 genoemde bestemmingen mogen, met inachtneming van de in 4.2.2 t/m 4.2.5 genoemde regels, de daarbij behorende hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gerealiseerd.

4.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en in de voorgevelrooilijn worden gebouwd, of met een hoekpunt op de voorgevelrooilijn, mits het woonhuis evenwijdig is aan de zijdelingse perceelgrens. Delen van een hoofdgebouw die noodzakelijk zijn als gevolg van aanpassingen om het hoofdgebouw duurzaam te maken mogen tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het binnen het (bouwperceel gelegen gedeelte van het) bouwvlak buiten het bouwvlak gebouwd worden ;
  • b. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen gebouwd worden bestaande uit:
    • 1. één woning in combinatie met één wooneenheid, dan wel
    • 2. twee woningen;
  • c. het vloerpeil van de begane grond mag:
    • 1. maximaal het bestaande vloerpeil aan de Vliegveldstraat zijn;
    • 2. maximaal 0,25 meter hoger zijn dan het peil aan de Beekdal,

afhankelijk vanaf welke weg het hoofdgebouw ontsloten wordt;

  • d. voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de maatvoeringseisen die als aanduiding op de verbeelding zijn opgenomen voor de "maximum bouwhoogte" en "maximum goothoogte";
  • e. het hoofdgebouw bestaat uit twee verschillende bouwdelen, te onderscheiden in bouwvolume, grondoppervlakte en ruimtelijke uitstraling. Het gedeelte van het woonhuis met de wooneenheid, dan wel één van de twee geclusterde woningen is ondergeschikt. Het ondergeschikte deel van het hoofdgebouw moet:
    • 1. ten minste 3 m terug gebouwd worden ten opzichte van het overige deel van het hoofdgebouw;
    • 2. een bouwhoogte hebben die minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het overige deel van het hoofdgebouw/woonhuis;
  • f. de dakhelling van het hoofdgebouw, inclusief het ondergeschikte deel onder e, bedraagt ten minste 30o. Waar op de verbeelding de aanduiding “maximum dakhelling” is opgenomen geldt de in die aanduiding genoemde maximale dakhelling;
4.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen/woonhuizen gelden de volgende regels:

  • a. een bijbehorend bouwwerk wordt ten minste 1 m achter één naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per hoofdgebouw/woonhuis ten hoogste 50% van het bouwperceel bedragen met een maximum van 250 m², met dien verstande dat wanneer de bestaande oppervlakte groter is, dit bestaande oppervlak als maximum geldt;
  • c. de goothoogte mag ten hoogste 3 m bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden tot 10 graden (platte dakconstructie) de hoogte ten hoogste 0,3 m boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk dient ten minste 1 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw/woonhuis;
  • e. bij vrijstaande hoofdgebouwen aan één zijde een afstand van ten minste 2 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht moet worden genomen;
  • f. in afwijking van het gestelde onder a mogen de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door erkers, luifels, balkons en ingangspartijen, met dien verstande dat:
    • 1. de overschrijding ten hoogste 1 m mag bedragen;
    • 2. de breedte van erkers maximaal 2/3 deel van de breedte van de betreffende gevel van de woning of wooneenheid mag bedragen;
    • 3. ten hoogste 1 (hoek)erker per voorgevel van een hoofdgebouw/woonhuis is toegestaan;
    • 4. de bouwhoogte ten hoogste 4 m mag bedragen of indien het hoofdgebouw een hogere verdiepingsvloer bevat ten hoogste tot 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van dat hoofdgebouw ;
    • 5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 2 m mag bedragen.
4.2.4 Ondergrondse gebouwen

Ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan, daar waar bovengrondse gebouwen aanwezig zijn, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de ondergrondse bebouwing maximaal 3 meter horizontaal ten opzichte van de bovengrondse bebouwing mag uitsteken. Ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag;

4.2.5 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de maatvoerings- en situeringseisen, zoals aangegeven in onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DEUBPVLIEGVELDST41-VG01_0025.png"

en

  • a. aan een naar de openbare ruimte gerichte kant van het hoofdgebouw, uitgezonderd de voorgevel, mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
4.3 Algemene afwijkingsregels voor hoofdgebouwen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels voor hoofdgebouwen/woonhuizen:

  • a. als er vanuit architectonisch oogpunt een hoogwaardige versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het omgevingsbeeld wordt bewerkstelligd, mits:
    • 1. de bouwhoogte van het hoofdgebouw/woonhuis ten hoogste 10,25 m zal bedragen
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • b. als de afwijking noodzakelijk is als gevolg van aanpassingen om het hoofdgebouw/woonhuis duurzaam te maken.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van (bou)werk of van werkzaamheden

Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag verboden om binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - boomkruinen' (bouw)werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.

Deze bepaling is van toepassing voor werkzaamheden op of aan de bomen, die ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - boomkruinen' aanwezig zijn.

Deze bepaling is eveneens van toepassing op het oprichten van bouwwerken binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - boomkruinen'. Daarbij zal moeten worden aangetoond middels een Bomen Effect Analyse (BEA) dat de (bouw)werken en werkzaamheden geen nadelige effecten teweeg brengen voor de bomen binnen deze zone en evenmin op de duurzame instandhouding ervan.

4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Aan huis verbonden beroep

De in 4.1 onder d. bedoelde aan huis verbonden beroepen mogen uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels:

  • a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de begane grond van – bij elkaar geteld – de woning en de bijgebouwen, met een maximum van 50 m², mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep;
  • b. het gebruik geen afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van naburige percelen;
  • c. degene die de activiteiten uitvoert, dient tevens bewoner van de woning te zijn;
  • d. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;
  • e. er geen detailhandel, horeca of prostitutie plaatsvindt.
4.5.2 Strijdig gebruik
  • a. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijvigheid;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  • e. het gebruik van bijbehorende bouwwerken, ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders dan wel elders werkzaam zijnde arbeiders;
  • f. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • g. het gebruik van een woning of wooneenheid voor de huisvesting van meer dan één huishouden 1 ;
  • h. het gebruik van een woning of wooneenheid voor bedrijfsmatige kamerverhuur;
  • i. het gebruik van een woning of wooneenheid voor een bijzondere woonvorm.
4.5.3 Voorwaardelijke verplichting erfinrichting
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" en "Tuin", voor zover dat gebruik verband houdt met de twee woonclusters aan de Beekdal, zonder de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen en inritconstructies in de bestemmingen "Wonen"en "Tuin", conform Bijlage 1 (Inrichtingsplan) en Bijlage 2 (3D uitwerking inritten Beekdal) en Bijlage 3 (Inrichtingsschets groen en inritten Beekdal) behorend bij deze planregels.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in 3.1 en 4.1 opgenomen bestemmingen "Wonen"en "Tuin" worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen en inritconstructies in de bestemmingen "Wonen"en "Tuin", conform Bijlage 1 (Inrichtingsplan), Bijlage 2 (3D uitwerking inritten Beekdal) en Bijlage 3 (Inrichtingsschets groen en inritten Beekdal) behorend bij deze planregels.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels
4.6.1 Afwijken voor uitoefening van aan huis verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 voor de uitoefening van aan huis verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits - naast de in 4.4.1 genoemde regels - voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bedrijf dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  • b. de activiteiten mogen niet milieuvergunningplichtig zijn.
4.6.2 Afwijken in verband met mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.4.2 teneinde bewoning mogelijk te maken in bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:

  • a. het gebruik noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen aangetoond dient te worden door een verklaring (indicatiebesluit) van een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige;
  • b. er geen milieuhygiënische belemmeringen vanwege percelen van derden bestaan c.q. bestaande belemmeringen vanwege percelen van derden zijn opgeheven;
  • c. de woonruimte binnen de vigerende regeling inzake aan- of uitbouwen en bijgebouwen wordt ingepast.
4.6.3 Intrekken afwijking mantelzorg

Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning als bedoeld in 4.5.2 in, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels

6.1 10%-regeling

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub c van de Wet ruimtelijke ordening, af te wijken van de regels van het plan ten behoeve van een vermeerdering van de voorgeschreven maten en percentages, met uitzondering van de inhoud, de maximale hoogte en de oppervlakte van de bouwwerken, mits de vermeerdering niet meer dan 10% bedraagt.

6.2 Afweging

Een in 6.1 genoemde afwijking van het plan kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;

Artikel 7 Overige regels

7.1 Parkeergelegenheid
7.1.1 Specifieke parkeerregels bouwen en gebruik

Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of voor het gebruik van en gebouw dan wel het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein geldt de regel dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen wordt gerealiseerd.

7.1.2 Gemeentelijk parkeerbeleid

Voor lid 7.1.1 geldt dat voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.

7.1.3 Afmetingen parkeerplaatsen

De in lid 7.1.1 bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de afmetingen voor parkeren in de lengterichting van de weg en voor parkeren in de dwarsrichting van de weg voldoen aan de afmetingen die zijn neergelegd in bijlage V van de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.

7.1.4 Afwijken

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 7.1.1. Het bevoegd gezag neemt hierbij, conform het beleid als bedoeld in lid 2, in overweging of er op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingruimte, wordt voorzien, zoals omschreven in het de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • b. de afmetingen in lid 7.1.3 indien de feitelijke inrichting daartoe aanleiding geeft
7.1.5 Voorwaarden afwijken

De in lid 5.1.4 genoemde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de openbare ruimte;
  • b. het woon- en leefklimaat;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.1.6 Specifieke gebruiksregel

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in dit artikel.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht

8.1 Bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 8.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het 8.1 sub a met maximaal 10%.
  • 3. 8.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
8.2 Gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 8.2 sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in 8.2 sub a na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. 8.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan: Vliegveldstraat 41 - Beekdal, Deurningen.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Dinkelland, gehouden op ............

.................... , voorzitter

.................... , griffier