| Plan: | Denekamp, Hopmanstraat 36 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.DENBPHOPMANSTR36-VG01 |
Voor de locatie Hopmanstraat 36 in Denekamp is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemer wil vier nieuwe appartementen realiseren op de plaats van een bestaande schuur. Deze ontwikkeling past niet bij recht binnen het geldende bestemmingsplan, omdat de huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden niet toereikend zijn. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied bestaat voor een groot deel uit het perceel aan de Hopmanstraat 36, waarin tevens meerdere adressen zijn gelegen (Brinkstraat 57 t/m 59A), en voor een deel uit het perceel aan de Hopmanstraat 30. Het plangebied ligt op ca. 0,5 km ten noorden van het centrum van Denekamp.
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie O, perceelsnummers 973 en 3668. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (Bron: Google Maps).
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied te zien is. Het plangebied bestaat zoals reeds aangegeven deels uit het perceel 973 en een deel uit perceel 3668. De appartementen worden gebouwd op de plek van de bestaande schuur. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (Bron: PDOK viewer).
Voor het plangebied hierboven geldt het 'Bestemmingsplan Denekamp'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland op 9 oktober 2012 vastgesteld en is onherroepelijk in werking. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van het geldende bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 1.3: Uitsnede van het 'Bestemmingsplan Denekamp' (Bron: Ruimtelijke plannen).
Aan een groot deel van het plangebied is de bestemming 'Detailhandel' toegekend met een bouwvlak, maatvoering en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Daarnaast kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De overige gronden binnen het plangebied zijn bestemd tot verkeer en groen.
De gronden binnen het plangebied zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, een supermarkt, een kantoor, een bedrijfswoning en het wonen op de tweede en/of hogere bouwlaag. Op de voor 'Detailhandel' bestemde gronden mag dan ook uitsluitend gebouwd worden conform het toegelaten gebruik, met dien verstande dat er gebouwd wordt binnen een bouwvlak.
Het voornemen bestaat om op het plangebied een appartementengebouw te realiseren met vier appartementen. Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de ontwikkeling mogelijk te maken. Aangezien het plan geen relevante afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden bevat, is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Denekamp, Hopmanstraat 36' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is er aan de Hopmanstraat 36 in Denekamp een schuur gelegen. Deze schuur verkeert niet meer in een goede staat, waardoor deze afbreuk doet aan de straatbeeld van de Hopmanstraat. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk woonfuncties en enkele detailhandel functies. Het plangebied wordt ontsloten door de Hopmanstraat, een weg binnen stedelijk gebied, met een maximumsnelheidsregime van 30 km/u.
In figuur 2.1 is een vooraanzicht opgenomen van het plangebied waarop de schuur te zien is.
Figuur 2.1: Huidige situatie Hopmanstraat 36 (Bron: Google Maps, Streetview).
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van de bestaande schuur en in de realisatie van een appartementengebouw met vier appartementen. Het nieuwe appartementen gebouw kan, net als in de huidige situatie, bereikt worden via de Hopmanstraat. Achter het appartementen gebouw worden er vier parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de bewoners van de appartementen. Daarmee kan geparkeerd worden op eigen terrein. Daarnaast worden er vier bergingen gerealiseerd voor de bewoners.
Het appartementengebouw heeft een bruto vloeroppervlakte van circa 164 m². Elk appartement heeft een oppervlakte van circa 70 m². In de navolgende figuren (2.3 t/m 2.7) is de toekomstige indeling van het plangebied, indeling van de verdiepingen en impressies van het appartementengebouw opgenomen.
Figuur 2.3: Toekomstige indeling van het plangebied (Bron: Leferink Architecten BNA BV).
Figuur 2.4: Indeling 1e verdieping (Bron: Leferink Architecten BNA BV).
Figuur 2.5: Indeling 2e verdieping (Bron: Leferink Architecten BNA BV).
Figuur 2.6: Impressie van het beoogde appartementencomplex, voorgevel en rechter zijgevel (Bron:
Leferink Architecten BNA BV).
Figuur 2.7: Impressie van het beoogde appartementencomplex, linker zijgevel en achtergevel (Bron: Leferink Architecten BNA BV).
Voor de realisatie van het beoogde appartementengebouw dient de bestaande bestemming 'detailhandel' naar een woonbestemming gewijzigd te worden.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets/Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de huidige bestemming 'detailhandel' naar de bestemming 'wonen', zodat het mogelijk wordt om een appartementengebouw te realiseren. Door de realisering van een appartementengebouw aan de Hopmanstraat 36 wordt er bijgedragen in het versterken van het woonmilieu ter plaatse. Daarnaast wordt de ruimtelijke kwaliteit van de Hopmanstraat fors verbeterd, aangezien er in de huidige situatie een ontsierende schuur is gelegen.
Geacht wordt dat de ontwikkeling daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI past.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets/conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestaande detailhandel bestemming naar een woonbestemming, zodat het mogelijk wordt om een appartementengebouw te realiseren voor 4 appartementen. Op basis van vaste jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 en ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) blijkt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, indien er 11 woningen worden gerealiseerd. Wanneer er 12 of meer woningen gerealiseerd worden, dan is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien in het voorliggende geval vier appartementen worden gerealiseerd, is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
Volgens de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921), moet wanneer de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is, gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Op voorhand kan worden gesteld dat er vanuit milieutechniche oopgunten geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Hier wordt nader op ingegaan in Hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan.
Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan achterwege worden gelaten.
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel).
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.
artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
lid 2
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het plangebied is gelegen aan de Hopmanstraat 36 in Denekamp en ligt binnen het bestaande stedelijk gebied. Als gevolg van het plan wordt er geen extra ruimtebeslag gelegd op de groene omgeving. Geacht wordt dat er voldaan wordt aan artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel.
artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
In zijn algemeenheid zal de toevoeging van een nieuw appartementengebouw aan de Hopmanstraat ervoor zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verhoogd. Dit omdat er een nieuw gebouw wordt gebouwd dat in zijn aard, maat en karakter goed in de omgeving past. De huidige schuur verkeert niet in een goede staat, waarmee afbreuk wordt gedaan aan de straatbeeld van de Hopmanstraat.
Geacht wordt dat er voldaan wordt aan het gestelde in artikel 2.1.5. van de omgevingsverordening van provincie Overijssel.
Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen
Doorwerking voor voorliggend plan:
De provincie Overijssel en de Twentse gemeenten hebben in 2021 nieuwe woonafspraken gemaakt. Deze woonafspraken zijn vertaald in de woonagenda Twente 2021-2025. De ambities die in deze woonagenda zijn opgenomen zijn o.a. het toevoegen het 60.000 woningen tot 2030 in de provincie, inspelen en voorsorteren op veranderde woningvraag, verstedelijking en stedelijke verbieuwing, sterke dorpen en platteland in het regionale netwerk, verduurzaming, versnelling van de woningbouw, toegankelijke en doorstromen.
Deze ambities zijn vertaald in een visie op het wonen in Twente. Daarbij zijn drie hoofdpunten benoemd:
Centraal in de woonagenda staat het sturen op kwaliteit en betaalbaarheid. Bouwen voor de lokale behoefte kan op basis van goed onderbouwde woningbehoefte. De gemeente heeft dit vertaald in de woonvisie 2021+. De provincie heeft de woonvisie geaccordeerd als zijnde onderbouwing van de behoefte. Daarin is op basis van verschillende prognoses een behoefte benoemd van 225-800 woningen. Voor de periode tot 2025 wordt uitgegaan van de middellijn. Voor de grote kernen wordt uitgegaan van een plancapaciteit van 360 woningen. Daarnaast wordt er kwalitatief met name in gezet op levensloopbestendige woningen en woningen voor starters. Onderhavig plan voorziet in appartementen voor zowel senioren als starters en past dus daarbinnen.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel).
In het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' mag er altijd gebouwd worden voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
In het voorliggende bestemmingsplan wordt de bestaande schuur aan de Hopmanstraat 36 gesloopt en in plaats daarvan wordt er een appartementengebouw teruggebouwd. Gesproken kan worden van een herstructurering. Verder wordt het appartementengebouw gebouwd conform de geldende welstandeisen en zal gebouwd worden volgens de nieuwste technieken en duurzaamheideisen.
Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan het eigen karakter van het gebied en dat het geen extra belemmeringen oplevert voor functies in de omgeving.
Gebiedskenmerken
Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Denekamp. Aangezien de gronden reeds bewerkt zijn, zijn de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap niet zichtbaar. Hierdoor wordt hierna enkel nog ingegaan op de stedelijke laag en laag van de beleving.
Stedelijke laag
Voor wat betreft de stedelijke laag, wordt het plangebied aangemerkt tot 'Historische centra binnensteden'. In figuur 3.3 is een fragment weergegeven van de betreffende kaart.
Figuur 3.3: Stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel).
De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra, binnensteden en landstadjes herbergen bijzondere condities zoals een waterfront of stationsgebied en staan symbool voor de identitiet en eigenheid van de steden en stadjes. Funcioneel worden deze gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt.
Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behouden versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.
Zoals reeds beschreven voorziet het voorliggende bestemmingsplan in de mogelijkheid voor het bouwen van een appartementengebouw aan de Hopmanstraat 36 in Denekamp. Gesproken kan worden van een herstructuering aangezien de bestaande schuur wordt gesloopt en een appartementengebouw teruggebouwd wordt waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd.
Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan de stedelijke laag.
Laag van de beleving
De laag van de beleving kent het kenmerk 'informele trage netwerk' toe aan het gebied. Er wordt geen fragment opgenomen van de betreffende kaart, omdat er geen legenda aanwezig is.
Het informele trage netwerk is het 'langzame' netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v. bedrijventerreinen, woonwijken), dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Nieuwe mogelijkheden voor lange afstands-, wandel- en fietsroutes worden benut.
Als gevolg van de ontwikkeling wordt er een appartementengebouw gerealiseerd. De bewoners kunnen het gebouw bereiken door gebruik te maken van de bestaande inrit. Geacht wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor de laag van de beleving.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 30 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
We doen het samen;
Toets/conclusie
Denekamp is een van de drie grote kernen in de gemeente.
Eén van de speerpunten is "leefbare kernen'. Daarin is belangrijk:
- voldoende voorzieningen;
- aantrekkelijk wonen;
- ruimte voor ondernemen;
- leefbare openbare ruimte.
Voorzieningen dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en positieve gezondheid
De gemeente doet daarin een aanatal zaken, onder andere een bijdrage leveren aan het versterken van het dorpscentrum, meedenken over invuling van leegstaande gebouwen
Eén van de waarden van 'Kernen met woon- en centrumfunctie' is dat er belangrijke voorzieningen zijn in de nabijheid van woonfuncties, zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg en pinmogelijkheden. Een andere waarde is de aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen. Voor deze kernen geeft de visie aan om in te spelen op mogelijkheden om te ontmoeten, concentratie van publieksgerichte functies en voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern.
Door het bouwen van een appartementengebouw wordt er gezorgd voor meer leefbaarheid in Denekamp. De leegstaande schuur krijgt een logische en goede vervolgfunctie omdat een woonfunctie binnen de omgeving past. Daarnaast kan er bijgedragen worden aan de woningbehoefte voor starters en senioren. Dit omdat de ligging van het plangebied, gezien de onderlinge afstand met het centrum van Denekamp (circa 450 m), centraal gelegen is. Hierdoor zijn er voldoende voorzieningen op korte afstand in de nabijheid van de beoogde appartementen.
Geacht wordt hiermee dat voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
Op 5 juli 2021 is de nieuwe Woonvisie 2021+ vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland. De Woonvisie is een plan, dat gaat over het realiseren van voldoende betaalbare woningen in de koopsector variërend van rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, appartementen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. Daarnaast moeten er ook voldoende betaalbare en huurwoningen zijn. In de Woonvisie wordt ook de toenemende vraag naar diverse soorten zorgwoningen meegenomen en er is aandacht voor huisvesting van arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. Bovendien is er aandacht voor aanpassingen in de bestaande woningvoorraad, zodat deze levensloopbestendiger wordt.
Meer woningen...
De gemeente Dinkelland wil inzetten op meer woningen met de juiste kwaliteit. De gemeente gaat de komende jaren voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houdt de gemeente ook rekening met de instroom van vestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente Dinkelland de woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren.
Om te kunnen voorzien in de woninghoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Dinkelland kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma waarbij de zachte plannen verdeeld zijn over de grote en kleine kernen:
Dit houdt in dat ongeveer de helft van de woningbehoefte landt in de grotere kernen. In deze kernen woont tweederde van de inwoners van Dinkelland en geldt de grootste woningbehoefte vanwege de nabijheid van voorzieningen: iets wat met name voor senioren en de mensen met een zorgvraag een grote rol speelt. Realisatie vindt plaats per kern (evt. gefaseerde) plannen plaats. Dus niet alles in een paar grote plannen. Hierdoor kan goed worden bijgestuurd als dat nodig blijkt te zijn.
...met de juiste kwaliteit
In de gemeente Dinkelland krijgt inbreiding prioriteit boven uitbreiding. In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking zal de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties plaatsvinden. Dit heeft de gemeente ook vastgelegd in de Nota Inbreidingslocaties (2020). Bij het bouwen op inbreidingsplekken gaat de focus uit naar zogenaamde 'structuurversterkende plekken'. Dat zijn beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op dergelijke plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen.
De gemeente Dinkelland zet in op twee doelgroepen: starters en senioren. Dit betekent onder ander het toevoegen van betaalbare starterswoningen en levensloopbestendige woningen voor senioren. Voor voorliggend bestemmingsplan is vooral die laatste groep relevant. Een levensloopbestendige woning is gelijkvloers en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kenr waar men nu woont) en dichtbij voorzieningen. Het voordeel van nieuwbouw voor senioren is dat er ook meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruimte woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. De gemeente heeft daarom de ambitie om een groot deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopbestendig te realiseren.
Toets en conclusie
Voor de periode 2020-2030 is de woningbehoefte voor Denekamp, Ootmarsum en Weerselo vastgelegd op 275 woningen (100% behoefte), oplopend naar 360 woningen (130% behoefte). Tevens is er een vrije ruimte voor 70 woningen binnen de gemeente Dinkelland voor transformatie en knelpunten initiatieven.
Met voorliggend plan wordt een bestaande schuur gesloopt en daarvoor in de plaats wordt er een appartementengebouw gerealiseerd met vier appartementen, waarvan twee appartementen voor senioren en twee voor starters. De ontwikkeling heeft daarmee betrekking op een kleinschalige inbreidingslocatie. De gemeente geeft onder meer mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe/extra plancapaciteit indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het invulling geven aan beleidsdoelen uit de Woonvisie en het benutten van inbreidingslocaties (transformatie en herstructurering). In de navolgende paragraaf (zie paragraaf 3.3.3 van deze regels) wordt nader ingegaan op de nota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020.
Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2021+.
Bij de gemeente Dinkelland werd en wordt er regelmatig een aanvraag ingediend voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Daarbij gaat het dan veelal om kleinschalige grondgebonden woningbouw zonder functiemenging binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de beoordeling van dergelijke aanvragen is voor het eerst in 2011 door de gemeenteraad een beleidskader vastgesteld in de vorm van een “Beleidsnota Inbreidingslocaties”. Nadien is het beleid aangepast in de versie “Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020”.
Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is.
Het beleid is van toepassing op:
Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aanbeeld bepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken verstaat de gemeente Dinkelland:
Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland de volgende overige stedenbouwkundige voorwaarden geformuleerd:
Toets en conclusie
Voorliggend bestemmingsplan maakt de sloop van een bestaande schuur en de realisatie van een appartementengebouw met vier appartementen mogelijk. Middels de realisatie van de vier appartementen kan worden voorzien in de lokale behoefte aan woningen, daarnaast is de ontwikkeling in overeenstemming met het gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.3.2 van deze toelichting).
Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied en is goed bereikbaar voor al het verkeer. Het plan kan worden geschaald onder: het ontwikkelen van een 'rotte kies' (oude leegstaande/vervallen gebouwen). Dit omdat een vervallen gebouw wordt vervangen door een nieuw woongebouw. Daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit van de Hopmanstraat verhoogd en zal de leefbaarheid in de woonwijk toenemen.
Daarnaast past een nieuwe woonfunctie vanuit stedenbouwkundig oogpunt goed in de omgeving en zijn er vanuit milieu- en omgevingsaspecten geen sprake van belemmeringen (zie hoofdstuk 4 van deze toelichting).
Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan binnen het planologisch beleid met betrekking tot inbreidingslocaties past en derhalve een meerwaarde is voor de gemeente Dinkelland.
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit:
Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:
Toets en conclusie
Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau 'basis omgeving' heeft. In figuur 3.4 is een fragment weergegeven van de kaart van de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbregen. Het gebied met het niveau 'basis omgeving' is minder bepalend voor de karakteristiek van Denekamp. Hier is veelal sprake van ruime verkaveling met daarop twee-onder-een-kappers en vrijstaande woningen met een traditionele bouwstijl van twee lagen en kap.
Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van het appartementengebouw.
Figuur 3.4: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 (Bron: gemeente Dinkelland).
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets/conclusie
Er wordt middels dit bestemmingsplan een appartementengebouw met vier appartementen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is detailhandel.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:
De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van een appartementengebouw met vier appartementen op de locatie Hopmanstraat 36 in Denekamp sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van een appartementengebouw met vier appartementen binnen de bebouwde kom van de kern Denekamp. Op de schaal van Denekamp is hiermee qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de Hopmanstraat. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (Bron: InfoMil).
Toets en conclusie
In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat het plangebied in de kern van Denekamp gelegen is waar in de directe omgeving ook andere functies aanwezig zijn (o.a. detailhandel, kantoor en maatschappelijk).
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
In dit geval worden er vier appartementen gerealiseerd. De hierbij behorende functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, waardoor geen sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.
Nabij het plangebied bevinden zich, zoals vermeld, meerdere (milieubelastende) functies. Onder meer ten oosten van het plangebied bevindt zich een perceel bestemd tot de bestemming 'Detailhandel'. Hier is een kapper aanwezig. Detailhandel ('detailhandel voor zover n.e.g.') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Ook de kapperszaak ('kappersbedrijven en schoonheidsinstituten') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
Ten noordwesten- en oosten van het plangebied bevinden zich percelen met de bestemming 'Kantoor'. Deze locaties zijn hoofdzakelijk bestemd voor gebouwen ten behoeve van kantoren. Kantoren ('overige zakelijke dienstverlening: kantoren') vallen, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
Op ruimere afstand, ten noordoosten van het plangebied, ligt een perceel met de bestemming 'Maatschappelijk'. De locatie is uitsluitend bestemd voor één huisartsenpraktijk. Een huisartsenpraktijk ('artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
De appartementen zullen dan ook geen hinder ondervinden van detailhandel, kantoren en maatschappelijke functies in de omgeving en omgekeerd zullen deze niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie
Het plangebied is gelegen aan de Hopmanstraat 36 in de kern Denekamp. Er bevinden zich geen agrarische bedrijven in de nabije omgeving van het plangebied waar dieren worden gehouden. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect 'Geur' geen belemmeringen zullen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets en conclusie
Het voornemen bestaat uit het realiseren van een appartementengebouw met vier appartementen op de plek van een schuur. Omdat er sprake is van een functiewijziging en van een nieuwe gevoelige functie, dient de milieu-hygïenische bodemkwaliteit van de gronden binnen het plangebied vastgesteld te worden.
Op 25 juni 2021 is door Kruse Milieu BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ook is daarbij een asbestanalyse uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 in dit bestemmings bijgevoegd. In de navolgende alinea's wordt stilgestaan bij de resultaten.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd.
Resultaten veldwerk
In totaal is er één inspectiegat gegraven en zijn er zes boringen verricht. Het inspectiegat en twee boringen zijn met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de diepere ondergrond. Er is één diepere boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (sporen puin). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen.
Resultaten analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Conclusies en aanbevelingen
In de boven-en ondergrond (BG en OG) en het grondwater (PB 1) zijn enkele van de onderzochte stoffen in (zeer) licht tot matig verhoogde concentraties aangetoond. Om de eventuele bron(nen) van het matig verhoogde zinkgehalte in de ondergrond te bepalen zijn de deelmonsters uit het mengmonster van de ondergrond separaat op zink geanalyseerd. In het deelmonster van boring twee is een sterk verhoogd zinkgehalte gemeten, in de overige twee deelmonsters van de ondergrond zijn geen verhoogde zinkgehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.5 van het onderzoek. Nader onderzoek is noodzakelijk om de ernst en omvang van de sterke zinkverontreiniging vast te stellen. Initiatiefnemer is met gemeente Dinkelland overeengekomen dat het nader onderzoek nà de sloop van de schuur wordt uitgevoerd.
Sanering van de sterke verontreiniging is noodzakelijk in het kader van de geplande nieuwbouw. De sterke verontreiniging bevindt zich onder de betonvloer van de schuur en bij het huidige gebruik zijn er geen risico’s. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (gemeente Dinkelland of provincie Overijssel). Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond.
Slotconclusie
Uit milieukundig oogpunt is, er na nader onderzoek en na sanering van de zinkverontreiniging, geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw aangezien de overige vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits na de sloop van de schuur - en ieder geval voordat de bouwwerkzaamheden beginnen - een nader onderzoek wordt uitgevoerd om de omvang van de verontreiniging ter plaatse vast te stellen en de nodige vervolgstappen te bepalen. Dit wordt bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan geregeld door een verplichting op te nemen, in die zin dat alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend eerst een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, waarin de gehele verontreiniging van de bodem inzichtelijk is gemaakt waarna de gronden volledig gesaneerd zijn.
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Toets en conclusie
Wegverkeerslawaai
Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
Deze zonering geldt niet:
Het plangebied is gelegen aan de Hopmanstraat 36 in de kern Denekamp. De Hopmanstraat betreft een weg zonder rijstroken met een maximumsnelheidsregime van 30 km/u. Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder is er langs deze weg geen geluidszone aanwezig. Formeel gezien hoeft er dan ook niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Echter kan de geluidsbelasting ten gevolge van deze weg wel van belang zijn bij de beoordeling of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Op basis van de geluidskaart opgenomen in figuur 4.2 bedragen de geluidbelastingen op de Hopmanstraat tussen de 46 en 50 dB. Dit geldt tevens voor de Brinkstraat en de Brink. Op grond van het Bouwbesluit dient een woning een standaard gevelwering van 20 dB te hebben. Dit komt erop neer dat de binnenwaarde van de appartementen in kwestie maximaal 30 dB zal bedragen. Dit is in overeenstemming met de uiterste binnenwaarde van 33 dB in een woning. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij kan worden opgemerkt dat uit een eerder akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai voor het naastgelegen woningbouwproject (Hopmanstraat 30) is gebleken dat de maximale geluidbelasting van de Hopmanstraat en Brinkstraat op de gevels van de nieuwe woningen maximaal 42 dB respectievelijk 34 dB bedraagt en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien het plangebied van onderhavig geval nagenoeg meteen naast deze woningen ligt, is het zeer onwaarschijnlijk dat de geluidbelastingen als gevolg van de Hopmanstraat en Brinkstraat op de gevels van de appartementen ineens veel hoger bedragen.
Figuur 4.2: Uitsnede geluidskaart, het plangebied is globaal aangegeven d.m.v. een rode ster (Bron: Atlasleefomgeving.nl).
Railverkeerslawaai
Er is geen spoorweg gelegen in de nabije omgeving van het plangebied.
Industrielawaai
Er is geen gezoneerd industrieterrein gelegen in de nabije omgeving van het plangebied. Voor wat betreft de toetsing op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is reeds in paragraaf 4.2 aandacht geschonken. Voor de conclusie wordt dan ook kortsheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets en conclusie
Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een appartementengebouw met 4 appartementen mogelijk. Dit project kan als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging gezien worden, omdat de omvang van het project onder de genoemde drempelwaarden zit.
Daarnaast kan worden opgemerkt dat de woningen geen gevoelige bestemmingen zijn in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, waardoor toetsing aan de grenswaarden achterwege kan blijven.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Toets en conclusie
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (Bron: risicokaart Nederland Arcgis).
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Het aspect 'Externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
Waterbeheerplan 2016-2021
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoetsproces
Op 26 mei 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2. Door de beantwoording van de vragen in de watertoets is naar voren gekomen dat de korte procedure is toegepast. Dit houdt in dat direct door kan worden gegaan met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit de watertoets wordt toegepast. In de navolgende alinea's is een korte samenvatting hiervan gegeven.
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja):
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Toetsing en conclusie
Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de sloop en de realisatie van een nieuwe appartementengebouw met 4 appartementen aan de Hopmanstraat 36 te Denekamp mogelijk gemaakt. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet kan worden uitgesloten, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. Daartoe heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd op 5 juli 2021. De quickscan is als Bijlage 3 opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Hieronder worden de conclusies besproken.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met allein het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Resumerend kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits rekening gehouden wordt met de voortplantingsperiode van vogels.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
De gemeente Dinkelland heeft een archeologische verwachtings- en advieskaart die is opgesteld door het archeologisch adviesbureau RAAP, waarin voor het gehele grondgebied van de gemeente Dinkelland inzichtelijk is gemaakt waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. De kaart biedt inzicht in de bestaande archeologische toestand van zowel het landelijke als het bebouwde gebied van de gemeente Dinkelland. In figuur 4.4 is een uitsnede opgenomen van de betreffende kaart en is het plangebied globaal groen omlijnd.
Figuur 4.4: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Dinkelland).
Toets
Op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart zijn de gronden binnen het plangebied aangemerkt tot 'Historische kern'. Bij historische kernen is de verwachting hoog voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd, die in verband staan bewoning in een historische kern. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementengebouw met een omvang van circa 164 m². Gelet op het advies houdt dit in principe in dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Echter bevindt zich op het plangebied een schuur die gesloopt om het appartementengebouw te realiseren. Een deel van het appartementengebouw wordt gebouwd op de plaats van de schuur. Geacht wordt dat de gronden ter plaatse van de schuur aangemerkt kunnen worden als reeds verstoord. Voor het deel van het appartementengebouw dat buiten de plaats van de schuur wordt gebouwd, geldt dat de oppervlakte hiervan circa 85 m² bedraagt. Gelet op het advies wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets
De archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland toont ook of er in een gebied cultuurhistorische elementen te vinden zijn, o.a. monumenten en andere bebouwing. Binnen het plangebied komen geen monumenten voor. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'Archeologie en Cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling.
Toets en conclusie
Het plangebied wordt ontsloten via de Hopmanstraat. De Hopmanstraat betreft een weg binnen de bebouwde kom van de kern Denekamp die een maximumsnelheidsregime heeft van 30 km/u. Er worden twee levensloopbestendige appartementen en twee appartementen voor starters gerealiseerd.
Parkeren
Volgens het parkeerbeleid 'Bouwen & parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland behoort het plangebied niet tot de parkeerschijfzone, waardoor het plangebied niet tot 'centrum' maar tot 'rest bebouwde kom' behoort. Voor een appartement met een oppervlakte van minder dan 100 m² geldt een parkeernorm van 1,60 per appartement op eigen terrein, waarvan 0,3 parkeerplaatsen per appartement in de openbare ruimte moet worden gerealiseerd. Uitgaande van vier appartementen komt dit neer op 6,4 parkeerplaatsen op eigen terrein, waarvan 1,2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van vier parkeerplaatsen op eigen terrein en zes parkeerplaatsen op de openbare weg. Er worden in totaal tien parkeerplaatsen aangelegd. Geacht wordt hiermee dat voorliggend plan in overeenstemming is met 'Bouwen & parkeren 2018' en er vanuit het aspect 'parkeren' geen belemmeringen zijn.
Verkeer
Volgens de CROW-publicatie 381 bestaat de verkeersgeneratie van een appartement, afgaande van een duur koopappartement met gebiedstype 'weinig stedelijk' en gelegen in restbebouwde kom, maximaal uit 7,8 verkeersbewegingen per dag. Voor vier appartementen komt dit neer op maximaal afgerond 31 verkeersbewegingen per dag. De Hopmanstraat kan deze verkeersbewegingen naar verwachting zonder problemen en op een verkeersveilige manier opvangen en verwerken. Geacht wordt hiermee dat er vanuit het aspect 'verkeer' geen belemmeringen zijn.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Bestemmingen
Wonen (artikel 3)
Deze bestemming is opgenomen conform de gebruikelijke bepalingen die gelden voor de bestemming wonen op basis van het huidige geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Denekamp'. Onder de bestemming wonen is het mogelijk een appartementengebouw te realiseren. Daarvoor geldt dat er uitsluitend 4 appartementen gerealiseerd mogen worden, met dien verstande dat het appartementencomplex binnen het bouwvlak worden gebouwd en dat de goothoogte en bouwhoogte van het appartementencomplex respectievelijk maximaal 4 en 8 meter mogen bedragen.
Vrijwaringszone - molenbiotioop (artikel 7)
De gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotioop' is opgenomen om de zone rond de St. Nicolaasmolen te beschermen tegen hoge bouwwerken die de windvang van de molen kunnen belemmeren.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is.
Waterschap Vechtstromen
Op 26 mei 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 25 maart 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.