| Plan: | Denekamp, Hopmanstraat 30 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.DENBPHOPMANSTR30-VG01 |
Aan de Hopmanstraat 30 in de kern Denekamp (gemeente Dinkelland) bevindt zich een bedrijfsperceel met aangrenzend een deel met een verkeersbestemming (noorden) en een deel van een groenperceel (zuidoosten) (hierna: plangebied). Op het bedrijfsperceel bevindt zich bedrijfsbebouwing.
De gemeente Dinkelland is voornemens om de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en het plangebied te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Concreet voorziet het plan in het realiseren van zes rijwoningen, verdeeld over twee woonblokken. Ten noorden en oosten van deze woningen worden parkeer- en verkeervoorzieningen aangelegd. Ten zuidoosten van het plangebied is een groenvoorziening met voetpad beoogd.
Op grond van het geldende bestemmingsplan 'Denekamp Kern' is het voornemen ter plaatse niet mogelijk, aangezien ter plaatse van het bedrijfsperceel en het aangrenzende groenperceel geen woningen zijn toegestaan.
Om het voornemen mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening is vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Hierbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
De locatie aan de Hopmanstraat 30 ligt ten westen van het centrum in de kern Denekamp (Dinkelland). Het plangebied omvat het bedrijfsperceel met aangrenzend een deel met een verkeersbestemming (noorden) en een deel van een groenperceel (zuidoosten).
In afbeelding 1.1 is de ligging van de het plangebied binnen de kern Denekamp (rode ster) en ten opzichte van de directe omgeving (rode onderbroken omlijning) weergegeven.
|
| Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied binnen de kern Denekamp en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK) |
Het bestemmingsplan "Denekamp, Hopmanstraat 30" bestaat uit de volgende stukken
Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan, maar maakt geen onderdeel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van bestemmingsplan 'Denekamp Kern' en 'facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland', respectievelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland op 9 oktober 2012 en 29 mei 2018.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van bestemmingsplan 'Denekamp Kern' weergegeven. Het plangebied is indicatief met rode onderbroken lijn aangegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
|
| Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Denekamp Kern' (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
De gronden binnen het plangebied beschikken over de enkelbestemmingen 'Bedrijf', 'Groen' en 'Verkeer'. Op de bedrijfsbestemming zijn twee bouwvlakken met maatvoeringseisen opgenomen. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Over het gehele plangebied geldt tot slot de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
'Bedrijf'
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven, die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en/of geluidszoneringsplichtige inrichtingen, en bijbehorende bouwwerken. Daarnaast zijn deze gronden medebestemd voor de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van de molen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
Voor het bouwen van gebouwen voor bedrijven geldt onder meer dat een gebouw uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd en dat de (op de verbeelding (plankaart)) aangegeven aanduidingen ten aanzien van de toegestane goot- en bouwhoogte (maatvoeringseisen) in acht moeten worden genomen.
'Groen'
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water. Daarnaast zijn deze gronden mede bestemd voor de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van de molen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
'Verkeer'
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Deze gronden zijn onder andere mede bestemd voor de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van de molen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Hieraan zijn ondergeschikt onder meer groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan, evenals bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Ter plaatse zijn geen gebouwen toegestaan.
'Waarde - Archeologie'
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,50 m, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd.
Strijdigheid
De realisatie van de gewenste zes woningen is, gelet op de aanwezige bedrijfs- en groenbestemmingen binnen het plangebied, niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van de beoogde woningen moeten de gronden dan ook worden voorzien van een passende woonbestemming.
Opgemerkt wordt dat ten noorden en oosten van de woningen parkeer- en verkeervoorzieningen zijn beoogd. Ten noorden is de hierbij passende verkeersbestemming reeds aanwezig. Deze gronden behouden een verkeersbestemming, maar maken deel uit van voorliggend bestemmingsplan in verband met het aspect parkeren (zie ook paragraaf 2.3 van deze toelichting). De gronden ten oosten van de woningen zijn eveneens onderdeel van het bestemmingsplan en worden ook voorzien van een verkeersbestemming.
Tot slot wordt opgemerkt dat ter plaatse van de gewenste groenvoorziening met voetpad (ten zuidoosten van het plangebied) reeds een hierbij passende groenbestemming is opgenomen. Deze gronden maken daarom geen onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch planologisch kader om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. Aangetoond wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied en de gewenste ontwikkeling. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In Hoofdstuk 6wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in Hoofdstuk 7.
Het plangebied ligt aan de Hopmanstraat 30, in het westen van de kern Denekamp (gemeente Dinkelland). Het betreft een bedrijfsperceel met aangrenzende gronden ('verkeer' en 'groen'). In de directe omgeving bevinden zich hoofdzakelijk woonfuncties, detailhandelsfuncties, kantoorfuncties en maatschappelijke functies.
Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Hopmanstraat, ten oosten een detailhandelsfunctie en woonfuncties en ten zuiden een groenperceel, woonfuncties, een parkeerplaats en de Prins Bernhardstraat. Tot slot zijn ook ten westen van het plangebied woonfuncties aanwezig.
Ter plaatse bevinden zich bedrijfsbebouwing, een nutsvoorziening, verharding en groenvoorzieningen.
In afbeelding 2.1 is de huidige situatie weergegeven middels een luchtfoto. Het plangebied is indicatief met de rode onderbroken omlijning aangegeven.
|
| Afbeelding 2.1 Huidige situatie plangebied (Bron luchtfoto: Provincie Overijssel) |
De gemeente Dinkelland is voornemens om de bestaande bebouwing te slopen en de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. In totaal worden, verdeeld over twee woonblokken, zes rijwoningen gerealiseerd. Deze woningen zijn bedoeld voor starters en senioren (voor beide 50% van de woningen).
In afbeelding 2.2 is een impressie van de gewenste opzet weergegeven.
|
| Afbeelding 2.2 Impressie gewenste opzet plangebied (Bron: Gemeente Dinkelland) |
De zes woningen worden in lijn met de bestaande bebouwing langs de Hopmanstraat gesitueerd en beschikken over een op de bestaande bebouwing aansluitende goot- en bouwhoogte, namelijk van respectievelijk maximaal 6 en 10 meter.
Tot slot worden meerdere groenvoorzieningen aangelegd en zijn ten noorden en oosten van de woningen parkeer- en verkeervoorzieningen beoogd. De ontsluiting vindt plaats via de Hopmanstraat.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren'. In deze notitie zijn geen kencijfers opgenomen ten aanzien verkeersgeneratie. Hiertoe wordt binnen de notitie de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 371' van het CROW aangehouden. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt de nieuwere versie van het CROW aangehouden (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381).
Voor het plangebied binnen de gemeente Dinkelland gelden de volgende uitgangspunten:
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van zes nieuwe rijwoningen. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Parkeren
Als gevolg van de realisatie is sprake van een extra parkeerbehoefte van (6 x 2,0 =) 12 parkeerplaatsen. Met de in totaal circa 23 parkeerplaatsen ten noorden en ten oosten van de woningen kan zowel in deze behoefte als in de (bestaande) behoefte vanuit de omgeving worden voorzien. Er wordt dan ook voldaan aan de parkeerbehoefte.
Verkeer
Als gevolg van het voornemen is sprake van (6 x 7,4 =) 44,4 extra verkeersbewegingen. De Hopmanstraat kan deze verkeersbewegingen naar verwachting zonder problemen en op een verkeersveilige manier opvangen en verwerken.
Opgemerkt wordt dat als gevolg van het voornemen de bestaande verkeersgeneratie van de bedrijfslocatie komt te vervallen. Per saldo zullen de extra verkeersbewegingen, als gevolg van het voornemen, dan ook minder dan de reeds vermelde 44,4 bewegingen zijn.
Er worden verkeerskundig geen problemen verwacht als gevolg van deze geringe toename.
Conclusie
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De wettekst van de (gewijzigde) ladder is als volgt:
De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie.
Voor de toetsing aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” is een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang. Hierin is uitgesproken dat met de realisatie van 11 woningen niet voorzien wordt in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (ABRS 16 september 2015, 201501297/1/R4).
Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening, aangezien voorliggend bestemmingsplan slechts zes grondgebonden woningen mogelijk maakt.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld.
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.
De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.
Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
|
| Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.
De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.
Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.
De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase ‘generieke beleidskeuzes’ zijn een aantal artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen zal hierna nader worden ingegaan.
Artikel 2.1.2 Principe van concentratie
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening Overijssel
Als gevolg van het voornemen worden zes extra woningen toegevoegd binnen de kern Denekamp. Het plan voorziet in de behoefte van Denekamp en de gemeente Dinkelland (zie paragraaf 3.4.2 van deze toelichting). Deze behoefte is bepaald aan de hand van de behoefte in de regio (zie paragraaf 3.3.1 van deze toelichting).
Geconcludeerd wordt dat de beoogde woningbouwontwikkeling voldoet aan de bepalingen, zoals opgenomen in artikel 2.1.2.
Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel
De woningbouwontwikkeling legt geen extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving, aangezien deze plaatsvindt binnen bestaand bebouwd gebied in de kern Denekamp. De gronden zijn reeds voorzien van een bestemming op basis waarvan stedelijke functies mogelijk zijn. Het voornemen voldoet dan ook aan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen
De van belang zijnde begrippen in het kader van artikel 2.2.2 zijn hierna opgenomen:
In artikel 2.2.3 lid 1 van de Omgevingsverordening wordt onder actueel onderzoek woningbouw verstaan: onderzoek dat eens in de 2 jaar wordt geactualiseerd.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel
Binnen het plangebied worden zes woningen mogelijk gemaakt. Het voornemen past daarmee binnen het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma en is tevens in overeenstemming met het RWP Twente (april 2017) (zie ook paragraaf 3.4.2 en 3.3.1 van deze toelichting).
Gelet hierop wordt voldaan aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.
In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Stedelijke Omgeving van belang. Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
|
| Afbeelding 3.2 Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
“Wonen en werken buiten de stedelijke netwerken”
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren).
Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven”
Het voornem is passend binnen het geldende ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken buiten stedelijke netwerken', aangezien binnen dit onwikkelingsperspectief ruimte is voor een mix aan functies. De ontwikkeling past goed binnen de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving (overwegend wonen). Van een belemmering voor omliggende functies is hierbij geen sprake. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 waar in wordt gegaan op diverse omgevings- en milieuaspecten.
Het initiatief is dan ook in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Gezien de locatie en de aard van de ontwikkeling zijn geen effecten op de gebiedskenmerken, zoals opgenomen in de Natuurlijke laag, Laag van het agrarisch-cultuurlandschap en de Laag van de beleving, te verwachten. Het is, vanwege de ligging in het stedelijk gebied, enkel benodigd om in te gaan op de 'Stedelijke laag'.
In afbeelding 3.3 is een uitsnede van de 'Stedelijke laag' behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
|
| Afbeelding 3.3 Uitsnede Stedelijke laag Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
"Woonwijken 1955 - nu"
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
"Bebouwingsschil 1900 - 1955"
De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Kenmerkend in de bebouwing is de verwantschap in architectuurstijlen en aandacht voor architectonische details en verbijzondering van gebouwen op specifieke plekken als straathoeken.
Als herstructurering, inbreiding en toevoeging van bebouwing plaats vinden in de individueel ontwikkelde stadswijken van de bebouwingsschil 1900 - 1955, dan dragen deze bij aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ontwikkelingen voegen zich in maat, schaal en ritme naar de omliggende bebouwing. Als herstructurering etc. plaats vindt in de tuindorpen en fabriekswijken, dan voegt de vernieuwde/nieuwe bebouwing zich in de structuur van de bebouwde massa en groenstructuur, gericht op behoud van eenheid en eenduidigheid, met oog voor details. Verder wordt gestuurd op hergebruik/reanimatie van cultureel erfgoed.
"Historische centra binnensteden"
De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra, binnensteden en landstadjes herbergen bijzondere condities zoals een waterfront of stationsgebied en staan symbool voor de identiteit en eigenheid van de steden en stadjes. Functioneel worden deze gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt.
Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.
"Informele trage netwerk"
Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v. bedrijventerreinen, woonwijken) , dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk.
Toetsing van het initiatief aan de "Stedelijke laag"
Ter plaatse van het plangebied worden zes woningen gerealiseerd, hier gelden verschillende gebiedskenmerken uit de stedelijke laag.
Bij de realisatie van de nieuwe bebouwing wordt qua aard, maat en karakter aangesloten op de bestaande bebouwing in de omgeving. Hierdoor wordt tevens bijgedragen aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ook wordt bijgedragen aan het behoud van onder meer het historisch gegroeide patroon van wegen, openbare ruimten en de leefbaarheid. In het kader van de woningbouwontwikkeling wordt tevens aandacht besteed aan de groenstructuur en het padennetwerk (onder meer ten zuidoosten van het plangebied).
Ten opzichte van de bestaande bedrijfsbebouwing is als gevolg van de realisatie van de woningen sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Geconcludeerd wordt dat de 'Stedelijke laag' zich niet verzet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Het regionaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan voor voorliggend initiatief betreft het Regionaal Woningbouwprogramma uit 2017.
Gemeenten in Twente hebben samen met de provincie woonafspraken gemaakt in 2016. Door te spreken over de nieuwe woonprogrammering en de Ladder voor duurzame verstedelijking is in Twente een grote slag gemaakt met het denken en werken volgens deze Ladder. De gemaakte woonafspraken dragen dan ook bij aan een grote veranderslag in het denken over de woonprogrammering in Twente.
Het RWP Twente 2017 betreft een actualisatie van 2016 waarin marktinzichten over woningvraag- en aanbod zijn meegenomen en legt de afspraken in Twente vast. Dankzij het RWP kennen gemeenten het kader voor hun woonprogrammering, is het duidelijk wanneer de provincie achter een woonplan van de gemeenten staat en beschikken gemeenten grotendeels over een indicatie voor onderbouwingen voor de Ladder.
In circa 55% van de woningvraag voorziet de gemeente Dinkelland voor de komende 10 jaar met plannen met een directe bouwtitel. De gemeente heeft niet te maken met uitwerkingsplichten en gaat daarnaast uit van een onderprogrammering van 80%. De 20% die daarbij overblijft wenst de gemeente in te zetten voor de herontwikkeling van locaties voor herstructurering en transformatie. Daarnaast vraagt de toenemende vraag van de zogeheten rood voor rood plannen om een meer flexibel woningbouwprogramma.
Het woningbouwprogramma voor de gemeente Dinkelland, dat afkomstig is uit het RWP Twente uit 2017, is gebaseerd op prognoses van de afgelopen zes jaar. Inclusief een bandbreedte van 10% kent de gemeente een netto woningvraag van in totaal 690 woningen. In vergelijking met het oorspronkelijke woningbouwprogramma is de vraag met 70 woningen gestegen.
In voorliggend geval worden zes woningen toegevoegd aan de kern Denekamp. Deze woningen passen binnen de netto woningvraag in de gemeente Dinkelland van 690 woningen, waardoor het voornemen in overeenstemming is met het RWP Twente.
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met het programma van de regio.
Hierna wordt het in het kader van voorliggende ontwikkeling het meest relevante gemeentelijke beleid behandeld.
De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan.
Hoofdambitie van Structuurvisie is:
"Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie".
Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt:
Denekamp ligt in het oostelijk deel van de gemeente Dinkelland, nabij de Duitse grens. Denekamp is het bestuurlijk centrum van de gemeente Dinkelland. Ongeveer 8.860 mensen zijn woonachtig in de kern. Denekamp heeft een centrum- en verzorgingsfunctie voor de kernen Lattrop, Tilligte en Noord-Deurningen. Na de aanleg van de randweg ontstond de mogelijkheid het centrum autoluw te maken. Het centrum van Denekamp heeft sindsdien een grondige herstructurering ondergaan. Voor het centrum van Denekamp is in het voorjaar van 2008 een recente (herziene) structuurvisie vastgesteld. Denekamp heeft zich in de loop der jaren hoofdzakelijk in noordoostelijke richting uitgebreid.
De visie op hoofdlijnen voor de kern Denekamp is als volgt:
De Structuurvisie gaat niet specifiek in op dergelijke (kleinschalige) ontwikkelingen.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de functionele structuur van de omgeving. Met de herontwikkeling krijgt het perceel een passende en duurzame vervolgfunctie, wordt op een binnenstedelijke locatie voorzien in de woningbehoefte van starters en senioren en wordt er nieuw groen en een voetpad aangelegd (ten zuidoosten van het plangebied). Het plan draagt dan ook bij aan een forse verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet in strijd is met de uitgangspunten uit de gemeentelijke structuurvisie.
Op 11 juli 2016 is door de gemeenteraad van Dinkelland de Woonvisie 2016+ ‘Een uitdaging om het mooier te maken’ vastgesteld. Deze visie schetst een visie op het wonen in de gemeente tot 2020, met een doorkijk tot 2025. De visie is de basis voor strategische afwegingen en stelt de vraag hoe de woonaantrekkelijkheid van Dinkelland versterkt kan worden voorop.
Tevens staan een aantal thema’s centraal, te weten: beschikbaarheid, betaalbaarheid, extramuralisering en duurzaam wonen. De gemeente neemt hierbij een faciliterende positie in en geeft richting, waarna zij partijen uitnodigt om met concrete plannen te komen.
De woonvisie is in hoofdlijnen overeenkomstig met Het Regionaal Woningbouwprogramma (zie paragraaf 3.3.1 van deze toelichting) en is dan ook regionaal afgestemd.
De ambitie van de gemeente voor 2025 luidt als volgt:
Voor alle doelgroepen, jong en oud, blijft het aantrekkelijk wonen in Dinkelland. Het woningaanbod is gevarieerd, comfortabel en toekomstbestendig zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Er is sprake van een passend voorzieningenniveau en inwoners zijn tot elkaar betrokken, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen versterkt.
Deze ambitie is onderverdeeld in 3 ambities, namelijk:
De gemeente kan meewerken aan het realiseren van nieuwe plancapaciteit als voldaan wordt aan het volgende afwegingskader:
Van het RWP (zie paragraaf 3.3.1) is afgeleid dat voor de periode 2018 tot en met 2027 behoefte is aan 300 woningen in de verzorgingskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo. Tevens zijn 80 woningen in de gemeente Dinkelland behouden als “Vrije ruimte” voor onvoorziene waardevolle initiatieven.
Naar verwachting wordt de kwantitatieve groei van veel kernen na 2027 minder. Er moeten bewuste keuzes worden gemaakt over welke woningtypen je toestaat en op welke (structuurversterkende) plekken. Voor het nieuwe afwegingskader zijn met name de volgende ontwikkelingen en uitgangspunten van belang:
In totaal worden zes rijwoningen voor starters (50%) en senioren (50%) gerealiseerd. Hiermee wordt bijgedragen aan de ambitie van de gemeente voor 2025. In onderstaande tekst wordt het voornemen getoetst aan het afwegingskader voor nieuwe plancapaciteit.
Toetsing afwegingskader nieuwe plancapaciteit (zie paragraaf 3.4.2.3):
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
De gemeente Dinkelland heeft op 26 januari 2016 de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2016' vastgesteld. Aanleiding van de herziening van de beleidsnota vormen wijziging van de ruimtelijke regelgeving (Besluit ruimtelijke ordening), een toenemende leegstand en de demografische ontwikkeling. De herziening schetst daarvoor het actuele beleidskader en biedt een handreiking voor de toetsing van dergelijke aanvragen. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de lokale regelgeving te harmoniseren.
De beleidsnota is van toepassing op aanvragen voor kleinschalige woningbouw in bestaand stedelijk gebied. Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen die betrekking hebben op de benutting van locaties voor herstructurering of transformatie. Voor uitleg van het begrip “kleinschalig” wordt aangesloten bij de actuele stand van de jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening). Voorliggend plan is niet ladderplichtig en valt daarmee onder de definitie van "kleinschalig".
Vastgesteld beleid schept kaders en geeft meer duidelijkheid en zekerheid voor initiatiefnemers en omwonenden. De doelstelling van deze nota is het hebben van een beleidsinstrument om aanvragen voor het bouwen op inbreidingslocaties ruimtelijk te verantwoorden en gemaakte keuzes te kunnen beargumenteren. Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt primair ingezet op bouwen voor behoefte op locaties voor herstructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied.
Planologie
Het bestaande beleid waar ontwikkelingen aan getoetst worden, betreft onder meer:
Stedenbouwkundige aspecten
De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is. Afhankelijk van de aard en omvang van het voorgenomen bouwplan en de locatie kan het college besluiten de gemeentelijke kwaliteitsgroep in te schakelen voor de stedenbouwkundige toets.
Aansluiting op de omgeving
Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving. De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving.
Herstructurering of transformatie
Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 Bro) vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop van een bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v. door sloop en nieuwbouw waardoor met een ander type woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen. Het bebouwen van lege plekken valt niet onder transformatie en herstructurering.
Behandeling en prioritering locaties
Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. Primair komen in aanmerking plannen die betrekking hebben op een van de volgende situaties:
De ontwikkeling geschiedt in het kader van de lokale behoefte en is in overeenstemming met het gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.2 van deze toelichting). Het voornemen vindt plaats binnen bestaand bebouwd gebied, hoofdzakelijk ter plaatse van een bedrijfsperceel met leegstaande bebouwing, en in een omgeving met voornamelijk woonfuncties. De bedrijfsmogelijkheden op het bedrijfsperceel komen als gevolg van de herziening te vervallen. Er is daarmee sprake van een project met nummer 1 voor wat betreft prioritering.
Daarnaast is ook sprake van de nummers 2 en 4, aangezien de nieuwe bebouwing een leegstaand bedrijfsgebouw vervangt en wordt voorzien in de lokale behoefte conform het gemeentelijk beleid. Tevens zal de ontwikkeling stedenbouwkundig gezien een positieve invloed hebben.
Tot slot wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten geen sprake is van belemmeringen, hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar het volgende hoofdstuk 4.
Geconstateerd wordt dat het voornemen past binnen het planologisch beleid met betrekking tot inbreidingslocaties.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, molenbiotoop, het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en water.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
Voorliggend plan maakt zes nieuwe geluidsgevoelige objecten in de vorm van woningen mogelijk in de zin van de Wet geluidhinder. In voorliggend geval is in het kader van de ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 1 bij deze toelichting).
De zes woningen worden omgeven door verschillende 30 km/uur wegen. Deze wegen hebben geen geluidzone, waardoor de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op deze wegen formeel niet getoetst wordt aan de grenswaarden uit de Wgh (zie ook paragraaf 3.2 van het onderzoek). De geluidbelasting ten gevolge van deze wegen kan echter wel van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening”. In voorliggend geval is in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” de geluidbelasting van een vijftal relevante wegen onderzocht.
De hoogst gemeten geluidbelasting als gevolg van deze wegen betreft 42 dB (incl. reductie), namelijk ter plaatse van de voorgevels van de woningen 1 t/m 4 als gevolg van de Hopmanstraat. Er wordt ter plaatse van alle gevels op de zes woningen (ruimschoots) voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB.
De cumulatieve geluidsbelasting exclusief aftrek bedraagt 48 dB. In het Bouwbesluit is bepaald dat woningen een standaard gevelwering van 20 dB dienen te hebben. Het binnenniveau bedraagt ter plaatse van de woningen dan ook maximaal 28 dB, waarmee ruim aan de uiterste binnenwaarde van 33 dB, zoals opgenomen in het Bouwbesluit, wordt voldaan.
Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai.
Ten aanzien van railverkeers- en industrielawaai wordt opgemerkt dat deze aspecten niet relevant zijn, aangezien zich in de omgeving geen spoorweg en gezoneerd industrieterrein bevinden. De individuele (bedrijfs)functies in de directe nabijheid van het plangebied worden nader beoordeeld in paragraaf 4.5 van deze toelichting (milieuzonering).
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is doorgaans een bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5740 noodzakelijk.
Onderzoeken verleden
In het verleden zijn door NIBAG Milieu Advies, Thero BV en Kruse Groep ter plaatse van het plangebied meerdere onderzoeken in het kader van bodem en asbest uitgevoerd. In onderstaande tekst worden de resultaten van deze onderzoeken kort beschreven, voor de gehele onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting).
Het gaat om de volgende onderzoeken:
Tot slot wordt vermeld dat ter plaatse van het deel van het plangebied dat reeds over een verkeersbestemming beschikt geen onderzoek in het kader van bodem noodzakelijk wordt geacht, aangezien hier geen (nieuwe) functies voor langdurig verblijf zijn beoogd (dit deel is in zowel de huidige als de gewenste situatie bedoeld voor parkeren, ontsluiting, groenvoorzieningen etc.). Het toegestane gebruik komt ter plaatse dan ook reeds overeen met het gewenste gebruik.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, na sanering van de aangetroffen saneringsplichtige verontreinigingen.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Binnen het voornemen worden zes woningen mogelijk gemaakt.
In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Tevens wordt opgemerkt dat de woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode onderbroken omlijning.
|
| Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) |
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.
Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Het plangebied ligt in de kern Denekamp, waar in de omgeving direct naast woningen ook andere functies aanwezig zijn (zoals bedrijf (plangebied), detailhandel, kantoor en maatschappelijk). Vanwege deze verschillende functies in de omgeving is sprake van een matige functiemenging, waardoor kan worden uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied".
|
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
In dit geval worden woningen toegevoegd. De hierbij behorende functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, waardoor geen sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.
Nabij het plangebied bevinden zich, zoals vermeld, meerdere (milieubelastende) functies. Het gaat om de functies detailhandel, kantoor en maatschappelijk.
Detailhandel
Onder meer ten oosten van het plangebied bevinden zich locaties met de bestemming 'Detailhandel'. Deze locaties zijn hoofdzakelijk bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, grootschalige detailhandel en/of supermarkten. Ter plaatse is onder meer een kapperszaak gevestigd.
Detailhandel ('detailhandel voor zover n.e.g.') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Ook de kapperszaak ('kappersbedrijven en schoonheidsinstituten') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied.
Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
Kantoor
Onder meer ten noordwesten- en oosten van het plangebied bevinden zich locaties met de bestemming 'Kantoor'. Deze locaties zijn hoofdzakelijk bestemd voor gebouwen ten behoeve van kantoren.
Kantoren ('overige zakelijke dienstverlening: kantoren') vallen, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied.
Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
Maatschappelijk
Op ruimere afstand, ten noordoosten van het plangebied, ligt een locatie met de bestemming 'Maatschappelijk'. De locatie is uitsluitend bestemd voor één huisartsenpraktijk.
Een huisartsenpraktijk ('artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied.
Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan.
De woningen zullen dan ook geen hinder ondervinden van detailhandel, kantoren en maatschappelijke functies in de omgeving en omgekeerd zullen deze niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.
In afbeelding 4.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de dichtstbijzijnde gebieden die onderdeel zijn Natura 2000-gebied en/of Natuur Netwerk Nederland weergegeven.
|
| Afbeelding 4.2 Plangebied ten opzichte van N2000- en NNN- gebieden (Bron: Provincie Overijssel) |
Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 2,2 kilometer van het plangebied.
In voorliggend geval wordt met behulp van werktuigen de aanwezige (bedrijfs)bebouwing en verharding verwijderd en zullen vervolgens zes woningen met de hierbij behorende voorzieningen worden gerealiseerd. Het gebruik maken van werktuigen voor de realisatie van het voornemen kan, afhankelijk van het type werktuig, stikstofuitstoot tot gevolg hebben (aanlegfase). De te realiseren woningen zullen daarnaast gasloos zijn, waardoor voor het verwarmen van de woning geen stikstofuitstoot noodzakelijk is. Wel zal het gebruik van auto's door toekomstige bewoners leiden tot stikstofuitstoot (gebruiksfase).
Door middel van een AERIUS-berekening voor de aanleg- en/of gebruiksfase kan worden bepaald of het voornemen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden heeft. Het betreft in voorliggend geval echter een kleinschalige ontwikkeling in de kern Denekamp, het plangebied is op relatief grote afstand van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is gelegen.
Op basis van eerdere AERIUS-berekeningen voor deze kern kan worden aangenomen dat als gevolg van een dergelijke kleinschalige ontwikkeling (realisatie 6 rijwoningen), in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat als gevolg van het voornemen de bestaande bedrijfsmogelijkheden (inclusief gasverbruik en verkeersbewegingen) permanent komen te vervallen.
Vorenstaande betekent dat aangenomen kan worden dat de ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig is.
Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt op circa 600 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
In voorliggend geval is ten behoeve van het voornemen door Natuurbank Overijssel in juli 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (incl. het aangrenzende groenperceel ten zuidoosten hiervan), voor deze quickscan wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. De volgende tekst betreft een samenvatting van dit onderzoek.
De onderzochte locatie bestaat uit bebouwing, beplanting, open zand en erfverharding en wordt omgeven door stedelijk gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Er nestelen vogels in de beplanting en amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, kan een negatief effect op vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren niet uitgesloten worden.
Omdat bezette vogelnesten beschermd zijn, dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, rekening gehouden te worden met bezette vogelnesten. Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de egel niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek, dient daar rekening mee gehouden te worden. Omdat de egel en de vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de egel beschermd is, dient een ontheffing aangevraagd te worden (na aanvullend onderzoek), of dient gewerkt te worden met een toepasbare gedragscode.
Wettelijke consequenties samengevat:
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan, indien ontheffing wordt aangevraagd (na aanvullend onderzoek) of wordt gewerkt met een toepasbare gedragscode in verband met de egel.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Hiervan is in afbeelding 4.3 een uitsnede ter hoogte van het plangebied (rode onderbroken omlijning) opgenomen. Het plangebied ligt in het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten” en "Historische kern". Tevens is sprake van een "erf": het plangebied is onderdeel van een "bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen" die een deel van de kern Denekamp beslaat.
|
| Afbeelding 4.3 Uitsnede van archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) |
Voor het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten” geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm, met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten.
Voor het gebiedstype "Historische kern" is een archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm.
Voor het "erf" wordt verwezen naar de"bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen", hier is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Enkel ter plaatse van het gebiedstype "Historische kern" is een dubbelbestemming opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan het meest actueel is wordt hiervan uitgegaan. Op basis hiervan moet voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,50 m in het noordoosten (ter plaatse van de dubbelbestemming) alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd (zie ook paragraaf 1.4 van deze toelichting).
In voorliggend geval worden ter plaatse van dit deel geen nieuwe gebouwen gerealiseerd (deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor verkeer- en parkeervoorzieningen). De oppervlakte van 100 m² die hier geldt wordt dan ook niet overschreden. Voor het overige deel van de gronden wordt daarnaast opgemerkt dat in voorliggend geval sprake van het benutten van een gebied waar de gronden grotendeels reeds geroerd zijn.
Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Ter waarborging van eventuele archeologische waarden blijft de geldende dubbelbestemming ook in voorliggend bestemmingsplan behouden.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Voor de molen die zich op relatief ruime afstand van het plangebied bevindt wordt verwezen naar paragraaf 4.8 van deze toelichting.
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
Het begrip molenbiotoop wordt gebruikt om de omgeving waarin een molen functioneert aan te duiden. Een molenbiotoop kent een aantal elementen, waarbij de open ruimte en de vrije toegankelijkheid een grote rol spelen.
Het plangebied ligt op circa 148 meter afstand van de Sint Nicolaasmolen of Nieuwe Molen: een korenmolen die in 1859 werd gebouwd in de kern Denekamp. Tot 1922 bleef de molen op windkracht in bedrijf, daarna volgde een lange periode van verval. In 1976 volgde een omvangrijke restauratie, waarna de molen weer op vrijwillige basis in bedrijf is gekomen.
De molen is vandaag de dagingericht met twee koppels maalstenen die op windkracht worden aangedreven, een derde kleiner exemplaar heeft motoraandrijving. De roeden van de molen zijn 22 meter lang en zijn voorzien van het fokwieksysteem met remkleppen en zeilen.
In de regels van het geldende bestemmingsplan is in het kader van de molen rondom een gebiedsaanduiding opgenomen. Ook het plangebied is voorzien van deze aanduiding (zie paragraaf 1.4 van deze toelichting).
Op grond van de regels van het bestemmingsplan mag op of in de gronden met deze aanduiding niet hoger worden gebouwd dan:
In voorliggend geval is, zoals reeds vermeld, sprake van circa 148 meter afstand. Met de bouwhoogte van de woningen (maximaal 10 meter) wordt voldaan aan de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte, zoals genoemd onder b.
Om dit te waarborgen is ook in voorliggend geval de geldende gebiedsaanduiding opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor het functioneren van de Sint Nicolaasmolen/Nieuwe Molen.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking komen:
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ruim 2,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 4.6.1.1 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van Afdeling 2.3 van de Wet natuurbescherming wordt in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen, waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.- (beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:
De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van 6 woningen op de locatie Hopmanstraat 30 in Denekamp sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van zes grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van de kern Denekamp. Op de schaal van Denekamp is hiermee qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de Hopmanstraat. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.
In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'korte procedure' van toepassing is. Dit houdt in dat direct door kan worden gegaan met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit dit document wordt toegepast (zie hiervoor bijlage 4 bij deze toelichting en onderstaande kort samenvatting hiervan).
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m². Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel (hemelwater via infiltratie en/of verbeterd gescheiden stelsel).
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
De volgende algemene regels zijn opgenomen:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de bestemming 'Verkeer' opgenomen.
Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op de voor 'Verkeer' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving.
Ter plaatse van de nieuwe woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen.
Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving. Als hoofdgebouw mag uitsluitend één woning worden gebouwd, deze dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd.
Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven aantal woningen ter plaatse van aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' (in totaal 6 woningen) en de aangegeven aanduidingen ten aanzien van de toegestane goot- en bouwhoogte dienen in acht genomen te worden (respectievelijk 6 en 10 meter).
Een hoofdgebouw wordt vrijstaand, dan wel twee hoofdgebouwen aaneen gebouwd, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden', in welk geval het ter plaatse van de aanduiding genoemde aantal hoofdgebouwen ten hoogste aaneengebouwd zal worden. In voorliggend geval zijn twee keer drie aaneengebouwde woningen toegestaan.
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen geldt onder meer dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw ten hoogste 50% van het bouwperceel mag bedragen, met een maximum van 250 m². De goothoogte hiervan mag daarnaast ten hoogste 3 m bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden tot 10 graden (platte dakconstructie) de hoogte ten hoogste 0,3 m boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag bedragen, en de bouwhoogte dient ten minste 1 m lager te zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
Artikel 5 Waarde - Archeologie
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,50 m, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds aangetoond door de financiële haalbaarheid en anderzijds via de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Dit betreft een gemeentelijk woningbouwplan. De vaststelling van een exploitatieplan is bij dit bestemmingsplan niet van toepassing
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in de zogenaamde 'korte procedure’ (zie ook bijlage 4 bij deze toelichting). Verder vooroverleg met het waterschap wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
Na voorafgaande publicatie op 1 oktober 2020 in de Staatscourant en het huis-aan-huis blad heeft het ontwerpbestemmingsplan “Denekamp, Hopmanstraat 30” een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen.
Gedurende deze termijn kon een ieder mondeling dan wel schriftelijk zienswijzen kenbaar maken. Op het bestemmingsplan is één zienswijze ingediend. In bijlage 5 bij deze toelichting wordt de ingekomen zienswijze samengevat en vervolgens van een gemeentelijk standpunt voorzien.
Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze zijn, ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, geen wijzigingen doorgevoerd in voorliggend bestemmingsplan.