direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Denekamp, Brinkstraat 40
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de hoek Brinkstraat-Prins Hendrikstraat-Kokensteeg in Denekamp ligt een stuk braakliggende grond. Aan weerszijden van deze locatie bevinden zich woningen. De eigenaar van het perceel heeft een plan opgesteld om op deze grond een nieuwe vrijstaande woning te bouwen. Deze ontwikkeling past niet binnen de geldende bestemming, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit het onbebouwde perceel ten noorden van het woonperceel aan de Brinkstraat 38/40 in Denekamp. De locatie ligt vrij centraal in Denekamp en wordt omsloten door de Brinkstraat, de Prins Hendrinkstraat en de Kokensteeg. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie O, perceelsnummer 4916. Op figuur 1.1 staat het plangebied met een rode cirkel weergegeven. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0001.jpg"

 Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas Overijssel)

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Denekamp kern'. Het bestemmingplan 'Denekamp kern' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 9 oktober 2012 gewijzigd vastgesteld.

Aan het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de geldende verbeelding. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor woondoeleinden. Een woning (hoofdgebouw) dient echter binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Het perceel ten noorden van de Brinkstraat 38/40 is echter niet voorzien van een bouwvlak. Voorliggend plan past daardoor niet binnen de vigerende bestemming.

De voor ‘Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' worden nadere regels gesteld aan de bouwhoogte van gebouwen die in een molenbiotoop liggen, om negatieve gevolgen voor de molenbiotoop te voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0002.jpg"

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Denekamp' (bron: Ruimtelijke plannen)

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Denekamp, Brinkstraat 40' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:1000 (tek. nr. NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401)
  • Bijlagen bij de toelichting
  • Regels
  • Bijlagen bij de regels

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit braakliggende gronden. Conform het vigerende bestemmingsplan mogen deze gronden reeds gebruikt worden voor woondoeleinden, maar door het ontbreken van een bouwvlak mag er geen woning worden gebouwd. Direct ten zuiden van het plangebied liggen de woningen aan de Brinkstraat 38/40. Ten oosten van het plangebied aan de overzijde van de Kokensteeg wordt momenteel een woning gebouwd (Prins Hendrikstraat 8). Ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Brinkstraat liggen eveneens woningen (Brinkstraat 31, 31a, 33, 33a).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0003.jpg" Figuur 2.1: Luchtfoto 2011, plangebied rood omlijnd (bron: Atlas Overijssel)

2.2 Toekomstige situatie

De nieuwe woning wordt met de voorgevel naar de Prins Hendrikstraat gesitueerd, in lijn met de voorgevelrooilijn van de reeds bestaande woningen aan deze straat (Prins Hendrikstraat 6/8). De voortuin krijgt daarmee een diepte van 2 meter. Het bouwvlak waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden heeft een breedte van 15 meter en een diepte van 10 meter. Aan de naar de openbare weg gekeerde zijdelingse perceelsgrenzen wordt voor een strook van 3 meter het bouwen van gebouwen uitgesloten om de openheid van het straatbeeld te garanderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0004.jpg"

Figuur 2.2: Toekomstige situering nieuwe woning

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2009 betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en vervoerplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omgevingsvisie is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden.

In 2013 is de Omgevingsvisie op een aantal onderwerpen aangepast. Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld. Reden voor deze actualisatie is de evaluatie van de Omgevingsvisie en het Hoofdlijnenakkoord uit 2011. De actualisatie richt zich alleen op de volgende onderwerpen: de ecologische hoofdstructuur (EHS), het streefbeeld Wegencategorisering, windenergie (rol provincie), nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's), kantorenbeleid, definitie van lokaal gewortelde bedrijvigheid, ruimtelijke reservering gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. en tot slot de aanpassing van de verordening op basis van eerder uitgevoerde evaluatie. Wanneer hieronder wordt gesproken over de Omgevingsvisie, dan is dat de geactualiseerde versie.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik bij bebouwing door hantering van de zogenaamde 'SER-ladder'; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; hierbij is afstemming tussen gemeenten over woningbouwprogramma's en bedrijfslocaties noodzakelijk;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. generieke beleidskeuzes;
  • 2. ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. gebiedskenmerken.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht en getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0005.png"

Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Toets

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' is artikel 2.2.2 van de Omgevingverordening Overijssel van belang. Hierin is aangegeven dat bestemmingsplannen voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel. Bij voorliggend plan is hier sprake van, zie ook § 3.3.3.

Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; en tot slot het groene karakter. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Denekamp, waar de bovengenoemde kernkwaliteiten niet aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente.

Voor het overige zijn er in het kader van de "generieke beleidskeuzes" geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven.

Ontwikkelingsperspectieven.

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Toets

Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief voor de stedelijke omgeving 'dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus; historische kern, binnenstad' (zie ook figuur 3.2).

In het ontwikkelingsperspectief 'dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus' is sprake van een veelzijdige mix van woon- en werkmilieus elk met een eigen karakteristiek. De identiteit en eigenheid van de kernen is leidend bij opgaven zoals herstructurering, inbreiding en uitbreiding. Binnen de aanduiding 'historische kern, binnenstad' is daarbij ruimte voor multifunctioneel milieu gebaseerd op voorzieningen (winkels, cultuur, OV etc.) en de versterking van de eigen identiteit gebaseerd op het historisch karakter, erfgoed en monumenten.

Het plangebied bestaat uit braakliggende grond. Bij de situering van de nieuwe woning is aansluiting gezocht bij de voorgevellijn van bestaande woningen aan de Prins Hendrikstraat. De gemeentelijke welstandsnota bevat criteria om te borgen dat de beeldkwaliteit van nieuwe gebouwen aansluit bij de identiteit van de bestaande dorpskern, zie hiervoor ook §3.3.4 Het ontwikkelen van deze inbreidingslocatie past binnen het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0006.jpg"

Figuur 3.2 Ontwikkelingsperspectievenkaart (Bron: Atlas Overijssel)

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. De bouwlocatie is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'dekzandvlakte'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie Overijssel. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijdert. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten en door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

In de omgeving van het plangebied zijn de kenmerken behorende bij dekzandvlakten slechts beperkt (herkenbaar) aanwezig. Dit plan heeft geen invloed op het aanwezige reliëf en doet geen afbreuk aan de natuurlijke laag.

De 'Laag van het agrarisch cultuur landschap'

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen. Hierdoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan. Het plangebied is in de 'laag van het agrarisch cultuur landschap' aangeduid als 'oude hoevenlandschap'. Het oude hoevenlandschap is een essenlandschap in het klein met samen hangend systeem van es/kamp, erf op de
flank, natte laagtes en (voormalige) heidevelden. Ordening vanuit de erven die de ‘organische’ vormen van landschap volgt.

Binnen het plangebied zijn de kenmerken behorende bij het oude hoevenlandschap niet meer herkenbaar aanwezig. De kern van Denekamp is een verstedelijkte omgeving. Dit plan doet geen afbreuk aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

De 'stedelijke laag'

In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen, maar daarbij wordt kwaliteit eigenheid en onderscheidend vermogen (mede gevormd door de historie) van de regio steeds belangrijker. Het plangebied is in de stedelijke laag aangeduid als 'historische centra, binnensteden en landstadjes'. De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.

De inbreidingslocatie wordt ingepast binnen het bestaande stratenpatroon op de hoek Brinkstraat-Prins Hendrikstraat-Kokensteeg. Qua bebouwing wordt aangesloten bij de identiteit van de bestaande dorpskern. Voorliggend plan past binnen de kenmerken behorende bij de stedelijke laag.

De 'lust- en leisurelaag'

Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart voor de 'lust- en leisurelaag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.

Op de structuurvisiekaart ligt het plangebied binnen de verzorgingskern Denekamp. De visie op hoofdlijnen voor de kern Denekamp is als volgt:

  • Woningbouw uitbreiding vindt plaats binnen de schil van de nieuwe randweg. De gebieden binnen de schil zijn aangewezen als zoekgebied voor uitbreiding woonbebouwing;
  • Extensieve woningbouw is voorzien in het gebied rondom de voormalige vuilstort bij 't Diepengoor. De vuilstort zelf is in beeld als groenvoorziening;
  • Afronding van de wijk Pierik;
  • Zandkuil locatie voor twee landschappelijk ingepaste woningen;
  • Afronding herinrichting centrum;
  • Uitbreiding bedrijventerrein Sombeek IV. Essentieel voor inpassing van de uitbreiding van het bedrijventerrein is een goede presentatie aan de noordelijke entree van Denekamp;
  • Herstructurering bedrijventerrein Kloppendijk / Sombeek. De inrichting en presentatie van het bedrijventerrein vormt een groot aandachtspunt;
  • Mogelijke herbestemming sportterrein voormalige sportclub Denekamp tot woonlocatie.

Voor het aspect 'Wonen' is het belangrijk dat de kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo als verzorgingskern zijn aangewezen. In deze kernen wordt gestreefd naar het concentreren van onder meer de grotere gemeenschapsvoorzieningen en woningen voor ouderen. De gemeente streeft verder naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Bij nieuwe woningbouw gaat de voorkeur in eerste instantie uit naar inbreiding en herstructurering voordat
er uitbreiding plaats vindt. Voor kleinschalige grondgebonden woningbouw in de bebouwde kom, zonder functiemenging, heeft de gemeente Dinkelland een toetsingskader vastgesteld in de beleidsnota Inbreidingslocaties (29 maart 2011).

Met voorliggend plan wordt op een inbreidingslocatie in de verzorgingskern Denekamp een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan in lijn is met het beleid uit de structuurvisie.

3.3.2 Beleidsnota Inbreidingslocaties

Op 29 maart 2011 is de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties' door het gemeentebestuur van Dinkelland vastgesteld. De belangrijkste aanleiding voor het opstellen van beleid op inbreidingslocaties was het ontbreken van beleid op basis waarvan beoordelingen konden worden gebaseerd om al dan niet mee te werken aan de bouw van woningen. Het woningbouwprogramma, waarin is vastgelegd hoeveel woningen in de gemeente mogen worden gebouwd gedurende een bepaalde periode vormt daarbij een belangrijk onderdeel.

Van het maximaal aantal te bouwen woningen dient 40% binnenstedelijk gerealiseerd te worden. De gemeente probeert dit aantal zo efficiënt mogelijk te plannen, daarom is het van belang dat aanvragen voor bouwen op inbreidingslocaties goed beoordeeld en beargumenteerd kunnen worden. Het bouwen van een enkele woning gaat namelijk altijd ten koste van het totaal aantal woningen zoals vastgelegd in het woningbouwprogramma. De doelstelling van de nota is als volgt geformuleerd: 'het komen tot een beleidsinstrument om aanvragen voor bouwen op inbreidingslocaties ruimtelijk te verantwoorden en gemaakte keuzes te kunnen beargumenteren, zodat een eenduidige beoordeling wordt gegeven ter vergroting van de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.'

Of een ontwikkeling past binnen de beleidsnota wordt beoordeeld aan de hand van de volgende stappen:

  • 1. Planologische toetsing
  • 2. Toetsing aan beleid
  • 3. Stedenbouwkundige toetsing
  • 4. Toetsing aan milieuhygiënische aspecten
  • 5. Toetsing aan waarden
  • 6. Toetsing aan programmatische mobiliteitsaspecten

De stappen 1,2,4,5 en 6 zijn in het kader van deze toelichting beoordeeld. Hieronder worden daarom specifiek de stedenbouwkundige randvoorwaarden uitgelicht die in het beleid zijn opgenomen. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het beleid aangeeft dat de richtlijnen richtinggevend zijn en niet maatgevend.

  • de woning (hoofdbouw) heeft een breedte van 6,5 meter indien het gaat om een vrijstaande woning of sluit aan op de breedte van de woningen in de omgeving;
  • de afstand van vrijstaande woonhuizen en van de vrijstaande zijde van half-vrijstaande woonhuizen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt 3 meter of sluit aan op de omgeving;
  • de aan beide zijden grenzende woningen (hoofdbouw) en de te bouwen woning (hoofdbouw) hebben alle minimaal 3 meter zijdelingse perceelsgrenzen of aansluitend op de omgeving;
  • bij aaneengesloten bebouwing van twee of meer woningen hebben de buitenste woningen (hoofdbouw) 3 meter zijdelingse perceelsgrenzen of aansluitend op de omgeving;
  • een voorgevelrooilijn (voortuin) van 5 meter of aansluitend op de omgeving;
  • een bouwstrookdiepte van minimaal 12 meter, aansluitend op de omgeving;
  • de afmetingen van de achtertuin 8 meter of aansluitend op de omgeving;
  • de nieuwe woning moet aan de openbare weg zijn gesitueerd;
  • indien er meerdere woningen in het ontwerp zijn opgenomen moet de locatie breed genoeg zijn om alle voorgevels aan de openbare weg te kunnen situeren. Indien er sprake is van een zogenaamd hofje wordt de toegangsweg als openbare weg beschouwd;
  • goot- en nokhoogte sluiten aan op de hoogtes van de goot en nok in de omgeving.

Bij voorliggend plan wordt aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden voldaan. Bij de situering en vormgeving van de bouwkavel is aansluiting gezocht bij de bestaande woningen langs de Prins Hendrikstraat. De bouwkavel is parallel aan de straat gepositioneerd zodat er sprake is van een brede woning. Doordat de voorgevelrooilijn aansluit op het straatbeeld van de Prins Hendrikstraat is er sprake van een relatief ondiepe voortuin van 2 meter diep. Tot slot sluiten de goot- en nokhoogte aan op de hoogtes van de woningen in de directe omgeving.

Uit het vorenstaande volgt dat voldaan wordt aan de uitgangspunten van de 'Beleidsnota inbreidingslocaties'.

3.3.3 Woonvisie 2011+

Op 20 maart 2012 is door de raad van Dinkelland de 'Woonvisie 2011+' vastgesteld. In deze beleidsnotitie staat op hoofdlijnen het beleid voor wonen beschreven. Om in 2020 een aantrekkelijke agrarisch-toeristische gemeente te kunnen zijn, wordt gezamenlijk met de meest bij het wonen betrokken partijen, de volgende doelen nagestreefd:

  • In Dinkelland wordt een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu geboden.
  • Een Dinkellander kan in de gemeente altijd een woning vinden die past bij zijn
  • woonwensen.
  • Voor het huisvesten van starters en zorgbehoevende senioren is extra aandacht.
  • Verzorgd wonen kan in Dinkelland in drie verzorgingskernen.
  • Duurzaamheid en energiezuinig bouwen is een belangrijke opgave.
  • Er is veel aandacht voor de inrichting van de openbare ruimte.
  • De leefbaarheid van de kernen wordt bewaakt.
  • Samen met de belanghouders worden deze doelen vormgegeven.

In de beleidsnota wordt vervolgens per kern een uitwerking met doelstellingen beschreven. De aandachts- actiepunten voor Denekamp zijn:

  • De lokale woonbehoefte voor Denekamp wordt geraamd op ongeveer 110 woningen voor de periode 2010-2014. Hierbij is rekening gehouden met een zekere opvangfunctie van senioren uit de kernen Tilligte, Lattrop en Noord-Deurningen die een verzorgde woonvorm wensen.
  • Het is wenselijk om in Denekamp een locatie binnen de woonservicezone te zoeken die bestemd kan worden voor het realiseren van ca 40 woningen voor verzorgd wonen.
  • Er bestaan plannen om het woon- en zorgcentrum St Jozef uit te breiden met 24 plaatsen voor psychogeriatrische patiënten.

Bij voorliggend plan is sprake van een inbreidingslocatie waarbij 1 extra woning wordt gerealiseerd. Dit past binnen de lokale woningbehoefte van 110 woningen in de periode 2010-2014. Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2011+.

3.3.4 Welstandsnota

De gemeente Dinkelland heeft voor de beeldkwaliteit in de gemeente een welstandsnota vastgesteld. Deze bevat de basisvoorwaarden voor beeldkwaliteit, waaraan omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Het plangebied valt binnen het gebiedstype H2.3 'Uitlopers esdorp'. Voor de uitlopers van het esdorp Denekamp geldt het PLUS niveau van welstand. De dynamiek in deze uitlopers met gemengde bebouwing is relatief hoog. Functieveranderingen en ruimtelijke ingrepen zijn hier aan de orde van de dag. Omdat in de gemengde gebieden nog veel traditionele historische bebouwing staat met een relatief hoge cultuurhistorische waarde is extra aandacht voor welstand in deze gebieden gewenst. Voor het plangebied geldt daarmee een 'PLUS' niveau van welstand (zie figuur 3.3).

Toetsing aan welstand vindt plaats ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0007.jpg"

Figuur 3.3: Fragment typologiekaart Welstandsnota gemeente Dinkelland

Hoofdstuk 4 Onderzoek

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, flora & fauna, archeologie & cultuurhistorie en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst is niet toereikend. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen:

  • belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of;
  • belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

Toets

Het plan betreft de realisatie van 1 woning op een inbreidinsglocatie in Denekamp. Deze activiteit wordt niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit, omdat deze plicht pas geldt bij een stedelijke ontwikkeling met een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 woningen of meer en bij een ontwikkeling met een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer. Het milieubelang is in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen in de plantoelichting. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Toets

In het plangebied gaat het om de realisatie van een woning, wat een milieugevoelige functie is. In de directe omgeving van het plangebied staan overwegend woningen. Op een afstand van ca. 30 meter van het plangebied ligt een winkel (bestemming 'Detailhandel'). Voor de toegestane vormen van detailhandel geldt een grootste richtafstand van 10 meter. Hier wordt met dit plan ruimschoots aan voldaan. Bovendien zijn er al op kortere afstand van het bedrijf woningen gelegen.

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect 'bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning. Omgekeerd levert de nieuwe woning geen extra belemmeringen op voor bedrijven in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0008.jpg"

Figuur 4.1: Bestaande bedrijvigheid in de omgeving (bron: Ruimtelijke plannen)

4.3 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (Lycens, 15 april 2010) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie bijlage 1).

Toets

Bij het verkennende bodemonderzoek is de hypothese 'niet verdacht' gehanteerd. In totaal zijn er in het plangebied 4 boringen verricht. Naar aanleiding van het onderzoek dient de hypothese 'onverdachte locatie' te worden verworpen in verband met enkele aangetoonde lichte verontreinigingen in het grondwater. Wel kan op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar bestaat tegen de geplande bouw van een schuur en het gebruik van de gronden voor woondoeleinden. Voor het aspect 'bodem' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe woningen, voor zover deze woningen zijn gelegen binnen het onderzoeksgebied van een weg. Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • a. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • b. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • c. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau
    vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Dinkelland' vastgesteld. Daarin is voor verschillende gebiedstypen voor de thema's verkeer en bedrijven een passende geuidskwaliteit opgenomen.

Toets

De te bouwen woning ligt in het gemeentelijke gebiedsgerichte geluidbeleid binnen het gebiedtype 'dorpscentrum', zie ook figuur 4.2. Het gebiedstype centrum herbergt diverse functies zoals winkels, uitgaansgelegenheden, kantoren en woningen. De relatief hoge dichtheid en diversiteit aan functies zorgt ervoor dat dit gebiedstype een hoger geluidsniveau kent dan bijvoorbeeld het gebiedstype 'woonwijk'. Binnen het centrum geldt de geluidsambitie 'redelijk rustig' (max. 48 dB) en als bovengrens 'onrustig' (max. 53 dB). De wegen in de directe omgeving (Brinkstraat, Prins Hendrikstraat, Kokensteeg, Julianastraat, Spittendijk) zijn allen gekwalificeerd als 30-km/h wegen. Conform beleid hoeft de geluidsbelasting bij geluidsgevoelige bestemmingen niet nader te worden onderzocht. Gezien de daarbij behorende lage verkeersintensiteit en lage snelheden, wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning onder de 48 dB (A) zal liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0009.jpg"

Figuur 4.2: Kaart geluidsbeleid Dinkelland

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Met voorliggend plan zullen extra verkeersbewegingen ontstaan voor de compensatiewoning. Voor zover er daarbij al sprake is van een toename aan verkeersbewegingen, zal deze zeer beperkt zijn. Een eventuele toename zal vooral plaatsvinden via de Brinkstraat en de Prins Hendrikstraat. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 10 per dag gesteld worden. Er zal geen of nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 10 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.DENBPBRINKSTRAAT40-0401_0010.jpg"

Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

  

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Risicokaart Overijssel

Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 500 meter van het plangebied dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Op 11 augustus 2014 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 2. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets toegepast moet worden. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

 

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet, Barro) en provinciale regelgeving (EHS in provinciale verordening).

4.8.1 Ecologische Hoofdstructuur

Het plangebied ligt niet in- of grenzend aan de Ecologische hoofdstructuur (bron: Provincie Overijssel, 2014). Bij voorliggend plan is sprake van braakliggende gronden binnen het bestaand stedelijk gebied van Denekamp. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het plangebied buiten de EHS, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS.

4.8.2 Beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet in- of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Dinkelland, ligt ca. 2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.

4.8.3 Beschermde soorten

Het onderzoeksgebied bestaat uit braakliggende gronden die worden omringd door de Brinkstaat, de Prins Hendrikstraat en de Kokensteeg. Gezien de ligging van de locatie, de inrichting en de staat van onderhoud is niet te verwachten dat het plangebied een geschikt habitat vormt voor beschermde flora- en faunasoorten. Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Wel wordt hier nogmaals gewezen op de algemene zorgplicht uit artikel 2 van de Flora- en faunawet:

  • 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
  • 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden. Deze wijziging van de wet heeft ervoor gezorgd dat gemeenten een archeologische zorgplicht krijgen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Door Synthegra B.V. (17 december 2010) is een beperkt bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Daaruit volgt dat het plangebied volgens de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland ligt in de historische kern van Denekamp. Daarnaast ligt het plangebied in een bufferzone rond een erf. Daarmee geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Uit het inventariserend veldonderzoek blijkt dat in geen van de boringen indicatoren zijn gevonden die wijzen op een archeologische vindplaats. Daarnaast bleek de bodem i.v.m. eerdere bebouwing al tot een meter diepte verstoord te zijn. De verwachting is daarmee dat in het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft geen negatieve effecten voor het onderdeel archeologie.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Uit Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen monumenten gelegen zijn. Op historische kaarten is te zien dat het plangebied en de directe omgeving reeds lange tijd bebouwd zijn. Zoals bij het aspect 'archeologie' al bleek zijn daarvan geen resten in het plangebied meer te verwachten.

Op circa 300 meter ten westen van het plangebied ligt de Sint Nicolaasmolen aan de Ootmarsumsestraat. Om een verdere verslechtering van de windvang van de molen te voorkomen is in het bestemmingsplan 'Denekamp' de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Deze vrijwaringszone bevat nadere regels omtrent de hoogte van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde in de omgeving van de molen. Ook in voorliggend plan is deze aanduiding overgenomen. Voor de realisatie van de nieuwe woning vormt dit overigens geen belemmering, omdat er voldoende afstand is tot de molen kan de maximum bouwhoogte (10 meter) worden gerealiseerd.

Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

 

4.10 Verkeer / parkeren

De woning wordt ontsloten via de Prins Hendrikstraat. De Prins Hendrikstraat is een erftoegangsweg. Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen ten behoeve van de woning kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. In totaal moeten voor deze woning twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het aspect 'parkeren' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De hiervoor beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelbepaling:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen

Het plan kent de bestemming 'Wonen'.

Wonen (artikel 4)

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. Ondergeschikt aan deze bestemming zijn toegestaan: wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. Daarnaast is het mogelijk de gronden te gebruiken voor bijbehorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Een woning (hoofdgebouw) mag alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd. In de systematiek van dit bestemmingsplan hebben vrijstaande woningen een bouwvlak van 10 meter bij 15 meter toegekend gekregen, in deze bouwvlakken is het dus niet mogelijk om een twee onder één kap woning te realiseren. Ook de toegestane goot- en bouwhoogtes van de woningen zijn op de verbeelding vastgelegd.

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden bebouwingsbepalingen die betrekking hebben op de oppervlakte (maximaal 85 m²), de situering en de hoogte. Voor wat betreft de situering zijn de bebouwingsbepalingen erop gericht - ter bescherming van het straat- en bebouwingsbeeld - bebouwing aan de voorzijde van de woning te voorkomen. In verband met de bescherming van belangen van buren (privacy, lichttoetreding) gelden ook bij het oprichten van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen achter de (voorgevel van) woningen eisen ten aanzien van oppervlakte, hoogte en situering. In verband met het open straatbeeld dienen bijbehorende

Binnen de woonbestemming wordt ruimte geboden voor een aan-huisverbonden-beroep, dan wel (middels een afwijking) kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Het gaat om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden. Hierbij kan gedacht worden aan klassieke ‘vrije’ beroepen (arts, advocaat, notaris) maar ook aan beroepen als makelaar of accountant of bedrijfsmatige activiteiten als een kapper of een schoonheidsspecialist. Om de ruimtelijke en functionele ondergeschiktheid aan de woonfunctie te waarborgen gelden criteria ten aanzien van de aard en omvang van de activiteiten.

De woonbestemming biedt ook ruimte voor mantelzorg bij woningen. Ten eerste in de vorm van inwoning, daarnaast ook, via afwijking, in de vorm van (tijdelijke) bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Bestaande bijgebouwen kunnen ook worden vergroot ten behoeve van mantelzorg. Voorwaarde is wel dat de noodzaak van de mantelzorg (op medische gronden) hierbij wordt aangetoond.

Vrijwaringszone - molenbiotoop (Artikel 8.1)

Middels de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' is bepaald dat in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) op of in deze gronden niet hoger mag worden gebouwd dan:

  • binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  • buiten een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.

Daarnaast is het artikel beschreven welke uitzonderingen en afwijkingsbevoegdheden op deze regels van toepassing zijn.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.

Rijkswaterstaat
Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat zij tijdig betrokken wenst te worden bij plannen die betrekking hebben op de drie netwerken die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn: het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.

Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke uitgevoerd door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.

Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft een lijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen
Op 11 augustus 2014 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap Vechstromen een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 14 november 2014 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.