direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stroothuizerweg 27, Denekamp
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het wijzigingsplan

Initiatiefnemer is gevestigd aan de Stroothuizerweg 27 in Denekamp. Het betreft een glastuinbouwbedrijf met een glasoppervlakte van ca. 3,7 ha met de benodigde bedrijfsruimten. De ontwikkelingen in de sector, waarin Initiatiefnemer opereert, brengen met zich mee dat er permanent gestreefd moet worden naar een opschaling van het productievolume om aan de wens/eis van de afnemers te kunnen blijven voldoen en steeds duurzamer te telen.

Het bedrijf ligt op korte afstand van een biogasleiding. Om gebruik te kunnen maken van biogas, is een nieuwe ketel en een warmteopslagtank (WOT) geplaatst. De WOT slaat de opgewekte warmte op in tijden dat er geen warmtevraag is. Deze warmte wordt op een later tijdstip nuttig op het bedrijf ingezet. De plaats van de WOT is gelegen naast het ketelhuis.

Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan, daarom is op 8 juli 2019 een tijdelijke vergunning verleend voor een termijn van 3 jaar, waarbij gebruik gemaakt is van onderdeel 11 van artikel 4 bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht, met als voorwaarde dat binnen 3 jaar een wijzigingsplan is opgesteld.

Voorliggend wijzigingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidzijde van het bedrijf. De WOT moet zo dicht mogelijk bij de ketel worden geplaatst, anders ontstaat een onacceptabel groot warmteverlies via de leidingen. De beste locatie is direct naast het ketelhuis.

Figuur 1 toont een overzichtskaart van de locatie, waarbij de grens van het plangebied in rood is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0001.jpg"

Figuur 1: plangebied: rood omkaderde vlak (bron: Google Earth)

Het plangebied is gelegen aan de Stroothuizerweg 27 in Denekamp, kadastraal bekend Denekamp P1765 en P1766. Het vigerende bestemmingsplan is ‘Buitengebied Stroothuizerweg 27 Denekamp’ van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 03 juni 2014 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland. De grond binnen het plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Bos - Bos en Natuur'. Figuur 2 omvat een uitsnede van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0002.jpg"

Figuur 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Stroothuizerweg 27 Denekamp" plangebied rood omkaderd (bron Ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Planologische regeling

Het plaatsen van een WOT ten behoeve van initiatiefnemer zoals gewenst, is niet in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Stroothuizerweg 27 Denekamp'. Ter plaatse van de WOT ligt de bestemming 'Bos - Bos en Natuur'. De gronden zijn bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie. Binnen deze bestemming is geen bouwwerk toegestaan ten behoeve van glastuinbouw.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Omdat het initiatief past op de locatie, past binnen het beleid van de gemeente Dinkelland en past binnen de wijzigingsbevoegdheden van het vigerende bestemmingsplan, heeft de gemeente medewerking verleend aan het verzoek om bestemmingsvlakken 'Bedrijf - Glastuinbouw' en 'Bos - Bos en natuur' 1 op 1 te verplaatsen.

1.4 Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • 1. In Hoofdstuk 1 is aangegeven waar het plangebied zich bevindt en is kort ingegaan op de aanleiding van dit plan.
  • 2. In Hoofdstuk 2 is het initiatief nader uitgewerkt, waarmee inzicht verkregen wordt in het waarom en de doelstelling van dit plan. In dit hoofdstuk worden ook de voorwaarden van het wisselen van de bestemming 'Bos-Bos en Natuur' en 'Bedrijf-Glastuinbouw' benoemd, aangezien deze een belangrijk onderdeel vormen van het plan.
  • 3. Het beleid, voor zover relevant, komt in Hoofdstuk 3 aan de orde.
  • 4. In Hoofdstuk 4 wordt het project getoetst op de uitvoerbaarheid aan de hand van de omgevingsfactoren.
  • 5. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 5 de juridische planbeschrijving toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ook een belangrijk algemeen inzicht gegeven in de eisen van de Wet ruimtelijke ordening en de manier waarop bestemmingsplannen opgebouwd zijn. Voor niet-vakmensen is dit een belangrijk hoofdstuk om de plaats van het bestemmingsplan in de ruimtelijke ordening te kunnen bepalen.
  • 6. In Hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan besproken.
  • 7. Hoofdstuk 7 geeft tot slot aan welke procedure is doorlopen en wat de resultaten van de inspraak, het vooroverleg en de zienswijzen zijn.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt strikt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Initiatiefnemer is een glastuinbouwbedrijf met een glasoppervlak van ca. 3,7 ha en de benodigde bedrijfsruimten. In de verwerkingsruimte staat een oppotmachine en een zaailijn. De potten worden gevuld, gezaaid en afzetklaar gemaakt. De kas wordt verwarmd middels een centraal verwarmingssysteem. De kas is voorzien van een energiescherm boven in de kas. Achter de ketel staat een rookgascondensor. De rookgassen worden langs een warmtewisselaar geleid, zodat nog extra warmte wordt onttrokken aan de rookgassen.

De planten staan op de kasbodem. Het betreft een gesloten bodem. De grond is afgedekt met dicht plastic. Rond de kaspoten wordt het plastic dusdanig geplaatst dat er geen lekkage naar de bodem kan plaatsvinden. De planten krijgen water naar behoefte. Er komt geen drainwater vrij.

Het bedrijf is actief in de teelt van éénjarige tuinplanten die voornamelijk worden geleverd aan diverse tuincentra in zowel Nederland als het buitenland.

2.1.1 Aanleiding wijziging

Het bedrijf van de initiatiefnemer ligt op korte afstand van een biogasleiding die wordt voorzien van biogas door de energiecoöperatie Ijskoud. Deze coöperatie bestaat uit een samenwerking van melkveebedrijven uit de omgeving Noord Deurningen. Hier wordt biogas geproduceerd door mest van melkkoeien te vergisten. Het geproduceerde biogas wordt naar het industrieterrein in Denekamp getransporteerd.

De energiecoöperatie was op zoek naar nieuwe afnemers van het biogas en initiatiefnemer was op zoek naar een manier om het bedrijf verder te verduurzamen. Wanneer initiatiefnemer gebruik maakt van het biogas wordt het bedrijf vrijwel geheel energieneutraal.

Na gesprekken tussen energiecoöperatie Ijskoud en initiatiefnemer is besloten om de kwekerij aan te sluiten op de biogasleiding en waarbij initiatiefnemer een WOT plaatst van 1000 m3.

Om gebruik te kunnen maken van het biogas heeft initiatiefnemer een nieuwe ketel geplaatst aan de westkant van het ketelhuis aan de zuidzijde van het bedrijf. Deze ketel is geschikt voor de verbranding van biogassen. Aan de ketel is een WOT gekoppeld. Een WOT wordt in de glastuinbouw gebruikt wanneer de warmteopwekking niet altijd gelijk is aan de warmtevraag. Een WOT is een opslagtank voor warm water en is bij initiatiefnemer bedoeld om efficiënter gebruik te kunnen maken van het biogas. Wanneer er geen warmtevraag is, maar wel toevoer van biogas, wordt de gegenereerde warmte opgeslagen in de WOT voor later gebruik.

In 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' is o.a. als speerpunt opgenomen stimulering van een toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd. Verder wil de Gemeente Dinkelland beleid ontwikkelen gericht op het gebruik van duurzame materialen en gebruik van duurzame energie (aardwarmte, zonne-energie, CO2-reductie). Het bouwen van een WOT om het bestaande bedrijf verder te verduurzamen past binnen het beleid van de Gemeente Dinkelland.

De WOT is groter aangelegd dan in principe nodig is. Wanneer er geen warmtevraag is, maar de productie van biogas doorgaat, kan de geproduceerde warmte opgeslagen worden in de WOT van initiatiefnemer. Op deze manier hoeft er geen biogas afgefakkeld te worden en kunnen andere afnemers van energiecoöperatie Ijskoud, die geen WOT hebben, maximaal worden voorzien van biogas. In principe vervangt de warmte die opgeslagen wordt in de WOT, de aanvoer van grijs aardgas. Vraag en aanbod van energie wordt met de WOT beter op elkaar afgestemd, zodat de opgewekte duurzame energie optimaal wordt ingezet.

De ideale locatie voor de WOT bevindt zich aan de westkant van het ketelhuis. Het ketelhuis bevindt zich aan de zuidzijde van het bedrijf. Aan de oostkant van het ketelhuis kon de tank niet worden geplaatst vanwege de transportbewegingen en de logistieke lijnen van het bedrijf. Bovendien liggen op die plek meerdere buizen en overig leidingwerk in de grond. Daarnaast moet de WOT zo dicht mogelijk bij de ketel staan, anders ontstaat er een onacceptabel groot warmteverlies via de leidingen. De beste locatie is direct naast het ketelhuis.

De locatie van de WOT past niet binnen de bouwregels van het huidige bestemmingsplan "Bos - Bos en natuur". Er is een principeverzoek ingediend om de bestemmingsvlakken 'Bedrijf - Glastuinbouw' en 'Bos - Bos en natuur' te verplaatsen en is er een tijdelijke vergunning aangevraagd voor het plaatsen van de WOT op de gewenste locatie. De tijdelijke vergunning is momenteel in werking.

2.2 Toekomstige situatie

Om in de toekomst gebruik te kunnen blijven maken van de WOT voor de duurzame energie, is het nodig om de tijdelijke vergunning definitief te maken. Dit is alleen mogelijk als er een wijziging plaatsvindt in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Stroothuizerweg 27 Denekamp". De mogelijkheid om een wijziging te doen in dit bestemmingplan is opgenomen in artikel 4.5 en 5.5 van het vigerende plan.

De WOT heeft een inhoud van 1000 m³. De WOT zal 11,3 m in diameter zijn (buitenzijde gemeten 11,7 m) met een hoogte van 10 m tot de dakrand met een maximale hoogte van 10,5 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0003.png"

Figuur 3: afbeelding WOT. Damwandprofiel met donkergroene kleur (bron: tekening DLVge)

2.2.1 Het beoogde plan

Om te verduurzamen heeft initiatiefnemer de stap genomen om van het aardgas af te gaan door middel van het gebruik van biogas. Hierdoor kan initiatiefnemer telen zonder het gebruik van fossiele brandstoffen.

De WOT is nodig voor het optimale gebruik van de biogas waar te maken. De opbrengst van deze wijziging is het duurzamer opwekken van warmte om de kas te verwarmen en de kassen van buurtpercelen.

Het plan is opgevat om de bestemmingen uit te ruilen waarbij de netto bestemmingsoppervlakten gelijk blijven. In het beoogde plan is een WOT geplaatst. Met het plaatsen van de WOT is ook de verharding uitgebreid. De totale oppervlakte bedraagt 640 m².

Het uitwisselen van de bestemming 'Bos - Bos en natuur' met de bestemming 'Bedrijf - Glastuinbouw' zal 1 op 1 plaatsvinden. In totaal moet 640 m² bestemming uitgewisseld worden. Figuren 4a en 4b laten zien over welke delen het gaat. In de huidige situatie, figuur 4a, ligt naast het woonhuis een strook van ca. 8 m breed, totaal 344 m² en aan de westkant van het bedrijf is nog een incourant deel van 296 m². Beide perceeldelen hebben de bestemming 'Bedrijf - Glastuinbouw'. De totale oppervlakte bedraagt 640 m².

Door 640 m² bestemming 'Bedrijf-Glastuinbouw' te verruilen voor 640 m² bestemming 'Bos - Bos en natuur', kan de WOT op deze locatie blijven staan. De bedrijfsvoering, transportbewegingen en de logistieke lijnen van het bedrijf kunnen op deze manier blijven plaatsvinden zoals deze momenteel lopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0004.png"

Figuur 4a: huidige situatie (bron: Ruimtelijke plannen)

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0005.png"

Figuur 4b: situatie nieuw met WOT met verharding bestemming 'Bedrijf - Glastuinbouw' en bestemming 'Bos - Bos en natuur (bron: DLVge verbeelding)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het vigerende beleid.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het gebruik van duurzame energie. Dit is in overeenstemming met de prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' en is daarmee passend binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Bij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt getoetst of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij is het begrip stedelijke ontwikkeling van belang.

Een stedelijke ontwikkeling is de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Er is hier geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Onderhavig wijzigingsplan voorziet hierin.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of rode draden bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

Het project betreft het plaatsen van een WOT ten behoeve van een efficiënter gebruik van het biogasnetwerk door het voorkomen van affakkelen op momenten dat er geen warmtevraag is. De behoefte en het aanbod worden beter op elkaar afgesteld. Het biogasnetwerk draagt bij aan de duurzame kwaliteitsambities van de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Met name de artikelen 2.1.4 (Toekomstbestendigheid) en 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) zijn bij dit project van belang.

Artikel 2.1.4 Toekomstbestendigheid
In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus:

  • de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
  • duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden;
  • ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

Het project heeft tot doel het vergroten van de toekomstbestendigheid. Door de aanleg van een biogasnetwerk wordt bijgedragen aan het realiseren van een nieuwe duurzame energiebron. Het plaatsen van een WOT zorgt voor efficiëntie van dit netwerk.

Het project voldoet aan artikel 2.1.4.

Samengevat bepaalt artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit dat elke nieuwe ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt moet bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

De WOT is uitgevoerd in een donkergroene kleur en is geplaatst achter een bestaande houtopstand. Door de kleurstelling en de locatiekeuze valt de WOT zo min mogelijk op in het landschap. De gekozen locatie en de gekozen kleurstelling doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 MijnOmgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 30 maart 2021 de omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.

MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving: de visie van samenleving én gemeente. Hierin wordt verder gebouwd op de basis van het proces 'MijnDorp'. De visie gaat over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeenteraad en de samenleving willen sturen: wat moet worden behouden, versterkt en ontwikkeld.

De Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes; werkwijzen die altijd gelden. De vier kernprincipes zijn:

  • We doen het samen;
  • We geven het goede voorbeeld;
  • We wentelen niet af op volgende generaties;
  • We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Vanuit deze kernprincipes zijn dirie algemene speerpunten geformuleerd:

  • Buitengebied in balans;
  • Leefbare kernen;
  • Leefomgeving van de toekomst.

Buitengebied in balans

De gemeente wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen.

Het Twentse landschap is een uniek coulissenlandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.

In het buitengebied komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben, zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. De gemeente streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij de samenwerking gezocht wordt met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Onderhavig plan heeft als resultante het duurzamer opwekken van warmte om zowel de eigen kas te verwarmen als de kassen van buurtpercelen. De ontwikkeling is in lijn met het speerpunt 'Buitengebied in Balans' en daarom met MijnOmgevingsvisie Dinkelland.

3.3.2 Wijzigingsbevoegdheid

Conform artikel 4.5 van het vigerende bestemmingsplan kunnen Burgemeester en Wethouders het plan wijzigen in dié zin dat de bestemming 'Bedrijf - Glastuinbouw', wordt gewijzigd in de bestemming 'Bos - Bos en natuur, mits:

  • a. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 36 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" van de gemeente Dinkelland met betrekking tot de bestemming Wonen, artikel 3 of artikel 5 van overeenkomstige toepassing zijn;
  • b. de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd en alle aanwezige kassen zijn gesaneerd;
  • c. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Conform artikel 5.5 van het vigerende bestemmingsplan kunnen Burgemeester en Wethouders het plan wijzigen in dié zin dat de bestemming ‘Bos - Bos en natuur’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf - Glastuinbouw’ ten behoeve van het verplaatsen van bestemmingsvlakken, mits:

  • a. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 4 van overeenkomstige toepassing zijn;
  • b. het voormalige (deel van het) bestemmingsvlak ter plaatse wordt verwijderd en de betreffende gronden worden voorzien van de bestemming “Bos - Bos en natuur”;
  • c. de huidige ligging van het bestemmingsvlak belemmeringen oplevert voor de omgeving dan wel met de verplaatsing een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit kan worden bewerkstelligd;
  • d. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De geplande wijziging voldoet aan alle eisen van zowel artikel 4.5 als artikel 5.5. Het betreft hier geen bestemming wonen. Ter paatse zijn geen kassen aanwezig en worden ook geen glastuinbouwactiviteiten meer uitgevoerd. De bestemmingsvlakken worden 1 op 1 uitgeruild. Er is geen sprake van schade voor aangrenzende bedrijven. Er wordt geen onevenredige afbreuk gemaakt aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. En de WOT wordt zo goed mogelijk landschappelijk ingepast.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.).

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) gewijzigd, waardoor de beoordelingsprocedure aan formele regels is gebonden en dient de beslissing op de m.e.r. vóór het behandelen van de aanvraag plaats te vinden.

In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor activiteiten die genoemd zijn bij bijlage D is de verplichting tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de werkzaamheden in dit project is een activiteit benoemd in bijlage D, die mogelijk kan leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht. In tabel 1 is een activiteit weergegeven, het betreft hier Categorie D9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.

Navolgend is toegelicht of deze categorie leidt tot een m.e.r. - beoordelingsplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0006.png"

Omdat het vigerende bestemmingsplan uitwisseling van bestemmingen mogelijk maakt, moet in categorie D.9 van de bijlage van het Besluit m.e.r. beoordeeld worden of er sprake is van een plan m.e.r.-plicht.

In het voorgenomen plan wordt 640 m² gewijzigd. Met de realisatie van de voorgenomen activiteit worden de gestelde drempelwaarde van 125 ha niet overschreden.

Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.2 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, externe veiligheid en luchtkwaliteit. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. De laatste uitgave is 'Bedrijven en Milieuzonering', editie 2009. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkómen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Volgens deze VNG-uitgave geldt voor tuinbouwbedrijven met kassen en gasverwarming een afstand van 30 meter in verband met het aspect geluid.

Woningen in de directe omgeving van de locatie van de WOT staan op meer dan 100 m. Het aspect geur is niet aan de orde, omdat de inhoud van de WOT uit water bestaat. Ook de aspecten luchtkwaliteit en externe veiligheid zijn niet aan de orde.

Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand uit de genoemde publicatie.

4.3 Bodem

Voor het plaatsen van een WOT is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. De installatie is niet voor mensen toegankelijk en de opslag van warm water betreft geen bodembedreigende activiteit.

4.4 Luchtkwaliteit en geluid

Het betreft het aanleggen van een WOT. De inhoud van de WOT bestaat uit water. De geproduceerde warmte wordt opgeslagen in de WOT. In principe vervangt de warmte die opgeslagen wordt in de WOT, de aanvoer van grijs aardgas. Vraag en aanbod van energie wordt met de WOT beter op elkaar afgestemd, zodat de opgewekte duurzame energie optimaal wordt ingezet.

Er vinden geen extra verkeersbewegingen plaats, omdat de productie niet wordt uitgebreid. Er wordt derhalve geen extra geluidsbron toegevoegd.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden bestemmingsvlakken uitgewisseld, waardoor het mogelijk is dat de WOT op een andere gewenste locatie is gebouwd.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse niet zal verslechteren en dat toetsing aan het aspect geluid achterwege gelaten kan worden.

4.5 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in figuur 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0008.png"

Figuur 5: Archeologische verwachtings- en advieskaart. Plangebied rood omkaderd met pijl (bron: Gemeente Dinkelland)

De archeologische verwachtings- en advieskaart zoomt in op de Geomorfologie. In dit geval valt het plangebied binnen het dekzandlandschap - dekzandwelvingen en -vlakten.

De verwachting is middelmatig voor archeologische resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn hierdoor vaak minder goed geconserveerd.

In dit gebiedstype is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen met een groter oppervlak dan 5.000 m² en die dieper reiken dan 40 cm.

Het plangebied is kleiner dan 5.000 m², hiervoor geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

De archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland toont ook of er in een gebied cultuurhistorische elementen te vinden zijn, o.a. monumenten en andere bebouwing. Binnen het plangebied komen geen monumenten voor.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Archeologie / Cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor onderhavig wijzigingsplan.

4.6 Ecologie

De WOT wordt geplaatst achter een bestaande houtopstand. Ten behoeve van de installatie worden geen bomen gekapt en wordt de houtopstand niet aangetast (zie figuur 6). Gelet op de terreingesteldheid is er geen sprake van beschermde fauna in het plangebied. Gelet op de locatie en de aard en omvang van het project is van negatieve gevolgen voor beschermde flora eveneens geen sprake.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSTROOTHUIZE27-VG01_0009.png"

Figuur 6: situering van de WOT t.o.v. de bestaande beplanting (bron gemeente Dinkelland)

4.7 Water

Er is een watertoets uitgevoerd waaruit blijkt dat het plan geen waterschapsbelangen raakt. De digitale watertoets is als bijlage 1 toegevoegd bij dit wijzigingsplan.

Op basis van deze toets worden in dit plan geen waterschapsbelangen geraakt. Dan volgt de procedure geen waterschapsbelang. Dit houdt in dat er direct door kan worden gegaan met de planvorming van het plan.

Paragraaf geen waterschapsbelang

Deze paragraaf geen waterschapsbelang heeft betrekking op het plan. Het plan heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen.

4.8 Conclusie

Het beoogde plan vormt geen belemmeringen voor de omgevingsaspecten.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen.

5.1 Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Op de verbeelding (plankaart) zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

Navolgend wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.

5.1.1 Inleidende regels

Conform de SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

Begripsbepalingen zijn omschrijvingen van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren.

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken.

specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies.

afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

5.1.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel: Deze regel voorkomt dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt.

Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin.

Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven

Algemene procedureregels: Deze bepaling geeft aan welke procedure bij afwijking gevolgd dient te worden.

Overige regels: In artikel 12.1 wordt met de aanvullende werking welstandscriteria ruimte geboden voor in de Woningwet bedoelde welstandscriteria. In artikel 12.2 kunnen Burgemeester en Wethouders ten behoeve van omgevingsaspecten nadere eisen stellen stellen aan bebouwing.

5.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2 Bestemmingen

In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren.

Artikel 3 Agrarisch - 1

De voor Agrarisch - 1 aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.

Artikel 4 Bedrijf - Glastuinbouw

De bestemming heeft betrekking op de bedrijfsgebouwen, waaronder kassen, ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf. De bestemming bevat tevens een regeling voor het water-bassin. Er mag maximaal 80% van het bouwperceel worden volgebouwd.

Artikel 5 Bos - Bos en natuur

De bestemming Bos en natuur betreft het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gronden.

Artikel 6 Dubbelbestemming leiding - brandstof

De bestemming heeft betrekking op de buisleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO).

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpwijzigingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode worden ingezetenen en andere belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. De ingediende zienswijzen zullen te zijner tijd in dit hoofdstuk worden samengevat en van een beantwoording worden voorzien.

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerpwijzigingsplan aan de gebruikelijke overleginstanties worden voorgelegd.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuw ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Aan de uitvoering van dit plan zijn geen kosten verbonden voor de gemeente Dinkeland. Er is wel een planschadeovereenkomst getekend. De economische uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan is daarmee gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Zienswijzen

Vanaf 26-04-2022 heeft het ontwerpplan 6 weken ter inzage gelegen.

Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Bijlage bij de toelichting