| Plan: | Molenbeekweg 4 Saasveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIWPMOLENBEEKWEG4-VG01 |
Voor de locatie Molenbeekweg 4 in Saasveld is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemer wil zijn agrarisch bouwperceel vergroten, zodat mogelijk wordt om een nieuwe welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal te realiseren. Door het realiseren van een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal is het mogelijk om biologische varkens te houden. Een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal is een stal waarbij binnen de stal per varken een ruimte is van 1,1 m² en buiten per dier een loopruimte van 0,7 m². Het huidige agrarisch bouwperceel heeft een oppervlakte van circa 7.250 m² en zal worden vergroot naar circa 8.000 m². Het bouwvlak waarbinnen de stal gebouwd kan worden heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 3.250 m² en wordt vergroot tot circa 3.650 m².
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010', omdat gebouwen enkel gebouwd mogen worden binnen het agrarisch bouwperceel. Echter is op grond van artikel 3.7, onder c van het geldende bestemmingsplan mogelijk om het agrarisch bouwperceel te vergroten tot maximaal 1,5 hectare (wijzigingsbevoegdheid). De initiatiefnemer wil graag van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik maken. Om gebruik te kunnen maken van een wijzigingsbevoegdheid dient er bij de aanvraag om een wijziging een wijzigingsplan te worden aangeleverd, waarin de ontwikkeling concreet wordt toegelicht en wordt onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
In het voorliggende wijzigingsplan wordt daarin voorzien.
Ligging
De locatie Molenbeekweg 4 (hierna: plangebied) bestaat uit het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Weerselo, sectie T, perceelnummer 205 en kent een kadastrale perceel oppervlakte van ruim 32 ha (32.693 m²). Het plangebied ligt op ca. 2.7 km afstand ten westen van het centrum van Saasveld.
In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (Bron: Google Maps).
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het betreffende perceel te zien is. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (Bron: PDOK Viewer).
Voor de gronden binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010', vastgesteld op 18 februari 2010 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland en is onherroepelijk in werking. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (Bron: Ruimtelijke plannen).
Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend met een bouwvlak en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet grondgebonden agrarisch bedrijf'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor het agrarisch gebruik en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch bouwperceel niet grondgebonden agrarisch bedrijf' mede bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.
Voor het bouwen van gebouwen geldt dat deze enkel gebouwd mogen worden binnen het bouwvlak. Het voornemen heeft betrekking op de realisatie van een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal die voor een deel buiten het bouwvlak en buiten het agrarisch bouwperceel zal vallen. Het voornemen is daarom in strijd met zowel de gebruiks- als bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Op grond van artikel 3.7, onder c, van het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' is het mogelijk dat zowel een agrarisch bouwperceel als bouwvlak wordt verhoogd, met dien verstande dat het bouwvlak na de vergroting maximaal 1,5 ha mag bedragen. De initiatiefnemer wil van deze bevoegdheid gebruik maken. Door toepassing van deze bevoegdheid zal de beoogde stal zowel binnen het agrarisch bouwperceel als binnen het bouwvlak komen te liggen. Om gebruik te mogen maken van een wijzigingsbevoegdheid, dient een wijzigingsprocedure te worden doorlopen waarbij een wijzigingsplan moet worden opgesteld.
Voorliggend wijzigingsplan voorziet daarin.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Molenbeekweg 4 Saasveld' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is er aan de Molenbeekweg 4 in Saasveld sprake van een agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden bedrijfsvoering. Het erf bestaat uit een bedrijfswoning, agrarische gebouwen en een open stuk grond dat als weiland dient.
De ontsluiting vindt plaats via de Molenbeekweg die te omschrijven is als een weg met 1 rijstrook buiten stedelijk gebied, waarbij een maximumsnelheidsregime van 60 km/u geldt. Het erf voorziet in voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk agrarische en woonfuncties.
In figuur 2.1 is een vooraanzicht opgenomen van het plangebied en in figuur 2.2 een luchtfoto van het erf waarop de aanwezige bebouwing goed te zien is.
Figuur 2.1: Huidige situatie vooraanzicht van het plangebied (Bron: Google Maps, Streetview).
Figuur 2.2: Aanwezige bebouwing op het plangebied (Bron: PDOK Viewer).
Zoals eerder beschreven wil de initiatiefnemer gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3.7, onder c in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010', om het agrarisch bouwperceel op zijn erf te vergroten. Dit zodat mogelijk wordt om een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal te realiseren.
Een voorwaarde om van de wijzigingsbevoegdheid gebruik te kunnen maken, is de voorwaarde dat de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zorgvuldig moet worden ingepast. Daarom is oorspronkelijk op 1 april 2021 door N+L Landschapsontwerpers een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Dit meest recente versie van dit plan is op 25 oktober 2021 opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 opgenomen in de toelichting van het voorliggende wijzigingsplan. In figuur 2.3 is op voorhand een fragment van het landschappelijk inpassingsplan weergegeven.
Figuur 2.3: Landschappelijke inpassing van de ontwikkeling (Bron: N+L Landschapsontwerpers).
In het landschappelijk inpassingsplan, zoals hierboven is afgebeeld, is het bestaande agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van circa 7.250 m² vergroot tot een oppervlakte van circa 8.000 m². Het agrarisch bouwperceel wordt dus met circa 750 m² vergroot. Het bouwvlak wordt tevens vergroot. Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 3.250 m² en wordt na de vergroting circa 3.650 m² groot. Met deze wijzigingen zal de initiatiefnemer een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal kunnen bouwen zowel in het agrarisch bouwperceel als bouwvlak.
De uitbreiding van het agrarisch bedrijf vindt plaats in een landschap dat nog behoorlijk intact is met duidelijke landschappelijke dragers. Het bedrijf blijft daarom, ondanks er sprake is van een uitbreiding, in evenwicht met het landschap. Hierdoor is er geen aanleiding meer om nieuwe landschapselementen toe te voegen. Een toevoeging zou in dit geval enkel leiden tot een afname van de herkenbaarheid van het landschap.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het vergroten van het bestaande agrarisch bouwperceel en bouwvlak, waardoor het bouwen van een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal mogelijk wordt. Deze ontwikkeling is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie, omdat uitgebreid wordt ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf. De uitbreiding zorgt ervoor dat het bedrijf zich kan blijven ontwikkelen en met andere bedrijven kan blijven concurreren in de toekomst, waardoor de continuïteit van bedrijf kan worden gewaarborgd. Geacht wordt dat het plan hiermee in overeenstemming is met de NOVI.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan
In het voorliggende wijzingsplan wordt de vergroting van een bestaande agrarisch bouwperceel mogelijk gemaakt, zodat het mogelijk wordt om binnen het bouwperceel een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal te bouwen. Om de vergroting van het bouwperceel mogelijk te maken, wordt er van de wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.7, onder c) zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' gebruik gemaakt.
Op basis van vaste jurisprudentie (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1438) geldt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wanneer de ontwikkeling betrekking heeft op de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Aangezien in onderhavig plan een agrarisch bedrijf wordt uitgebreid, hoeft de ontwikkeling niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). In de navolgende hoofdstukken wordt daar nader op ingegaan (zie Hoofdstuk 4, 6 en 7).
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel).
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes.
artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
lid 2
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Doorwerking voor voorliggend plan:
In het voorliggende wijzigingsplan is enkel lid 2 van belang aangezien de voorgenomen ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Dinkelland zal plaatsvinden. Het vergroten van het agrarische bouwperceel is noodzakelijk, omdat in het huidige bouwperceel geen ruimte bestaat om een nieuwe varkensstal te realiseren. Geacht wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel, omdat er behoefte is aan de uitbreiding en er gebruik wrodt gemaakt van gronden die zich behoren tot een bestaand erf.
artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 opgenomen in dit wijzigingsplan. Geacht wordt dat het plan daarmee voldoet aan artikel 2.1.5 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel.
artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Doorwerking voor voorliggend plan:
Geacht wordt dat artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving hier niet van toepassing is, omdat sprake is van een functie die gelieerd is aan het buitengebied.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel).
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities:
De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de agrarische/woon functies in de omgeving.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel).
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk door de wind gevormd zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
De natuurlijke laag is binnen het plangebied niet meer zichtbaar, omdat de gronden gedurende een lange tijd al bewerkt worden. Geacht wordt dat voorliggend wijzigingsplan geen invloed heeft op de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Jong heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel).
De kenmerken van deze aanduiding zijn grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug. Landbouwontginningen zijn relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. vaak zijn het 'inbreidings' landschappen met een rommelige driehoeksstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer te zien is.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginngingslandschappenm dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginngingslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Het plangebied voldoet aan de kenmerken van een jong heide- en broekontginngingslandschap. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het ontwikkelen van een bestaand erf, waarvoor een landschappelijk inrichtingsplan is opgesteld. Daaruit blijkt dat het landschap ter plaatse van het plangebied intact is en ook intact blijft na de realisering van de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de kenmerken van de laag van het agrarische cultuurlandschap.
De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
Toets en conclusie
Naar aanleiding van het voorliggende wijzigingsplan wordt het agrarisch bouwperceel aan de Molenbeekweg 4 te Saasveld vergroot, zodat initiatiefnemer een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal kan bouwen om te voldoen aan de ontwikkelingsbehoefte van zijn agrarisch bedrijf. Zoals reeds beschreven is voor de ontwikkeling een landschappelijk inpassingsplan gemaakt, waarmee de ontwikkeling goed en zorgvuldig in het landschap wordt ingepast.
Daarnaast heeft het vergroten van het agrarisch bouwperceel geen nadelige gevolgen voor de omliggende woonfuncties en/of bedrijven, omdat voldaan wordt aan de wettelijke vastgestelde richtafstanden en aan de geadviseerde richtafstanden van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. In hoofdstuk 4 wordt daar nader op ingegaan.
Geacht wordt dat het plan daarmee in overeenstemming is met de Omgevingsvisie van gemeente Dinkelland.
Zoals reeds aan bod is gekomen in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 zijn de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel op 3 juli 2013 vastgesteld. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) maakt hier onderdeel van uit. Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van dit instrument is het mogelijk om op gemeentelijk niveau beleidskaders vast te stellen. De gemeente Dinkelland heeft op 8 oktober 2013 het beleidskader 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' vastgesteld. Het beleidskader dient als toetsingskader voor de gemeente om aangevraagde ontwikkelingen in het landelijke gebied te kunnen beoordelen op basis van de kwaliteitsimpuls. Tegelijkertijd biedt het beleidskader aanvragers handvatten om hun aanvraag vorm te geven in combinatie met de kwaliteitsimpuls. Het kader streeft na om dit nieuwe instrument zoveel mogelijk te objectiveren en eenduidig toe te passen.
Toets en conclusie
Zoals reeds beschreven wordt in het voorliggende wijzigingsplan mogelijk gemaakt dat een bestaand agrarisch bouwperceel wordt vergroot, zodat er een nieuwe welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal gebouwd kan worden en in de toekomst als dat nodig is extra agrarische gebouwen te realiseren. Om te bepalen of de KGO hier van toepassing is, moet eerst bekeken worden of de ontwikkeling wel past binnen het generieke beleid van de gemeente Dinkelland en of er sprake is van een kwaliteitsimpuls of basisinspanning.
Of de ontwikkeling binnen het generieke beleid van de gemeente past, kan worden geconcludeerd dat er gebruik wordt gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid die via het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' mogelijk wordt gemaakt. Daarom wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het generieke beleid van de gemeente Dinkelland.
Voor wat betreft de kwaliteitsimpuls of basisinspanning kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op de uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel en een agrarisch bedrijf, wat volgens het KGO beleid gezien wordt als een ontwikkeling die gelieerd is aan het buitengebied. Verder kan geconcludeerd worden dat het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' de ruimte biedt om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Op basis van het KGO beleid wordt een ontwikkeling kleinschalig geacht, wanneer via het geldende bestemmingsplan medewerking van de gemeente tot het voornemen verkregen kan worden. Er hoeft dan alleen nog maar een basisinspanning te worden verricht. De basisinspanning houdt in dat de ontwikkeling landschappelijk goed en zorgvuldig moet worden ingepast. Als bijlage bij het voorliggende wijzigingsplan is een erfinrichtingsplan opgenomen, waarmee de beoogde ontwikkeling landschappelijk goed wordt ingepast. Hiermee wordt geacht dat er voldaan wordt aan de basisinspanning zoals bedoeld in het KGO beleid van de gemeente Dinkelland.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen.
Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.5) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. Het plangebied is rood omlijnd.
Figuur 3.5: Fragment casco-kaart (Bron: www.overijssel.nl/cascokaart).
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets en conclusie
Op basis van de casco-kaart blijkt dat de landschapselementen bij het plangebied onderdeel zijn van de Casco. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden er geen landschapselementen verwijderd. Geacht wordt dat een toetsing aan de casco-kaart achterwege kan blijven. Voorliggend wijzigingsplan is in overeenstemming met de nota 'De casco benadering in Noordoost Twente'.
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit:
Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort
bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:
Toets en conclusie
Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau 'Basis' heeft. De amitie bij dit niveau is het behouden van basiskarakteristieken van het landschap, een straatgerichte situering, enkelvoudige bouwmassa met eenduidige kapvorm, aansluiting bij de structuur van het gebied en sturen op donker kleurgebruik met voldoende reliëf.
Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets en conclusie
Middels dit wijzigingsplan wordt de uitbreiding van het agrarisch bouwperceel en bouwvlak aan de Molenbeekweg 4 in Saasveld mogelijk gemaakt, waardoor de initiatiefnemer een nieuwe welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal kan bouwen. De ontwikkeling staat concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch.
De voorgenomen ontwikkeling staat zowel benoemd in de C lijst als in de D lijst van het Besluit m.e.r., onder C14 en D14. Voor beide lijsten zijn er drempelwaarden vastgesteld. Voor de C lijst geldt een m.e.r. plicht indien de ontwikkeling betrekking heeft op meer dan 3.000 stuks mestvarkens of 900 stuks zeugen. In de nieuwe stal komen er 395 vleesvarkens en 285 gespeende biggen. In de huidige situatie zijn er 498 vleesvarkens vergund. Het aantal vleesvarkens neemt af, terwijl het aantal gespeende biggen toeneemt.
Per saldo is er een toename van 285 gespeende biggen. Geacht wordt dat er geen m.e.r. plicht bestaat, gezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Gekeken moet worden naar de D lijst. Wanneer de drempelwaarden van de D lijst overgeschreden worden, dan is er een m.e.r. plicht. Wanneer dat niet het geval is, volstaat een vormvrije m.e.r. beoordeling. De drempelwaarde voor de D lijst bedraagt 2.000 stuks mestvarkens, 750 stuks zeugen en 3.750 stuks gespeende biggen. Er komen 285 gespeende biggen. Dit betekent dat de drempelwaarden niet overschreden worden. De voorgenomen ontwikkeling is niet m.e.r. plichtig. Wel dient er een vormvrije m.e.r. beoordeling te worden opgesteld.
In mei 2021 heeft initiatiefnemer een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld (aanmeldnotitie m.e.r.). Deze notitie is als bijlage 2 bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Op 22 juli 2021 is door de Omgevingsdienst Twente een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Het besluit is als bijlage 3 opgenomen in het voorliggende wijzigingsplan. Volgens het besluit kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de ontwikkeling worden uitgesloten. Een milieueffectrapport is niet noodzakelijk.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (Bron: Info Mill).
Toets en conclusie
In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'buitengebied' dat gezien de heersende opvattingen onder het omgevingstype 'rustige woonwijk' gebracht kan worden. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woonfuncties en agrarische functies. Als gevolg van het plan wordt het agrarisch bouwblok vergroot, waardoor het mogelijk wordt om een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal te bouwen. Een stal is geen milieugevoelige functie, waardoor op voorhand geconcludeerd kan worden dat deze geen milieuhinder kan ondervinden van milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied (interne werking).
Voor wat betreft de stal bekeken als een milieubelastend object, dient te worden vastgesteld dat met het realiseren van de stal geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van de woonfuncties in de omgeving van het plangebied en dat de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de buurt van het plangebied niet beperkt zal worden (externe werking). Aangezien een vleesvarkensstal niet een gevoelige functie is, kan op voorhand worden geconcludeerd dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven in de buurt van het plangebied niet zal worden beperkt.
Ten aanzien van de woonfuncties geldt dat er voldoende afstand moet zijn tussen de te realiseren varkensstal en de gevoelige functie. Dit om een goede woon- en leefklimaat voor de woningen te garanderen. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geldt voor het fokken en houden van varkens de volgende richtafstanden:
Deze richtafstanden dienen minimaal behaald te worden om ter hoogte van de woonbestemmingen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Voor geur gelden de wettelijke afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij omdat sprake is van een agrarisch bedrijf in het buitengebied. Daar wordt in paragraaf 4.3 nader op ingegaan.
Voor wat betreft de overige aspecten (o.a. stof, geluid en gevaar) moet worden gemeten hoe groot de afstand is tussen de nieuwe stal en de dichtsbijzijnde gevel van een gevoelige functie in de omgeving van het plangebied. De onderlinge afstand tussen de nieuwe stal en de dichtsbijzijnde woning, die gelegen is ten noordoosten van het plangebied, bedraagt circa 170 meter. Gelet erop dat de geadviseerde richtafstanden ruimschoots behaald worden, kan geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan de geadviseerde richtafstanden vanuit Bedrijven en Milieuzonering.
Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie
Op 28 mei 2021 is door initiatiefnemer een V-STACKS berekening gemaakt om te kijken hoe hoog de geurbelasting zal zijn van de beoogde welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal ter plaatse van de omliggende woonfuncties. De berekening is als bijlage 5 bijgevoegd bij dit wijzigingsplan.
In de berekening zijn enkel de dichtstbijzijnde woningen meegenomen. Dit betreffen de woningen aan de Molenbeekweg 6 en Molenbeekweg 2 te Saasveld. De berekening laat zien dat de geurbelasting van de nieuwe stal op de woningen Molenbeekweg 6 en 2 respectievelijk 6,5 odour units per kubieke meter lucht en 3,3 odour units per kubieke meter lucht bedraagt. De wettelijke geurnorm is 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Gelet op de geurbelasting van de nieuwe stal, kan geconcludeerd worden dat de wettelijke geurnorm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht niet overschreden wordt.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets en conclusie
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er op 7 mei 2021 door Terra Agribusiness een bodemonderzoek uitgevoerd om de milieu-hygiënische bodemkwaliteit ter plaatse te onderzoeken. Dit onderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740 en is als bijlage 4 bijgevoegd bij dit wijzigingsplan. In de navolgende alinea's worden de resultaten besproken.
De onderzoekslocatie bestaat, en heeft voor zover bekend altijd uit landbouwgrond bestaan. De opdrachtgever is voornemens het bestemmingsplan te wijzigen en een nieuwe varkensschuur te bouwen.
In zowel de bovengrond (BM1 en BM2) als in de ondergrond (OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen Benzeen, Xylenen, Dichloorpropaan, Cis+trans-1,2- Dichlooretheen, 1,1-Dichlooretheen, Dichloormethaan, Tetrachloormetehaan, 1,1,1-Trichloorethaan, 1,1,2-Trichloorethaan, Tetrachlooretheen, Vinylchloride, Nikkel, Koper, Barium en Naftaleen aangetroffen.
De aangetroffen lichte verhogingen in het grondwatermonster zijn het gevolg van een verhoogde rapportagegrens. Dit komt doordat chromatografische co-elutie optreedt wanneer er twee (of meer) verbindingen chromatografisch niet te scheiden zijn vanwege het feit dat beide soorten retentietijden hebben die minder verschillen dan de resolutie van de methode.
Hierdoor zijn wel componenten zichtbaar, maar is niet duidelijk welke piek welke component is. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Toets en conclusie
In het voorliggende wijzigingsplan wordt de vergroting van het agrarisch bouwperceel en bouwvlak aan de Molenbeekweg 4 in Saasveld mogelijk gemaakt. Hierdoor kan initiatiefnemer een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal bouwen. Een stal is niet een geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder. Een toetsing aan de Wet geluidhinder kan daarom achterwege blijven.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets en conclusie
AGRARISCH
In de 'Handreiking fijnstof en veehouderijen' (VROM, mei 2010) is een vuistregel opgenomen waarmee bepaald kan worden of bij een uitbreiding van een veehouderij sprake is van NIBM (zie onderstaande tabel, gebaseerd op de 3% NIBM grens).
Figuur 4.2: Tabel NIBM bij uitbreiding van een veehouderij (Bron: ECN).
Voorliggende wijzigingsplan maakt de vergroting van het agrarisch bouwperceel en bouwvlak aan de Molenbeekweeg 4 te Saasveld mogelijk. Hierdoor kan initiatiefnemer een welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal bouwen. In de huidige situatie zijn 498 vleesvarkens vergund. Het aantal vleesvarkens wordt teruggebracht naar 398. Daarnaast komen er 285 gespeende biggen.
De totale PM10 gram per jaar voor de vleesvarkens bedraagt 76.194 (berekening: 498 vleesvarkens x 153 gram PM10/dier/jaar). Voor de gespeende biggen is dit 21.090 PM10 gram per jaar (berekening: 285 gespeende biggen x 74 gram PM10/dier/jaar). Samen komt dit neer op een totale PM10 van 97.284 PM10 gram per jaar.
De dichtstbijzijnde grens van een woonbestemming is gelegen op een afstand van circa 115 meter. Op basis van de vuistregel mag de totale emissie in gram/jaar op 100 meter 581.000 bedragen en op 120 meter 817.000 (zie figuur 4.2). De totale PM10 gram per jaar als gevolg van de ontwikkeling bedraagt 97.284 PM10 gram per jaar. Dit ligt ver beneden de genoemde drempelwaarden. Geconcludeerd kan worden dat de uitbreiding NIBM is. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Risicokaart
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets en conclusie
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart, plangebied rood gemarkeerd (Bron: Risicokaart Nederland).
Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavig wijzigingslan.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid Waterschap Vechtstromen
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Waterbeheerplan 2016-2021
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem het uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoetsproces
Op 4 mei 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 6. Door de beantwoording van de vragen is uit de watertoets naar voren gekomen dat de normale procedure gevolgd dient te worden. Dit betekent dat de RO adviseur van het waterschap betrokken moet worden. Op 4 mei 2021 is de RO adviseur van het waterschap op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Toetsing
Natuurbank Overijssel, gevestigd aan de Aladnaweg 18 in Aalten, is naar het plangebied gereisd en de locatie bekeken. Natuurbank Overijssel heeft een briefnotitie opgesteld, waarin een beoordeling is gemaakt of de voorgenomen ontwikkeling tot wettelijke consequenties zal leiden in in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. De notitie is opgenomen als Bijlage 7 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Hierna worden de conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 7.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied bestaat volledig uit intensief beheerd grasland, maar vormt geen nestplaats voor (weide)vogels. Potentiële nestplaatsen voor vogels, zoals bomen, struiken, ruigte en dichte vegetatie ontbreken in het plangebied.
Het plangebied dient wel als foerageergebied voor tal vogels die foerageren in het open agrarisch cultuurland. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als haas, vos en ree. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied en bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats.
Potentiële vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen, zoals gebouwen, andere bouwwerken en holenbomen ontbreken in het plangebied. Het plangebied wordt als een ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Mogelijk vliegen vleermuizen wel over een deel van het plangebied tijdens het foerageren rond de noordelijk en zuidelijk gelegen houtsingels. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Intensief beheerd grasland vormt geen geschikt leefgebied voor amfibieën.
Als gevolg van het bebouwen en verharden van het plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten af.
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de regels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt op minimaal 6,38 kilometer afstand van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied Lemselermaten. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden.
Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt mogelijk toe als gevolg van de exploitatie van de nieuwe varkensstal. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.
Omdat in voorliggend geval een agrarisch bedrijf wordt uitgebreid is volledigheidshalve wel een AERIUS berekening uitgevoerd om te kijken of er sprake is van een depositie van ammoniak. In de navolgende paragraaf (paragraaf 4.9.1) wordt hier nader op ingegaan.
Op korte afstand van het bedrijf bevinden zich geen gebieden die vallen onder de Wet Natuurbescherming. De wijziging heeft echter wel invloed op gebieden die verderaf liggen. Het is niet toegestaan dat er een toename is van de ammoniakdepositie op gebieden die zijn aangewezen i.h.k.v. de Wet Natuurbeheer.
Er zijn bestaande rechten opgebouwd in het kader van de Wet Natuurbescherming. Er is per saldo geen toename van de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In de AERIUS verschilberekening die als bijlage 8 is opgenomen bij dit wijzigingsplan, valt af te leiden dat er per saldo geen toename is van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied. Er is sprake van een interne saldering. In onderstaande tabel wordt de interne saldering weergegeven.
Figuur 4.4: Tabel interne saldering (Bron: initiatiefnemer).
Gelet op het feit dat het plangebied niet gelegen is binnen een NNN of een Natura 2000-gebied, niet aan te merken is als een gebied waar bedreigde dier- en/of plantensoorten aanwezig kunnen zijn en aangetoond is dat er geen nadelige stikstof/ammoniak gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
De gemeente Dinkelland heeft een archeologische verwachtingskaart die is opgesteld door het archeologisch adviesbureau RAAP, waarin voor het gehele grondgebied van de gemeente Dinkelland inzichtelijk is gemaakt waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. De kaart biedt inzicht in de bestaande archeologische toestand van zowel het landelijke als het bebouwde gebied van de gemeente Dinkelland. In figuur 4.4 is een uitsnede opgenomen van de betreffende kaart, het plangebied is globaal rood omlijnd.
Figuur 4.5: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (Bron: gemeente Dinkelland).
Toets
Uit figuur 4.5 blijkt dat het plangebied deels binnen dekzandwelvingen en -vlakten en deels binnen beekdalen en overige laagten is gelegen. Het advies is dat er een archeologisch onderzoek nodig is bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 0,40 meter. De nieuwe stal heeft een omvang van circa 710 m². Aangezien het maximum aantal oppervlakte niet wordt overschreden, wordt geacht dat er geen archeologisch onderzoek nodig is.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets
De archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland toont ook of er in een gebied cultuurhistorische elementen te vinden zijn, o.a. monumenten en andere bebouwing. Binnen het plangebied komen geen monumenten voor of andere cultuurhistorisch van belang zijnde bebouwingen. Geacht wordt dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig wijzigingsplan.
Het plangebied wordt ontsloten via de Molenbeekweg. De Molenbeekweg betreft een rustige verbindingsweg buiten stedelijk gebied met een maximumsnelheidsregime van 60 km/u. Een (beperkte) toename in de verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
De uitbreiding heeft geen invloed op het parkeren. Het parkeren blijft plaatsvinden op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van welke procedure gevolgd moet worden en hoe dat in zijn werking gaat;
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Daarnaast staan hier de regels voor het parkeren conform het facetbestemmingsplan 'parkeren Dinkelland', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland op 29 mei 2018.
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en procedureregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Bestemmingen
Agrarisch - 1
Deze bestemming is opgenomen conform de gebruikelijke bepalingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. In deze bestemming wordt er een agrarisch bouwvlak opgenomen die vergroot is, zodat de welzijnsvriendelijke vleesvarkensstal hierbinnen gebouwd kan worden. Daarnaast is de functieaanduiding 'specfieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet grondgebonden agrarisch bedrijf' opgenomen, aangezien op het agrarisch erf sprake is van een intensieve veehouderij.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit wijzigingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 3, waardoor vooroverleg niet nodig is.
Waterschap Vechtstromen
Op 4 mei 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. Uit de watertoets is naar voren gekomen dat het waterschap bij het plan betrokken moet worden, omdat de normale procedure gevolgd dient te worden. Op 4 mei 2021 is het waterschap op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling.
Het wijzigingsplan heeft met ingang van 10 december 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit wijzigingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.