direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rotonde Bisschopstraat - Bornsestraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De provincie Overijssel werkt samen met de gemeente Dinkelland aan de verbetering van de verkeersveiligheid en -afwikkeling van de N343 in en rondom de kern Weerselo. De realisatie van een rotonde in de Deurningerstraat-Lemselostraat is één van de projecten die in dit kader al is gerealiseerd.

Aan de noordzijde van Weerselo, net buiten de kern, ontsluiten de Bornsestraat en de Abdijweg op de N343 (Bisschopsstraat). Met name gedurende de ochtend- en avondspits is op de N343 sprake van een grote verkeersdrukte. Op deze momenten is de verkeersafwikkeling van de Bornsestraat en de Abdijweg op de N343 niet optimaal. Daarnaast komt het verkeer op de N343 met relatief hoge snelheid de kern Weerselo in rijden en wordt dit verkeer nauwelijks afgeremd door de bestaande verkeersmaatregelen.

Om de verkeersafwikkeling op het kruispunt te verbeteren, is het voornemen opgevat om het kruispunt te vervangen door een rotonde. Naast het voordeel van een verbeterde verkeersafwikkeling, is een rotonde ook veiliger dan een voorrangskruising. Tot slot zorgt de rotonde er mede voor dat het verkeer op de N343 met een minder hoge snelheid de kern Weerselo in komt rijden. Dit draagt bij aan de oversteekbaarheid van de N343 en daarmee de leefbaarheid van de kern Weerselo.

De aanleg van deze rotonde is niet geheel mogelijk binnen de kaders van het geldend bestemmingsplan. Om de aanleg van de rotonde mogelijk te maken, is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied betreft het kruispunt N343 (Bisschopsstraat), Bornsestraat, Abdijweg en de direct omliggende gronden. Ook een deel van de Bellinckhofweg maakt onderdeel uit van het plangebied. Kadastraal is het plangebied bekend als Weerselo, sectie T, nummers 615, 837, 864 1179, 1181, 1633, 1634, 1635, 1636, 1697 en 2270 (deels gedeeltelijk). In figuur 1.1. wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van Weerselo weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied blijkt uit de verbeelding behorende bij dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied t.o.v Weerselo (Bron: Gemeente Dinkelland)

1.3 Geldend bestemmingsplan

De vigerend bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied zijn het bestemmingsplan "Buitengebied" (1989) van de voormalige gemeente Weerselo, het bestemmingsplan "Het Stift", het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" en het bestemmingsplan "Weerselo Kern". De gronden in het plangebied kennen op basis van voornoemde bestemmingsplannen verkeersbestemmingen of agrarische gebiedsbestemmingen.

De rotonde met bijbehorende voorzieningen wordt deels gerealiseerd op gronden met een verkeersbestemming. Realisatie van de rotonde is passend binnen deze bestemming. Deels wordt de rotonde met bijbehorende voorzieningen echter ook gerealiseerd binnen de agrarische gebiedsbestemmingen, binnen deze bestemmingen is de realisatie van een dergelijke infrastructurele voorziening niet mogelijk. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Rotonde Bisschopstraat - Bornsestraat" bestaat uit de volgende stukken:

  • Regels (met bijlage);
  • Verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01)

Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave van de onderbouwing van het bestemmingsplan en bij uitleg van verbeelding en planregels.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de planbeschrijving. Hierbij komt zowel de huidige als de toekomstige situatie aan bod. Het derde hoofdstuk omvat een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid van de diverse betrokken overheden. Daarbij wordt beoordeeld of het bestemmingsplan in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals milieuzonering, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Hier wordt beschreven en verantwoord hoe hetgeen in voorliggend plan is beschreven juridisch is geregeld. Een ontwikkeling dient ook economisch uitvoerbaar te zijn, dit is het onderwerp van hoofdstuk 6. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de procedure/maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie betreft de N343 (Bisschopsstraat) een doorgaande provinciale weg met een snelheidsregime van 80 km/u. De Bornsestraat en de Abdijweg ontsluiten op deze weg waarbij geldt dat het verkeer op de N343 voorrang heeft op het verkeer op de Bornsestraat en Abdijweg. Zowel op de Bornsestraat als de Abdijweg geldt een maximum snelheid van 60 km/u. Een deel van de Bellinckhofweg maakt tevens onderdeel uit van het plangebied, deze weg ontsluit vlak voor het kruispunt op de Bornsestraat.

Op de N343 rijdt uitsluitend gemotoriseerd verkeer. De Bornsestraat wordt zowel gebruikt door gemotoriseerd verkeer als door fietsers. Hetzelfde geldt voor de Abdijweg welke parallel loopt aan de N343. Met name in de ochtend- en avondspits is de oversteek van de N343 vanaf de Bornsestraat of Abdijweg niet optimaal vanwege de verkeersdrukte op de N343.

Het verkeer dat vanaf de N343 de kern Weerselo in komt rijden wordt in het eerste deel van de kern nauwelijks geremd door de bestaande verkeersmaatregelen. Hierdoor zijn op dit deel rijsnelheden (ruim) boven de toegestane snelheid van 50 km/u niet ongewoon.

In figuur 2.1 is een luchtfoto opgenomen welke een beeld geeft van de huidige wegenstructuur in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0002.png" Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied

Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door agrarische gronden. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich het beschermd dorpsgezicht Het Stift met de daarbinnen aanwezige bebouwing en functies (hoofdzakelijk woonfuncties). Andere functies in de directe omgeving betreffen een autobedrijf, enkele (voormalige) agrarische bouwpercelen en enkele woonpercelen.

2.2 Nieuwe verkeerssituatie

De te realiseren rotonde heeft een meerledig doel. Enerzijds wordt de verkeersafwikkeling van de Bornsestraat en de Abdijweg op de N343 verbeterd door een rotonde, anderzijds is een rotonde ook veiliger dan een voorrangskruising. Onderzoek van de Stichting Wetenschappelijk onderzoek Verkeersveiligheid bevestigd dat een rotonde veiliger is dan een kruispunt. Tot slot zorgt de rotonde ervoor dat het verkeer voor het inrijden van de kern al wordt geremd waardoor in de kern sprake zal zijn van lagere rijsnelheden dan in de huidige situatie het geval is. Dit draagt bij aan de oversteekbaarheid van de N343 en daarmee de leefbaarheid van de kern Weerselo.

Het ontwerp van de rotonde is vormgegeven conform het Handboek Wegontwerp van het CROW en voldoet aan de gestelde richtlijnen. In figuur 2.2 wordt het ontwerp weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0003.png"

Figuur 2.2: Situatietekening nieuwe verkeerssituatie kruispunt Bornsestraat-Abdijweg-N343

2.3 Landschappelijke inpassing

De nieuwe rotonde wordt landschappelijk ingepast aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan. Een uitsnede van dit plan is opgenomen in figuur 2.3, tevens is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Op basis van dit plan wordt de bestaande bomenrij ten noorden van de rotonde, tussen de N343 en de Abdijweg, versterkt door de aanplant van diverse nieuwe zomereiken, gewone beuk en gewone es. Deze soorten sluiten aan bij de bestaande beplanting aan deze zijde en het landelijk gebied.

De zomereiken tussen de N343 en de Bellinckhofweg blijven behouden met het plan evenals de eiken op de hoek Bellinckhofweg-Bornsestraat. Deze bestaande groenstructuur zorgt ervoor dat de rotonde aan deze zijde al goed landschappelijk is ingepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0004.png"

Figuur 2.3: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

Op de rotonde zelf worden vijf zomereiken geplant en diverse eenstijlige meidoorns. Ten zuiden van de rotonde en richting de Bornsestraat wordt een groep zwarte populieren geplant en worden in de bermen eveneens solitaire meidoorns aangeplant. De aanplant van deze soort sluit goed aan bij de overgang van de hoger (steilrand, zie hierna) en lager gelegen delen en de aanplant op het midden van de rotonde. De bermen rondom de rotonde worden ingezaaid met een eenvoudig, middelhoog bloemrijk graslandmengsel.

Met de aanleg van de rotonde wordt de bestaande steilrand als het ware verplaatst. De nieuwe steilrand wordt beplant met streekeigen beplanting in de vorm van eenstijlige meidoorn, gewone hazelaar, gewone kamperfoelie, sleedoorn, sporkehout, wilde braam, hondsroos en gewone vlier. Het nieuwe profiel van de steilrand wordt in figuur 2.4 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0005.png"

Figuur 2.4: Principeprofiel steilrand, parallelweg (Abdijweg) en berm tussen Abdijweg en N343

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

3.1.1.1 Conclusie

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een lokale infrastructurele voorziening als een rotonde. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR gemoeid en daarmee vormt de SVIR geen belemmering voor de gewenste rotonde.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen et cetera. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

3.1.2.1 Conclusie

Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkeling mogelijk waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op het bestemmingsplan

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) opgenomen. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De Ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.

Indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' dient in het kader van de Ladder gemotiveerd te worden dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk gemaakt wordt, dient tevens gemotiveerd te worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

3.1.3.1 Conclusie

Infrastructurele voorzieningen worden niet aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Jurisprudentie (o.m. ABRvS, 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448) bevestigt dit. Gelet hierop is de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht. In de omgevingsvisie bekijkt de provincie onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang met een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. 'Rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in Overijssel zijn duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening Overijssel wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities, hanteert de provincie het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In figuur 3.1 wordt het uitvoeringsmodel schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0006.png"
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

De betreffende niveaus worden hierna kort toegelicht waarbij het plan wordt getoetst aan het betreffende niveau uit het uitvoeringsmodel.

3.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen generieke beleidskeuzes die voor heel Overijssel gelden en gebiedspecifieke beleidskeuzes die op voorhand bepaalde ontwikkelingen uitsluiten in een bepaald gebied.

Relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel zijn in dit geval artikel 2.1.3 lid 1 en artikel 2.1.5, lid 1 t/m 5. Op deze artikelen wordt hierna nader ingegaan.

Artikel 2.1.3, lid 1: (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief

Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat dit artikel bedoeld is als een nadere provinciale invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Strekking van lid 2 is dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Dit principe gaat in het voorliggende geval niet op omdat in de huidige situatie al sprake is van een kruispunt gelegen in de Groene Omgeving (buitengebied). Met het oog op een goede verkeersafwikkeling is het gewenst het kruispunt om te vormen tot een rotonde. Hierbij wordt opgemerkt dat de gronden waarop de rotonde wordt gerealiseerd, ook al grotendeels bestemd zijn voor wegen met bijbehorende voorzieningen. Het extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving is dan ook beperkt.

Artikel 2.1.5, lid 1 t/m 3 en lid 5 (Ruimtelijke kwaliteit)

  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
  • 2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.
  • 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.
  • 4. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:
      • er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en
      • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.
  • 5. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.


Toetsing van het initiatief

  • 1. In paragraaf 2.2 is het plan beschreven. Onderdeel van de ontwikkeling betreft het landschappelijke inpassen van de rotonde conform de geldende gebiedskenmerken. Naast het feit dat de verkeerssituatie verbeterd, wordt met de landschappelijke inpassing van de nieuwe rotonde ook een bijdrage geleverd aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 2.3.
  • 2. In dit hoofdstuk, en dan met name paragraaf 3.2.3, wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel;
  • 3. Voor deze motivatie wordt verwezen naar 3.2.3.2;
  • 4. Het ontwikkelingsperspectief ter plaatse biedt mogelijkheden voor een grote diversiteit aan functies waaronder een infrastructurele voorziening als een rotonde. Van een afwijking is dan ook geen sprake waardoor dit lid niet van toepassing is op dit bestemmingsplan;
  • 5. In 3.2.3.3 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering.
3.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief en geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

In figuur 3.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen met daarin weergegeven de locatie van het plangebied. De rotonde met nieuwe voorzieningen wordt geheel gerealiseerd binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Een deel van het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland', het betreft hier de bestaande weg (N343/ Bisschopstraat) waarlangs in de bermen enkele landschapsmaatregelen voorzien zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0007.png"

Figuur 3.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart (Bron: Provincie Overijssel)

'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland'

Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het realiseren van een robuust en samenhangend netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. Het accent ligt op natuur die, naast biodiversiteit, betekenis heeft voor mensen en bijdraagt aan hun welzijn en welvaart. Binnen dit ontwikkelingsperspectief is ook ruimte voor economische dragers die in harmonie met de natuur-, water- en landschappelijke kwaliteiten plaats kunnen vinden.

Toetsing van het initiatief

Zoals hiervoor aangegeven wordt de infrastructurele voorziening, de rotonde met bijbehorende voorzieningen, in zijn geheel aangelegd binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het doel van deze ontwikkeling is het bevorderen van de verkeersafwikkeling op het kruispunt Bornsestraat - Abdijweg - N343 door de realisatie van een rotonde.

Om de verkeersafwikkeling op het kruispunt te verbeteren is het voornemen opgevat om het kruispunt te vervangen door een rotonde. Naast het voordeel van een verbeterde verkeersafwikkeling, is een rotonde ook veiliger dan een voorrangskruising. Tot slot zorgt de rotonde er mede voor dat het verkeer op de N343 met een minder hoge snelheid de kern Weerselo in komt rijden. Dit draagt bij aan de oversteekbaarheid van de N343 en daarmee de leefbaarheid van de kern Weerselo. Ook andere functies binnen dit ontwikkelingsperspectief profiteren hier van mee. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, passend is binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

Op gronden in het plangebied die onderdeel uitmaken van het ontwikkelingsperspectief ' Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland' vindt een deel van de landschappelijke inpassing plaats. Deze landschappelijke inpassing is in paragraaf 2.3 uitgebreid beschreven. Hier wordt geconcludeerd dat met de uitvoering van de voorgenomen landschapsmaatregelen een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een robuust en samenhangend netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.

3.2.3.3 Gebiedskenmerken

Nieuwe ruimtelijke opgaven wil de provincie verbinden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken wordt verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

De provincie onderscheidt de gebiedskenmerken in vier lagen:

  • de natuurlijke laag;
  • de laag van het agrarisch cultuurlandschap;
  • de stedelijke laag;
  • de laag van de beleving.

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Vanouds bestaat er in de natuurlijke laag een sterke samenhang tussen het natuur- en het watersysteem: de aan- of afwezigheid van water en de kwaliteit en samenstelling ervan bepalen voor een belangrijk deel de vestiging van plant- en diersoorten. Echt natuurlijk landschap, met de oorspronkelijke vegetatie en waterhuishouding, is echter geheel verdwenen.

De provincie ziet het (beter) afstemmen van locatiekeuzen en inrichtingsopgaven op de natuurlijke laag als een duurzame strategie. Dit betekent bijvoorbeeld het intact laten of versterken van de veerkracht van het watersysteem, het voorkomen dat locatiekeuzen leiden tot wateroverlast en het behouden en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit).

Het plangebied kent op basis van de 'Natuurlijke laag' de gebiedskenmerken 'Beekdalen en natte laagtes' en 'Dekzandvlakte en ruggen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0008.png"

Figuur 3.3: Gebiedskenmerkenkaart 'Natuurlijke laag' (Bron: Provincie Overijssel)

'Beekdalen en natte laagtes'

Bij nieuwe ontwikkelingen of inrichting in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dient bijgedragen te worden aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.

'Dekzandvlakte en ruggen'

Als ontwikkelingen plaatsvinden binnen het gebiedskenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Toetsing van het initiatief

De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt vindt plaats aan de rand van het beekdal, op de overgang naar de hoger gelegen dekzandvlakte en -ruggen. De nieuwe rotonde wordt aan de hand van de gebiedskenmerken landschappelijk ingepast waarbij onder meer rekening is gehouden met de strekkingsrichting van het landschap. Voor een nadere toelichting op het planvoornemen wordt verwezen naar hoofdstuk 2. Hier wordt geconcludeerd dat het voorliggend bestemmingsplan passend is binnen de geldende gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag'.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit en beleving van het landschap.

Op basis van deze laag is het plangebied aangemerkt met de gebiedskenmerken 'Essenlandschap' en 'Oude hoevenlandschap'. In figuur 3.4 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0009.png"

Figuur 3.4: Gebiedskenmerkenkaart 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' (Bron: Provincie Overijssel)

'Essenlandschap'

De ambitie in dit gebiedskenmerk is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk

'Oude hoevenlandschap'

Nieuwe ontwikkelingen in het gebiedskenmerk 'Oude hoevenlandschap' dienen bij te dragen aan het behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.

Toetsing van het initiatief

In dit geval is sprake van een ontwikkeling op de flank van de es. De steilrand welke nog een onderdeel vormt van de es, wordt verplaatst en opnieuw ingeplant met streekeigen beplanting. De overige beplanting die wordt toegepast, betreft eveneens streekeigen beplanting. Door de bestaande groenstructuren te behouden en daar waar mogelijk en te versterken worden de dragende structuren in het landschap versterkt. Met de aanleg van de rotonde wordt in feite een bestaande infrastructurele voorziening (kruispunt) 1:1 vervangen door een nieuwe infrastructurele voorziening (rotonde). De impact op het landschap is dan ook gering en wordt in ruime mate ondervangen door de landschappelijke inpassing als beschreven in paragraaf 2.3. Gelet hierop is sprake van een ontwikkeling die past binnen de gebiedskenmerken van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.

Stedelijke laag

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

Op basis van de 'Stedelijke laag' is de bestaande infrastructuur in het plangebied aangemerkt als 'Gebiedsontsluitings- en erftoegangswegen'. In figuur 3.5 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0010.png"

Figuur 3.5: Gebiedskenmerkenkaart 'Stedelijke laag' (Bron: Provincie Overijssel)

'Gebiedsontsluitings- en erftoegangswegen'

Bij herprofilering van regionale/lokale wegen en bij nieuwe aanleg is zorgvuldige ruimtelijke inpassing van het profiel in de omgeving een vereiste. De weg voegt zich in het landschap en draagt bij aan accentuering van de kwaliteiten van het landschap. Als sprake is van een historische route draagt de vormgeving bij aan de herkenbaarheid van het historisch profiel. Aandacht voor de mix van verkeerssoorten (snel-/langzaam- en zwaar verkeer) hoort daar bij.

Toetsing van het initiatief

Voor wat betreft deze toetsing kan aangesloten worden bij de toets aan het gebiedskenmerk van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'. Geconcludeerd wordt dat dit plan past binnen het gebiedskenmerk van de 'Stedelijke laag'.

Laag van de beleving

In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving.

Op basis van de 'Laag van beleving' is het plangebied aangeduid met het gebiedskenmerk 'donkerte', in figuur 3.6 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0011.png"

Figuur 3.6: Gebiedskenmerkenkaart 'Laag van de beleving'(Bron: Provincie Overijssel)

'Donkerte'

Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. In de donkere gebieden wordt ingezet op alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Bij ontwikkelingen in het buitengebied is veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht.

Toetsing van het initiatief

In de huidige situatie zijn op het kruispunt al diverse verlichtingspunten aanwezig waardoor van een echt donker gebied niet gesproken kan worden. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid zullen ook in de nieuwe situatie verlichtingspunten geplaatst gaan worden. Het aantal verlichtingspunten zal niet meer bedragen dan noodzakelijk met het oog op verkeersveiligheid. Onnodig gebruik van kunstlicht wordt dan ook voorkomen. Gelet op het feit dat in de huidige situatie al sprake is van een verlicht kruispunt, heeft dit bestemmingsplan geen negatieve invloed op het gebiedskenmerk 'donkerte'.

3.2.4 Conclusie

Gelet op het bepaalde in deze paragraaf wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten van het provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland
3.3.1.1 Algemeen

De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2020. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland. Dinkelland wil haar kernen, haar burgers en haar bedrijven ruimte en verantwoordelijkheid geven om te werken aan een samenleving die zich kenmerkt door duurzaamheid en kwaliteit.

3.3.1.2 Hoofdkeuzes

De hoofdambitie voor Dinkelland luidt: “Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie.”

Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren, is een vijftal hoofdkeuzes opgesteld die een grote bijdrage leveren om de hoofdambitie voor Dinkelland te realiseren. Relevante hoofdkeuze betreft in dit geval hoofdkeuze 5: bevorderen bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid zijn essentiële componenten in het goed functioneren van de gemeente Dinkelland. De bevordering van de verkeersveiligheid vormt, gelet op de uitgestrektheid van Dinkelland en de toename van het aantal verkeersbewegingen binnen de gemeente en omgeving een groot aandachtspunt. Ingezet wordt op het bevorderen van de verkeersveiligheid van de kernen en het buitengebied.

3.3.1.3 Visie op hoofdlijnen Weerselo

Het plangebied ligt net buiten de kern Weerselo maar de aanleg van de rotonde is wel van belang voor de kern. Relevant onderdeel uit de visie op hoofdlijnen voor Weerselo betreft de hoofdlijn; realisatie rondweg noordoostzijde van de kern. Dit onderdeel is in zoverre relevant omdat de rotonde in feite een onderdeel was van de aanleg van de rondweg. Op verzoek van de bevolking van Weerselo is de aanleg van deze rotonde naar voren gehaald zodat op korte termijn de verkeersafwikkeling van de Bornsestraat en de Abdijweg op de N343 en daarmee de verkeersveiligheid verbetert. Ook zorgt de rotonde er mede voor dat het verkeer op de N343 met een minder hoge snelheid de kern Weerselo in komt rijden.

De rondweg Weerselo eindigt (of begint) bij de rotonde waarvoor onderhavig bestemmingsplan voor is opgesteld maar de rotonde kan, net als de rotonde in de Deurningerstraat-Lemselostraat, ook zelfstandig functioneren. Benadrukt wordt dat met dit bestemmingsplan de aanleg van de rondweg niet mogelijk wordt gemaakt. Voor de eventuele aanleg van de rondweg zal een separate procedure doorlopen moeten worden.

3.3.1.4 Thema 'Mobiliteit'

Bij het thema 'Mobiliteit' is de visie op hoofdlijnen onder meer gericht op het verbeteren van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en het versterken van de leefbaarheid. Relevante onderdelen uit deze visie in dit kader zijn:

  • Bereikbaar hoofdwegennet en parkeergebieden;
  • Verbeteren verkeersveiligheid (infrastructuur en mensgericht). De bevordering van de verkeersveiligheid vormt, gelet op de uitgestrektheid van Dinkelland, de toename van verkeersbewegingen en de signalen vanuit de Dinkellandse bevolking een belangrijk aandachtspunt;
  • Verbeteren van de leefbaarheid in het algemeen. Bij leefbaarheid gaat het om een veilige fysieke ruimte, maar ook om een geluidarme en schone fysische leefruimte. Koesteren van de landelijke fijnmazige structuur van netwerken fiets, wandelen en auto, geen grote doorgaande wegen. Dit betekent ook geen grote projecten (naast Dusinksweg en rondweg Weerselo), maar het herkenbaar en betaalbaar inrichten van de 30- en 60-gebieden.
3.3.1.5 Conclusie

De aanleg van de rotonde draagt bij aan de realisatie van de visie zoals die in de structuurvisie is neergelegd voor Weerselo. Zoals hiervoor al verwoord maakt de rotonde in feite onderdeel uit van de rondweg rondom Weerselo maar is de aanleg van deze infrastructurele voorziening op verzoek van de bevolking van Weerselo naar voren gehaald. Aanleg van de rotonde draagt bij aan de verkeersafwikkeling van de Bornsestraat en Abdijweg op de N343 en de verkeersveiligheid in algemene zin. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, in overeenstemming is met het bepaalde in de structuurvisie.

3.3.2 Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan
3.3.2.1 Algemeen

In het "Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (hierna: GVVP), vastgesteld op 25 maart 2019, komen onderwerpen aan de orde die belangrijk zijn voor een goede bereikbaarheid, een veilig verkeerssysteem, adequate parkeervoorzieningen en duurzame mobiliteit. Het GVVP is de basis voor het mobiliteitsbeleid voor de komende jaren.

De vier belangrijkste uitgangspunten voor het gemeentelijke mobiliteitsbeleid zijn:

  • A. Verkeersveiligheid: een veilige infrastructuur en veilig gedrag in het verkeer;
  • B. Bereikbaarheid: een goede bereikbaarheid van kernen, hoofdwegen en voorzieningen.
  • C. Parkeren: een adequaat parkeersysteem met voldoende ruimte voor alle gebruikers.
  • D. Duurzaamheid: mobiliteit moet duurzamer worden.

In het voorliggende geval zijn met name de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van belang. Op de relevante onderdelen uit deze onderwerpen in relatie tot dit bestemmingsplan wordt hierna ingegaan.

3.3.2.2 Verkeersveiligheid

Kruisingen verdienen bijzondere aandacht, omdat daar het risico op slachtofferongevallen groter is. Kruisingen moeten "herkenbaar" zijn voor weggebruikers: op een bepaald type weg komt de weggebruiker in principe hetzelfde soort kruisingen tegen en elke keer wordt hetzelfde voorrangsgedrag verwacht. Dat is de theorie en dat wordt nagestreefd. Als gevolg van historische situatie en eventuele ruimtelijke beperkingen komt de weggebruiker niet altijd "herkenbare" kruisingen tegen.

3.3.2.3 Bereikbaarheid

Binnen Dinkelland ligt de focus op de bereikbaarheid van de belangrijkste kernen (Denekamp, Ootmarsum, Weerselo) en de grotere bedrijventerreinen. In het algemeen is de bereikbaarheid voldoende. Grotere, belangrijkere projecten zijn onder meer de rondweg bij Weerselo en de Dusinksweg (fase II) bij Ootmarsum/Agelo (onlangs gereed gekomen). Andere projecten voor nieuwe wegen worden momenteel niet voorzien, maar mochten er ontwikkelingen komen, dan biedt het GVVP het kader voor de wijze waarop we hiermee om kunnen gaan.

Het is voor de gemeente zaak om de eigen gebiedsontsluitingswegen (de 80 km-wegen en de Scandinaviëroute) in goede en veilige staat te houden en eventueel de kans te grijpen voor verbeteringen. De gemeente waakt met name over de verkeersveiligheid op haar eigen wegennet en voert met de provincie Overijssel overleg over het provinciale wegennet en de aansluitingen van gemeentelijke wegen daarop.

3.3.2.4 Uitvoeringsplan

Het Uitvoeringsplan bevat afzonderlijke uitvoeringsplannen voor de modaliteiten en de diverse aandachtspunten. Relevante onderdelen uit het uitvoeringsplan betreffen in dit geval:

  • Met de provincie Overijssel en de samenwerkende Twentse gemeenten waken over een goed en veilig hoofdwegennet.
  • Aandacht voor de entree van de bebouwde kom: de snelheid moet voldoende geremd worden en de entree is goed herkenbaar gemaakt.
  • Verbeteren van bestaande knelpunten (van veiligheid of bereikbaarheid) op wegen door samenwerken en in overleg met andere partners.
3.3.2.5 Conclusie

De aanleg van de rotonde heeft tot doel om de verkeersafwikkeling te verbeteren. Daarnaast is een rotonde veiliger als een voorrangskruising. Voor deze ontwikkeling werkt de gemeente nauw samen met de wegbeheerder van de N343, de provincie Overijssel. Een bijkomend voordeel van de rotonde is dat deze rotonde er mede voor zorgt dat het verkeer op de N343 met een minder hoge snelheid de kern Weerselo in komt rijden. Zoals in 3.3.1.5 ook al aangegeven maakt de rotonde in principe onderdeel uit van de aanleg van de rondweg rondom Weerselo, één van de in het GVVP genoemde belangrijke projecten voor deze gemeente. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met het GVVP.

3.3.3 De casco-benadering in Noordoost-Twente
3.3.3.1 Algemeen

De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen het uitgangspunt van de casco-benadering, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek). Samen bepalen zij de ontwikkelingsrichting voor het toekomstige landschap. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het onderwerp 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel

3.3.3.2 Casco-benadering in de praktijk

De casco-benadering regelt het verwijderen en compenseren van lijnvormige landschapselementen zoals vermeld op de casco kaart. De regels van de casco-benadering gelden niet voor:

  • Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen).
  • Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen).
  • Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom.
  • Boomgaarden.
  • Bos groter dan 0,5 hectare.

Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente.

De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, te weten:

Element   Opmerking  
Elementen die tot het casco behoren   Mogen in principe niet verplaatst worden  
Elementen die niet tot het casco behoren   Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan  
Te compenseren elementen   Locaties waar initiatiefnemers de elementen heen kan verplaatsen  

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:

  • 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart.
  • 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart.
  • 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt op de casco-kaart, zo niet dan is de aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).
3.3.3.3 Casco-elementen in en rondom het plangebied

In figuur 3.7 is een uitsnede van de cascokaart opgenomen met daarin weergegeven het plangebied van dit bestemmingsplan. Zoals blijkt uit deze afbeelding bevinden zich in en rondom het plangebied diverse casco-elementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0012.png"

Figuur 3.7: Uitsnede casco-kaart met daarin weergegeven het plangebied

3.3.3.4 Conclusie

De casco-elementen die zich binnen het plangebied bevinden blijven behouden. Het casco-element tussen de N343 (Bisschopstraat) en de Abdijweg wordt versterkt door de aanplant van extra zomereiken en gewone beuken. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat dit plan in overeenstemming is met "De casco-benadering in Noordoost-Twente".

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk zijn de in dit kader relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven en onderzocht.

4.1 Geluid

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) geeft aan dat akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een weg, spoorweg of industrieterrein of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

4.1.2 Onderzoek plan
4.1.2.1 Algemeen

De aspecten industrie-en railverkeerslawaai zijn in het voorliggende geval niet van toepassing. Omdat sprake is van de reconstructie van een weg is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek is opgenomen in 4.1.2.2. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage welke is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

4.1.2.2 Akoestisch onderzoek

Het doel van het reconstructieonderzoek is het toetsen of ten gevolge van de wijziging van de N343 – Bornsestraat er sprake is van een toename van 2 dB of meer, ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de wettelijke geluidzones van de wegen. Hiervoor wordt het verschil in de geluidbelasting berekend tussen de heersende waarde 2019 (situatie voor de fysieke wijziging) en 2029 (minimaal tien jaar na fysieke wijziging of vaststelling bestemmingsplan). Indien reeds een hogere waarde is vastgesteld, moet de toename bepaald worden ten opzichte van de laagste waarde van de heersende waarde en de eerder verleende hogere waarde. Er is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder indien de geluidbelasting toeneemt met 2 dB of meer. Als er sprake is van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder worden maatregelen onderzocht om de toename van de geluidbelasting ongedaan te maken.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de 6 woningen, die binnen het onderzoeksgebied liggen, geen sprake is van reconstructie volgens de Wet geluidhinder vanwege zowel de N343 als de Bornsestraat. Daarnaast blijkt dat maatregelen niet aan de orde zijn, de grenswaarden niet worden overschreden en hogere waarden ook niet aan de orde zijn.

Ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan de ambitiewaarden uit het geluidbeleid. Uitzondering is ter plaatse de Vicarieweg 2A waar de bovengrenswaarde niet wordt overschreden.

4.1.3 Conclusie

De Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Luchtkwaliteit

4.2.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (Wm) (hoofdstuk 5 van de Wm). Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen;
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.2.1.1 Besluit en regeling Niet in betekenende mate bijdragen

In de AmvB 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).

In de regeling is tevens een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds 'niet in betekenende mate bijdragen'. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.2.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Hiertoe zijn zones ingesteld langs rijks- en provinciale wegen. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

4.2.2 Onderzoek plan

De aanleg van de rotonde leidt op zichzelf niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee niet tot een toename van NO2 of PM10 . De rotonde wordt aangelegd om met name de verkeersafwikkeling van de Bornsestraat en de Abdijweg op de N343 te verbeteren. De ontwikkeling van de rotonde met bijbehorende voorzieningen kan dan ook aangemerkt worden als een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen komen niet voor in de nabijheid van het plangebied. De aanleg van een rotonde is hierop dan ook niet van invloed.

4.2.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Externe veiligheid

4.3.1 Algemeen

Externe veiligheid gaat om het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risicoaanvaarding.

4.3.2 Onderzoek plan

De aanleg van een rotonde met bijbehorende infrastructurele voorzieningen wordt niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De N343 is wel aangewezen als een route met ontheffing waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Over deze route worden de onder meer de LPG-tankstations in o.a. Weerselo bevoorraad. Ten opzichte van de huidige situatie brengt de realisatie van een rotonde geen extra veiligheidsrisico's met zich mee.

4.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.4 Kabels en leidingen

4.4.1 Algemeen

Naast leidingen die in het kader van het aspect externe veiligheid van belang zijn, kunnen in een gebied ook kabels en leidingen voorkomen die vanuit een ander oogpunt planologisch relevant zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bovengrondse hoogspanningsleidingen. In het kader van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met dergelijke planologisch relevante leidingen.

4.4.2 Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen gelegen.

4.5 Bodem

4.5.1 Algemeen

Volgens artikel 3.1.6 van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van het plan rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.

4.5.2 Onderzoek plan

Dit bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische kaders voor de realisatie van een rotonde met bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Een dergelijke voorziening wordt niet gezien als een gevoelige functie en er is geen sprake van menselijk verblijf waarvoor vastgesteld moet worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor deze gevoelige functie. Gelet op de functie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk is.

4.5.3 Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Water

4.6.1 Watertoets

Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten.

4.6.2 Onderzoek plan
4.6.2.1 Digitale watertoets

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van toepassing is.

4.6.2.2 Wateraspecten plangebied

Met het plan wordt een kruising vervangen door een rotonde. De hoeveelheid verharding neemt door de ontwikkeling niet substantieel toe, wel is het ruimtebeslag van een rotonde groter vanwege de tussenbermen en andere groenvoorzieningen. Gevolg hiervan is dat diverse sloten verlegd worden. Zo wordt de huidige sloot langs de Abdijweg verlegd en verlengd, deels wordt een duiker toegepast, rondom de nieuwe infrastructurele voorziening. Ter hoogte van de Boerkampsmorsweg en ruim voor de Middensloot komt de verlegde sloot weer uit in de bestaande sloot.

De sloot op de hoek Bornsestraat-N343, ten zuiden van de Bornsestraat, wordt tevens verlegd in verband met de aanleg van een fietspad. De verlegde sloot komt ook ruim voor de Middensloot weer uit in de bestaande sloot.

De hoeveelheid verharding neemt ten opzichte van de huidige situatie niet substantieel toe waardoor van een extra waterbergingsopgave geen sprake is. Daarnaast zijn de nieuwe sloten verlengd en kennen deze sloten daarmee een ruimere bergingscapaciteit. Verder bieden ook de tussenbermen voldoende mogelijkheden voor de infiltratie en (tijdelijke) opvang van hemelwater.

4.6.3 Conclusie

Gelet op de wijziging waar dit plan in voorziet is geen sprake van negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

4.7 Ecologie

4.7.1 Algemeen

De bescherming van de natuur in Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt wat betreft soorten- en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige bescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

4.7.1.1 Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebied is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven als onder de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor Natura 2000-gebied geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significant negatieve effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden.

4.7.1.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Binnen dit natuurnetwerk liggen gebieden die vanwege de hoge natuurwaarden (inter)nationale bescherming genieten, waaronder de twee Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel. Naast de bestaande natuurgebieden bestaat het NNN in Overijssel ook deels uit gebieden die nog omgevormd zullen worden tot natuur. In de Omgevingsverordening Overijssel is de begrenzing van het NNN vastgelegd. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen in principe niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten.

4.7.1.3 Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wnb beschermt in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Hiertoe kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Voor alle beschermde soorten is het uitgangspunt van de soortenbescherming dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.

4.7.2 Onderzoek plan

Voor de aanleg van de rotonde met bijbehorende voorzieningen is een Quickscan Natuurwaardenonderzoek (zie bijlage 3) uitgevoerd. Tevens is een Stikstofdepositieberekening (zie bijlage 4) uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn in deze paragraaf verwerkt.

4.7.2.1 Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Lemselermaten'. De afstand van het plangebied tot dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 2 kilometer. De rotonde met bijbehorende voorzieningen leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook de verkeersstroom wijzigt niet dusdanig dat wegen dichterbij Natura 2000-gebieden komen te liggen. De nieuwe verkeerssituatie leidt na realisatie dan ook niet tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied.

Stikstofdepositieberekening

Als uitgangspunt is aangenomen dat emissies van NOx alleen plaatsvinden tijdens de aanlegfase van de rotonde. De rotonde is op zichzelf geen factor die invloed heeft op de verkeersstromen zoals die bestaan in de bestaande verkeerssituatie. De aanlegfase is daarmee de enige relevante en dus maatgevende fase.

Voor de aanleg van de rotonde met bijbehorende voorzieningen worden werktuigen ingezet die stikstofhoudende stoffen als NOx en NH3 emitteren. Hierdoor heeft het project gedurende de aanlegfase mogelijk invloed op de stikstofdepositie in de omliggende Natura-2000 gebieden wat kan leiden tot negatieve ecologische effecten. Om vast te kunnen stellen of de aanlegwerkzaamheden invloed hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden is een onderzoek uitgevoerd. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten van geluid, licht en water op voorhand worden uitgesloten. Het onderzoek richt zich dan ook uitsluitend op de stikstofdepositie gedurende de aanlegfase. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt:

De bijdrage aan de stikstofdepositie (in mol/ha/jaar) is berekend voor het natuurgebied Lemselermaten. De hoogst berekende projectbijdrage in de aanlegfase bedraagt 0,00 mol/ha/jaar. De resultaten van de berekeningen zijn ook per habitattype weergeven in bijlage II van de in bijlage 4 opgenomen stikstofdepositieberekening.

De totale emissie van NOx bedraagt 2,3 ton per jaar. Op basis van de AERIUS calculator is berekend dat deze uitstoot geen effect heeft op Natura 2000-gebieden. Derhalve hoeft voor de aanleg van de rotonde geen vergunning aangevraagd te worden en geen melding te worden gedaan in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderzoek stikstofdepositieberekening dat is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting

4.7.2.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Zoals uit figuur 4.1 blijkt is het plangebied niet is gelegen in een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Het NNN is gelegen op een afstand van circa 650 meter van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0013.png"

Figuur 4.1: Ligging plangebied t.o.v. het NNN (Bron: Provincie Overijssel)

Gelet op deze afstand en de ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN geen sprake.

4.7.2.3 Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats.

In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden moeten daarom afgestemd worden op de voortplantingsperiode van vogels.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties' (of de soort is niet beschermd). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren af. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren is niet beschermd. Omdat het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen wordt beschouwd, leidt de afname van de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet tot wettelijke consequenties.

4.7.3 Conclusie

De Wet natuurbescherming en het provinciaal natuurbeleid vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Erfgoed

4.8.1 Algemeen

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet worden zes wetten en regelingen, waaronder de Monumentenwet 1988, gebundeld in één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Sommige onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaan over naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om artikelen die betrekking hebben op beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologische monumentenzorg en handhaving.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet regelt deze wet samen met de Erfgoedwet de integrale bescherming van het cultureel erfgoed. Voor het gebouwde erfgoed betekent dit dat de aanwijzing van rijksmonumenten gebeurt op grond van de Erfgoedwet, maar de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. De aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten geschiedt straks op grond van de Omgevingswet. De wetgeving over archeologie wordt opgesplitst. De verdeling is grofweg: het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet en de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (de vergunningverlening) in de Omgevingswet.

4.8.2 Onderzoek plan
4.8.2.1 Gebouwd erfgoed

Het plangebied is onbebouwd waardoor geen sprake is van gebouwd erfgoed. In de omgeving van het plangebied bevindt zich wel het beschermd dorpsgezicht Het Stift. Een deel van het plangebied ligt binnen de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht, het betreft hier de gronden waar hoofdzakelijk de landschappelijke inpassing plaatsvindt.

In het aanwijzingsbesluit voor Het Stift is onder meer het volgende opgenomen m.b.t. de bescherming van het beschermd dorpsgezicht:

"Het Stift Weerselo" in de 12e eeuw gesticht als Benedictijner abdij, met de 14e eeuws Stiftkerk en het door enige afzonderlijke huisjes en het Storkenhuis omzoomde Stiftsplein een historische totaliteit vormt, welke door stramien, bebouwing en groenvoorziening van belang is vanwege het karakter en de schoonheid ervan."

In het bestemmingsplan dat specifiek voor Het Stift is opgesteld is ter bescherming van het dorpsgezicht een dubbelbestemming opgenomen. In deze dubbelbestemming wordt voor wat betreft de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden verwezen naar de toelichting van dat bestemmingsplan. In deze toelichting is wat betreft behoud en bescherming onder meer het volgende opgenomen:

Vanwege het historisch beeld en de schoonheid en het karakter van het geheel, is het gebied dan ook aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De begrenzing van het beschermd dorpsgezicht is zodanig gekozen, dat in het kader van deze bescherming het onbelemmerde uitzicht vanaf het Stiftsterrein op het omliggende land gewaarborgd is. De historische structuur en bebouwing zal zoveel mogelijk gehandhaafd dienen te blijven. Dit geldt ook voor de bestaande beplanting en de (zand)weggetjes).

De bestaande wegen komen door het vervangen van het kruispunt door een rotonde niet dichter bij Het Stift te liggen. Deze wegen liggen ook niet binnen het als zodanig begrensde beschermd dorpsgezicht. Uitsluitend een nieuw aan te leggen fietspad ligt voor een beperkt deel binnen het beschermd dorpsgezicht. Dit fietspad doet echter geen afbreuk aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van Het Stift.

Een beperkt deel van de landschappelijke inpassing is wel gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht. Deze landschappelijke inpassing doet echter geen afbreuk aan het beschermd dorpsgezicht maar draagt juist bij aan een verbeterde landschappelijke inpassing van de rotonde en daarmee een verbeterd zich vanuit Het Stift op de rotonde. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

Binnen het beschermd dorpsgezicht staan ook diverse rijksmonumentale panden. De aanleg van de rotonde en bijbehorende voorzieningen vindt plaats op enige afstand van deze monumentale panden en doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van deze gebouwen.

4.8.2.2 Archeologie

De gemeente Dinkelland beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van deze kaart ter hoogte van het plangebied is weergegeven in figuur 4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPROTONDEBORNST-VG01_0014.png"

Figuur 4.2: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland)

Uit de archeologische verwachtings- en advieskaart blijkt dat het plangebied deels is gelegen in een gebied aangemerkt als dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek en deels in een gebied aangemerkt als beekdalen en overige laagten. In deze gebieden geldt respectievelijk een hoge archeologische waarde en een lage archeologische waarde. In het gebied met een hoge archeologische waarde, de dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek, is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Zoals echter ook blijkt uit de kaart is dit gebied voor het overgrote deel aangemerkt als 'verstoring'. In deze verstoorde gebieden is geen archeologisch onderzoek nodig.
In het gebied met een lage archeologische verwachting, de beekdalen en overige laagten, is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Gelet op het vorenstaande is ten behoeve van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

4.8.3 Conclusie

Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.9 Beluit milieueffectrapportage

4.9.1 Algemeen

Voor bepaalde activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, kan het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk zijn. Een bestemmingsplan kan op drie manieren m.e.r.(-beoordelings)plichtig zijn. Zo ontstaat er een m.e.r.-plicht indien (1) indien voor een ontwikkeling een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 Wnb nodig is of (2) de ontwikkeling de drempelwaarden uit onderdeel C en D van de bijlage bij het besluit overschrijdt en het bestemmingsplan genoemd wordt in kolom 3. Wordt (3) het bestemmingsplan genoemd in kolom 4 van de bijlage bij het besluit en wordt de drempelwaarde uit onderdeel C overschreden dan is sprake van een m.e.r.-plicht, wordt de drempelwaarde uit onderdeel D overschreden maar de drempelwaarde uit onderdeel C niet dan is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

In gevallen kan het voorkomen dat een bestemmingsplan genoemd wordt in zowel kolom 3 als kolom 4. In dergelijke gevallen is een bestemmingsplan plan m.e.r.-plichtig als er sprake is van een kaderstellend plan waarbij de activiteiten pas kunnen worden gerealiseerd na een later te nemen m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit (dat kan een wijzigings- of uitwerkingsplan zijn, maar ook een ander besluit). Is er na het bestemmingsplan geen m.e.r.(-beoordelings)plichtig besluit meer nodig, dan voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het besluit als bedoeld in kolom 4.

Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r.

4.9.2 Onderzoek plan
4.9.2.1 Natura 2000-gebieden

In paragraaf 4.7 is al ingegaan op de effecten van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt op Natura 2000-gebieden. Uit deze paragraaf volgt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn. Het opstellen van een passende beoordeling, en daarmee een m.e.r.-plicht, als bedoeld in artikel 2.8, lid 1 van de Wnb is dan ook niet aan de orde.

4.9.2.2 Drempelwaarden

Het vervangen van een kruising bestaande uit twee wegen door een rotonde wordt niet specifiek genoemd in het Besluit m.e.r. Ook is hiermee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, uit de nota van toelichting blijkt dat het bij stedelijke ontwikkelingsprojecten immers gaat om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Het vervangen van een kruising door een rotonde kan hier niet toe gerekend worden.

4.9.3 Conclusie

De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r. Tevens is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wnb waardoor het opstellen van een MER niet noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Opzet van het plan

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld. Deze regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing en verantwoording van de opgenomen bestemmingen.

In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.

5.2 Plansystematiek

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

5.2.2 Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1):

In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten (Artikel 2):

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven van hoe de betreffende eisen voor wat betreft maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit (niet alle hierna genoemde onderdelen komen binnen elke bestemming voor):

  • Bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

  • Bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hierin vastgelegd.

  • Afwijken van de bouwregels:

Op basis van deze regel hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning op ondergeschikte punten af te wijken van de bouwregels binnen een bestemming.

  • Specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies.

  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

In de dubbelbestemming is een omgevingsvergunningsregeling opgenomen voor de gronden gelegen binnen de beschermingszone van (een) bepaalde waarde(n). Hierin worden bepaalde werken en/of werkzaamheden vergunningplichtig gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht gelden enkele nadere voorwaarden.

In paragraaf 6.3 worden de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen nader toegelicht.

5.2.4 Algemene regels

De op het plan van toepassing zijnde algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd.

In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.2.5 Overgangs- slotregels

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden.

Het legaal gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.

5.3 Bestemmingen

Hierna worden de verschillende (dubbel)bestemmingen kort toegelicht.

Agrarisch - 1 (Artikel 3)

Aan enkele gronden rondom de rotonde, gronden waar een deel van de landschappelijke inpassing plaatsvindt, is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend. Deze bestemming komt overeen met de huidige bestemming van deze gronden. De bestemming 'Agrarisch - 1' is onder meer bedoeld voor het agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, bermen en beplanting en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden, hieronder wordt tevens verstaan het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van erf- en terreinafscheidingen en ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen worden gebouwd.

Verkeer (Artikel 4)

Vanwege het toekomstig gebruik is aan de rotonde maar ook aan de daarbij behorende fietspaden, bermen en watergangen de bestemming 'Verkeer' toegekend. Deze bestemming is onder meer bedoeld voor wegen, straten en (fiets)paden, groenvoorzieningen bermen en beplanting. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan in de vorm van kunstobjecten, ten behoeve van verkeersgeleiding en wegverlichting en overige bouwwerken. Voor deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt in de regels een maximale bouwhoogte voorgeschreven.

Water (Artikel 5)

Aan de watergang Middensloot is in dit bestemmingsplan de bestemming 'Water' toegekend. Deze bestemming is onder meer bedoeld voor waterlopen en waterpartijen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Gebouwen mogen niet worden gebouwd binnen deze bestemming. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Waarde - Beschermd dorpsgezicht (Artikel 6)

Het aanwijzingsgebied van het beschermd dorpsgezicht Het Stift reikt tot in een beperkt deel van het plangebied. In paragraaf 4.8 is reeds onderbouwd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling (en landschappelijke inpassing) geen afbreuk doet aan het beschermd dorpsgezicht. Om te verzekeren dat eventueel toekomstige ontwikkelingen niet leiden tot een afbreuk aan het beschermd dorpsgezicht, is de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' opgenomen. Gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. Het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de andere bestemmingen, is uitsluitend toegestaan indien hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatie-plan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan.

Met onderhavig bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet aan de orde. Het bestemmingsplan en de daarmee gemoeide (onderzoeks)kosten komen voor rekening van de gemeente. In de gemeentelijke begroting is hier rekening mee gehouden.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

7.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.1.2 Provincie Overijssel

In samenwerking met de provincie Overijssel wordt het kruispunt N343 (Bisschopsstraat), Bornsestraat, Abdijweg vervangen door een rotonde. Voorafgaand aan de ter inzage legging van dit bestemmingsplan zijn diverse overleggen gevoerd en in overleg is het ontwerp zoals weergegeven in paragraaf 2.2 tot stand gekomen. Gelet op het feit dat de provincie in dit project een samenwerkingspartner is, hoeft geen separaat vooroverleg gevoerd te worden.

7.1.3 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap is geïnformeerd over het plan door middel van de digitale watertoets (zie ook paragraaf 4.6). Naar aanleiding van deze watertoets zijn de waterparagraaf en het ontwerp van de rotonde voorgelegd aan het waterschap. Het waterschap heeft geen noodzaak gezien om hierop te reageren.

7.2 Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, ook is dit in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze boven bedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In dit geval is ervoor gekozen om geen inspraak te verlenen door middel van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 23 augustus 2019 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er in totaal vier zienswijzen ingekomen. In de in bijlage 5 opgenomen Reactienota zienswijzen zijn de ingekomen zienswijzen samengevat en van een gemeentelijk standpunt voorzien. De ingebrachte zienswijzen hebben niet geleidt tot een wijziging van het bestemmingsplan. Wel is het ontwerp voor de rotonde gewijzigd als gevolg van één van de ingekomen zienswijzen, deze wijziging van het ontwerp is echter passend binnen de kaders van het ontwerpbestemmingsplan. Als gevolg van een ambtshalve wijziging in het ontwerp voor de rotonde, zijn de toelichting en de verbeelding van dit plan wel gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van de Reactienota zienswijzen.

7.4 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.