| Plan: | Buitengebied, Laagsestraat ongenummerd |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPLAAGSESTRTONG-0401 |
Aan de Laagsestraat te Oud Ootmarsum, kadastraal bekend: Denekamp, sectie A, nr. 4199 (verder benoemd als Laagsestraat), wordt een woningbouwkavel gerealiseerd. Realisatie vindt plaats door gebruik te maken van de ‘Rood voor Rood-regeling’. Ter compensatie van de realisatie van de bouwkavel, worden landschapsontsierende schuren gesloopt op de locaties Schaapskooiweg 9 te Hezingen en Ramhinneweg 3 te Geesteren. De totaal te slopen oppervlakte bedraagt 1081 m2. Daarnaast wordt een landschapsontsierende schuur (van 224 m2) aan de Ramhinneweg esthetisch verbeterd en worden de drie betrokken erven landschappelijk ingepast.
Aangezien de ontwikkeling aan de Laagsestraat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, moet een bestemmingsplanherziening plaatsvinden. Hiertoe is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Het erf Ramhinneweg 3 (gelegen in de gemeente Tubbergen) heeft nog een agrarische bestemming. Deze bestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming. Het wijzigingsplan hiervoor, zal door de gemeente Tubbergen in procedure worden gebracht. Het erf aan de Schaapskooiweg 9 heeft reeds een woonbestemming.
De projectlocatie Laagsestraat ligt in het buurtschap Oud Ootmarsum, ten noorden van de kern Ootmarsum (zie afbeelding 1). Er is hier sprake van lintbebouwing, met voornamelijk burgerwoningen.
Afbeelding 1: Ligging projectlocatie Laagsestraat (met rode pijl) ten opzichte van de omgeving (bron: Google maps).
In afbeelding 2 is de begrenzing van het projectgebied aan de Laagsestraat (gemeente Dinkelland) weergegeven (met rode lijn). Het betreffende perceel is een door uitgegroeide sparren omsloten plek met een verwilderde uitstraling.
Afbeelding 2: Begrenzing projectgebied Laagsestraat (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
De locatie Ramhinneweg 3 in Geesteren (gemeente Tubbergen) ligt in het buitengebied, ten noorden van de kern Geesteren (zie afbeelding 3). Op deze locatie wordt een landschapsontsierende schuur met een oppervlakte van 289 m2 gesloopt. Daarnaast wordt één landschapsontsierende schuur van 224 m2 esthetisch verbeterd.
Afbeelding 3: Ligging slooplocatie Ramhinneweg 3 (met rode pijl) ten opzichte van de omgeving (bron: Google maps).
De locatie Schaapskooiweg 9 in Hezingen (gemeente Tubbergen) ligt in het buitengebied, ten noordoosten van de kern Vasse (zie afbeelding 4). Het erf ligt in Natura 2000-gebied. Op de locatie Schaapskooiweg 9 wordt 792 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Daarnaast wordt een kapschuur van maximaal 200 m2 teruggebouwd.
Afbeelding 4: Ligging slooplocatie Schaapskooiweg 9 (met rode pijl) ten opzichte van de omgeving (bron: Google maps).
Het erf en de omliggende gronden aan de projectlocatie Laagsestraat maakt onderdeel uit van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' van de gemeente Dinkelland (vastgesteld op 18 februari 2010 en op 20 april 2012 onherroepelijk geworden). Het erf heeft in dit bestemmingsplan al de enkelbestemming 'Wonen'. Daarnaast geldt de bouwaanduiding 'twee-aaneen'. Het realiseren van een nieuwe woning past niet binnen de bijbehorende bestemmingsplanregels, omdat alleen ter plaatse van de situering van de bestaande woningen mag worden gebouwd (één per bestemmingvlak (tenzij twee-aaneen)). Voor de realisatie van een nieuwe woning, moet het bestemmingsplan worden herzien. In afbeelding 5 is een uitsnede van de verbeelding van het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' opgenomen.
Afbeelding 5: Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Buitengebied 2010.
Het erf Ramhinneweg 3 (gelegen in de gemeente Tubbergen) heeft nog een agrarische bestemming. Deze bestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming. Het wijzigingsplan hiervoor, zal door de gemeente Tubbergen in procedure worden gebracht. Het erf aan de Schaapskooiweg 9 heeft reeds een woonbestemming.
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Laagsestraat ongenummerd' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het plangebied weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van de voorliggende toelichting.
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit een zevental hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. De randvoorwaarden die hieruit volgen worden getoetst aan het plan. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het projectgebied en de directe omgeving aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een korte toelichting gegeven van de juridische aspecten en planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het projectgebied weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van de voorliggende toelichting.
Laagsestraat
Het erf aan de Laagsestraat in Oud Ootmarsum ligt in de lintbebouwing. De bebouwing concentreert zich aan weerszijden van de weg. De omliggende woningen hebben een landelijk karakter op vrij ruime percelen. Het betreffende erf is een door uitgegroeide sparren omsloten plek met een verwilderde uitstraling. Aan de westzijde van het erf ligt agrarisch gebied. Hier bevindt zich een es die zich heeft ontwikkeld op de hogere gronden. Ten oosten liggen lager gelegen gebieden. Afbeelding 6 betreft een luchtfoto van de projectlocatie aan de Laagsestraat. Afbeeldingen 7 en 8 betreffen foto's die de huidige situatie ter plekke weergeven.
Afbeelding 6: Luchtfoto erf Laagsestraat
Afbeelding 7: Foto van het zicht vanaf de wegzijde, projectlocatie Laagsestraat
Afbeelding 8: Foto van de huidige ruigte op de projectlocatie Laagsestraat
Ramhinneweg 3
De locatie Ramhinneweg 3 in Geesteren ligt in het buitengebied, ten noorden van de kern Geesteren (gemeente Tubbergen). Op deze locatie wordt een landschapsontsierende schuur met een oppervlakte van 289 m2 gesloopt (zie afbeeldingen 9 en 10). Daarnaast wordt één landschapsontsierende schuur van 224 m2 esthetisch verbeterd.
Afbeelding 9: Luchtfoto erf Ramhinneweg 3, met aangegeven de te behouden en de te slopen bebouwing
Afbeelding 10: Foto landschapsontsierende schuren Ramhinneweg 3
Schaapskooiweg 9
Op de locatie Schaapskooiweg 9 in Hezingen (gemeente Tubbergen) wordt 792 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt (zie afbeeldingen 11 en 12). Daarnaast wordt een kapschuur van maximaal 200 m2 teruggebouwd. Het gehele erf wordt daarbij landschappelijk ingepast.
Afbeelding 11: Luchtfoto erf Schaapskooiweg 9, met aangegeven de te behouden woning (zwart), de nieuw te bouwen schuur (groen) en de te slopen bebouwing (rood)
Afbeelding 12: Foto vervallen landschapsontsierende bebouwing Schaapskooiweg 9
In deze paragraaf wordt een beknopte beschrijving gegeven van de inrichtingsplannen voor de drie betrokken locaties. In Bijlage 1 van de regels is het Rood voor Rood-rapport' opgenomen, die de voorgenomen ontwikkelingen uitgebreid beschrijft. Hier zit ook een onderbouwing en een uitwerking van de inrichtingsplannen in opgenomen.
Inrichtingsplan Laagsestraat
Voor het nieuwe woonerf aan de Laagsestraat worden een aantal inrichtingsmaatregelen genomen, om een goede ruimtelijke kwaliteit te waarborgen (zie afbeelding 13). De rommelige uitstraling van de huidige locatie wordt in ieder geval verbeterd doordat de rommel wordt opgeruimd en de (naald)bomen worden verwijderd. Ook wordt de aanwezige vijver gedempt. De nieuwe woning met het bijgebouw wordt aan de noordkant van het erf gesitueerd, vanwege de situering ten opzichte van de zon. Een zichtlijn richting de achterliggende gronden blijft behouden.
Erfensemble
Door de situering van de woning en het bijgebouw aan de noordkant van het erf houden de toekomstige bewoners nog een goed te benutten buitenruimte over. Door de rooilijn van de omliggende woningen aan te houden wordt aangesloten bij de omgeving. De plaatsing van de woning met de nok richting de weg draagt hier ook aan bij. Door het hoofd- en bijgebouw te schakelen blijft meer buitenruimte over.
Scheiding met naastgelegen erven
Door de erfgrens aan te zetten met een heg, met daarin enkele te behouden dan wel enkele nieuwe bomen, blijft het geheel een groen karakter houden. Ook ontstaat zo meer privacy.
Haag
Aan de voorzijde wordt een heg geplant, passend in de omgeving .
Boomgroep als accent
Als accent wordt op het voorerf een boomgroep geplant. Naar gelang de wens van de toekomstige bewoners kunnen dit fruitbomen zijn of andere minder algemene soorten.
Afbeelding 13: Weergave inrichtingsplan Laagsestraat
Inrichtingsplan Ramhinneweg 3
Op het erf aan de Ramhinneweg 3 wordt een bestaande schuur verwijderd en een andere bestaande schuur esthetisch verbeterd. Het gebied was vroeger meer omsloten. De singel ten oosten van het erf, die langs een sloot staat, wordt daarom versterkt. Dit draagt bij aan de leesbaarheid van het landschap en de ecologische potentie van het erf. Als impuls in het landschap wordt de nieuwe schuur ingepast met een aanvulling op het bestaande erfbos (zie afbeelding 14).
Te verwijderen schuur
De landschapsontsierende schuur van 289 m2 wordt verwijderd. De vrijkomende locatie wordt ingezaaid met gras ten behoeve van het hobbyvee dat de familie ter plekke houdt. De erfverharding wordt aan de nieuwe situatie aangepast.
Te verbeteren schuur
Er blijft een schuur van 224 m2 behouden. Deze schuur is functioneel, staat op een goede plek en kan landschappelijk goed worden ingepast. De schuur wordt esthetisch verbeterd. Deze krijgt een bij de omgeving passende uitstraling. De schuur krijgt onder andere houten zwarte douglas planken en een nieuw dak met golfplaten.
Versterken singel
De bestaande singel aan de oostkant van het erf, die langs een sloot loopt, wordt versterkt en verbreed. Het gaat om een lengte van circa 150 meter. Momenteel bestaat deze uit een enkele rij van met name elzen. Door een bredere strook van circa vier tot zes meter uit te rasteren en in te planten met enkele bomen en heesters wordt de singel in ere hersteld. Daarnaast zorgt de singel voor meer privacy en minder zicht op het erf van buitenaf.
Uitbreiding erfbos
Ten behoeve van de inpassing van de nieuwe schuur wordt het bestaande erfbos uitgebreid. Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde boomsoort (zomereik) als het bestaande bos.
Afbeelding 14: Weergave inrichtingsplan Ramhinneweg 3
Inrichtingsplan Schaapskooiweg 9
De landschapsontsierende en vervallen schuren ten noorden van dit erf worden opgeruimd. Dit is al een hele verbetering. Het zicht op het achtergelegen land wordt hierdoor enorm verbeterd. Zowel voor de bewoners als voor recreanten en voorbijgangers. De oostkant van het erf bestaat uit een rommelige bosschage. Zelfs in een gebied met veel natuur in de omgeving heeft het een verrommelend effect. Daarom wordt het opgeruimd en opnieuw ingericht passend bij de open ruimte die de Schaapskooiweg doorsnijdt (zie afbeelding 15).
Achtererf
De na sloop vrijkomende grond wordt ingezaaid met gras en er wordt een fruitgaard aangeplant. Ter plekke van het bosje worden een drietal walnoten geplant. Op de grens van erf en landschap worden enkele solitairen aangeplant om het onderscheid tussen beide te duiden, zonder het zicht er op te beperken.
Nieuw bijgebouw
Om materiaal en materieel te kunnen stallen wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd op het erf. De architectuur zal aansluiten op die van de bestaande woning.
Singels
De singel aan de oostkant van het erf wordt opgeschoond ten behoeve van behoud van de kwalitatief betere bomen. Langs de zuidgrens wordt de houtwal die elders langs de Schaapskooiweg loopt voortgezet.
Afbeelding 15: Weergave inrichtingsplan Schaapskooiweg 9
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In 2012 is deze visie officieel in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 13 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken. Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld.
Het onderhavige plan maakt geen inbreuk op de nationale belangen, zoals in de SVIR benoemd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.
Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken:
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van het de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen.
De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In het voorliggende plan worden voormalige bedrijfsgebouwen op twee locaties gesloopt, en wordt in de lintbebouwing aan de Laagsestraat ter compensatie een nieuwe woningbouwkavel ontwikkeld. Dit betreft een dermate kleinschalig plan dat hier geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling', in de zin van de Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk.
Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.
De voorgenomen ontwikkelingen voldoen aan de SVIR en het Barro. Vanuit de SVIR en de Barro gelden geen randvoorwaarden of uitgangspunten die rechtstreeks doorwerken op het voorgenomen plan.
Omgevingsvisie- en verordening Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en vervoerplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan bundelt tot één document. Het plan is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden. De twee grote thema's van de Omgevingsvisie zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Deze thema's zijn in de Omgevingsverordening in definities verankerd. De definitie van duurzaamheid luidt: "duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte aan de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien". Duurzaamheid vraagt om een transparante afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. De definitie van ruimtelijke kwaliteit luidt: "het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is". Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen. De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen.
De provincie heeft een hoofdambitie, zorgen voor een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met daarbij een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
Actualisatie Omgevingsvisie- en verordening
Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld, evenals de actualisatie van de verordening. Daarmee staat onder andere ook de herbegrenzing van de EHS vast. Binnen de begrenzing van de EHS heeft de provincie de gronden opgenomen die nodig zijn om de doelen te halen voor Natura 2000. Een deel van de doelen wordt bereikt via Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De PAS wordt wettelijk geregeld en is bedoeld om Natura 2000-doelen veilig te stellen én ruimte te maken voor nieuwe economische activiteiten. Voor de begrenzing van de ontwikkelopgave Natura 2000 heeft de provincie gebiedsdocumenten en maatregelkaarten laten opstellen. De provincie maakt samen met haar partners een uitvoeringsplan voor de realisatie van maatregelen voor Natura 2000 en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Voor het realiseren van de EHS en de Ontwikkelopgave Natura 2000 en PAS zijn landbouwgronden nodig. Deze gronden worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe natuur of om maatregelen te nemen voor de naastgelegen natuurgebieden. Deze maatregelen zorgen veelal voor vernatting van de gronden en/of hebben betrekking op minder of geen bemesting. Hierdoor worden deze gebieden minder of ongeschikt voor de landbouw.
Het voorliggende plan betreft een plan op erfniveau, waarbij schuren worden gesloopt en één nieuwe woningbouwkavel wordt ontwikkeld. Dit plan heeft geen negatief effect op natuurwaarden. Zie hiertoe ook paragraaf 4.2.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Door de Omgevingsvisie is het eerdere detailkader, zoals o.a. 'Rood voor Rood', 'Rood voor Groen' en 'Nieuwe landgoederen' vervallen en is er een nieuw document opgesteld: de 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' (KGO). KGO is vastgelegd in de provinciale verordening (artikel 2.1.6). De KGO gaat er vanuit dat er ruimte is voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe functies in het buitengebied, uitsluitend indien hier sociaal economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn en er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Het voorliggende plan betreft een plan waarbij 1081 m2 aan landschapsontsierende agrarische schuren worden gesloopt. Dit betreft onder andere de locatie aan de Schaapskooiweg 9, welke is gelegen in Natura 2000-gebied. Ter compensatie wordt één woningbouwkavel gerealiseerd in de lintbebouwing van Oud Ootmarsum en worden de betrokken erven landschappelijk ingepast. De ruimtelijke ontwikkeling is 'met gesloten beurs'. Dit betekent dat de opbrengst van de te realiseren woningbouwkavel, wordt geinvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Het plan behelst geen verlies aan ecologische en landschappelijke waarden, maar juist een aanmerkelijke winst. De kwaliteitseisen uit het opgestelde inrichtingsplan (zie Bijlage 1 van de regels) zijn daarbij vastgelegd in dit bestemmingsplan. Hiermee voldoet het plan aan het KGO-beleid, zoals vastgelegd in artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om de opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities van de provincie waar te maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie verschillende niveaus. Aan de hand van deze drie niveaus kan worden bepaald of er een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de Omgevingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De volgende niveaus komen aan de orde.
1. Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de EU, Rijk of de provincie. Deze keuzes kunnen bepalen of ontwikkelingen mogelijk zijn of niet. Het uitvoeringsmodel vraagt bij nieuwe ontwikkelingen dus eerst te kijken naar het niveau van generieke beleidskeuzes. Hierbij gaat het om de normen van de SER-ladder, de EHS, externe veiligheid, ligging in het grondwaterbeschermingsgebied, waterveiligheid etc. Geconstateerd wordt dat het voorliggende plan aangaande deze generieke beleidskeuzes niet op belemmeringen stuit. Het erf aan de Schaapskooiweg 9 ligt wel in Natura 2000-gebied en EHS-gebied. Hier wordt echter een grote, agrarische landschapsontsierende schuur gesloopt, en een veel kleinere kapschuur terug gebouwd. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast. Dit plan heeft daarmee geen negatief effect op natuurwaarden (zie hiertoe ook paragraaf 4.2).
2. Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie vormgegeven. Het projectgebied aan de Laagsestraat ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Stedelijke omgeving, woonwijk' (zie afbeelding 16).
Afbeelding 16: Uitsnede kaart ontwikkelingsperspectieven omgevingsvisie provincie Overijssel, ter hoogte van de projectlocatie aan de Laagsestraat
In de stedelijke omgeving is de uitdaging om de economische centra bereikbaar te houden en door herstructurering de kwaliteit van de woonomgevingen en bedrijfslocaties te vergroten. In het voorliggende plan wordt aan de Laagsestraat een woning toegevoegd aan de bestaande lintbebouwing. Deze voorgenomen ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief.
De slooplocatie Raminneweg 3 ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Buitengebied, accent productie'. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling hier geen omliggende agrarische bedrijven beperkt, verzet dit ontwikkelingsperspectief zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling.
De slooplocatie aan de Schaapskooiweg 9 ligt in het ontwikkelingsperspectief ‘Ecologische hoofdstructuur: uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000’ en 'Ecologische Hoofdstructuur'. De sloop van een grote landschapontsierende schuur, en het landschappelijk inpassen van dit erf, past binnen dit ontwikkelingsperspectief.
3. Gebiedskenmerken
In het provinciale beleid zijn voor alle gebieden gebiedskenmerken aangegeven. Het beleid voor deze gebiedskenmerken is vastgelegd in artikel 2.1.5 van de provinciale verordening. Hierin is bepaald dat inzichtelijk moet worden gemaakt dat voldaan wordt aan dit beleid. Wanneer in het beleid normerende uitspraken worden gedaan, voorziet het bestemmingsplan (voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen) in een bestemmingsplanregeling conform deze normerende uitspraken. Wanneer in het beleid richtinggevende uitspraken worden gedaan, voorziet het bestemmingsplan (voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen) in een bestemmingsplanregeling conform deze richtinggevende uitspraken. De gebiedskenmerken zijn opgenomen in verschillende lagen; de natuurlijke laag, de agrarische cultuur laag, de stedelijke laag en de lust- en leisurelaag. Op basis van deze kenmerken is er ingezoomd op het projectgebied en gekeken welke specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven (normerend en richtinggevend) voor ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing zijn.
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische en biotische processen inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Van oudsher bestaat er een sterke samenhang tussen het natuur- en watersysteem. Vervolgens heeft de natuurlijke laag plek en betekenis gekregen in het menselijke occupatieproces. Lange tijd is de natuurlijke laag sturend geweest voor een groot deel van de ruimtelijke ontwikkelingen. Mensen vestigden zich op de droge plekken en wegen werden aangelegd bij goed doorwaadbare plekken in de beek. Pas de laatste eeuw is deze samenhang door technische mogelijkheden verminderd en zijn de kwaliteiten van de natuurlijke laag aangetast. Het beter afstemmen van de ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag, kan voorkomen en er voor zorgen dat natuurlijke kwaliteiten weer medebepalend worden. Het plangebied aan de Laagsestraat is gelegen in een zandgebied, stuwwallen (zie afbeelding 17).
Afbeelding 17: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart Omgevingsvisie Provincie Overijssel, kaartlaag
'natuurlijke laag'.
De stuwwallen bestaan uit aardlagen die tijdens de ijstijd zijn opgestuwd. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog goed zichtbaar. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ingangen van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwwallen voor een groot deel uit tertiaire klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwallen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accentueren en door de zichten erop en er vanaf te versterken. Uitgangspunten vanuit de natuurlijke laag zijn:
Normerend
In het voorliggende plan aan de Laagsestraat wordt het huidige reliëf niet aangetast. Zo blijft de es, gelegen aan de westzijde van het plangebied, intact. Het inrichtingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
Richtinggevend
In het voorliggende plan iaan de Laagsestraat wordt de rommel wordt opgeruimd en de (naald)bomen worden verwijderd. Hierdoor ontsaat weer meer zicht op het achterliggende landschap, waaronder de es.
De slooplocaties Ramhinneweg 3 en Schaapskooiweg 9 liggen in respectievelijk dekzandvlakte-gebied en stuwwallen-gebied. Bij de opgestelde inrichtingsplannen (zie het Rood voor Rood-rapport welke is opgenomen in Bijlage 1 van de regels) is rekening gehouden met de uitgangspunten die hier gelden.
Laag agrarische cultuurlandschap
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen, daardoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan. Afhankelijk van de stand van de techniek en de beschikbaarheid van meststoffen is door de eeuwen heen een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing gegroeid. Dit verschil in tijd geeft mede richting aan de ontwikkeling van deze gebieden. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen: de es, de flank en het beekdal. Het projectgebied aan de Laagsestraat ligt in 'bebouwd gebied' (zie afbeelding 18), grenzend aan het 'essenlandschap'.
Afbeelding 18: Uitsnede gebiedskenmerkenkaart Omgevingsvisie Provincie Overijssel, kaartlaag
'agrarisch cultuurlandschap'.
Het 'essenlandschap' bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten- en fliergronden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest - heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element. Het betreffen grote erven, met grove volumes en zware beplantingen. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt.
Normerend:
In het voorliggende plan aan de Laagsestraat wordt het huidige reliëf niet aangetast. Zo blijft de es, gelegen aan de westzijde van het plangebied, intact. Door het toepassen van passende, inheemse beplanting in dit gebied wordt het verschil in vegetatie dat hier van nature zou ontstaan versneld gerealiseerd. Dit zorgt voor behoud van de leesbaarheid van het landschap en het verschil in hoog en laag. De inrichtingseisen uit het inrichtingsplan zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
Richtinggevend:
De voorgenomen ontwikkeling aan de Laagsestraat vindt plaats binnen de contouren van de aanwezige lintbebouwing.
De slooplocaties Ramhinneweg 3 en Schaapskooiweg 9 liggen in respectievelijk 'oude hoevenlandschap' en 'jonge heide- en broekontginningslandschap' . Bij de opgestelde inrichtingsplannen (zie het Rood voor Rood-rapport welke is opgenomen in Bijlage 1 van de regels) is rekening gehouden met de uitgangspunten die hier gelden.
Stedelijke laag
In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen. Daarbij wordt kwaliteit, eigenheid en onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker.
Het projectgebied aan de Laagsestraat is aangewezen als naoorlogse woonwijken. Hier voegt bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
(Voormalige) agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft. De opbouw, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landsschap besloten liggen. Bij de transformatie van erven in het landelijk gebied vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. De ambitie is de erven levend te houden, verbonden met het landschap. Uitgangspunten vanuit de stedelijke laag met betrekking tot de erven aan de Ramhinneweg 3 en de Schaapskooiweg 9:
Met de uitgangspunten is waar mogelijk rekening gehouden in het Rood voor Rood-rapport welke is opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Zo wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd (landschappelijk inpassing en sloop landschapsontsierende schuren), wordt de nieuwe bebouwing aan de Laagsestraat ingepast in de bestaande lintbebouwing en worden de betrokken erven gekoppeld aan het landschap.
Lust- en leisurelaag
De lust- en leisurelaag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De lust- en leisurelaag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken, en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevingsaspect en identiteit worden steeds belangrijker pijlers van ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De Lust- en leisurelaag heeft geen directe invloed op het voorgenomen plan, behalve dat de locaties aan de Laagsestraat en de Schaapskooiweg 9 in dokertegebied liggen. In deze gebieden moet spaarzaam met verlichting worden omgegaan. In de voorliggende plannen is geen aanmerkelijke toename van verlichting voorzien.
Conclusie gebiedskenmerken
In het Rood voor Rood-rapport (zie Bijlage 1 van de regels) is rekening gehouden met de uitgangspunten die voortkomen uit de geldende gebiedskenmerken. De inrichting van de betrokken plangebieden draagt bij aan het herstellen van karakteristieken en de schaal van het landschap.
Conclusie provinciaal beleid
Het voorliggende ruimtelijke plan past binnen het provinciale beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale verordening. Het plan past binnen het geldende ontwikkelingsperspectieven en is uitgewerkt op basis van de gebiedskenmerken.
De Structuurvisie gemeente Dinkelland (gewijzigd vastgesteld op 10 september 2013) bevat een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2020. Voor de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied staat Dinkelland o.a. voor een duurzame ontwikkeling van haar grondgebied met respect voor het natuurlijke en culturele erfgoed. De komende jaren moet er concreet gewerkt worden aan de handhaving en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Er zullen nieuwe vormen van landschapsbeheer worden ontwikkeld als alternatief voor het teruglopende beheer door agrarische ondernemers. Vestiging in het buitengebied betekent medeverantwoordelijkheid dragen voor een goed beheer van het buitengebied.
Het voorliggende plan sluit aan op de genoemde doelstellingen. De toekomstige eigenaren van de gronden moeten medeverantwoordelijkheid dragen voor een goed beheer. In de regels van dit bestemmingsplan is dan ook een voorwaardelijke verplichting op genomen waarin is bepaald dat de te realiseren landschappelijke inrichting in stand gehouden moet worden.
De projectlocatie aan de Laagsestraat ligt daarbij in een gebied welke in de structuurvisie is aangewezen als 'Deelgebied 1 Midden'. Het accent ligt hier o.a. op natuur en landschap in verband met de ligging van de Ecologische Hoofdstructuur, Natura 2000-gebieden, de stuwwallen en de natuurlijke bronnen. Daarnaast ligt het accent ook op het herstel van de beekdalenstructuur. Het voorliggende plan past binnen de doelstellingen voor dit deelgebied.
In de structuurvisie is de mogelijkheid van functieverandering in het buitengebied (zoals opgenomen in bijvoorbeeld de 'Rood voor Rood-regeling') opgenomen.
Het voorliggende plan past daarmee binnen de kaders zoals zijn weergegeven in de Structuurvisie Dinkelland.
De gemeente Tubbergen heeft 'Rood voor Rood-beleid' opgesteld. Dit (aangepaste) beleid is vastgesteld op 15 december 2014. Het voorliggende plan (zie Bijlage 1 van de regels) is opgesteld op basis van dit 'Rood voor Rood-beleid' van de gemeente Tubbergen. Het hoofddoel van de beleidsnotitie is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. De realisatie van dit doel vindt plaats door de sloop van landschapsontsierende voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en door overige verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Om de realisatie mogelijk te maken mogen op planologisch verantwoorde locaties één of meerdere woningen worden gebouwd. Uitgangspunt is dat uit de opbrengsten van de bouwkavel(s), de sloopkosten en andere investeringen in de ruimtelijke kwaliteit worden bekostigd. De initiatiefnemer mag 30% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de te slopen bebouwing behouden. Uitgangspunt is daarbij dat minimaal 1000 m2 aan landschapsontsierende voormalige agrarische schuren wordt gesloopt. Wanneer er een veelvoud wordt gesloopt, en het voor het afdekken van de sloopkosten en 30% van de gecorrigeerde vervangingswaarde noodzakelijk is, kan er een tweede bouwkavel worden verkregen. Het specifieke 'Rood voor Rood-beleid' bevat daarbij nog veel andere voorwaarden. Zo moet bijvoorbeeld in principe worden teruggebouwd op dezelfde locatie.
Het voorgenomen plan voldoet aan het 'Rood voor Rood-beleid'. Er wordt op twee locaties 1081 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt, waarvoor ter compensatie een woningbouwkavel wordt gerealiseerd. Alle landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt, inclusief sleufsilo's, erfverharding etc. Eén schuur, aan de Ramhinneweg 3, blijft behouden en wordt esthetisch verbeterd.
De nieuwe woningbouwkavel worden gerealiseerd, op een planologisch verantwoorde locatie, binnen de lintbebouwing van Oud Ootmarsum in de gemeente Dinkelland. Het realiseren van een compensatiekavel op het erf aan de Ramhinneweg 3 is niet gewenst, aangezien deze locatie in 'Landbouwontwikkelingsgebied' ligt. Binnen dit gebied is ruimte voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. Door het toeveogen van extra burgerwoningen kunnen hier tegenstrijdige belangen ontstaan tussen een goed woon- en leefklimaat enerzijds en de belangen van agrarische bedrijven anderzijds. Het realiseren van een comensatiekavel aan de Schaapskooiweg 9 is ook niet gewenst. Dit erf ligt in Natura 2000-gebied (Springendal / Dal van de Mosbeek). Hier is het overheidsbeleid gericht op de ontwikkeling en bescherming van natuur.
Er wordt op alle drie de betrokken locaties voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Tot slot vindt de gehele ontwikkeling plaats met 'gesloten beurs'. Zie hiertoe de financiële onderbouwing zoals opgenomen in het Rood voor Rood-rapport (zie Bijlage 1 van de regels).
Het voorgenomen plan past daarmee binnen het 'Rood voor Rood-beleid' van de gemeente Tubbergen. De gemeente Dinkelland heeft daarnaast ingestemd met het realiseren van de compensatiekavel op haar grondgebied. Ook past het plan binnen het geldende 'Rood voor Rood-beleid' van de gemeente Dinkelland (waar de compensatiekavel wordt gerealiseerd). Het 'Rood voor Rood-beleid' van de gemeente Dinkelland komt, betreffende de relevante onderdelen, overeen met het beleid in Tubbergen.
Het Landschapsontwikkelingsplan Dinkelland (LOP) is vastgesteld op 2 september 2008. In het LOP is weergegeven dat het projectgebied aan de Laagsestraat in het essenlandschap ligt. Het landschappelijk streefbeeld hier is een agrarisch cultuurlandschap dat gekenmerkt wordt door een rijke, kleinschalige verweving van groenstructuren en paden. Op de overgang van de open essen en kampen op de hogere delen naar de lagere delen, ligt een compositie van landschapelementen (zoals houtwallen, singels en geriefhoutbosjes) en verspreide erven in Twentse stijl. Hier worden kleinschalige ontwikkelingen van wonen, recreatie en groen gestimuleerd. Het voorligggende plan sluit hier op aan.
Alterra heeft voor de gemeenten in Noordoost-Twente een generieke methode beschreven om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en de uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost-Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven.
In de praktijk werkt de casco-benadering met het principe dat landschapselementen die tot het casco behoren niet verplaatst mogen worden. De landschapselementen buiten het casco mogen wel worden verplaatst, mits voldaan is aan de spelregels voor compensatie.
Aan de Laagsestraat bevinden zich geen landschapselementen die onderdeel uitmaken van het casco en die worden aangetast. Enkele landschapselementen op en rond het erf aan de Schaapskooiweg 9 (één van de twee slooplocaties) in Hezingen maken wel onderdeel uit van het casco. Het casco wordt hier echter niet aangetast. Landschappelijk vindt met het plan juist een verbetering plaats.
Het voorgenomen plan past daarmee de casco-benadering.
In dit bestemmingsplan is een juridische regeling opgenomen over de wijze waarop gronden mogen worden gebruikt en in welke mate ze mogen worden bebouwd. De beoordeling van de stedenbouwkundige en architectonische vormgeving van bouwwerken vindt plaats aan de hand van het algemene 'Beeldkwaliteitsplan Rood voor Rood'. Hiermee wordt geborgd dat de bebouwing qua beeldkwaliteit voldoet aan redelijke eisen van Welstand.
Het voorliggende ruimtelijke plan past binnen het gemeentelijke beleid.
In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen natuur, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de gewenste ontwikkeling.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Bij soortenbescherming heeft men te maken met de flora- en faunawet.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van soorten. De Flora- en faunawet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Door middel van een quickscan flora en fauna (door EcoTierra) is er getoetst of er bij het voorgenomen plan sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De quickscan is bijgevoegd (. van de toelichting). Op basis van de quickscan is beoordeeld of er voor de voorgenomen ingreep in het projectgebied procedurele gevolgen zijn betreffende de Flora- en faunawet en overige relevante wetgeving.
Flora
Er zijn geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Wel is het raadzaam om de invasieve exoot de Japanse duizendknoop op de locatie Hezingen spoedig en grondig te laten verwijderen.
Vogels
In de groenstructuren van de locaties Oud Ootmarsum en Geesteren en in de te amoveren opstal van het projectgebied in Geesteren kunnen algemeen voorkomende vogels broeden.
In de groenstructuren en in de te amoveren schuur op de locatie in Hezingen kunnen algemeen voorkomende vogels broeden.
De te amoveren schuur betreft een niet significante roestplaats voor een kerkuil.
Vleermuizen
Er zijn geen geschikte verblijf- en/of voortplantingsplaatsen voor gebouwbewonende en boombewonende soorten aanwezig binnen de plangebieden. Tevens betreffen deze plangebieden geen essentieel foerageergebied en zullen er door de ingrepen geen essentiële vliegroutes verloren gaan.
Amfibieën, reptielen en vissen
Er zijn geen vaste verblijf- en/of voortplantingsplaatsen of exemplaren van streng en strikt beschermde overige soorten waargenomen. Wel kunnen algemeen voorkomende soorten voorkomen.
Ongewervelden/ overige soorten
Er zijn geen vaste verblijf- en/of voortplantingsplaatsen of exemplaren van streng en strikt beschermde overige soorten waargenomen. Wel komen algemeen voorkomende soorten voor.
Conclusie
Op basis van de bevindingen kan geconcludeerd worden dat er in de huidige situatie geen procedurele gevolgen zijn ten gevolge van de voorgenomen ingrepen.
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingsweg 1998 beschermd.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN/EHS denkbaar zijn, is het raadzaam (en in sommige gevallen noodzakelijk) een NNN/EHS-toetsing uit te voeren.
Voor de locaties in Oud Ootmarsum en Geesteren geldt dat de voorgenomen ingrepen geen negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden. Voor de locatie in Hezingen geldt dat het Natura 2000-gebied rondom het plangebied naar verwachting geen negatief effect ondervinden van de ingreep binnen dit plangebied. Het bosje (EHS) waar ingrepen plaatsvinden heeft weinig natuurwaarden. Er is geen significante aantasting wat betreft natuurwaarde of oppervlak te verwachten.
Slotconclusie
Het voorgenomen plan is niet strijdig met de Flora- en Faunawet, EHS en Natura- 2000-wetgeving.
Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk terplekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Betreffende archeologie heeft de gemeente Dinkelland een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld.
Op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland is aangegeven dat het projectgebied aan de Laagsestraat in een gebied ligt welke is aangemerkt als 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems' (zie afbeelding 19).
Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, gemeente Dinkelland
Voor de gebieden die zijn aangemerkt als 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems' Hierbij geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij plangebieden die kleiner zijn dan 5000 m2. Gezien de beperkte oppervlakte van de projectlocatie aan de Laagsestraat en aangezien de oppervlakte van de werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd nog veel kleiner zijn, is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Op de twee betrokken slooplocaties worden alleen schuren gesloopt. Hierbij wordt geen nieuwee grond diep geroerd. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Het rijk streeft naar een modernisering van de monumentenzorg. De modernisering monumentenzorg is gebaseerd op 3 pijlers:
Historische gebouwen, complexen, terreinen en landschappen kunnen hun functie en daarmee hun gebruik verliezen. Dit kan leiden tot verval, waardoor belangrijke cultuurhistorische waarden verloren gegaan. Het toekennen van een andere bestemming kan bijdragen aan het behoud.
De te slopen bebouwing vertegenwoordigt geen cultuurhistorische waarde. Het plan heeft ook geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van de betrokken erven.
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundigedoelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2010-2015. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Wateraspecten projectgebied Laagsestraat
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone van een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater gescheiden behandeld.
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de gemiddelde hoogste rondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Watertoets
De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen op 21 augustus 2015 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. De watertoets is opgenomen in Bijlage 2 van de toelichting.
Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op:
Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling.
Op de locatie heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 3. Conclusie van het onderzoek is dat er betreffende de bodem geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen nieuwbouw op deze locatie. Er is alleen een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond in het grondwater. Gezien de geringe verhogingen is nader onderzoek niet noodzakelijk.
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Ook is geluid van invloed op het welbevinden van mensen. Hierdoor komt het aspect geluid in veel verschillende wetten (met elk hun eigen reikwijdte) voor. Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Er geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland een nota geluidsbeleid vastgesteld ('Gebiedsgericht geluidsbeleid gemeente Dinkelland'). Het doel van dit beleid is het behouden van de goede kwaliteiten en het benutten van kansen om voor de verschillende gebieden in de gemeente de geluidskwaliteit te verbeteren. Zo heeft de gemeente per gebied ambities uitgesproken. Het projectgebied aan de Laagsestraat ligt in gebiedstype 'buitengebied'. In 'buitengebied' geldt dat de gemeente streeft naar een geluidsniveau van maximaal 48 dB door verkeerslawaai ('redelijk rustig').
Het voorliggende plan betreft de realisatie van één woning. Hierdoor zal het geluidsniveau niet toenemen. Daarnaast geldt dat de voorgevel van de nieuwe woning op circa 15 meter van de weg wordt gerealiseerd. Dit is een vergelijkbare afstand met de bestaande woningen aan deze weg. De weg wordt niet intensief gebruikt door verkeer en de maximumsnelheid bedraagt hier 50 km/uur. Hiermee is het aannemelijk dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan worden voldaan. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk.
De aanwezigheid van dierenverblijven kan geurhinder veroorzaken. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn daarom regels opgenomen om geurhinder tegen te gaan. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bepaalde functies geurgevoelig zijn.
In de Wet geurhinder en veehouderij worden compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter. In het voorliggende plan wordt voldaan aan deze aan te houden (vaste) afstand van 50 meter. Het dichtsbij gelegen agrarische bedrijf, een grondgebonden bedrijf, ligt op circa 200 meter van de nieuw te bouwen woning. Deze afstand is ruim voldoende.
De ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij.
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt.
In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen, hoeven niet meer te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen (de projectlocatie valt onder: inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling geldt dat een woningbouwlocatie niet in betekende mate bijdraagt wanneer deze niet meer dan 1.500 woningen omvat.
De voorgenomen ontwikkeling is betreft de realisatie van één nieuwe woning. Dit is een dermate kleinschalige ontwikkeling (<1.500 woningen), dat deze niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling.
Externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving door onder andere productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden:
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Er wordt gewerkt met een plaatsgebonden risicocontour (PR) en een groepsgebonden risico (GR):
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro.
Om uitspraken te kunnen doen over de extrene veiligheid is de Risicokaart geraadpleegd (zie afbeelding 20 voor een uitsnede van de risicokaart). Ter plaatse van de locatie of in de omgeving ervan zijn geen risicovolle inrichtingen, infrastructuur of buisleidingen aanwezig. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 20: Uitsnede risicokaart Overijssel
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Aan de hand van de richtafstanden is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie in en rondom het betreffende projectgebied. Het gaat hierbij dus enerzijds om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning in ernstige mate wordt aangetast. Anderszijds gaat het om de vraag of de nieuwe woningen geen beperkende invloed op de bedrijfsvoering van bestaande inrichtingen gaan hebben.
In het voorliggende plan, ligt één grondgebonden agrarisch bedrijf in de directe omgeving van de nieuw te bouwen woning. Dit bedrijf ligt op dichtsbijzijnde agrarische bedrijf ligt op circa 200 meter van de projectlocatie. Zoals in paragraaf 5.4 is aangegeven, is deze afstand ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt dan ook niet in zijn ontwikkeling belemmerd.
Op circa 50 meter van de nieuw te bouwen woning, is aan de overkant van de weg, een niet agrarisch bedrijf gesitueerd, met de bestemming 'Bedrijf'. Binnen dit vlak zijn bedrijven uit de milieucategoriën 1 en 2 toegestaan. Dit betekent dat een richtafstand van 30 meter aangehouden moet worden. Hier wordt ruim aan voldaan. Daarnaast zijn liggen er andere woningen dichter bij dit bedrijf, dan de nieuw te bouwen woning. Hiermee is de nieuw te bouwen woning dan ook niet beperkend voor de bedrijfsvoering van dit bedrijf.
Tot slot ligt op circa 50 meter van de nieuw te bouwen woning, aan de overkant van de weg, een bedrijf met de bestemming 'Horeca'. Binnen dit vlak zijn horeca-bedrijven uit de milieucategoriën 1 en 2 toegestaan. Dit betekent dat een richtafstand van 30 meter aangehouden moet worden. Hier wordt ruim aan voldaan. Daarnaast zijn liggen er andere woningen dichter bij dit bedrijf, dan de nieuw te bouwen woning. Hiermee is de nieuw te bouwen woning dan ook niet beperkend voor de bedrijfsvoering van dit bedrijf.
Eindconclusie is dat het voorliggende plan voldoet aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Hierdoor is een goed woonklimaat mogelijk en is het plan niet beperkend voor omliggende bedrijven.
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze geeft aan of er voor acitiviteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:
De ontwikkeling betreft, naast de sloop van landschapsontsierende bebouwing en het landschappelijk inpassen van drie erven, de realisatie van één nieuwe burgerwoning. Deze ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Deze activiteit wordt niet aangemerkt als M.E.R. beoordelingsplichtig. De locatie is niet gelegen in een kwetsbaar of gevoelig gebied. Dit kan worden gesteld door middel van het uitgevoerde flora en fauna onderzoek, de waterparagraaf en de milieuonderzoeken.
Op basis van de beschikbare informatie kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige milieueffecten met zich meebrengt. Het projectgebied ligt niet in een kwetsbaar of gevoelig gebied of in de directe omgeving daarvan. De onderzoeksresultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn daarbij positief. De ontwikkeling is daarom niet M.E.R. beoordelingsplichtig.
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van dit bestemmingsplan is vormgegeven.
In paragraaf 1.3 van deze toelichting is reeds aangegeven dat de realisatie van een nieuwe burgerwoning (op basis van de 'Rood voor Rood-regeling') aan de Laagsestraat niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Wanneer dit bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, zal het als zelfstandig plan vigeren.
Er zijn vier typen rergels opgenomen: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en een slotregel. Deze regels sluiten waar mogelijk en relevant aan op het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' van de gemeente Dinkelland. De regels zijn opgesteld conform de SVBP2012-standaarden en er is aangesloten op de meest recente wetgeving.
In artikel 1 Begrippen is omschreven wat met de gebruikte begrippen wordt bedoeld. Het gaat om begrippen die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifieke juridische betekenis hebben. Bij toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toehgekende betekenis.
In artikel 2 Wijze van meten is aangegeven hoe de maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten dienen te worden.
Artikel 3 Wonen geeft aan dat binnen het bestemmingsvlak vier woningen zijn toegestaan van maximaal 750 m3. Binnen deze bestemming zijn erf en tuin tevens toegestaan. Bijgebouwen zijn mogelijk tot de oppervlaktematen zoals deze in de regels zijn genoemd. Ook in dit artikel zijn een aantal specifieke afwijkingsmogelijkheden opgenomen.
Artikel 4 t/m 8 bevatten de algemene regels. Dit zijn regels die niet specifiek aan een bestemming zijn gekoppeld, maar die altijd voor elke locatie gelden. In artikel 5 Anti-dubbeltelregel wordt bijvoorbeeld beoogd om te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan is toegestaan, bijvoorbeeld bij een toekomstige afsplitsing van het bestemmings- of bouwvlak.
Artikel 6 bevat de Algemene bouwregels en artikel 7 de Algemene gebruiksregels.
In artikel 8 Algemene afwijkingsregels worden een aantal mogelijkheden geboden om af te wijken van de bouwregels binnen diverse bestemmingen.
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen en gebruik is opgenomen in artikel 9 Overgangsrecht. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.
Het laatse artikel is artikel 10 Slotregel . Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
In artikel art. 3.1.6 lid 1, Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat onderzocht moet worden of een bestemmingsplan uitvoerbaar is en beschreven moet worden hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld is dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
Onderhavig plan (Rood voor Rood-projecten) staat op de vooroverleglijst ruimtelijke plannen van de provincie Overijssel d.d. april 2015. Dit houdt in dat er geen vooroverleg met de provincie noodzakelijk is.
Waterschap Vechtstromen
Het voorliggende plan is afgestemd met het waterschap. De resultaten van deze afstemming zijn weergegeven in paragraaf 4.5.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gezien de relatief beperkte planologische betekenis wordt het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage gelegd.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor de duur van zes weken, van 30 oktober 2015 tot en met 10 december 2015, voor zienswijzen ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.