direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, SVS Koninksweg 22 Saasveld en Hoofdstraat 15 Lattrop-Breklenkamp
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaar van het woonperceel Koninksweg 22 in Saasveld is voornemens om twee nieuwe bijgebouwen (schuren) te realiseren. Binnen het geldende bestemmingsplan is er geen ruimte om op dit perceel nog extra bijgebouwen te realiseren. Om dit initiatief wel mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het 'schuur voor schuur beleid van de gemeente Dinkelland. Daartoe wordt op het perceel Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp een asbesthoudende schuur gesloopt. Dit perceel betreft een voormalige agrarisch bedrijf. Middels deze bestemmingsplanprocedure wordt de agrarische bestemming tevens gewijzigd in een woonbestemming.

De ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is voor zowel het perceel Koninksweg 22 in Saasveld als Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plan beslaat een bestaand woonerf aan de Koninksweg 22 te Saasveld en een woonerf aan de Hoofdstraat 15 Lattrop-Breklenkamp. De locaties liggen respectievelijk circa 500 meter ten westen van Saasveld aan de zuidzijde van de gemeente Dinkelland en circa 2 kilometer ten noorden van Lattrop aan de noordzijde van de gemeente. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie V, perceelsnummers 86 (perceel Koninksweg 22) en gemeente Denekamp sectie L, perceelsnummers 1374 (Hoofdstraat 15). In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aangeduid met rode cirkels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied, links Koninksweg 22 en rechts Hoofdstraat 15 (bron: atlasvanoverijssel.nl)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). De begrenzing is gebaseerd op het gewenste bouwvlak van het perceel Koninksweg 22 en het huidige agrarische bouwperceel van de Hoofdstraat 15. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0002.png"

Figuur 1.2. begrenzing plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Beide percelen zijn gelegen binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld.

Het erf Koninksweg 22 ligt binnen de bestemming 'wonen'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. In de bouwregels is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw ten hoogste 100 m² mag bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen, met een maximum van 350 m². Het betreffende perceel is een erf waarop al vrijstaande bijbehorende bouwwerken staan met een oppervlakte die de gestelde maximum oppervlakte overschrijdt. Dit betreft circa 398 m². In de noordoosthoek ligt een deel van het plangebied binnen de bestemming 'Agrarisch 1'.

Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om invulling te geven aan het voornemen om naast de bestaande bijgebouwen nog twee nieuwe vrijstaande bijgebouwen te realiseren. Het bestemmingsplan zelf kent geen afwijkingsmogelijkheden om de toename aan bijbehorende bouwwerken mogelijk te maken. Om het plan te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Aangezien het voornemen wordt gerealiseerd door middel van de schuur voor schuur regeling, is ook een partiële herziening nodig voor het perceel Hoofdstraat 15 om deze te voorzien van een actuele bouw- en bestemmingsregeling.

Het perceel aan de Hoofdstraat 15 ligt binnen de bestemming 'Agrarisch-2'. Binnen deze bestemming heeft het perceel de functieaanduiding 'bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf'. Een deel van dit bouwperceel heeft in het bestemmingsplan ook een bouwvlak.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, SVS Koninksweg 22 Saasveld en Hoofdstraat 15 Lattrop-Breklenkamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:1000 (tek. nr. NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01)
  • Bijlagen bij de toelichting
  • Regels
  • Bijlagen bij de regels

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Beschrijving huidige situatie

In de huidige situatie is sprake van een woonerf op het perceel Koninksweg 22 te Saasveld en een voormalig agrarisch bedrijf op het perceel Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp. Op de luchtfoto in figuur 2.1 staat de huidige situatie van de beide percelen afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: Huidige situatie (gebaseerd op atlasvanoverijssel.nl); te slopen schuur in rood aangegeven

Koninksweg 22

Het perceel Koninksweg 22 bestaat uit een compact woonerf. Op het erf staat een woning en twee bijgebouwen. De bijgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 398 m². Het perceel is omgeven door agrarische gronden. Op en rondom het perceel staan veel hoge bomen. Het erf is daarmee goed ingepast. Circa 40 meter ten oosten van het perceel ligt tussen de weilanden een klootschietbaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: Aanzicht erf vanaf de Koninksweg

Hoofdstraat 15

het perceel Hoofdstraat 15 betreft een voormalige agrarisch bedrijf. Op het erf staat een woning, een ligboxenstal van circa 775 m² die momenteel niet meer in gebruik is en een kapschuur van circa 309 m². Aan de bestaande woning zijn twee aangegebouwde bijgebouwen gerealiseerd. Deze hebben een totale oppervlakte van 90 m². Het bestaande erf is landschappelijk goed ingepast en vanwege het aanwezige groen nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg.

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wenst op het erf aan de Koninksweg 22 in Saasveld een bestaand bijgebouw uit te breiden en een nieuw bijgebouw te realiseren. De gewenste situatie is weergegeven in figuur 2.2 (zie ook bijlage 2 bij de regels). De uitbreiding van het bestaande bijgebouw van 100 m² heeft in de nieuwe situatie een totale oppervlakte van circa 297 m². Daarnaast wenst de initiatiefnemer in de noordwesthoek van het perceel een bijgebouw te realiseren met een oppervlakte van circa 190 m². De eigenaar is ondernemer en wil in de toekomst een handelsonderneming beginnen. De schuren zullen worden gebruikt voor opslag. De locatie van de uitbreiding van de bestaande schuur bevindt zich redelijk centraal op het erf. Dit is al goed ingepast. Vanaf de weg zal de uitbreiding nauwelijks zichtbaar zijn. Voorgesteld wordt om achter de nieuwe schuur aan de noordwestzijde de groenstrook circa 35 meter door te trekken. Hiervoor worden drie zomereiken aangeplant met drie rijen onderbegroeiing. Het bouwblok wordt in de noordoost hoek iets uitgebreid zodat deze iets logischer aansluit bij de kadastrale grens met het weiland aan de noordzijde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0005.png"

Figuur 2.3: Toekomstige situatie (bron: Hannink Landschaps- en Tuinadvies)

Slooplocatie

Om de extra bouwmogelijkheid voor het bijgebouw te verkrijgen zal gebruik worden gemaakt van de 'schuur-voor-schuur' regeling. Concreet wordt daarvoor de sloop van een stal van 775 m² als compensatie gebruikt. Het betreft een voormalige ligboxenstal met asbesthoudende dakbedekking. Het asbest zal volgens de wettelijke vereisten worden gesaneerd. Omdat de agrarische activiteiten zijn gestaakt wordt daarnaast de agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming. De voormalige bedrijfswoning is wordt daarmee ook op basis van het bestemmingsplan een burgerwoning. Zoals in figuur 2.5 is te zien wordt het bouwvlak verkleind. Het perceel is op dit moment al heel goed ingepast in het groen. De sloop van deze landschappelijke schuur draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit op die locatie. De vrijgekomen grond wordt evenals een deel van de verharding bij het naastgelegen weiland getrokken. De sloop van de schuur en de inrichting als weiland wordt als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0006.png"

Figuur 2.4: Foto te slopen ligboxenstal met asbest golfplaten

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0007.png"

Figuur 2.5: Nieuwe inrichting na Hoofdstraat 15

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.


Onderhavig plan

In het onderhavig plan is sprake van een beperkte vergroting van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen met 387 m² op een perceel in het buitengebied, Koninksweg 22. In ruil hiervoor wordt een bestaande landschapsontsierende schuur van 775 m² op het perceel Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp gesloopt. Hierdoor neemt, ondanks de verruimde oppervlakte op adres Koninksweg 22, de totale oppervlakte aan bebouwing af.


Toets

Gelet op het feit dat in het onderhavige plan:

  • er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte;
  • er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, gelegen in en gelieerd aan het
    buitengebied;
  • er sprake is van een ontwikkeling die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is;

kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0008.png"

Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel 2017

Indien het concrete initiatief, de sloop van een landschapsontsierende schuur aan de Hoofdstraat 15 en de nieuwbouw en vergroting van een bijgebouw aan de Koninksweg 22, wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.

Met dit plan wordt een landschapsontsierende, asbesthoudende schuur aan de Hoofdstraat 15 gesaneerd en wordt aan de Koninksweg 22 een bijgebouw gerealiseerd en een bestaand bijgebouw vergroot. In totaliteit niet de oppervlakte aan bebouwing af. Dit past binnen het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke/stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd met links de Koninksweg 22 en rechts de Hoofdstraat 15 (bron: provincie Overijssel)

De locatie waar de nieuwe schuur wordt gebouwd (Koninksweg 22, te Saasveld) ligt in een gebied met ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Hier wordt ruimte geboden aan een mix/verweving van verschillende functies. Er is ruimte voor landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, recreatie, wonen en overige bedrijvigheid. Het perceel Hoofdstraat 15, waar een schuur wordt gesloopt, ligt in een gebied met hetzelfde perspectief.

Het voornemen past binnen de perspectieven van de provincie. Landschapsontsierende
bebouwing wordt gesloopt en op een woonperceel in mindere mate terug gebouwd , waarbij beide locaties liggen binnen 'mixlandschap'. Het perceel Koninksweg 22 wordt landschappelijk ingepast. Het perceel Hoofdstraat 15 is al goed ingepast in het landschap. De sloopschuur en een deel van de verharding wordt verwijderd en bij het naastgelegen weiland getrokken.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0010.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel met links de Koninksweg 22 en rechts de Hoofdstraat 15 (bron: Atlas van Overijssel)

In de gebieden aangeduid als 'dekzandvlakte en ruggen' is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel.

Het plan vormt geen belemmering voor de kenmerken van de gebiedstypen waar het onderdeel van is. Het plan betreft de sloop van twee schuren en herbouw van één schuur. Daarnaast vindt landschappelijke inpassing plaats die aansluit bij de uitgangspunten vanuit de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Voor het perceel Koninksweg 22 kent de laag van het agrarisch cultuurlandschap het kenmerk 'essenlandschap' aan het gebied toe. Het perceel Hoofdstraat 15 ligt binnen het 'oude hoevenlandschap. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0011.png"

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Atlas van Overijssel)met links de Koninksweg 22 en rechts de Hoofdstraat 15

Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt.

Het perceel Koninksweg 22 bevindt zich aan de rand van het essencomplex. Op basis van deze laag is hier ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. De nieuwe schuur wordt binnen een bestaand erf ingepast.

Het oude hoevenlandschap kenmerkt zich door een kleinschalig landschap met verspreid liggende erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.

De sloop van een landschapsontsierende schuur aan de Hoofdstraat 15 draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Het plan versterkt daarmee een erf binnen het oude hoevelandschap.

Laag van de beleving

Het perceel Koninksweg 22 kent in de laag van de beleving geen kenmerken. De Hoofdstraat 15 ligt binnen deze laag in het gebied 'Donkerte'. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. De donkerte wordt gekoesterd als kwaliteit.

Met het plan wordt hier slechts een bestaande schuur op een bestaan agrarisch erf gesloopt. Dit draagt bij aan het aspect donkerte in de laag van de beleving.

Stedelijke laag

De 'Stedelijke laag' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Schuur voor schuur gemeente Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft in maart 2016 de beleidsnota Schuur voor schuur gemeente Dinkelland vastgesteld. Door middel van het schuur voor schuur beleid wordt de mogelijkheid geboden om bij erven in het buitengebied de oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten. In ruil hiervoor moet(en) elders binnen de gemeente Tubbergen of Dinkelland één of meerdere schuren gesloopt worden.

Het doel van de schuur voor schuur-regeling is meervoudig. Enerzijds is het bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door de sloop van leegstaande schuren. Anderzijds is het de bedoeling om ontwikkeling van economische activiteiten (bij zowel bedrijfslocaties als particuliere locaties) te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven. Bovendien wil de gemeente stimuleren/faciliteren dat asbesthoudende schuren worden verwijderd.

Spelregels Schuur voor schuur-regeling

  • In ruil voor de mogelijkheid om extra bebouwing te kunnen realiseren, moet elders een veelvoud aan schuren worden gesloopt. Hierbij geldt de volgende sloopverhouding:

Oppervlakte extra te bouwen   Met asbesthoudende golfplaten   Zonder asbesthoudende golfplaten  
Tot 100 m²   1:1   1:2  
101 m² - 500 m²   1:2   1:4  
501 m² en meer   1:3   1:5  

Tabel 3.1: sloopverhouding schuur voor schuur

  • Er wordt geen rekening gehouden met de aanwezigheid van kelders.
  • Sloop- en bouwlocaties die betrekking hebben op hetzelfde plan, bevinden zich in de gemeente Dinkelland of Tubbergen, in het buitengebied.
  • Sloop van een deel van het erf is mogelijk.
  • Schuren moeten in het geheel worden ingezet in de Schuur voor schuur-regeling. Enkel schuren waarvoor vergunning voor bouwen is verleend en welke daadwerkelijk aanwezig zijn, komen in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling.
  • Schuren met een cultuurhistorische waarde komen niet in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling.
  • De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Gedeeltelijke/gefaseerde beëindiging van het (agrarisch) bedrijf is mogelijk.
  • In afwijking van het VAB+-beleid geldt de voorwaarde dat bebouwing minimaal 5 jaar moet zijn opgericht en zoals vergund in gebruik zijn, niet voor schuren die middels de schuur voor schuur-regeling worden opgericht.
  • In afwijking van het VAB+-beleid geldt het VAB+-beleid ook voor locaties (o.a. met een woonbestemming) die nooit agrarisch zijn geweest. Op deze locaties kan derhalve ook functieverandering plaatsvinden zoals beoogd met het VAB+-beleid, ook wanneer extra bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd door middel van het schuur voor schuur-beleid.
  • In afwijking van de zogenoemde 'hobbyboerregeling' die is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied, kan door middel van toepassing van de schuur voor schuur-regeling een grotere oppervlakte bijgebouwen worden gerealiseerd dan op basis van de hobbyboerregeling mogelijk is.

Overige wet- en regelgeving
Het schuur voor schuur-beleid bepaalt enkel onder welke voorwaarden extra bebouwingsmogelijkheden toegekend kunnen worden. Uiteraard zal te allen tijde moeten worden voldaan aan bestaande eisen op het gebied van milieuregelgeving, bereikbaarheid, parkeren, ruimtelijke kwaliteit, enzovoort.

Toets

In het onderhavige plan gaat het om de uitbouw van een bestaande schuur met 197 m² en de bouw van een nieuwe schuur van 190 m2 op het perceel Koninksweg 22. Dit wordt gerealiseerd door toepassing van het Schuur voor schuur beleid. Op basis van de in tabel 3.1 weergegeven verhoudingen moet gekeken worden naar de realisatie van extra te bouwen oppervlakte van 387 m2. De sloopopgave wordt ingevuld door een te slopen schuur op het perceel Hoofdstraat 15. Deze heeft een oppervlakte van 775 m² met asbesthoudende golfplaten.

Op basis van het schuur voor schuur beleid moet er voor het bouwen van 387 m² aan extra bijgebouwen minimaal een oppervlakte van 774 m² aan schuren met asbest golfplaten worden gesloopt (1:2). Met de te slopen schuur aan de Hoofdstraat 15 wordt hier aan voldaan. Met dit bestemmingsplan wordt het bouwrecht verplaatst naar het perceel aan de Koninksweg 22.

Voor het overige wordt voldaan aan de voorwaarden die binnen de schuur voor schuur regeling gesteld worden. De schuur heeft geen betekenisvolle cultuurhistorische waarde, beide locaties liggen in de gemeente Dinkelland en de planologische mogelijkheden op beide locaties worden aangepast.

3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied 2010

Uitgangspunt binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is dat woonpercelen een maximale oppervlakte van 2.000 m² hebben. Dit is bepaald om vanwege de landschappelijke impact die gronden als tuin bij een woning hebben.

Koninksweg 22

Het bestaande woonperceel aan de Koninksweg 22 heeft een oppervlakte 4.500 m². Het erf is redelijk ruim opgezet met hoog opgaand groen aan de randen van het perceel. De twee nieuwe schuren liggen nagenoeg geheel binnen het bestaande bouwvlak. Zoals goed is te zien in figuur 1.2 grenst het woonperceel aan de achterzijde aan agrarisch gebied. Het huidige bestemmingsvlak voor wonen loopt hier schuin van weg waardoor een onlogische hoek onststaat achterop het perceel van circa 365 m². In de praktijk is deze hoek al in gebruik als gazon bij de woning. Het is daarom ook logisch om dit binnen de woonbestemming te brengen. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor aangrenzende bedrijven of de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en er wordt geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden.

Hoofdstraat 15

Het huidige agrarische bouwperceel aan de Hoofdstraat 15 heeft een oppervlakte van circa 8.700 m². Het agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 4.570 m². Met dit plan wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming. Daarbij wordt het woonperceel verkleind. De bestaande bebouwing, tuin en een deel van de verharding wordt opgenomen binnen het nieuwe woonperceel. Deze heeft in de nieuwe situatie een oppervlakte van circa 2.500 m². Op deze manier behoudt de gebruiker van het perceel enige manouvreerruimte voor een tractor die in de kapschuur wordt gestald. Het nieuwe woonperceel is passend in de landschappelijk omgeving en brengt geen nadelige gevolgen voor aangrenzende bedrijven of natuurlijke en landschappelijk waarden met zich mee.

3.3.3 VAB+ beleid

Het VAB+beleid heeft een sociaal-economisch hoofddoel. Het beleid moet bijdragen aan het realiseren van nieuwe economische dragers en ruimte bieden voor verbreding van bestaande economische dragers ofwel het benutten van de resterende economische waarde van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor andere functies. Een uitgangspunt hierbij is dat de uitstraling van het erf en het landelijk gebied niet wijzigt. De bedrijvigheid die onderdak heeft gevonden binnen het VAB beleid is onder te verdelen in twee categorieën. Bedrijvigheid & activiteiten gelieerd aan het buitengebied (bijvoorbeeld recreatie) en bedrijvigheid die geen binding heeft met het landelijk gebied (bijvoorbeeld een handelsonderneming). Niet aan het buitengebied gebonden activiteiten hoort primair thuis in de kernen. Uitgangspunt hierbij is dat deze activiteiten in het landelijk gebied kleinschalig van aard zijn. Gelet hierop blijft 500 m² de maximale oppervlakte. Bij groei van het bedrijf boven deze maximale oppervlakte moet het bedrijf ruimte op een bedrijventerrein zoeken.

Voor activiteiten die gelieerd zijn aan het landelijk gebied en die in het buitengebied een plek verdienen zijn de kwantitatieve normen niet meer leidend. De gemeente Dinkelland heeft criteria geformuleerd, waaraan nieuwe ontwikkelingen in vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden getoetst. Deze toetsing bestaat uit een drietal stappen:

  • zoneringstoets
  • randvoorwaardentoets
  • kwaliteitstoets

Toets

Het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In de zoneringstoets dient dit ontwikkelingsperspectief onderverdeeld te worden in kernrandzone, hoofdwegen en overig. Uitgaande van de regel in het beleid dat de kernrandzone in het algemeen een zone van 500 meter vanaf een kern beslaat, ligt deze locatie net binnen de kernrandzone. Het plangebied ligt op circa 470 meter van de kern Saasveld. Ook ligt het gebied redelijk in de buurt van een gebiedsontsluitingsweg. De Bornsestraat ligt op 800 meter van de Koninksweg. Voor deze zone geldt dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling meer dan 100 voertuigebewegingen per dag mag bedragen. Verwacht wordt dat hoogstens vijfmaal per dag goederen worden gebracht en opgehaald. Dit betekent tien extra verkeersbewegingen per dag. Met voorliggend plan wordt daarmee aan de zoneringstoets voldaan.

De aard en omvang van de activiteit betreft de opslag van goederen ten behoeve van een handelsonderneming binnen bebouwing die op basis van het Schuur voor Schuur beleid mogelijk wordt gemaakt. Hiervoor wordt een grotere oppervlakte (775 m²) aan (voormalig) agrarische bebouwing gesloopt op het perceel Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp. Dit gebouw heeft langer dan 3 jaar een agrarische functie gekend en bevat een asbest golfplaten. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen aan de Koninksweg is na toepassing 785 m². en blijft daarmee ruim onder de norm van 500 m². Voor de activiteit opslag is bovendien maximaal een oppervlakte van 387 m² in gebruik. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Het bedrijf heeft slechts een geringe verkeersaantrekkende werking. Het plan voldoet daarmee aan de randvoorwaardentoets uit het beleid.

Met het toepassen van het Schuur voor Schuur beleid wordt 775 m² aan landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing aan de Hoofdstraat 15 in Lattrop-Breklenkamp gesloopt. De slooplocatie wordt daarnaast landschappelijk ingepast. Hiervoor in de plaats wordt een uitbreiding van de bijgebouwen op het perceel Koninksweg 22 mogelijk gemaakt, zodat de kleinschalige opslagmogelijkheden geboden wordt om de werkzaamheden op een verantwoorde manier voort te zetten. Hiermee wordt buitenopslag van materialen voorkomen. De beperkte uitbreiding van het bedrijf aan huis zal geen aantasting van het landschap tot gevolg hebben, omdat de activiteiten inpandig of op locatie plaatsvinden. Daarnaast is het geheel gesitueerd op het bestaande erf aan de Koninksweg 22. Met voorliggend plan wordt voldaan aan de kwaliteitstoets.

Geconcludeerd wordt dat dit plan op een positieve wijze invulling geeft aan het 'VAB+-beleid' van de gemeente Dinkelland.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0012.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Koninksweg 22, Saasveld
De extra bijgebouwen aan de Koninksweg 22 worden gebruikt ten behoeve van de opslag van goederen ten behoeve van een handelsonderneming. Dergelijke activiteiten vallen op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering in milieucategorie 2 (Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte). Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter tot milieugevoelige functies voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde woning van derden bevindt zich op ruim 130 meter van het plangebied (Koninksweg 19/19a). Aan de richtafstand wordt dan ook ruimschoots voldaan.

Het perceel Koninksweg 22 ligt op circa 265 meter van het perceel Bornsestraat 51 te Saasveld waar een bedrijf gevestigd is waar oldtimers worden opgeslagen met een internetshop. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van de VNG lijst een afstand van 30 meter vanwege het aspect geluid. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

Op circa 290 meter van het plangebied ligt aan de Koninksweg 20 een vleeskalverbedrijf. Het bouwvlak wordt richting dit bedrijf met circa 5 meter vergroot. De minimale afstand voor dit type bedrijf wordt bepaald door het aspect geur. De overwegende windrichting in Nederland komt vanuit het zuidwesten. Het plangebied ligt ook ten zuidwesten van dit bedrijf en heeft wat dat aspect betreft een gunstige positie. Een afstand van 285 meter is daarmee ruim voldoende.

Ten noorden van het plangebied ligt aan de Bornsestraat 43-1 een manege. De afstand bedraagt circa 220 meter. Voor een manege geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van gevoelige objecten. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

Hoofdstraat 15, Lattrop-Breklenkamp
Aan de Hoofdstraat wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming. Het dichtstbijzijnde bedrijf bevindt zich op ruim 350 meter en betreft een agrarisch bedrijf. Dit is ruim voldoende.

4.2 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Zoals in paragraaf 4.1 aangegeven ligt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf op een afstand van circa 285 meter van het plangebied aan de Koninksweg 22. De positie van het plangebied ten opzichte van de agrarische bedrijf is gunstig gezien de overwegende windrichting in Nederland (zuidwestenwind). Een geringe uitbreiding van het bouwvlak is daarmee aanvaardbaar ten opzichte van het aspect geur.

4.3 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

De locatie aan de Koninksweg 22 waar de nieuwe gebouwen worden gerealiseerd liggen binnen de huidige woonbestemming. Het bestemmingsplan maakt alleen een grotere oppervlakte bijbehorende bouwwerken mogelijk. In het kader van de bestemmingsplanherziening is er voor dit perceel geen bodemonderzoek noodzakelijk.

Aan de Hoofdstraat 15 wordt een bestaande schuur gesloopt. Daarnaast wordt een agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming. Om inzicht te krijgen in eventuele hisotrische verontreinigingen of in hoeverre verontreinigingen kunnen zijn ontstaan door de voormalige (bedrijfs)activiteiten is er een historische bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.

De onderzoekslocatie betreft al jaren een boerderij. Sinds 2001 wordt er op de locatie geen rundvee meer gehouden. In de ligboxenstal (sloopschuur) is momenteel in gebruik als een kleinschalige ponystalling. In de wagenloods die in 1992 is gesloopt en in de huidige wagenloods hebben in het verleden bovengrondse dieseltanks gestaan.

Het dak van de ligboxenstal en een gedeelte van het dak van de wagenloods bestaan uit asbesthoudende golfplaten. Er zijn ter plaatse van deze daken geen asbestverdachte druppelzones aanwezig, omdat het hemelwater vanaf asbesthoudende golfplaten afwatert via een dakgoot of op verhard terrein. Er is geen informatie beschikbaar, waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. De onderzoekslocatie kan daarom, op de twee tanklocaties na, als onverdacht worden beschouwd.

De fysieke ingrepen op het perceel betreffen alleen de sloop van de ligboxenstal. In de huidige wagenloods bevinden zich de locaties waar in het verleden twee bovengrondse dieseltanks hebben gestaan. Op de locaties van deze dieseltanks is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. De twee voormalige tanklocaties zijn als verdachte locaties beschouwd. In totaal zijn er zes boringen verricht, waarvan twee tot 3.1 en 3.2 meter diepte. Twee boringen zijn afgewerkt tot peilbuis.

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Voormalige tanklocatie voormalige wagenloods

  • de bovengrond is niet verontreinigd met minerale olie;
  • het grondwater is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen.

Voormalige tanklocatie huidige wagenloods

  • de bovengrond is niet verontreinigd met minerale olie;
  • het grondwater is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen.

De bodemkwaliteit van dit perceel vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanherziening.

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

Toetsing

De nieuw te bouwen schuur betreft geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Daarnaast zorgt het voorgenomen gebruik van de schuur voor bedrijfsmatige opslag niet voor relevante geluidsbelasting op bestaande geluidgevoelige objecten in de omgeving. De dichtstbijzijnde woning van derden bevindt zich op ruim 130 meter. Nader akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen aan de Koninksweg 22 beperkt toe ten opzichte van de huidige situatie. Verwacht wordt dat hoogstens vijfmaal per dag goederen worden gebracht en opgehaald. Dit betekent tien extra verkeersbewegingen per dag. De omvang van de ontwikkeling betreft een fractie van de omvang van de activiteiten die in de regeling NIBM als NIBM zijn aangeduid. De beperkte extra toename van verkeer draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het Bevi zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

In onderstaande figuur is een uitsnede gegeven van de risicokaart. Er ligt een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) op circa 2,9 kilometer ten zuiden van het plangebied aan de Koninksweg 22. De buisleiding is onderdeel van een Europees netwerk van buisleidingen voor de transport van brandstoffen. Deze afstand is ruim groter dan de veiligheidsafstanden voor buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0013.png"

Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Uit de inventarisatie blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke (bestuurlijke) accenten zij in de samenwerking met partners willen leggen. Van daar uit wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Waterveiligheid

Ingezet wordt op meerlaagsveiligheid: het op orde brengen van de waterkeringen, proberen te bereiken dat in de ruimtelijke ordening meer rekening wordt gehouden met waterveiligheid en eventuele gevolgen van een overstroming. En om adequaat te kunnen optreden bij hoog water zorgt het waterschap er voor dat de crisisbeheersing op orde is.

De regionale waterkeringen worden in de planperiode opnieuw getoetst waarbij gekeken wordt of daarbij gebruik gemaakt kan worden van nieuwe normen gebaseerd op de risicobenadering. Tevens gaat het waterschap extra aandacht schenken aan de vele kilometers overige keringen die bescherming bieden op lokale schaal.

Voldoende Water

De doelen voor 'Voldoende Water' zijn uitgewerkt voor drie situaties:

  • 1. In normale omstandigheden werkt het waterschap aan doeltreffend en doelmatig waterbeheer gericht op optimaal functiegebruik.
  • 2. In droge omstandigheden wil het waterschap droogteschade zo lang mogelijk voorkomen.
  • 3. In natte omstandigheden wil het waterschap wateroverlast en natschade zoveel mogelijk voorkomen.

De beleidsmatige kern voor voldoende water onder normale omstandigheden vormt de GGOR; het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater-Regiem. In de planperiode wordt dit GGOR omgevormd en uitgebreid tot het 'Voorzieningenniveau'. Daarmee wil het waterschap aan de (grond)gebruikers helder aangeven op welke wijze de landgebruik-functies bedient gaan worden, onder zowel normale, als onder droge en natte omstandigheden. Knelpunt is nog steeds de verdroging van vele natuurgebieden. Voor de maatregelen richt het waterschap zich primair op de uitvoering van de maatregelen voor Natura2000-gebieden.

Als gevolg van de klimaatontwikkeling nemen droge periodes toe. Het waterschap speelt daarop in door de maatregelen uit te voeren die in het kader van de Zoetwatervoorziening Oost Nederland zijn afgesproken. Het betreft een pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van zoetwater voor gebieds- en oppervlaktewaterfuncties zo lang mogelijk op peil te houden en om schade door droogte te beperken Het waterschap spaart water door het vasthouden van grond- en oppervlaktewater in het gebied. Het waterschap voert water aan waar nodig en mogelijk.

Kern van het waterbeheer onder natte omstandigheden vormen de werknormen voor regionale wateroverlast. Het waterschap gaat de komende jaren opnieuw toetsen of het gebied nog aan deze normen voldoet en zullen maatregelen nemen waar dat niet het geval is. Het streven is om de toetsingsmethodiek in Rijn Oost te harmoniseren. En het waterschap stelt een strategie op over hoe de organisatie wil omgaan met verdere klimaatontwikkeling en de gevolgen daarvan voor wateroverlast (en droogte).

Schoon water

De doelen voor een gezond en schoon watersysteem zijn een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Vanuit de Kaderrichtlijn Water zijn voor de grotere waterlichamen doelen en maatregelen vastgesteld in factsheets. De meest voorkomende maatregelen zijn beekherstel, aanleg van natuurvriendelijke oevers, aanleg van vistrappen en aanpassing van het onderhoud. De maatregelen zijn uitgesmeerd over de hele KRW periode tot 2027. Naast de aandacht voor de KRW waterlichamen wil het waterschap in de planperiode ook meer aandacht geven aan doelen voor overige oppervlaktewateren zoals stedelijk water, kleine waardevolle wateren en diepe plassen: het waterschap is immers beheerder van al het oppervlaktewater.

Op veel plaatsen worden de normen voor diverse chemische stoffen overschreden. Ook maakt het waterschap zich zorgen over verontreinigingen waar tot voor kort weinig aandacht voor was zoals medicijnresten en microplastics. In de planperiode wordt een emissiebeheerplan opgesteld waarin het waterschap aangeeft welke stoffen een probleem zijn of kunnen worden en welke maatregelen we daar als waterschap tegen kunnen nemen. Ook gaat het waterschap na of we aanvullende maatregelen moeten nemen op onze rwzi's om effecten van de effluentlozingen terug te dringen.

Waterketen

Als beheerder van de rioolwaterzuiveringen werkt het waterschap aan een effectieve en efficiënte behandeling van het afvalwater. Dat doet het waterschap in nauwe samenwerking met de belangrijkste partners op dat gebied: de gemeenten. Riolering en zuivering worden in samenhang bekeken waarbij het waterschap er op blijft inzetten dat relatief schoon water, zoals neerslag en grondwater, niet via de riolering wordt afgevoerd. In het beheer van de zuiveringen gaat het waterschap nauw samenwerken met de andere waterschappen in Rijn Oost om te zorgen voor efficiënt en doelmatig beheer. Bijzondere aandacht is er voor energiebesparing, terugwinnen van energie en het nuttig toepassen van rioolslib door bijvoorbeeld het terugwinnen van fosfaat.

Watertoetsproces

Op 15 september 2017 zijn via www.dewatertoets.nl twee digitale watertoetsen verricht. Zie voor de watertoets behorend bij de Koninksweg Bijlage 3. Zie voor de watertoets behorend bij de Hoofdstraat 15 Bijlage 4. Naar aanleiding van deze watertoets geldt respectievelijk de korte procedure en geen waterschapsbelang. Het waterschap Vechtstromen heeft op voorhand geen bezwaar tegen verdere uitwerking van dit plan.

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland. De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaardenonderzoek, zie ook Bijlage 5 De resultaten zijn in de volgende paragrafen opgenomen.

Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))

Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het 'nee, tenzij'-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

Geen van de deelgebieden behoort tot het NNN. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het NNN in de omgeving van de deelgebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0014.png"

Figuur 4.3: Ligging van de plangebieden t.o.v. het NNN

De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Dat houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect hebben op gebieden die buiten het plangebied liggen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden de omgevingscondities en kernkwaliteiten van het NNN niet aangetast.

Beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet in- of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Bergvennen en Brecklenkampseveld, ligt op ruim 1,6 kilometer van het plangebied aan de Hoofdstraat 15. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.

Beschermde soorten

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen verstoren en te vernielen.

Het onderzoeksgebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige vogel-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er rust- en voortplantingslocaties, nestelen er ieder voorjaar vogels in/aan de ligboxenstal en bezetten amfibieën een (winter)rustplaats in de mestvaalt.

Van de vogelsoorten die in het onderzoeksgebied nestelen, zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, zoals het slopen van bebouwing, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd.

Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die een rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten en voor de amfibieënsoorten die een rustplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'verwonden-doden van dieren en het verstoren-vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen' of ze zijn niet beschermd zoals de mol en bruine rat. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en wordt de kwaliteit van het functionele leefgebied niet aangetast.

Conclusie

Mits bezette vogelnesten gespaard worden en amfibieën in winterrust niet gestoord worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging op enige afstand van beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op deze gebieden. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

De gemeente Dinkelland beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en advieskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2007). Deze kaart maakt voor het grondgebied van de
gemeente inzichtelijk waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. In figuur 4.3 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen. Het plangebied is zwart omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPKONW22HOOFD15-VG01_0015.png" Figuur 4.3: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland)

Toets

Het perceel Koninksweg 22, waar de uitbreiding van de schuur en de nieuwe schuur wordt gerealiseerd, is aangemerkt als 'beekdalen en overige laagten'. Deze gronden hebben een lage verwachting op archeologische resten en zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek tenzij er ook andere verwachtingszones liggen. Het gebied is ook aangemerkt als bufferzone rond een erf. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Indien gebieden kleiner zijn dan 2500 m² dan geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Aangezien het plangebied voor de nieuwbouw
kleiner is (gezamenlijk 387 m²) is archeologisch onderzoek niet vereist.

Op de slooplocatie aan de Hoofdstraat 15 worden geen bodemingrepen gedaan die gevolgen kunnen hebben voor mogelijke archeologische resten. Archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van provincie Overijssel blijkt dat in het plangebied
geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. De te slopen schuren zijn niet aangemerkt als gemeentelijk of rijksmonument en hebben geen cultuurhistorische waarde.

4.10 Verkeer / parkeren

Het perceel Koninksweg 22 wordt ontsloten via de Koninksweg. Het betreft een rustige weg in het buitengebied. Na 800 meter sluit de Koninksweg aan op de doorgaande Bornsestraat. Met het plan worden de nieuwe schuren gebruikt ten behoeve van bedrijfsmatige opslag ten behoeve van een handelsonderneming. Verwacht wordt dat hoogstens vijfmaal per dag goederen worden gebracht en opgehaald. Dit betekent tien extra verkeersbewegingen per dag. Deze beperkte toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om eventueel in (extra) parkeerplaatsen te voorzien.

Het perceel Hoofdstraat 15 wordt ontsloten via de Hoofdstraat 15, eveneens een rustige weg in het buitengebied. Met de sloop van een schuur en het omzetten van een agrarische bestemming in een woonbestemming neemt het aantal verkeersbewegingen zelfs iets af.

Het aspect 'verkeer en parkeren' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De hiervoor beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen van geluidgevoelige functies langs wegen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone – geen boom- en sierteelt toegestaan’;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van parkeren en laden/lossen:

Keuze set planregels
In het bestemmingsplan zijn planregels opgenomen ten behoeve van het parkeren, het laden en het lossen. Als fundament zijn de voormalige bepalingen van de bouwverordening gebruikt. Het voortborduren op de bepalingen van de bouwverordening heeft als voordeel dat hierover veel jurisprudentie is. De opvattingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn bekend. Toegevoegd is het gebruik. De eisen voor het parkeren gelden dus niet alleen meer voor bouwen. Bij een gebruiksverandering moet er ook sprake zijn van voldoende parkeerruimte en laad- en losruimte.

Parkeren op eigen terrein
Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen terrein (de bij het bouwwerk behorende en daartoe bestemde gronden) moet worden gerealiseerd. Aanvragers van een omgevingsvergunning zullen bij de aanvraag moeten aantonen hoeveel parkeerplaatsen er op eigen terrein worden gerealiseerd. Indien er op het eigen terrein onvoldoende parkeerruimte is en initiatiefnemer gebruik wil maken van de afwijkingsmogelijkheid, zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat op een andere wijze in de parkeerruimte wordt voorzien.

Bepalen parkeerbehoefte
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in het gemeentelijk beleid de leidraad. Het betreffen de gemeentelijke normen die gelden op het moment van besluitvorming van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Indien er geen omgevingsvergunning vereist is, dan zijn de gemeentelijke parkeernormen bepalend die gelden op het moment dat de gebruiksverandering feitelijk plaatsvindt.

Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt aan het eind van de berekening afgerond naar boven. Reden hiervoor is dat bij afronding naar beneden het aantal aan te leggen parkeerplaatsen niet overeenkomt met de totale parkeerbehoefte.

In de parkeerregeling is een zogenoemde ‘dynamische verwijzing’ naar het gemeentelijk beleid opgenomen. Als de beleidsinzichten met betrekking tot parkeren gedurende de looptijd van het bestemmingsplan wijzigen en dit in het parkeerbeleid wordt vastgesteld, kan er in het vervolg bij aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruikswijziging aan dit nieuwe beleid worden getoetst (ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Daardoor hoeven de bestemmingsplannen niet te worden herzien als het gemeentelijk beleid wijzigt.

In deze beleidsregels is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (de parkeernormen) en (als de extra parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd) onder welke voorwaarden er een omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik van het bestemmingsplan, de zogenoemde binnenplanse afwijking, kan worden verleend.

Afmetingen parkeerplaatsen
Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen moet uit worden gegaan van standaardmaten. Zo geldt er een andere afmeting voor parkeren in de lengterichting van de weg dan voor parkeren in dwarsrichting van de weg. Zie bijlage V van de ‘Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2014’ voor de afmetingen van parkeergelegenheden. Indien tijdens de planperiode deze beleidsnotitie wordt gewijzigd, wordt verwezen naar het nieuwe beleid.

Er dient sprake te zijn van bruikbare parkeerplaatsen. Dit betekent dat de ruimte om de parkeerplaats te kunnen bereiken wel reëel moet zijn en dat de afstanden tussen parkeerplaatsen onderling en tussen parkeerplaatsen en gebouwen voldoende moet zijn om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van de parkeerplaatsen. Bij publieke voorzieningen geldt dat voldoende parkeerplaatsen voor minder valide gebruikers moeten worden aangelegd. Het betreft hier de algemene gehandicaptenparkeerplaatsen.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

  • 'Agrarisch - 2'

De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch - 2' bestaan uit een combinatie aan functies. Deze gronden zijn in gebruik voor het uitoefenen van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden.

Voorts geldt voor de toegelaten functies en werken en werkzaamheden een toetsingskader dat is afgestemd op de doeleindenomschrijving. In die omschrijving heeft het landschap een nevengeschikte plaats ten opzichte van de landbouw. Bij de afwegingen zal op basis van evenredigheid het landschap even zwaar gewogen moeten worden als de landbouw.

  • 'Wonen'

De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor het wonen met daaronder begrepen beroep aan huis, inwoning en de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein. Binnen het onderhavige plan is de toegestane hoeveelheid bijgebouwen aan de Koninksweg 22 vergroot. Deze maximum oppervlakte is vastgelegd door het aanbrengen van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m²)'. Daarnaast is het bestemmingsvlak voor de Koninksweg 22 aangepast, zodat het beoogde bijgebouw passend is binnen het woonvlak. Verder is aan de Koninksweg 22 de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag' toegekend om de bedrijvigheid ter plaatse kenbaar te maken. De bestemming voor het perceel Hoofdstraat 15 wordt omgezet van 'Agrarisch - 2' naar 'Wonen'. Voor dit perceel is voor de toegestane hoeveelheid aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen de bestaande oppervlakte opgenomen uitgezonderd de schuur die wordt gesloopt in het kader van de Schuur voor Schuur regeling.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In voorliggende ontwikkeling is geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening. Er hoeft dus geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een schuur voor schuur overeenkomst afgesloten. hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.

Rijkswaterstaat
Bij brief van 2 februari 2016 heeft Rijkswaterstaat aangegeven graag vroegtijdig betrokken te worden bij de opstelling van ruimtelijke plannen. In de publicatie 'Rijkswaterstaat en ruimtelijke plannen van gemeenten'(oktober 2015) staan de onderwerpen die voor Rijkswaterstaat belangrijk zijn. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.

Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke plannen uitgevoerd wordt door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.

Ministerie van Economische Zaken
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken (destijds nog het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie). Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen
Op 15 september 2017 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap Vechstromen een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 27 april 2018 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.