direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Deurningerstraat 5 te Weerselo is een voormalig agrarisch erf aanwezig, momenteel reeds bestemd met een reguliere woonbestemming. Ter plaatse staat een voormalige agrarische bedrijfswoning en liggen twee compensatiekavels die uit een Rood-voor-Rood traject eerder (2019) op deze locatie verkregen zijn. Ook het voormalige agrarische erf is in dit Rood-voor-Rood traject bestemd met een reguliere woonbestemming.

Initiatiefnemer is nu voornemens ter plaatse enkele ontwikkelingen door te voeren. Het betreffen de volgende ontwikkelingen:

  • het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid die het mogelijk maakt dat 200 m2 aan bijgebouwen bij beide compensatiewoningen mogelijk is;
  • het realiseren van boerderijkamers in een nieuw bijgebouw bij de bestaande boerderijwoning.

Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk, aangezien de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gewenste ontwikkeling ontbreken.

Om die reden is een herziening van het bestemmingsplan vereist. Hiertoe dient dit bestemmingsplan. In voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat de wijziging van de bestemming ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Deurningerstraat 5 te Weerselo, op circa 1 kilometer ten zuiden van de kern Weerselo. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie P, nummer 177. In figuur 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van Weerselo en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening' bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied, Deurningerstraat 5 Weerselo". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 26 maart 2019. Daarnaast geldt het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 29 mei 2018.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied, Deurningerstraat 5" opgenomen. Het plangebied is indicatief met rode omlijning weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Ligging van het plangebied in bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke Plannen/Gemeente Dinkelland)  
1.4.2 Bestemmingen en aanduidingen

Op basis van het geldende bestemmingsplan gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch - 1', 'Wonen' en 'Bos - Natuur'.

De bestemming ‘Agrarisch - 1' is toegekend aan de gronden buiten de woonpercelen, waardoor het agrarisch bouwperceel in 2019 volledig is wegbestemd. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch - 1 zijn hoofdzakelijk bestemd voor de het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden. Tevens kan worden opgemerkt dat binnen deze bestemming ook tuinen en erven behorende bij de woningen (binnen de naastgelegen bestemming) zijn toegestaan.

De bestemming 'Bos - Natuur' is opgenomen ter plaatse van een groenstrook ten zuiden van beide compensatiekavels. De voor 'Bos - Natuur' bestemde gronden zijn bedoeld voor het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden in de vorm van opgaand groen en groenvoorzieningen.

De gronden die worden gebruik voor de woonfunctie zijn bestemd als ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mantelzorg, extensief dagrecreatief medegebruik en agrarisch medegebruik.

Er zijn twee bestemmingsvlakken opgenomen: één voor de compensatiewoningen en één voor de bestaande woning. Het aantal toegestane woningen per bestemmingsvlak is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Voor de compensatiewoningen zijn tevens bouwvlakken opgenomen en is een aanduiding opgenomen om de beoogde locatie voor de bijgebouwen te borgen. Voor de bestaande woning is specifiek bepaald dat de oppervlakte aan bijgebouwen 200 m2 mag bedragen.

1.4.3 Strijdigheid

De gewenste ontwikkeling is tweeledig. Enerzijds betreft dit het opnemen van een mogelijk tot het toestaan van 200 m2 aan bijgebouwen bij beide compensatiewoningen en anderzijds betreft dit het realiseren van boerderijkamers in het (nog te bouwen) bijgebouw bij de bestaande woning.

Het realiseren van 200 m2 aan bijgebouwen bij beide compensatiewoningen is strijdig, aangezien er momenteel maximaal 100 m2 aan bijgebouwen per woning is toegestaan. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' is in artikel 36.3 (bestemming Wonen) onder d een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om onder voorwaarden het aantal vierkante meter aan bijgebouwen te vergroten tot 200 m2 mits deze ruimte wordt gebruikt ten behoeve van de stalruimte voor dieren en/of de opslag van materieel dat gebruikt wordt voor het onderhoud van eigen grond. Tevens dient er sprake te zijn van een eigendom van gronden buiten het erf met een omvang van ten minste 5.000 m2.

Deze afwijkingsbevoegdheid is in 2019 bij recht overgenomen voor de bestaande bedrijfswoning, omdat aan de voorwaarden kan worden voldaan. Voor de compensatiewoningen is deze voorwaarde destijds niet opgenomen. Ook is het niet middels een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingplan opgenomen. Dit is gebruikelijk, omdat bij compensatiewoningen normaliter geen sprake is van eigendom van gronden buiten het erf van ten minste 5.000 m2. In dit geval is deze mogelijkheid er wel, waardoor middels voorliggend bestemmingsplan de afwijkingsbevoegdheid alsnog opgenomen is.

Ten tweede is het realiseren van boerderijkamers in het bijgebouw bij de bestaande woning niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Ook zijn er geen binnenplanse mogelijkheden om dit gebruik toe te staan.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het benodigde juridisch planologische kader waarmee de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk kunnen worden gemaakt.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het plangebied.

In Hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.

In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven.

In Hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.

In Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 8 gaat in op de inspraak en het vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Huidige situatie plangebied

Het perceel ligt aan de Deurningerstraat (N738) in het buitengebied ten zuiden van de kern Weerselo. De ruimtelijk- functionele structuur van de omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische gronden, bos- en natuurgronden, agrarische bedrijfspercelen en verspreid liggende woonerven.

De locatie bestaat uit het voormalig agrarisch erf en de aangrenzende agrarische gronden. Het erf ligt geschakeld aan de westkant van de Deurningerstraat. Ten noorden van het perceel is een woonperceel (Deurningerstraat 3) aanwezig. Het perceel wordt aan de oostzijde omgeven door agrarisch in gebruik zijnde gronden en aan de zuidzijde omgeven door een bosperceel.

De agrarische bedrijfsactiviteiten op het erf zijn volledig beëindigd. De bebouwing op het erf bestaat uit een voormalige boerderijwoning. De overige bebouwing is inmiddels gesloopt. Op onderstaande afbeelding is de sloop gaande. De compensatiewoningen met bijgebouwen en het bijgebouw bij de boerderijwoning zijn nog niet gerealiseerd.

Het erf wordt aan de westzijde met twee in- en uitritten ontsloten op de Deurningerstraat. In afbeelding 2.1 en 2.2 is de huidige situatie op (lucht)foto's weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1 Huidige situatie (Bron luchtfoto: Provincie Overijssel)
 
afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.2 Foto's van de huidige situatie (Bron: Google Streetview)  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Gewenste ontwikkeling

3.1.1 Algemeen

Zoals reeds aangegeven is de ontwikkeling tweeledig. Enerzijds gaat het om het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid op 200 m2 aan bijgebouwen bij beide compensatiewoningen toe te staan. Anderzijds gaat het om het realiseren van boerderijkamers in het nog te realiseren bijgebouw bij de boerderijwoning.

Voor de gehele ontwikkeling is in het kader van het voorgaande Rood-voor-Rood traject reeds een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Dit plan vormt ook voor onderhavig plan de basis. Het plan wordt bruikbaar geacht omdat er met dit plan geen sprake is van een andere positionering van de gebouwen en/of inrichting van het erf. In afbeelding 2.3 is het ruimtelijk kwaliteitsplan weergegeven. Het plan is tevens als Bijlage 1 opgenomen.

De compensatiekavels worden aan de zuidzijde ingepast met een stevige houtsingel (1, 2 en 3). Op deze wijze wordt bijgedragen aan het behoud van (de beleving van) het doorzicht tussen twee groenstructuren ten zuiden van het plangebied. Ter begeleiding van de nieuwe in- en uitrit wordt een haag (6) aangeplant. Aan de noordoostkant van de compensatiekavels is een eikenboomgaard (5) voorzien en tevens wordt tussen de woningen een solitaire boom (4) aangeplant. De groenstructuren rond de bestaande boerderij blijven behouden. Daarbij wordt ter hoogte van de te vervallen in- en uitrit aan de noordkant van het perceel een houtsingel (7) aangelegd. Naast de stevige houtsingel ten zuiden van het perceel wordt ook met deze houtsingel bijgedragen aan het versterking van het contrast tussen openheid en dichte groene randen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de bijgebouwen bij de compensatiewoningen groter zullen worden dan op onderstaande afbeelding is weergegeven. Tot slot wordt opgemerkt dat het bijgebouw, waarin de boerderkamers zich gaan bevinden, qua situering iets nooordelijker en oostelijker is gesitueerd dan in voorgaand bestemmingsplan was beoogd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0005.png"  
Afbeelding 3.1 Ruimtelijk kwaliteitsplan (Bron: Borgerink Groendesign)  
3.1.2 Grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de compensatiewoningen

Het is wenselijk om de mogelijkheid om bij beide compensatiewoningen bijgebouwen tot een oppervlakte van 200 m2 te realiseren, in een afwijkingsbevoegdheid op te nemen.

In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' is in artikel 36.3 (bestemming Wonen) onder d deze afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om onder voorwaarden het aantal vierkante meter aan bijgebouwen te vergroten tot 200 m2 mits deze ruimte wordt gebruikt ten behoeve van de stalruimte voor dieren en/of de opslag van materieel dat gebruikt wordt voor het onderhoud van eigen grond. Tevens dient er sprake te zijn van een eigendom van gronden buiten het erf met een omvang van ten minste 5.000 m2.

Voor de compensatiewoningen is deze voorwaarde destijds niet opgenomen. Middels dit plan wordt deze mogelijkheid alsnog opgenomen.

3.1.3 Boerderijkamers

Ten tweede is het wenselijk om boerderijkamers in het bijgebouw bij de bestaande woning te realiseren. Het gaat om de realisatie van maximaal zes boerderijkamers met een oppervlakte van maximaal 60 m2 per boerderijkamer. Met deze oppervlakte wordt aangesloten bij de 'standaard' oppervlakte van boerderijkamers die binnen Dinkelland mogelijk is. Het gaat om zes boerderijkamers in het exclusieve segment. Dit houdt in dat het gaat om ruime kamers met veel privacy en voorzieningen zoals een sauna, jacuzzi etc. Het gaat om het bieden van een unieke overnachtingsmogelijkheid in een natuurrijke omgeving. Ook de te realiseren dierenweide is een meerwaarde voor de locatie als recreant. Het parkeren voor de boerderijkamers wordt opgelost op het eigen erf.

Voor het zoeken naar de passende doelgroep is gebruik gemaakt van leefstijlvinder.nl. Dit is een programma waar de doelgroep waar behoefte naar is op gebied van recreatie in beeld wordt gebracht. In dit geval is gebleken dat er in Noordoost-Twente met name behoefte is aan de doelgroepen 'stijlzoekers', 'inzichtzoekers'. Inzichtzoekers betreffen mensen die zoeken naar kunst, cultuur en natuur. Inspirerende en rustige activiteiten zijn het domein van deze groep. Men is het liefst alleen of in klein gezelschap. Deze groep overnacht graag op een plek waar de praktische voorzieningen goed geregeld zijn, ze zijn dan ook bereid iets meer te betalen.

De stijlzoekers zijn harder werkers met ambitie en ondernemingsdrift. Ze hebben een actieve levensstijl en houden van luxe, comfort en exclusiviteit.

Zoals aangegeven gaat het in dit geval om luxe en kleinschalige boerderijkamers, met veel privacy. Deze zijn uitermate geschikt voor de doelgroepen, die op zoek zijn naar locaties met luxe, comfort en waar praktische voorzieningen goed geregeld zijn en die bereid zijn meer te betalen voor de gewenste exclusiviteit.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte.

In dit geval gaat het om de mogelijkheid tot de realisatie van bijgebouwen 200 m2 en de realisatie van zes boerderijkamers. De grotere bijgebouwen brengen geen extra verkeersgeneratie met zich mee. Er is hiermee immers geen sprake van het toevoegen van functies die verkeersgeneratie met zich meebrengen. Het gaat immers om bijgebouwen die volledig gebruikt worden ten behoeve van de woningen.

3.2.2 Toelichting parkeren

Keuze set planregels

In het bestemmingsplan zijn planregels opgenomen ten behoeve van het parkeren (11.3). Het voortborduren op de bepalingen van de bouwverordening heeft als voordeel dat hierover veel jurisprudentie is. De opvattingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn bekend. Toegevoegd is het gebruik. De eisen voor het parkeren gelden dus niet alleen meer voor bouwen. Bij een gebruiksverandering moet er ook sprake zijn van voldoende parkeerruimte en laad- en losruimte.

Parkeren op eigen terrein

Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen terrein (de bij het bouwwerk behorende en daartoe bestemde gronden) moet worden gerealiseerd. Aanvragers van een omgevingsvergunning zullen bij de aanvraag moeten aantonen hoeveel parkeerplaatsen er op eigen terrein worden gerealiseerd. Indien er op het eigen terrein onvoldoende parkeerruimte is en initiatiefnemer gebruik wil maken van de afwijkingsmogelijkheid, zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat op een andere wijze in de parkeerruimte wordt voorzien.

Bepalen parkeerbehoefte

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in het gemeentelijk beleid de leidraad. Het betreffen de gemeentelijke normen die gelden op het moment van besluitvorming van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Indien er geen omgevingsvergunning vereist is, dan zijn de gemeentelijke parkeernormen bepalend die gelden op het moment dat de gebruiksverandering feitelijk plaatsvindt.

Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt aan het eind van de berekening afgerond naar boven. Reden hiervoor is dat bij afronding naar beneden het aantal aan te leggen parkeerplaatsen niet overeenkomt met de totale parkeerbehoefte.

In de parkeerregeling is een zogenoemde 'dynamische verwijzing' naar het gemeentelijk beleid opgenomen. Als de beleidsinzichten met betrekking tot parkeren gedurende de looptijd van het bestemmingsplan wijzigen en dit in het parkeerbeleid wordt vastgesteld, kan er in het vervolg bij aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruikswijziging aan dit nieuwe beleid worden getoetst (ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Daardoor hoeven de bestemmingsplannen niet te worden herzien als het gemeentelijk beleid wijzigt.

Afmetingen parkeerplaatsen

Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen moet uit worden gegaan van standaardmaten. Zo geldt er een andere afmeting voor parkeren in de lengterichting van de weg dan voor parkeren in dwarsrichting van de weg.

Er dient sprake te zijn van bruikbare parkeerplaatsen. Dit betekent dat de ruimte om de parkeerplaats te kunnen bereiken wel reëel moet zijn en dat de afstanden tussen parkeerplaatsen onderling en tussen parkeerplaatsen en gebouwen voldoende moet zijn om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van de parkeerplaatsen. Bij publieke voorzieningen geldt dat voldoende parkeerplaatsen voor minder valide gebruikers moeten worden aangelegd. Het betreft hier de algemene gehandicaptenparkeerplaatsen.

3.2.3 Parkeren

In dit geval gaat het om het realiseren van zes boerderijkamers. Uitgegaan wordt van de volgende uitgangspunten:

  • Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Dinkelland (Bron: CBS Statline)
  • Stedelijke zone: buitengebied
  • Functie: Hotel, 5 sterren

Er is gekozen om de boerderijkamers in het kader van een worst-case scenario te vergelijken met de functie 'Hotel, 5 sterren', aangezien dit de recreatieve functie is die op basis van de gemeentelijke parkeernota de grootste parkeerbehoefte met zich meebrengt. De functie 'boerderijkamer' wordt niet specifiek genoemd.

Voor deze functie geldt een parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen per 10 kamers, per 6 kamers betekent dit 6,6 (afgerond 7) parkeerplaatsen. Zoals ook blijkt in afbeelding 2.3 is er op het eigen terrein voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien.

3.2.4 Verkeersgeneratie

De gemeentelijke parkeernota noemt geen cijfers ten aanzien van verkeersgeneratie. Daarom is aansluiting gezocht bij de CROW-publicatie. Voor de functie 'Hotel, 5 sterren' geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 36,45 verkeersbewegingen per 10 kamers. Voor zes kamers betekent dit een verkeersgeneratie van afgerond 22 bewegingen per weekdagetmaal. De Deurningerstraat is van voldoende omvang om deze verkeersgeneratie op een eenvoudige wijze te kunnen afwikkelen.

De in- en uitrit is op een veilige en overzichtelijke wijze aangelegd. Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.

3.2.5 Conclusie

Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de opgenomen doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
    Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
    Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
    Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
    Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
4.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied : 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI.

Wat de “Ladder voor duurzame verstedelijking” betreft is een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang. Hierin is uitgesproken dat met de realisatie van 11 woningen niet wordt voorzien in een woningbouwlocatie of andere stedelijk ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (ABRS 16 september 2015, 201501297/1/R4).

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van 200 m2 aan bijgebouwen en het realiseren van zes boerderijkamers in een ander bijgebouw. Er is in het geheel geen sprake van extra ruimtebeslag. De boerderijkamers komen in een vergund en planologisch toegestaan bijgebouw, waarbij geen sprake is van extra ruimtebeslag. De afwijkingsbevoegdheid voorziet niet bij recht in extra vierkante meters aan bebouwing, maar middels een aan te vragen omgevingsvergunning, waarbij getoetst zal worden of aan de voorwaarden wordt voldaan.

De algemene lijn in de jurisprudentie is dat indien er sprake is van een stedelijke voorziening in de vorm van een gebouw met een uitbreiding van de bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m2 , er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling (Bron: RVS: 201608869/1/R3). In dit geval is er dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Ten aanzien van de boerderijkamers gaat het om een functieverandering, waarbij er in zijn geheel geen sprake is van extra ruimtebeslag op de omgeving. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en het feite dat het gaat om een functie die als passend wordt beschouwd in het buitengebied en die niet zorgt voor een (onevenredige) leegstand elders, wordt gesteld dat deze functieverandering geen stedelijke ontwikkeling betreft.

Geconcludeerd wordt dat geen verdere toetsing plaats hoeft te vinden aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” en dat het initiatief voldoet aan het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel vastgesteld. Op 1 mei 2017 zijn de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie:

  • goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief);
  • versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit;
  • veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen door te zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan.
4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes
  • 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken


Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

In afbeelding 4.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0006.png"  
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

4.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

4.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

4.2.3.3 Gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.2.4.1 Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit), artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene omgeving) en artikel 2.13 (intrekgebieden) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.


Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.


Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de mogelijkheid tot het bieden van bijgebouwen met een grotere oppervlakte dan normaliter. In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' van de gemeente Dinkelland is reeds een binnenplanse mogelijkheid geboden om dit toe te staan. Dit is mogelijk wanneer de schuur wordt aangewend voor stalruimte voor dieren en/of opslag en onderhoud, in het geval omliggende percelen in eigendom minimaal 5.000 m2 bedragen. In het kader van de omgevingsvergunning zal dit nader ruimtelijk worden afgewogen.

De boerderijkamers zorgen niet voor een extra ruimtebeslag, gezien de toegestane oppervlakte van het bijgebouw dat hiervoor beoogd is niet vergroot wordt. Bovendien wordt dit bijgebouw binnen het reeds met een woonbestemming bestemde erf gerealiseerd, waardoor er dus geen sprake is van extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Samengevat wordt geconcludeerd dat er sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik met deze ontwikkeling.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vierlagenbenadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene omgeving

Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen - met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 en 2.1.6 lid 1

Voor de algehele ontwikkeling is in het kader van het Rood-voor-Rood traject in 2019 reeds een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Voorgenomen ontwikkeling is dusdanig klein van omvang dat nieuwe landschapsmaatregelen niet noodzakelijk worden geacht. In de toekomstige situatie is er sprake van een erf waarbinnen alle functies landschappelijk goed ingepast zijn. Overigens wordt in de volgende paragrafen ingegaan op het ontwikkelingsperspectief en de vier-lagen benadering, waarmee getoetst wordt aan artikel 2.1.5. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.5. en 2.1.6. van de omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

Artikel 2.13.5 Niet-risicovolle functies in intrekgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3. kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand-stillprincipe.

De van belang zijnde begrippen in het kader van art. 2.13 zijn hierna opgenomen:

  • niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies.
  • harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning.
  • grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico's voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.
  • stand-stillprincipe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico's op verontreiniging van het grondwater te voorkomen.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.13.3 en 2.13.5 van de Omgevingsverordening Overijssel

In voorliggend geval ligt het plangebied binnen het intrekgebied. Zoals beschreven, wordt de oppervlakte aan bijgebouwen vergroot en worden er boerderijkamers toegestaan. Harmoniërende functies en niet-risicovolle functies gaan goed samen met drinkwaterwinning en grondwaterbescherming. Deze worden aangeduid als toelaatbaar.

Onder harmoniërende functies worden onder andere verstaan: extensieve landbouw, extensieve recreatie, kleinschalige verblijfsrecreatie, natuur, bosbouw (nieuwe) landgoederen en buitenplaatsen. Woningbouwontwikkelingen met meer dan 10 woningen worden als risicovol aangemerkt (Aan de slag met de methodiek 'gebiedsgerichte grondwaterbescherming', Tauw 2009).

Nieuwe niet-risicovolle functies en harmoniërende functies zijn toegestaan, mits wordt voldaan het stand-stillprincipe (beginsel dat gericht is om verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico's op verontreiniging te voorkomen.

Er is sprake van een nieuwe niet-risicovolle functie waarbij, gezien de aard van de ontwikkeling (zeer kleinschalig), wordt voldaan aan het stand-stillprincipe. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met artikel 2.13.3 en 2.13.4 en 2.13.5 uit de Omgevingsverordening

4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven

In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap.

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0007.png"  
Afbeelding 4.2 Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

“Kleinschalig mixlandschap”

In dit ontwikkelingsperspectief is sprake van verweving van functies. Het betreffen gebieden voor gespecialiseerde landbouw en mengvormen van landbouw met andere functies (recreatie-zorg, natuur, water) en bijzondere woon-, werk- en recreatiemilieus die de karakteristieke gevarieerde opbouw van de cultuurlandschappen in deze gebieden versterken.

Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven”

De recreatieve functie past binnen het 'mixlandschap'. Ook de bijgebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud van omliggende gronden worden als passend gezien. Ze zijn onderdeel van de woonfunctie, die ook als passend beschouwd wordt. De karakteristieke gevarieerde opbouw van het cultuurlandschap wordt versterkt door de diverse landschapsmaatregelen die worden getroffen in het kader van de reeds afgeronde Rood-voor-Rood ontwikkeling.

4.2.4.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' buiten beschouwing kunnen buiten beschouwing blijven aangezien voor de locaties geen specifieke eigenschappen gelden vanuit deze lagen.

1. De 'Natuurlijke laag'

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 4.3 is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0008.png"  
Afbeelding 4.3 Uitsnede Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)  

“Dekzandvlakte en ruggen”

De dekzandgronden worden gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandgebieden zijn voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heide-ontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Als ontwikkelingen plaatsvinden dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar maken en beleefbaar maken van hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij inrichting. De strekkingsrichting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, dient uitgangspunt te zijn. Hiermee dient bij de planuitwerking rekening te worden gehouden.

Toetsing van het initiatief aan het de "Natuurlijke laag"

De gronden in het plangebied zijn in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw en daarbij behorende erven. De van oorsprong voorkomende 'natuurlijke laag' is dan ook niet of nauwelijks meer aanwezig. Wel worden er in het kader van het afgeronde Rood-voor-Rood plan landschapsmaatregelen getroffen met 'natuurlijke' plantsoorten, waarmee wordt verwezen naar de oorspronkelijke 'natuurlijke laag'. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de 'Natuurlijke laag'.

2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'

In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In afbeelding 4.4 is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0009.png"  
Afbeelding 4.3 Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)  

'Jonge heide- en broekontginningslandschap'

Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”

Door de landschappelijke inpassing van het erf, worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap versterkt. De bestaande karakteristieke landschapselementen worden versterkt middels streekeigen beplantingen. Daarmee is de ontwikkeling is overstemming met het gestelde in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie
4.3.1.1 Algemeen

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.

De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • 1. We doen het samen;
  • 2. We geven het goed voorbeeld;
  • 3. We wentelen niet af op volgende generaties;
  • 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

4.3.1.2 Buitengebied in balans

De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.

In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

4.3.1.3 Kwalitatief toerisme

De gemeente wil werken aan kwalitatief toerisme door middel van toerismespreiding en het behouden van een vitaal verblijfsaanbod. Dit doet de gemeente door:

  • een goede balans te bewaken tussen de landschapskwaliteiten van ons gebied, de leef- en werkomgeving voor inwoners en de groeimogelijkheden van de toeristische sector;
  • mogelijkheden te bieden voor marktconforme en gebiedspassende bedrijvigheid;
  • projecten en ideeën te verwelkomen gericht op toerisme of dagrecreatie als ze een aanvulling zijn op het bestaande aanbod, gericht zijn op interessante doelgroepen of zorgen voor seizoensverlenging;
  • toeristisch interessante locaties in te richten in zowel de kernen als in het buitengebied.
4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

In de omgevingsvisie is één van de doelstellingen het combineren van zoveel mogelijk functies. Met deze ontwikkeling van kleinschalige recreatie op een erf, wordt hierbij aangesloten. Met de ontwikkeling wordt tevens bijgedragen aan de uitgangspunten behorend bij een kwalitatief hoogwaardig toerisme. Het gaat immers om gebiedspassende bedrijvigheid (boerderijjamers) die een aanvulling zijn op het bestaande aanbod. In paragraaf 3.1.3 is dit uitgebreid onderbouwd. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie.

4.3.2 Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente
4.3.2.1 Inleiding

De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben besloten op gebied recreatie & toerisme samen te werken en gezamenlijk een beleidsnota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente op te stellen. Immers, de toerist kent geen gemeentegrenzen. De toerist gaat op bezoek in een bepaald gebied en in dit geval gaat de toerist naar Noordoost Twente. Daarom is het goed om het beleid in de vier gemeenten in Noordoost Twente op elkaar af te stemmen. Op deze manier kan de regio zich sterker profileren binnen Twente.

Doel is om het verblijfstoerisme in Noordoost Twente te versterken door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. Het aantal overnachtingen stijgt hierdoor en ook de toeristische bestedingen stijgen. Dit heeft een positief effect op de werkgelegenheid, de leefbaarheid en het voorzieningenniveau.

Eén van de belangrijkste voorwaarden om dit doel te bereiken is het kunnen aanbieden van een optimaal en divers aanbod aan kwalitatief goede verblijfsmogelijkheden binnen Noordoost Twente dat aansluit bij de wensen en behoeften van de toerist. In dat kader is het van belang om het huidige aanbod van verblijfsmogelijkheden binnen de vier gemeenten onder de loep te nemen en te bepalen of en waar ingezet moet worden op vergroting, versterking of verbreding van het aanbod rekening houdend met wensen. De toeristische sector is een sector die sterk aan trends en ontwikkelingen onderhevig is. Hierdoor zijn ondernemers dikwijls genoodzaakt om veranderingen door te voeren om in te kunnen blijven spelen op de wensen uit de markt. Daarbij wordt in veel gevallen medewerking vanuit de gemeente gevraagd. Als het gaat om positieve ontwikkelingen, is het belangrijk dat de daarvoor noodzakelijke procedures zo kort mogelijk kunnen zijn.

Mede in dat kader is er behoefte aan een duidelijke visie op de verblijfsrecreatie, die richting geeft aan de gestelde ambities en de kaders weergeeft waarbinnen de verschillende verblijfsrecreatieve vormen zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen om zodoende in te kunnen blijven spelen op de behoeften in de markt.

4.3.2.2 Doelstelling

Voor verblijfsrecreatie in Noordoost-Twente wordt de volgende doelstelling geformuleerd:

Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod.

Om deze doelstelling te kunnen verwezenlijken streeft de regio de volgende subdoelstellingen na:

  • Versterking van de bestaande verblijfsaccommodaties in Noordoost Twente, stimuleren van kwaliteitsverbetering en innovatie op bestaande verblijfsaccommodaties;
  • Streven naar deregulering en een grotere mate van ondernemersvrijheid;
  • Gepaste uitbreiding van het aantal nieuwe verblijfsaccommodaties;
  • Het regelen van uitsluitend recreatieve bewoning van recreatiewoningen door onder andere exploitatieovereenkomsten;
  • Versterken van de landschappelijke kwaliteit van verblijfsaccommodaties;

4.3.2.3 Toetsingscriteria

Centrale doelstelling vormt de versterking van de verblijfsrecreatieve sector. Plannen van ondernemers die hieraan bijdragen, worden met een positieve insteek behandeld. Dit betekent echter niet dat iedere recreatieve ontwikkeling zomaar kan worden toegestaan. Bij de afweging om een uitbreiding of nieuwvestiging al dan niet toe te staan, moet gekeken worden naar de ruimtelijke impact die een ontwikkeling zal hebben. Deze mag geen afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteit.

Bij de ruimtelijke afweging van wensen tot uitbreiding of nieuwvestiging spelen de volgende overwegingen een rol:

  • Nieuwvestiging moet een kwalitatieve en economische en/of duurzame meerwaarde zijn voor het toeristisch-recreatieve product en een acceptabele toevoeging aan het landschapsbeeld.
  • De accommodatie doet geen onevenredige afbreuk aan bestaande landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden.
  • Een uitbreiding of nieuwvestiging draagt bij aan kwaliteitsverbetering (landschap, architectuur, beeld- en belevingskwaliteit).
  • Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) beleid is van toepassing.
4.3.2.4 Kaders verblijfsrecreatie- plattelandskamers

Voor de verscheidene vormen van verblijfsrecreatie zijn kaders geboden in de Nota verblijfsrecreatie. In dit geval zijn de kaders voor plattelandskamers van belang, aangezien de boerderijkamers daar het best mee te vergelijken zijn.

In de kaders is opgenomen dat de plattelandskamer normaliter in voormalige agrarische bebouwing gerealiseerd worden. Het is echter ook mogelijk om plattelandskamers buiten het VAB-beleid om mogelijk te maken. Het gaat dan om maatwerk.

4.3.2.5 Leefstijlen

Zoals ook in de planbeschrijving aangegeven is voor het zoeken naar de passende doelgroep gebruik gemaakt van leefstijlvinder.nl.

In dit geval is gebleken dat er in Noordoost-Twente met name behoefte is aan de doelgroepen 'stijlzoekers', 'inzichtzoekers'. Inzichtzoekers betreffen mensen die zoeken naar kunst, cultuur en natuur. Inspirerende en rustige activiteiten zijn het domein van deze groep. Men is het liefst alleen of in klein gezelschap. Deze groep overnacht graag op een plek waar de praktische voorzieningen goed geregeld zijn, ze zijn dan ook bereid iets meer te betalen.

De stijlzoekers zijn harder werkers met ambitie en ondernemingsdrift. Ze hebben een actieve levensstijl en houden van luxe, comfort en exclusiviteit.

Zoals aangegeven gaat het in dit geval om luxe en kleinschalige boerderijkamers, met veel privacy. Deze zijn uitermate geschikt voor de doelgroepen, die op zoek zijn naar locaties met luxe, comfort en waar praktische voorzieningen goed geregeld zijn en die bereid zijn meer te betalen voor de gewenste exclusiviteit.

4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente

Met het initiatief wordt er ingespeeld op de doelstelling om gepaste uitbreiding van het aantal nieuwe verblijfsaccommodaties te reguleren. De boerderijkamers vormen een meerwaarde voor het toeristisch product.

Wat betreft de kaders voor plattelandskamers is er in dit geval sprake van maatwerk. Het gaat immers niet om een voormalig agrarisch gebouw maar een nieuw bijgebouw op een voormalig agrarisch erf. Gezien het gaat om een voormalig agrarisch erf en het nieuwe bijgebouw wat betreft uitstraling en positionering de kenmerken heeft van een boerenerfensemble, wordt de functie passend geacht. In dit geval kan daarom een specifieke bestemming gegeven worden.

Ook is, zoals uit voorgaande paragraaf blijkt, sprake van een ontwikkeling die inspeelt op de behoefte voor met name stijlzoekers en inzichtzoekers in Noordoost-Twente. Bij deze doelgroepen liggen er kansen, omdat de vraag groter is dan het aanbod. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente.

4.3.3 Landschapsontwikkelingsplan
4.3.3.1 Algemeen

Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2008 geeft een gewenst landschappelijk streefbeeld voor Noord Oost Twente en de gemeente Twenterand voor de komende 10 jaar. Daarnaast biedt het LOP handvatten voor het bijsturen en de inpassen van toekomstige ontwikkelingen in het landschap. Het LOP wordt gebruikt om te beoordelen of nieuwe ontwikkelingen landschappelijke aanvaardbaar zijn en hoe deze goed landschappelijk worden ingepast. Ontwikkelingen die niet binnen de streefbeelden van het LOP passen maar wel een meerwaarde vormen voor een gemeente, kan medewerking worden verleend door gemotiveerd af te wijken van het LOP.

Het plangebied is deels gelegen binnen het gebied 'Bekken van Hengelo' en deelgebied 'De Velden' op basis van de gemeentelijke uitwerking voor de gemeente Dinkelland. In afbeelding 4.4 is dat weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0010.png"  
Figuur 4.4 Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan (Bron: gemeente Dinkelland)  

Het toekomstbeeld bestaat uit grote open agrarische gebieden tussen de beekdalen. Het accent ligt op agrarisch gebruik. Verspreid ligt een aantal grote erven met goed vormgegeven moderne stallen voor de grondgebonden veehouderij. De beplanting die is gerooid in het open middengebied is rond de erven en langs de randen gecompenseerd. De erven zijn ingebed in een stevig groen kader.

  • Ruimte voor vernieuwende (grootschalige) ontwikkelingen voor grondgebonden landbouw en intensieve veehouderij.
  • Behoud openheid van gebied als contrast tussen de dichtere randen langs de escomplexen en de beekdalen.
  • Aanleg stevige erfbeplanting met grote bomen rond de erven (erven als groene eilanden in de open ruimte).
  • Stimuleren actieplan ‘Boeren met weidevogels’ in weidevogelbeheersgebieden.
4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het Landschapsontwikkelingsplan

Ter plaatse van het plangebied is landschapsontsierende bebouwing gesloopt en worden in het kader van Rood-voor-Rood twee compensatiewoningen teruggebouwd (op basis van de reeds afgeronde procedure van het Rood-voor-Rood traject). Op de locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit door de landschapsmaatregelen. De landschapsmaatregelen die gekoppeld zijn aan de erftransformatie zorgen voor de gewenste landschappelijke inpassing, waarbij gebruikt wordt gemaakt van streekeigen soorten. Voor een toelichting op de landschapsmaatregelen wordt verwezen naar paragraaf en Bijlage 1 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan.

4.3.4 Casco-benadering in Noordoost-Twente
4.3.4.1 Algemeen

In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.

Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.4.2 Casco-benadering in de praktijk

De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap.

Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.

De regels van de casco-benadering gelden niet voor:

  • Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen).
  • Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen).
  • Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom.
  • Boomgaarden.
  • Bos groter dan 0,5 hectare.

Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente.

De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0011.png"  

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:

  • 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart.
  • 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart.
  • 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

Zoals ook blijkt uit de in figuur 4.5 opgenomen uitsnede van de casco-kaart behoren enkele bestaande groenstructuren rond het plangebied tot het Casco.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0012.png"  
Figuur 4.5 Uitsnede Casco-kaart (Bron: Provincie Overijssel)  
4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de “Casco-benadering in Noordoost-Twente”

In het plangebied zijn geen casco-onderdelen aanwezig. Het bestaande groenelement dat deels binnen het plangebied is gelegen blijft behouden. Aan bestaande casco-onderdelen in de omgeving van het plangebied worden geen wijzigingen aangebracht. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het Ruimtelijk kwaliteitsplan volledig wordt voldaan het Casco-beleid.

4.3.5 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en water.

5.1 Geluid

5.1.1 Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

5.1.2 Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van een extra oppervlakte aan bijgebouwen en zes boerderijkamers. De boerderijkamers betreffen geen geluidgevoelige objecten. Dit is in jurisprudentie bevestigd (ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1). Hierin staat het volgende vermeld:

'het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin. Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat'.

Een boerderijkamer valt qua functie gelijk te stellen met een recreatiewoning, waarmee het als niet geluidsgevoelig wordt aangemerkt. Ook de bijgebouwen bij de compensatiewoningen betreffen geen geluidgevoelige functies. Overigens komen deze bijgebouwen niet dichterbij de Deurningerstraat te liggen dan in de huidige planologische situatie het geval is. Het aspect 'geluid' is dan ook niet relevant in het kader van dit bestemmingsplan.

5.1.3 Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2 Bodem

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2 Situatie plangebied
5.2.2.1 Algemeen

Door Kruse Milieu is in het kader van het Rood-voor-Rood traject in 2019 reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van onder andere de compensatiekavels en de boerderijwoning met bijgebouw. Hierna wordt ten eerste op de resultaten ter plaatse van de compensatiekavels en de bijgebouwen ingegaan. Vervolgens wordt op de situatie ter plaatse van de bestaande boerderij inclusief nieuw te bouwen bijgebouw (waar de boerderijkamers zijn beoogd) ingegaan.

5.2.2.2 Locatie bijgebouwen

De resultaten van het verkennend onderzoek worden hierna behandeld. Voor de rapportage van het verkennend onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 van deze toelichting.

Op basis van de resultaten van de analyses wordt het volgende geconcludeerd:

  • de bovengrond is niet verontreinigd;
  • de ondergrond is niet verontreinigd;
  • het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium, nikkel, zink en naftaleen.

De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er enkele (zeer) lichte tot sterke verontreinigingen zijn aangetoond in het grondwater. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.2.2.3 Locatie bestaande woonboerderij

Ter plaatse van de bestaande woonboerderij en het bijgebouw vinden er geen uitpandige bouwactiviteiten plaats. In het kader van het Rood-voor-Rood traject is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is gebleken dat op de locatie, nadat het overige terrein, zes verdachte deellocaties aanwezig zijn. Deellocatie A betreft de locatie van twee niet meer in gebruik zijnde dieseltanks op de locatie en deellocaties B tot en met F betreffen vijf asbestverdachte druppelzones. De bovengrond van de locatie is verdacht van aanwezigheid van asbest. Het overige terreindeel is onverdacht.

Op basis van de resultaten van de chemische analyses wordt het volgende geconcludeerd:

  • Overig terrein:
    • 1. de bovengrond BG I is niet verontreinigd;
    • 2. de bovengrond BG II is niet verontreinigd;
    • 3. de ondergrond OG is niet verontreinigd;
    • 4. het grondwater is niet verontreinigd.
  • Deellocatie A: Bovengrondse tanks
    • 1. de bovengrond A-BG is niet verontreinigd met minerale olie

Op basis van de resultaten van de asbestanalyses wordt het volgende geconcludeerd:

  • Overig terrein:
    • 1. één van de mengmonsters van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek. In de overige mengmonsters is geen asbest aangetroffen.
  • Deellocatie B: Druppelzone noordzijde meest noordelijk gelegen stal:
    • 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte overschrijdt de waarde voor nader asbestonderzoek.
  • Deellocatie C: Druppelzone zuidzijde van de meest zuidelijk gelegen schuur:
    • 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek.
  • Deellocatie D: Druppelzone noordzijde van de meest oostelijk gelegen schuur:
    • 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek.
  • Deellocatie E: Druppelzone zuidzijde van de meest oostelijk gelegen schuur:
    • 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek.
  • Deellocatie F: Druppelzone oostzijde van de zuidoostelijk gelegen schuur:
    • 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader onderzoek.

Uit de chemische analyses van de boven- en ondergrond alsmede van het grondwater op het terrein blijkt dat deze niet zijn verontreinigd.

Er is asbest aangetroffen in de bovengrond op het terrein en in de druppelzones. Het gewogen gehalte asbest ter plekke van druppelzone B overschrijdt de waarde voor nader asbestonderzoek. Er heeft hier dan ook nader asbestonderzoek plaatsgevonden. Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek blijkt dat er in de afperkende inspectiegaten geen asbest is aangetoond. De interventiewaarde voor asbest wordt nergens overschreden. Er is dan ook geen saneringsnoodzaak.

5.2.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.


Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).


Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is weergegeven met de blauwe contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0013.png"  
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart)  

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
5.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5 Bedrijven en milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

5.5.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied aan de Deurningerstraat, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waar in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk".

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0014.png"  
5.5.3 Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

In dit geval worden er extra vierkante meters aan bijgebouwen en boerderijkamers gerealiseerd. Enkel de boerderijkamers kunnen worden aangemerkt als milieubelastende functies. De functie die het beste te vergelijken valt met een boerderijkamer betreft 'hotels- en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Voor een dergelijke functie geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid en gevaar. De boerderijkamers komen in een nieuw bijgebouw bij de bestaande woning, op een afstand van meer dan 30 meter tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige functies (betreffende de twee compensatiekavels en de woning aan de noordzijde, Deurningerstraat 3). In het bestemmingsplan is de locatie van de boerderijkamers ook specifiek vastgelegd, zodat de afstanden juridisch zijn geborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de compensatiewoningen.

5.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Enkel de boerderijkamers worden aangemerkt als milieugevoelige functies. Nabij het plangebied zijn een aantal agrarisch bedrijven gelegen.

Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst.

Voor veehouderijen geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Deurningerstraat 1) is gelegen op een afstand van circa 290 meter vanaf het plangebied. Het betreft een bedrijf met waar een intensieve agrarische bedrijfsvoering mogelijk is. Hiervoor gelden richtafstanden van 30 meter voor stof en 50 meter voor geluid. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Bovendien gaat het in dit geval om het toevoegen van boerderijkamers binnen een bestaande woonbestemming. Deze woonbestemming is reeds milieugevoelig voor omliggende agrarische bedrijven. Met de realisatie van de boerderijkamers veranderd dit niet.

Gezien de ruime afstanden tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en dat de omliggende milieubelastende functies niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

5.5.4 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur

5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

5.6.2 Situatie plangebied

Met dit plan worden nieuwe geurgevoelige objecten toegestaan, namelijk de boerderijkamers. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft het bedrijf aan de Deurningerstraat 1. Ter plaatse is een intensieve bedrijfsvoering mogelijk. Daarvoor gelden geen vaste afstanden, maar geuremissiecontouren. In dit geval bedraagt de afstand tussen het bedrijf en het plangebied echter 290 meter. Gezien de ruime afstand wordt in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Daarnaast wordt het agrarisch bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering beperkt, omdat de boerderijkamers binnen een bestaande woonbestemming (gevoelige functie) worden gerealiseerd en er al gevoelige functies op een nog kortere afstand (Deurningerstraat 3) gelegen zijn.

Gelet op vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied en worden omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5.6.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7 Ecologie

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

5.7.1 Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Lemselermaten” is gelegen op circa 650 meter (zie afbeelding 5.2) van het plangebied. In dit geval gaat het om het realiseren van boerderijkamers in een bijgebouw en het opnemen van een mogelijk tot het realiseren van in totaal 200 m2 aan extra bijgebouwen. Gezien de kleinschaligheid van dit project kunnen significante negatieve effecten ten aanzien van het Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Een stikstofberekening wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland

Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is het plangebied ten opzichte van zowel Natura 2000 als het NNN weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0015.png"  
Afbeelding 5.2 De ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN (Bron: Provincie Overijssel)  

Het plangebied is niet gelegen binnen de concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 40 meter van het NNN. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de NNN heeft. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

5.7.2 Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

In dit geval gaat het om het vergroten van de oppervlakte van nog te bouwen bijgebouwen en het toestaan van boerderijkamers in een nog te bouwen bijgebouw. Het gaat in feite dan ook om functiewijzigingen, waarbij geen sprake is van sloop van gebouwen of het verwijderen van groen. Een quickscan ecologie wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

5.7.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied

De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 5.3. Het plangebied is weergegeven middels het rode kader.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPDEURNSTR5HZ1-VG01_0016.png"  
Afbeelding 5.3 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland)  

Het plangebied ligt in het gebiedstype “Dekzandwelvingen en –vlakten”. In dit gebiedstype is archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen met een groter oppervlak dan 5.000 m² en die dieper reiken dan 40 cm.

Aangezien de omvang van de bodemingrepen ruim beneden de onderzoeksgrens blijven, wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 

5.8.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage

5.9.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
    Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.9.2 Situatie projectgebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 650 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht.

In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit de realisatie van boerderijkamers en de mogelijkheid tot het toestaan van maximaal 200 m2 aan extra bijgebouwen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.9.3 Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het project.

5.10 Water

5.10.1 Vigerend beleid
5.10.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.10.1.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.10.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.10.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem.
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
5.10.2 Waterparagraaf
5.10.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.10.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 5.

Hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd ter plaatse van het erf. Hier is voldoende ruimte voor. Het afvalwater van de woningen worden afgevoerd via de aanwezige riolering.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2 Opbouw van de regels

6.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.
6.2.2 Inleidende regels
6.2.2.1 Begrippen

In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

6.2.2.2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

6.2.4 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel (artikel 6: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene bouwregels (artikel 7): in deze regel wordt de minimale afstand tot wegen geregeld.
  • Algemene gebruiksregels (artikel 8): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens is in dit artikel het bestaande gebruik geregeld.
  • Algemene afwijkingsregels (artikel 9): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene wijzigingsregels (artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan onder voorwaarden te wijzigen.
  • Overige regels (artikel 11); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen.
6.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch - 1 (artikel 3)

De bestemming ‘Agrarisch - 1' is toegekend aan de gronden buiten de woonpercelen. Deze bestemming is volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan.

De gronden met de bestemming ‘Agrarisch - 1 zijn hoofdzakelijk bestemd voor de het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden. Tevens kan worden opgemerkt dat binnen deze bestemming ook tuinen en erven behorende bij de woningen (binnen de naastgelegen bestemming) zijn toegestaan.

Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Aan deze bestemming is verder een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Specifiek is bepaald dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen 2 m mag bedragen.

Bos - Natuur (artikel 4)

De bestemming 'Bos - Natuur' is volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan.

De voor 'Bos - Natuur' bestemde gronden zijn bedoeld voor het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden in de vorm van opgaand groen en groenvoorzieningen. De beplanting zal bestaan uit de maatregelen zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan.

Op gronden met deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 1 meter zal bedragen.

Wonen (artikel 6)

Deze gronden zijn volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan, waarbij er in de regels een aantal specifieke bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van dit plan. Zo is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - boerderijkamers' maximaal 6 boerderijkamers zijn toegestaan, met daar voorwaarden aan verbonden. Het begrip 'boerderijkamer' is specifiek in de begrippen gedefinieerd als:

een (deel van een) bijgebouw welke blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in kamers en dat, al dan niet in combinatie met een dagverblijf, beschikbaar is;

Ook is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt dat de oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning wordt vergroot tot 200 m2. Aan de voorwaarden zal na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan nader getoetst worden, waarmee de omgevingsvergunning verleend kan worden.

Tot slot zijn de voorwaardelijke verplichting voor sloop en de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing gehandhaafd, nu de woningen nog niet zijn gebouwd en de verplichting is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de betreffende woningen.

Voor het overige zijn de regels van het voorgaande bestemmingsplan onveranderd gelaten. Hieronder wordt nader op de bestemmingsregeling zoals destijds is bepaald in het kader van het Rood voor Rood traject, ingegaan:

De gronden die worden gebruik voor de woonfunctie zijn bestemd als ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor:

  • 1. een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  • 2. mantelzorg;
  • 3. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • 4. agrarisch medegebruik;

Er zijn twee bestemmingsvlakken opgenomen: één voor de compensatiewoningen en één voor de bestaande woning. Het aantal toegestane woningen per bestemmingsvlak is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven.

Compensatiewoningen

Binnen het bestemmingsvlak voor de compensatiewoningen is per woning een bouwvlak opgenomen. Voor een woningen geldt een maximale inhoudsmaat van 750 m3 en een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 en 9 meter. De dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen. De bijgebouwen dienen te worden gebouwd ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen', met dien verstande dat het maximum oppervlakte aan aan-, uit- bijgebouwen of overkappingen maximaal 200 m2 bedraagt. De goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen en de bouwhoogte zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

Bestaande woningen

Binnen het bestemmingsvlak van de bestaande woning is geen bouwvlak opgenomen. Hier geldt dat maximaal 1 woning is toegestaan, waarvoor in dit geval de bestaande maatvoeringen gelden (op basis van de algemene bouwregels: Artikel 7). Wat betreft de bijgebouwen geldt dat deze mogen worden gebouwd tot een maximum gezamenlijk oppervlakte van 200 m2. Deze oppervlakte is groter dan normaliter is toegestaan. In dit bijgebouw zijn de boerderijkamers beoogd, die met een aanduiding specifiek zijn vastgelegd.

De goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen en de bouwhoogte zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

Aan de regels zijn voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd. De voorwaardelijke verplichtingen voorzien in een borging van de sloop (zie Bijlage 2 van de regels) en de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen (zie Bijlage 1 van de regels). Deze verplichtingen zijn gekoppeld aan het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woningen.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

8.1 Vooroverleg

8.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2 Provincie Overijssel

Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht.

8.1.3 Waterschap Vechtstromen

De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een ‘korte procedure’. Derhalve is vooroverleg met het waterschap niet noodzakelijk

8.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

8.3 Zienswijzen

Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het vooroverleg is hiermee positief afgerond.