direct naar inhoud van Artikel 10 Bedrijf - Glastuinbouw
Plan: Buitengebied 2010
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPBUITENGEBIED-0402

Artikel 10 Bedrijf - Glastuinbouw

 

10. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf - Glastuinbouw’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    kassen en overige bedrijfsgebouwen, waaronder overkappin­gen, ten behoeve van glastuinbouwbedrijven;

b.    bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfs­woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige be­drijfsmatige activiteit;

 

met daaraan ondergeschikt:

c.    wegen en paden;

d.    water;

 

met de daarbijbehorende:

e.    tuinen, erven en terreinen;

f.     bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van waterbassins.

10. 2.    Bouwregels

10. 2. 1. Voor het bouwen van de in lid 10.1. onder a en b genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.    per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkap­pingen, ten behoeve van één glastuinbouwbedrijf wor­den gebouwd, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing”;

b.    de afstand van de gebouwen en overkappingen tot de zijde­lingse perceelgrens zal ten minste 5,00 m bedragen, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de bestaande afstand geldt;

c.    het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bestemmingsvlak bedragen;

d.    de gezamenlijke oppervlakte van de kassen en schuurkassen en overige bedrijfsgebouwen zal ten hoogste 80% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welke geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen;

e.    de kassen en overige bedrijfsgebouwen, waaronder overkap­ping, en de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappin­gen bij bedrijfswoningen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daar­van worden gebouwd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, de bedrijfswoning op meer dan 50 m van de weg is gesitueerd, dan wel de gebouwen vóór de voorgevel van een bedrijfswoning zijn gebouwd, in welk geval de bestaande afstand dan wel de bestaande situering ten opzichte van de voorgevel van de bedrijfswoning geldt;

f.     de maatvoering van een gebouw of een overkapping zal vol­doen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn ge­steld:

 

Functie van een bouwwerk

Maximale opper­vlakte/inhoud

Goot­hoogte in m

Dakhelling in °

Hoogte in m

 

per ge­bouw of overkap­ping

geza­menlijk

max.

min.

max.

max.

Kassen

-#

-

6,00

15

60

12,00

Overige bedrijfs­gebouwen, waar­onder overkappin­gen

-#

-

6,00

15

60

12,00

Bedrijfswoning

750 m³*

-

3,50*

30*

60*

9,00*

Aan- en uitbou­wen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswo­ning

-

100 m²

3,50

-

60

-**

#             bij gebouwen of overkappingen, die groter zijn dan:

-       500 m³, dient het bouwplan vergezeld te gaan van een landschappe­lijk inpassingsplan;

-       2.000 m³, dient het bouwplan vergezeld te gaan van een erfinrich­tingsplan ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en een goede ruimtelijke kwaliteitsverhouding tot de bestaande be­bouwing;

*              tenzij de bestaande maatvoering meer bedraagt, in welk geval de maatvoering van een bedrijfswoning ten hoogste de bestaande maatvoering zal bedragen;

**            de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning.

10. 2. 2. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebou­wen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    waterbassins zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden aan­gelegd;

b.    de hoogte van een waterbassin zal ten hoogste 3,00 m bedra­gen;

c.    de hoogte van silo’s ten behoeve van waterbassins zal ten hoogste 12,00 m bedragen;

d.    de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van de bedrijfswo­ning(en) ten hoogste 2,00 m zal bedragen;

e.    de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 10,00 m bedragen.

10. 3.    Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, indien:

1.    het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de bedrijfswoning, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn;

2.    de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in de bedrijfswoning meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning;

3.    de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² be­draagt;

4.    parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;

5.    detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden de­tailhandel;

b.    het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning;

c.    het splitsen van een bedrijfswoning in meer dan één woning;

d.    het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;

e.    het gebruik van de gronden en gebouwen voor detailhandels­doeleinden anders dan productiegebonden detailhandel.

10. 4.    Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

 

-       het bepaalde in lid 10.3. onder c en toestaan dat een bedrijfswoning wordt gebruikt voor meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning, mits:

1.    deze ontheffing uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de huisvesting van een tweede of een derde (huishouden van een) persoon;

2.    de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en er geen sprake is van splitsing in meerdere woningen;

3.    er sprake blijft van één hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft;

4.    er sprake blijft van één aansluiting op de verschillende nutsvoorzieningen en er geen toename van het aantal inritten naar het perceel plaatsvindt;

5.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aan­grenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrij­ven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

6.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiks­mogelijkheden van de aangrenzende gronden.

10. 5.    Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat:

 

-       de bestemming ‘Bedrijf - Glastuinbouw’, behoudens de gronden waar op basis van bijlage 4 geen bedrijfswoning aanwezig is, wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ en/of ‘Agrarisch - 1’ of ‘Agrarisch - 2’, mits:

1.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 36 en/of artikel 3 of 4 van overeenkomstige toepassing zijn;

2.    de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd en alle aanwezige kassen zijn gesaneerd;

3.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aan­grenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrij­ven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

4.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusitu­atie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkhe­den van de aangrenzende gronden.