| Plan: | Buitengebied, Bornsestraat 35-37 en Bornsestraat 30 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPBORNSE3537-VG01 |
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen aan de Bornsestraat 35, 37 en 37a te Saasveld, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het betreft een bedrijfsperceel dat in de huidige situatie in gebruik is ten behoeve van een land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf. Op het perceel zijn in de huidige situatie bedrijfsgebouwen (nr. 35), met een omvang van 1.009 m², en een tweetal bedrijfswoningen (nr. 37/37a) met bijbehorende bijgebouwen aanwezig.
Initiatiefnemer is voornemens om bij het bedrijf een nieuwe opslag- en wagenberging te realiseren, ten behoeve van het inpandig stallen van materieel en opslagdoeleinden. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de omvang aan bedrijfsbebouwing kan worden vergroot tot 1.675 m². De beoogde nieuwbouw zal een maximale omvang van 644 m² krijgen.
Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een extra bijgebouw (garage-berging) bij één van de bedrijfswoningen te realiseren. Met het realiseren van dit bijgebouw wordt de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bij bedrijfswoningen, zoals vervat in het geldende bestemmingsplan, overschreden. Op basis van de Schuur voor Schuur-regeling kan het vorenstaande echter worden toegestaan, mits elders minimaal 100 m² aan landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Deze locatie is gevonden aan de Bornsestraat 30 te Saasveld waar in totaal 135 m² wordt gesloopt en voldaan wordt aan de minimale sloopvereiste. De te slopen bebouwing is voorzien van asbesthoudende golfplaten
Tot slot zal de locatie op een adequate landschappelijke wijze worden ingepast. Samengevat bestaat de ontwikkeling uit het volgende:
De gemeente heeft aangegeven in principe te kunnen instemmen met de hiervoor genoemde ontwikkelingen. Geconstateerd is dat van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid geen gebruik kan worden gemaakt, aangezien naast de vergroting van de omvang aan bedrijfsbebouwing tevens de extra bijgebouwen bij de bedrijfswoningen planologisch geregeld dienen te worden. Om deze reden dient het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010' te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Aangetoond zal worden dat de in dit bestemmingsplan besloten planologische kaders in overeenstemming zijn met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en voldoet aan de gestelde voorwaarden aan de principemedewerking.
Opgemerkt wordt dat de locatie aan de Bornsestraat 30 tevens is meegenomen in voorliggend bestemmingsplan. Dit vanwege het feit dat de te slopen schuren in het kader van de Schuur voor Schuur-regeling niet teruggebouwd mogen worden. In dit bestemmingsplan is voor de betreffende locatie dan ook vastgelegd dat de omvang aan bebouwing niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte minus de te slopen bebouwing.
Het plangebied Bornsestraat 35-37 ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noordwesten van de kern Saasveld. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Weerselo, sectie T, nummers 1509, 1510, 1100, 1261 en 1450. Het plangebied Bornsestraat 30 ligt ten noordwesten van de Bornsestraat 35-37, en staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie T, nummer 1047.
In afbeelding 1.1 is de ligging van de plangebieden ten opzichte van de kern Saasveld en de directe omgeving weergegeven. Hierbij zijn zowel de bouw- als de slooplocatie weergegeven. Voor de begrenzing van de plangebieden wordt verwezen naar de verbeelding.
|
| Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: PDOK) |
Het bestemmingsplan "Buitengebied, Bornsestraat 35-37 en Bornsestraat 30" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Beide plangebieden zijn gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” van de gemeente Dinkelland, dat op 18 februari 2010 is vastgesteld door de raad. Daarnaast liggen beide plangebieden eveneens binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" van de gemeente Dinkelland dat op 29 mei 2018 is vastgesteld door de raad.
Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeeldingen behorend bij het geldende bestemmingplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010", hierin zijn beide plangebieden indicatief aangegeven met de rode contour.
|
| Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
In de volgende subparagraaf wordt ingegaan op de ter plaatse van de plangebieden geldende bestemmingen uit de bestemmingsplannen “Buitengebied 2010". De regels omtrent het parkeren zijn overgenomen in voorliggend plan, het is in het kader van voorliggend initiatief niet van belang om deze nader uit te lichten.
Bornsestraat 30
De locatie aan de Bornsestraat 30 heeft op basis van het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” van de gemeente Dinkelland de bestemming 'Agrarisch - 1'. Daarnaast zijn ter plaatse een bouwvlak en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' aanwezig.
De voor ‘Agrarisch - 1’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, vanwege de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf'. Daarnaast zijn onder andere de daarbijbehorende bedrijfsgebouwen, overkappingen en bedrijfswoningen toegestaan. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Bornsestraat 35-37
De locatie aan de Bornsestraat 35-37 heeft op basis van het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010" van de gemeente Dinkelland gedeeltelijk de bestemming 'Bedrijf' en gedeeltelijk de bestemming 'Bos en natuur'.
De voor ‘Bos en natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden en voor beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of –partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging.
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van bedrijven, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Het type bedrijf en de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is per locatie vastgelegd middels een bijlage bij de regels. In dit geval is een landbouwmechanisatiebedrijf toegestaan. De oppervlakte aan bedrijfdsgebouwen bedraagt maximaal 1.009 m2. Verder zijn de gronden bestemd voor maximaal twee bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
De strijdigheid betreft het volgende:
De gemeente heeft aangegeven in principe te kunnen instemmen met de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkelingen. Geconstateerd is dat van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' geen gebruik kan worden gemaakt, aangezien naast de vergroting van de omvang aan bedrijfsbebouwing tevens de extra bijgebouwen bij de bedrijfswoningen planologisch geregeld dienen te worden. Om deze reden dient het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010' te worden herzien.
Opgemerkt wordt dat de locatie aan de Bornsestraat 30 tevens is meegenomen in voorliggend bestemmingsplan. Dit vanwege het feit dat de te slopen schuren in het kader van de Schuur voor Schuur-regeling niet teruggebouwd mogen worden. In dit bestemmingsplan is voor de betreffende locatie dan ook vastgelegd dat de omvang aan bebouwing niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte minus de te slopen bebouwing.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders. Aangetoond zal worden dat de in dit bestemmingsplan besloten planologische kaders in overeenstemming zijn met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en voldoet aan de gestelde voorwaarden van de principemedewerking.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.
Beide plangebieden bevinden zich in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk gaat eerst in op het landschap en de omgeving en de huidige situatie binnen het plangebied.
De locaties bevinden zich in het essenlandschap. Het essenlandschap is geordend vanuit de erven en de essen en de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting (met heideplaggen en stalmest ) heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge steilranden. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijk eenheid en het versterken van het contrast tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaiek van de flank, de openbeekdalen en de vroegere heidevelden.
Bornsestraat 30
Het erf aan de Bornsestraat 30 ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, op een afstand van circa 2 kilometer ten noordwesten van de dorpskern Saasveld. De ruimtelijk- functionele structuur van de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarische cultuurgronden, bospercelen, verspreid liggende woonerven en (niet-)agrarische bedrijvigheid. De belangrijkste structuurdrager in de nabijheid van het plangebied is de Bornsestraat.
Binnen het plangebied bevindt zich een agrarisch erf met een bedrijfswoning en agrarische bebouwing. Tevens bevindt zich hier landschapsontsierende bebouwing. Daarnaast bevinden zich in het plangebied een houtopstand en een grondwal met beplanting. Tussen de bebouwing is erfverharding aanwezig. Rondom de bedrijfswoning ligt een tuin. Tot slot zijn ter plaatse agrarische gronden en een verbindingsweg aanwezig. Deze weg verbindt het oosten van het erf met de met de Bornsestraat.
De huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving worden weergegeven op de luchtfoto in afbeelding 2.1. Hierbij wordt het plangebied indicatief weergegeven middels de rode omlijning.
|
| Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie Bornsestraat 30 (Bron: PDOK) |
Bornsestraat 35-37
Het erf aan de Bornsestraat 35-37 ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, op een afstand van circa 1,8 kilometer ten noordwesten van de dorpskern Saasveld. De ruimtelijk- functionele structuur van de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarische cultuurgronden, bospercelen, verspreid liggende woonerven en (niet-)agrarische bedrijvigheid. De belangrijkste structuurdragers in de nabijheid van het plangebied is de Bornsestraat. Het plangebied betreft een bedrijfsperceel dat in de huidige situatie in gebruik is ten behoeve van een land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf. Op het perceel zijn in de huidige situatie bedrijfsgebouwen (nr. 35), met een omvang van 1.009 m² (dit betreft de oppervlakte aan bebouwing zonder de te slopen schuren) en een tweetal bedrijfswoningen (nr. 37/37a) met bijbehorende bijgebouwen aanwezig.
Tussen de bedrijfsbebouwing is erfverharding aanwezig wat gedeeltelijk in gebruik is als buitenopslag. Rondom de bedrijfswoningen ligt gedeeltelijk een tuin. Tot slot zijn ter plaatse natuurgronden aanwezig. Het plangebied is direct gelegen aan de Bornsestraat.
De huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving worden weergegeven op de luchtfoto in afbeelding 2.2. Hierbij wordt het plangebied indicatief weergegeven middels de rode omlijning.
Benoemd wordt op deze plaats dat op onderstaande afbeelding 2 schuren in het zuidwesten van het perceel zichtbaar zijn, deze worden gesloopt. De sloopmelding is reeds ingediend bij de gemeente en deze is geaccepteerd. Deze worden gesloopt voordat het bestemmingsplan in procedure gaat, en zijn zekerheidshalve (ter borging) ook meegenomen worden in de voorwaardelijke verplichting. Dit om te voorkomen dat er een beroep op het overgangsrecht gedaan kan worden als de schuren er feitelijk nog wel staan bij de start van de bestemmingsplanprocedure.
|
| Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie Bornsestraat 35-37 (Bron: PDOK) |
De terugloop in de landbouw en de gewijzigde economische omstandigheden hebben ertoe geleid dat het buitengebied meer en meer een gebied wordt van functiemenging. Verwacht wordt dat er de komende jaren steeds meer (grote) erven leeg komen te staan en dat deze leegstaande schuren niet allemaal ingevuld kunnen worden met andere functies. In deze situaties kan gekeken worden of sloop uitkomst biedt, immers willen veel eigenaren wel van de schuren af, maar laten dit vooralsnog vanwege onder meer de kosten en het behoud van de bestaande bouwrechten. Anderzijds zijn er eigenaren van erven die graag extra bebouwing willen realiseren, maar daarvoor de bouwrechten niet hebben. Hier valt voor beide partijen een voordeel te behalen. In voorliggend geval is sprake van een soortgelijke situatie
Initiatiefnemer is voornemens om bij het landbouwmechanisatiebedrijf aan de Bornsestraat 35-37 een nieuwe opslag- en wagenberging te realiseren, ten behoeve van het inpandig stallen van materieel en opslagdoeleinden. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de omvang aan bedrijfsbebouwing kan worden vergroot tot 1.675 m². De beoogde nieuwbouw zal de maximale omvang van 644 m² krijgen.
Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een extra bijgebouw (garage-berging) van circa 90 m² bij de bedrijfswoningen te realiseren. Op basis van de Schuur voor Schuur-regeling kan het vorenstaande worden toegestaan, mits elders minimaal 100 m² aan landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Deze locatie is gevonden aan de Bornsestraat 30 waar in totaal 135 m² landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en voldaan wordt aan de minimale sloopvereiste voor de bouw van het gewenste bijgebouw. De te slopen bebouwing is voorzien van asbesthoudende golfplaten
Zowel het plangebied aan de Bornsestraat 35-37 als de slooplocatie aan de Bornsestraat 30 zijn reeds landschappelijk goed ingepast. De slooplocatie zal met gras worden ingezaaid. De gewenste ontwikkeling heeft een impuls van de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg vanwege de nieuwe erfinrichtig en het verdwijnen van de buitenopslag aan de Bornsestraat 30.
In voorliggend geval is sprake van sloop van landschapsontsierende bebouwing in de gemeente Dinkelland. Ter plaatse van het agrarisch erf aan de Bornsestraat 30 wordt, zoals reeds vermeld, in totaal 135 m² aan bebouwing met asbesthoudende golfplaten gesloopt. Om terugbouw van de schuur te voorkomen worden de bouwmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen op dit perceel beperkt. De overige bestaande bebouwing blijft behouden. De bijgebouwen zullen onder andere dienen als overdekte opslag voor voer- en werktuigen en ten behoeve van het houden van dieren.
De te slopen bebouwing is aangegeven in afbeelding 3.1.
|
|
| Afbeelding 3.1 Sloop Bornsestraat 30 (Bron: Provincie Overijssel) |
Initiatiefnemer is voornemens om bij het bedrijf een nieuwe opslag- en wagenberging te realiseren, ten behoeve van het inpandig stallen van materieel en opslagdoeleinden. De beoogde nieuwbouw zal de maximale omvang van 644 m² krijgen. De totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op het erf bedraagt daarmee 1.653 m2.
Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om op basis van de Schuur voor Schuur-regeling een extra bijgebouw (garage-berging) van 90 m² bij de bedrijfswoningen te realiseren. In afbeelding 3.2 is een impressie van het voornemen (het te realiseren bijgebouw) weergegeven, de te realiseren bedrijfsbebouwing is eveneens ingetekend (noordelijk op deze tekening).
|
| Afbeelding 3.2 Schets voornemen Bornsestraat 35-37 (Bron: Initiatiefnemer, bewerkt door BJZ.nu) |
Bornsestraat 30
Het voornemen voor het perceel aan de Bornsestraat 30 bestaat uit het slopen van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel Bornsestraat 30. Het perceel wordt vrijwel geheel omsloten door een gemengde houtopstand. Daarnaast zijn verspreid over het perceel enkele grote solitaire bomen aanwezig, welke kenmerkend zijn voor het kampenlandschap. De gemengde houtopstand is belangrijk voor de biodiversiteit in de omgeving.
Tevens zijn deze bossingels kenmerkend voor het kampenlandschap en creeren een besloten en kleinschalige karakter wat eveneens kenmerkend is voor de omgeving.
Doordat het voormalige agrarische bedrijfsgebouw wordt gesloopt ontstaat de mogelijkheid om het perceel in te richten als gazon of extensief grasland. Hiermee sluit het plangebied aan op het omliggende groenstructuren en krijgt het perceel een natuurlijk en groen karakter wat aansluit op de omgeving.
Hierdoor wordt aangesloten bij de visie uit het landschapsontwikkelingsplan. Voor het overige zal de bestaande situatie gehandhaafd blijven, waardoor er geen extra beplanting hoeft worden aangelegd. De omliggende houtsingels zijn grote omvang en kwaliteit. Opgemerkt wordt dat het belangrijk is dat bij het planten van bomen voldoende groeiruimte aanwezig is zodat bomen kunnen groeien. De groeiruimte in het plangebied is van beperkte omvang dat het niet realistisch is om nieuwe aanplant van groen aan te bevelen of in te passen.
Voor een nadere toelichting en visualisatie van het voornemen wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting, waar het erfinrichtingsplan is opgenomen.
Bornsestraat 35-37
Het plangebied is gelegen in het kampenlandschap. Rondom het gebied zijn veel houtsingels gelegen die kenmerkend zijn voor het kampenlandschap. De landschapselementen liggen haaks op de Bornsestraat wat een gesloten landschap tot gevolg heeft. De percelen waren gesloten kamers omzoomd door houtwallen. Een groot gedeelte van de houtwallen is nog altijd aanwezig in de huidige situatie. De begrenzing en de omvang van de kavels zijn daarom ook nog nagenoeg ongewijzigd.
Het erf aan de Bornsestraat 35-37 moet aansluiten op het omliggende landschap. Dit wordt deels gerealiseerd door het erf niet helemaal dicht te planten met hagen en singels. Vanaf het erf blijft zicht op de Bornsestraat open. De structuur van het halfopen landschap sluit hierdoor goed aan op de grenzen van het erf. Aan de zuidzijde wordt een bestaande singel versterkt. Het eindbeeld van de gewenste situatie is een gesloten streekeigen houtsingel van 283 m2. Het aanplanten wordt gedaan in drie rijen met tussen de rijen 50 cm en een onderlinge plantafstand van 1 meter (driehoek verband). Hiermee wordt een oude historische singel van het besloten landschap behouden en versterkt en wordt het zicht op de bebouwing beperkt vanaf de omliggende woningen.
Voor het overige is het perceel voldoende landschappelijk ingepast in het kenmerkende kampenlandschap, er hoeft dan ook geen extra beplanting te worden geplaats. De omliggende singels en groenstructuren op het erf zijn van voldoende omvang en kwaliteit. Opgemerkt wordt dat bij positionering van het nieuwe bijgebouw er rekening moet worden gehouden dat de fundering op voldoende afstand van de houtopsstand gelegen is. Er mag namelijk geen sprake zijn van wortelkap.
Tenslotte zorgt het nieuwe bedrijfsgebouw ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd wordt aangezien er geen tot weinig buitenopslag meer zal zijn. In de huidige situatie bevindt de opslag van tractoren en onderdelen zich veelal op het erf in de openlucht. Dit zorgt voor een verrommeld erf en gaat ten koste van de ruimtelijke kwaliteit van het erf. Het is daarom wenselijk om een loods ten behoeve van opslag te realiseren om onderdelen en tractoren op te slaan.
De te realiseren bebouwing, de bedrijfsbebouwing alsmede het te realiseren bijgebouw zal passend zijn qua bebouwingstijl in de omgeving, waardoor ten gevolge van deze ontwikkeling (minder buitenopslag aan de Bornsestraat 35-37) het plangebied wordt verfraaid.
Voor een nadere toelichting en visualisatie van het voornemen wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting, waar het erfinrichtingsplan is opgenomen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling.
Bornsestraat 30
Voorliggend geval voorziet niet in een toename van de parkeerbehoefte. Ter plaatse van het plangebied is sprake van voldoende verharding op het perceel om parkeren op eigen terrein mogelijk te maken. Tevens is geen sprake van een voornemen wat de capaciteit van de aansluitende wegen, de omliggende wegenstructuur en de verkeersveiligheid op onevenredige wijze aantast. Het perceel blijft door middel van de bestaande in- en uitrit(ten) ontsloten op de Bornsestraat. Hier is reeds sprake van een passende ontsluiting
Bornsestraat 35-37
Het voornemen is om de bedrijfsbebouwing van het landbouwmechanisatiebedrijf uit te breiden met een loods ten behoeve van de opslagdoeleinden. De bedrijfsactiviteiten en het personeelsbestand ter plaatse zullen met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. De nieuw te realiseren bebouwing is noodzakelijk om de bestaande buitenopslag van materiaal te overdekken. Voorgenomen uitbreiding van het landbouwmechanisatiebedrijf brengt gelet op de activiteiten (opslag) geen onevenredige toename van verkeersbewegingen of parkeerbehoefte met zich mee. De parkeerbehoefte en verkeersbewegingen blijven nagenoeg gelijk met de huidige situatie. Op eigen erf is voldoende ruimte om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte
Conclusie
Per saldo zal (planologisch) geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen, aangezien er slechts sprake is van uitbreiding van bestaande bedrijfsbebouwing ten bate van opslagdoeleinden en een enkel bijgebouw. Het aantal verkeersbewegingen neemt hierdoor niet toe. De bestaande wegenstructuur rondom het plangebied is zodanig ingericht dat het de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie eenvoudig en veilig kan afwikkelen.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de voorloper van de NOVI, is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In het Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat de Ladder van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’. Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze definitie.
Op voorliggende ontwikkeling is onder andere de overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m² er in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling en er getoetst moet worden aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
In voorliggend geval wordt de situering van gebouwen op een bestaand bedrijfsperceel gewijzigd, maar neemt de omvang van de bedrijfsbestemming niet toe. De bebouwingsoppervlakte van het bedrijfsperceel neemt ten gevolg van de voorliggende ontwikkeling wel toe met 644 m² .
Op grond van het bestaande bestemmingsplan kan ter plaatse 1.525 m² gebouwd worden. Bij benutting van deze bouwmogelijkheden is in ieder geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Alles wat boven de bij recht toegestane oppervlakte van 1.525 m² wordt gebouwd dient wel te worden meegogen bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een stedelijke voorziening. Hierbij dient niet alleen de toename van de bedrijfsgebouwen te worden beoordeeld maar ook de toename van de oppervlakte van het bijbehorend bijgebouw van de bedrijfswoning. Dit alles beoordelende wordt geconcludeerd dat de toename van bebouwing blijft onder de 500 m2, waarmee er dus geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Hierdoor voorziet voorliggend bestemmingsplan dan ook niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hierna nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.
Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
|
| Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of- generieke beleidskeuzes' blijkt dat met name de artikelen 2.1.3, lid 1 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang zijn. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.
Artikel 2.1.3, lid 1 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening
Bornsestraat 30
Door het toepassen van de Schuur voor Schuur-regeling, neemt de hoeveelheid bebouwing in het buitengebied af. Per saldo is geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden in de groene omgeving, maar juist een afname. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.3.
Bornsestraat 35-37
Voorliggend plan voorziet in een uitbreiding van een bestaand bedrijf waarbij de bebouwing wordt uitgebreid in de vorm van een loods voor opslag van tractoren en onderdelen. Daarnaast wordt een bijgebouw bij de bedrijfswoning gerealiseerd. De omvang van de bedrijfsbestemming neemt niet toe. Wel zal de bebouwing qua omvang worden uitgebreid. De bestaande bebouwing op het perceel is reeds in gebruik en de huidige bebouwing biedt onvoldoende ruimte om te voorzien in de gewenste uitbreiding. Het landbouwmechanisatiebedrijf zal op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 en 2.1.6 van de Omgevingsverordening
Belangrijk uitgangspunt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Naast dat in het plangebied bebouwing gesloopt wordt, wordt doormiddel van het inzaaien van de achterblijvende gronden ter plaatse van de te slopen schuur, gezorgd voor een passende inrichting.
Daarnaast is het plangebied ter plaatse van de Bornsestraat 35-37 reeds goed landschappelijk ingepast, en zorgt het nieuwe bedrijfsgebouw ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd wordt aangezien er geen tot weinig buitenopslag meer zal zijn. Er zal verder nieuwe streekeigen beplanting worden aangeplant.
Tevens wordt voorliggende ontwikkeling voor wat de bouw van het nieuwe bijgebouw bij de bedrijfswoning gedeeltelijk mogelijk gemaakt op basis van de Schuur voor Schuur-regeling van de gemeente Dinkelland. In de hierop volgende paragrafen blijkt dat de ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, hoe toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel, dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief en op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering en de Catalogus Gebiedskenmerken.
Bij de overige afwegingen in de eerste fase ‘Of - generieke beleidskeuzes’ zijn er verder geen aspecten die bijzondere aandacht verdienen.
Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Beide plangebieden zijn indicatief aangegeven met de rode ster.
|
| Afbeelding 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven'
Voorliggend initiatief gaat uit van het slopen van een schuur en de realisatie van een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing voor bedrijfsactiviteiten en de realisatie van een nieuw bijgebouw bij de bedrijfswoningen. Deze ontwikkeling past binnen het mixlandschap, waar ruimte is voor een verscheidenheid aan functies, daarnaast zijn de plangebieden al goed landschappelijk ingepast. Het initiatief draagt dan ook bij aan het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen in het landelijk gebied.
Voorliggende ontwikkeling is vanuit functioneel en ruimtelijk oogpunt mogelijk en draagt bij aan de economische vitaliteit van het landelijk gebied. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat er geen sprake is van belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor beide locaties geen specifieke eigenschappen vanuit deze laag gelden.
1. De 'Natuurlijke laag'
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
De locatie Bornsestraat 30 is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype 'Beekdalen en natte laagtes'. De locatie Bornsestraat 35-37 is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. Plangebieden zijn indicatief aangegeven met de rode ster.
|
| Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) |
'Dekzandvlakten en ruggen'
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijdert. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten en door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
‘Beekdalen en natte laagtes’
Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘Dekzandvlakten en ruggen’. De gronden in het plangebied zijn in cultuur gebracht of ingericht als agrarische gronden/bedrijfsperceel. De van oorsprong voorkomende ‘Natuurlijke laag’ is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. De aard en omvang van dit plan is van een beperkte omvang. Het nog aanwezige natuurlijke reliëf wordt met dit plan dan ook niet aangetast. De ontwikkeling is in overstemming met het gestelde in de ‘Natuurlijke laag’.
2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.
De locaties zijn aangeduid met het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap' en 'Essenlandschap'. In afbeelding 4.4 is het één en ander weergegeven. De plangebied zijn indicatief aangegeven met de rode ster.
|
| Afbeelding 4.4 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) |
‘Oude hoevenlandschap’
Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.
‘Essenlandschap’
Het essenlandschap is geordend vanuit de erven en de essen en de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting (met heideplaggen en stalmest) heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge steilranden. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”
In het geval van voorliggend initiatief is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschapswaarden. De voorgenomen ontwikkeling is reeds goed ingepast in het bestaande landschap. Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “laag van het Agrarisch cultuurlandschap”.
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. In voorliggend geval is het beleid van de gemeente Dinkelland van belang, aangezien deze ontwikkeling mogelijk is op basis van het beleid van deze gemeente en de realisatie op een locatie binnen deze gemeente plaatsvindt.
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Toekomstgerichte agrarische sector' en 'goede staat van natuur en landschap' van belang.
De gemeente zet de komende jaren in op gebiedsprocessen waarbij een economisch gezonde bedrijfsvoering uitgangspunt is. Dit kan door de landbouw te verbinden met andere functies en opgaven. De gemeente bekijkt de veranderingen in de landbouw, de energietransitie, klimaatopgaven, en de stikstof- en natuuropgaven in samenhang. De gemeente geeft ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. De gemeente wil slim combineren met oog voor balans tussen economische voordelen, de leefbaarheid, voorkomen van leegstand en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen aan de Bornsestraat 35, 37 en 37a te Saasveld. Het betreft een bedrijfsperceel dat in de huidige situatie in gebruik is ten behoeve van een land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf. Op het perceel zijn in de huidige situatie bedrijfsgebouwen (nr. 35), met een omvang van 1.009 m², en een tweetal bedrijfswoningen (nr. 37/37a) met bijbehorende bijgebouwen aanwezig.
Initiatiefnemer is voornemens om bij het bedrijf een nieuwe opslag- en wagenberging te realiseren, ten behoeve van het inpandig stallen van materieel en opslagdoeleinden. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de omvang aan bedrijfsbebouwing kan worden vergroot tot 1.675 m². De beoogde nieuwbouw zal een maximale omvang van 644 m² krijgen.
Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een extra bijgebouw (garage-berging) bij één van de bedrijfswoningen te realiseren. Op basis van de Schuur voor Schuur-regeling kan het vorenstaande worden toegestaan, mits elders minimaal 100 m² aan landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Deze locatie is gevonden aan de Bornsestraat 30 te Saasveld waar in totaal 135 m² wordt gesloopt en voldaan wordt aan de minimale sloopvereiste. De te slopen bebouwing is voorzien van asbesthoudende golfplaten
Tot slot zal de locatie op een adequate landschappelijke wijze worden ingepast. De gemeente heeft aangegeven in principe te kunnen instemmen met de hiervoor genoemde ontwikkelingen. In voorliggend geval wordt de situering van gebouwen op een bestaand bedrijfsperceel gewijzigd, maar neemt de omvang van de bedrijfsbestemming planologisch gezien niet toe. De bebouwingsoppervlakte van het bedrijfsperceel neemt ten gevolg van de voorliggende ontwikkeling wel toe met 644 m².
Het betreft samenvattend een evenwichtige en duurzame ontwikkeling waarbij, met respect voor het natuurlijke en culturele erfgoed, beide locaties goed landschappelijk worden ingepast. Gezien vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
Middels de Schuur voor schuur-regeling wordt het mogelijk gemaakt dat ondernemers en/of inwoners die extra bouwmogelijkheden nodig hebben, deze kunnen krijgen in ruil voor de sloop van een veelvoud aan schuren elders. Het doel van deze regeling is enerzijds de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door sloop van leegstaande schuren en anderzijds is het de bedoeling om ontwikkeling van economische activiteiten (bij zowel bedrijfslocaties als particuliere locaties) te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven. Daarbij wordt het gestimuleerd dat asbesthoudende schuren worden verwijderd.
De Schuur voor schuur-regeling is van toepassing op locaties waar een woonbestemming geldt (en de aangrenzende gronden) en op VAB-locaties waarop het KGO-beleid niet van toepassing is (en de aangrenzende gronden). Het gaat dan om VAB-activiteiten die niet aan het buitengebied gebonden zijn. De reikwijdte van het Schuur voor schuur-beleid houdt daarmee in dat zich economische activiteiten kunnen ontplooien op locaties waar dit momenteel (beleidsmatig gezien) niet mogelijk is.
De gewijzigde economische omstandigheden en de veranderende functie van het buitengebied hebben ertoe geleid dat het buitengebied meer en meer een gebied wordt van functiemenging. Bovendien is lang niet overal (geschikte) bedrijfsruimte beschikbaar op bedrijventerreinen. Bedrijven moet wel perspectief geboden worden in de eigen gemeente. Het behoudt en vergroot bovendien de werkgelegenheid in de gemeente. Daarnaast bestaat in veel gevallen ook een bepaalde binding of (sponsor)relatie met verenigingen in de dorpen, welke voor de leefbaarheid van de dorpen eveneens van cruciaal belang is. Tevens is naar voren gekomen dat wanneer een bedrijf moet verplaatsen, het realistisch is dat dit bedrijf verplaatst naar een andere gemeente.
Bij de totstandkoming van de schuur voor schuur-regeling is een aantal uitgangspunten gehanteerd:
Bij het toepassen van de Schuur voor schuur-regeling gelden de volgende spelregels:
| Oppervlakte extra te bouwen | Met asbesthoudende golfplaten | Zonder asbesthoudende golfplaten |
| Tot en met 100 m² | 1:1 | 1:2 |
| 101 m² tot en met 500 m² | 1:2 | 1:4 |
| 501 m² en meer | 1:3 | 1:5 |
Overige wet- en regelgeving
Het schuur voor schuur-beleid bepaalt enkel onder welke voorwaarden extra bebouwingsmogelijkheden toegekend kunnen worden. Uiteraard zal te allen tijde moeten worden voldaan aan bestaande eisen op het gebied van milieuregelgeving, bereikbaarheid, parkeren, ruimtelijke kwaliteit, enzovoort.
Uitgangspunt van het Schuur voor schuur-beleid is de bouwbehoefte van initiatiefnemer. Aan de hand hiervan moet vervolgens moet bepaald worden wat gesloopt moet worden. Bouwbehoefte in onderhavige plan betreft hier 90 m², omdat het gaat om het realiseren van een vrijstaand bijgebouw behorende bij de bedrijfswoning. Zoals in de planbeschrijving reeds aangegeven, wordt op het perceel aan de Bornesestraat 30 in het buitengebied van de gemeente Dinkelland een oppervlakte van 135 m² aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Hiervoor geldt voor een schuur met asbesthoudende platen een sloopverhouding van 1:1. De te slopen schuur is 135 m², waardoor er dus aan de sloopnorm voldaan wordt.
Voorliggende ontwikkeling voldoet aan de gestelde spelregels voor toepassing van de Schuur voor schuurregeling.
Het bestemmingsplan “Buitengebied 2010'' van de gemeente Dinkelland is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat de bestaande situatie is vastgelegd. Tegelijkertijd wil de gemeente op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor (nieuwe) ontwikkelingen in het buitengebied. Het is de ambitie van de gemeente om deze ontwikkelingen in het buitengebied te laten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente zet daarbij in op het leggen van verbindingen tussen bestaande kwaliteiten en de nieuwe ontwikkelingen. Via afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden kent het bestemmingsplan (onder voorwaarden) een zekere mate van flexibiliteit.
In dit geval wordt gebruik gemaakt een van deze wijzigingsbevoegdheden. Hoewel hier geen sprake is van wijzigingsplan omdat er ook nog andere ontwikkelingen plaatsvinden en daarom dus een bestemmingsplan noodzakelijk is, is voor vergroting van de oppervlakte bedrijfsgebouwen deze wijzigingsbevoegdheid wel het uitgangspunt. Daarom wordt deze wijzigingsbevoegdheid hieronder nader uiteengezet, en zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan de opgenomen voorwaarden.
Op basis van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 8.5 onder b van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" (vergroting oppervlakte aan bedrijfsgebouwen) hebben burgemeester en wethouders de mogelijkheid om toe te staan dat de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot ten hoogste de gezamenlijke oppervlakte, zoals weergegeven in kolom 5 in bijlage 4 van de regels, met inachtneming van de volgende bepalingen:
Hierna wordt puntsgewijs aan achtereenvolgens de voorwaarden uit artikel 8.5 onder b getoetst:
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
Binnen het plangebied worden geen groenstructuren verwijderd die onderdeel uitmaken van het Casco. Dit is reeds in hoofdstuk 3 beschreven. Door het behoud van de bestaande landschapselementen is behoud van de landschappelijke waarden gewaarborgd.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling, gezien aard en omvang, past binnen het Landschapsontwikkelingsplan. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het Casco beleid.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid, voor beide percelen, beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
De geluidsbelasting van een aanwezige weg op een bestaande woning hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden (artikel 76 van de Wgh). Er wordt met onderliggend plan (uitbreiden bestaande bedrijfsbebouwing en toevoegen bijgebouw) geen nieuw geluidsgevoelig object gerealiseerd. Nadere toetsing aan het aspect 'Weg-, industrie- en railverkeerslawaai' is dan ook niet aan de orde .
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht :
I. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd;
II. het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²;
III. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijfstijd van minder als 2 uur gehanteerd;
IV. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd) .
Bornsestraat 30
Op het perceel aan de Bornsestraat 30 wordt een schuur gesloopt met asbesthoudende daken. Er zal ten gevolge van deze ontwikkeling geen sprake zijn van het bouwen van gebouwen op deze locatie, waarmee er geen bodemonderzoek noodzakelijk is.
Bornsestraat 35-37
Op het perceel aan de Bornsestraat 35-37 worden in het kader van de Schuur voor Schuur-regeling extra bouwmogelijkheden toegekend. De bestemming 'Bedrijf' blijft behouden. In voorliggend geval is er geen sprake van een gebouw (zowel de uitbreiding van de bestaande bedrijfsgebouwen alsmede het bijgebouw niet) dat bestemd is voor langdurig menselijk verblijf. De aanwezigheid van personen in de loods blijft over het algemeen beperkt tot een verblijfstijd van minder dan 2 uur. De loods wordt namelijk uitsluitend gebruikt voor opslag. Gezien het bepaalde onder punt 3 kan om deze reden een bodemonderzoek achterwege blijven.
De bodem kwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen, temeer omdat er geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten is, dat voorliggende ontwikkeling met betrekking 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Tevens wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
In afbeelding 5.1 zijn uitsneden van de Risicokaart opgenomen en weergeven (plangebied Bornsestraat 35-37 ter plaatse van de rode ster).
|
| Afbeelding 5.1 Uitsneden Risicokaart Overijssel Bornsestraat 35-37(Bron: Risicokaart Overijssel) |
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie :
Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied aan de Bornsestraat 35-37 is gelegen in het buitengebied en aan te merken als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het perceel waar de nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd is bij dit aspect van belang. Binnen het andere perceel (Bornsestraat 30) blijven de functies onveranderd. Het gaat immers om de sloop van een schuur. In voorliggend geval is daarom uitsluitend de situatie ter plaatse van de Bornsestraat 35-37 beoordeeld. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving.
Schuur/werkplaats
In voorliggend geval wordt een schuur/werkplaats ten behoeve van het bestaande land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf gerealiseerd. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is de schuur/werkplaats het meest te vergelijken met de categorie 'Dienstverlening t.b.v. de landbouw, algemeen, landbouwbedrijf > 500 m2 '. Dit betreft een milieucategorie 3.1 bedrijf waarvoor een grootste richtafstand geldt van 50 meter (voor het aspect geluid).
De feitelijke afstand tussen de schuur/werkplaats en de meest nabijgelegen woning bedraagt circa 20 meter en wordt hiermee niet behaald. Echter is het binnen het geldende bestemmingsplan reeds mogelijk om bedrijfsgebouwen binnen de gehele bestemming te situeren, in die zin veranderd de planologische situatie daarmee niet en is de huidige situatie reeds maatgevend. Verder zal de schuur/werkplaats worden ingezet ten bate van opslagdoeleinden en zullen er geen/tot zeer weinig bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Tenslotte wordt benoemd dat de activiteiten ter plaatse van de te bouwen opslag / berging niet wijzigen, maar dat deze activiteiten (opslag) overdekt/overkapt worden. Dit heeft daarom geen danwel juist positieve effecten op de nabijgelegen woning.
Bijgebouw
In voorliggend geval wordt eveneens een schuur/bijgebouw ten behoeve van de bestaande bedrijfswoningen gerealiseerd. Hiervoor moet de bestemming 'Bos en Natuur' ter plaatse van deze schuur gedeeltelijk omgezet worden naar de bedrijfsbestemming, behorend bij de bedrijfswoningen. Hiermee komt de bedrijfsbestemming dichter bij de woningen aan de westzijde te liggen. Om deze bestemmingstransformatie niet bezwaarlijk te laten zijn in het kader van de millieuzonering wordt door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwwerk bij bedrijfswoning' binnen de bestemmingsregels van dit bestemmingsplan geregeld dat aan deze zijde de gronden enkel zijn bedoeld voor bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning en niet voor bedrijfsgebouwen. Met deze aanduiding worden de bouwmogelijkheden op deze plek gelijkgesteld aan die van een woonbestemming, zodat er geen sprake is van een verstoring van het goede woon- en leefklimaat van omwonenden.
Gesteld wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en er geen sprake is van beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven is in het kader van milieuzonering. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Gelet op het vorenstaande is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake.
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De beoogde realisatie van de schuur/werkplaats en de realisatie van het bijgebouw bij de bedrijfswoning wordt niet aangemerkt als een gevoelige functie. Van enige vorm van hinder is dan ook geen sprake.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.
Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt:
Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
Voorgenomen ontwikkeling gaat niet uit van het toevoegen van een nieuwe geurgevoelige functie. Verder worden omliggende agrarisch bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd, als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ten minste 4,5 kilometer. Uit de stikstofberekening (opgenomen in Bijlage 1) met betrekking tot de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 0,5 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
Bornsestraat 35-37
De locatie aan de Bornsestraat 35-37 is nagenoeg volledig verhard en intensief in gebruik als opslag. In dit geval gaat om een locatie met een lage ecologische waarde.
Bornsestraat 30
Wat betreft de te slopen schuur aan de Bornsestraat 30 is nderzocht door de Natuurbank Overijssel (de quickscan is opgenomen in Bijlage 4) of deze schuur gebruikt wordt als vaste rust- of voortplantingsplaats door beschermde dieren, in het bijzonder uilen (steenuil & kerkuil), vleermuizen, vogels (algemeen) en beschermde grondgebonden zoogdieren zoals steenmarter.
Het betreft een oude schuur met steens bakstenen muren en een met golfplaten gedekte kap. De golfplaten sluiten in de nok niet nauw aan op elkaar. De kopgevels zijn bekleed met damwand, achter de damwand zit geen houtbetimmering. De kap is niet beschoten en niet voorzien van isolatie. De zolder is bezemschoon. De schuur wordt gebruikt voor opslag van (rijdend) materieel).
Tijdens het veldbezoek door een ecoloog en tijdens veelvuldige inspectie door initiatiefnemers zijn er geen vleermuizen aangetroffen. Daarnaast zijn er tijdens deze inspecties ook geen boerenzwaluwen, huismussen of andersoortige beschermde diersoorten aangetroffen in of nabij de schuur.
Er zijn in de schuur geen beschermde dieren aangetroffen en de schuur wordt niet gebruikt als nestplaats door vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is (uilen, huismus, zwaluwen). Ook zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen de schuur benutten als vaste rust- of voortplantingsplaats. De schuur wordt ook niet als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd, gelet op de bouwstijl. Ook ontbreken plekken voor grondgebonden zoogdieren, zoals steenmarter en egel, om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten. Mogelijk benutten algemene vogelsoorten, als winterkoning, de schuur wel als nestplaats.
Het slopen van de schuur buiten de broedtijd van vogels, leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd wordt dat door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet wordt aangetast en leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming.
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ontwikkelingen groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen en dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
In geval van voorgenomen ontwikkeling wordt de bovenstaande oppervlakte niet overschreden, archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van de plangebieden is er eveneens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 4 kilometer van het plangebied. Uit de stikstofberekening met betrekking tot de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is hiermee geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen en vormt daarmee een besluit in het kader van het besluit me.r.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het voornemen betreft een fysieke ontwikkeling. Zekerheidshalve wordt getoetst of er sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht.
Gesteld wordt dat de activiteit moet worden aangemerkt als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" maar dat de drempelwaarden uit de D-lijst niet worden overschreden en dat nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De vraag in dit geval is echter of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Wanneer dit niet het geval is dan is een mer (beoordeling) niet vereist. Wanneer hiervan wel sprake is maar de drempel uit de D-lijst wordt niet overschreden dan is een vormvrije mer-beoordeling vereist en kan niet worden volstaan met de mededeling dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.
Het is de vraag is of er sprake is van een stedelijke ontwikkelingsprocect (categorie D 11.2). Hierbij kan volgens de voorzieningenrechter van de Afdeling (Vzr. ABRvS, ECLI:NL:RVS:2016:3279, d.d. 7 december 2016) aansluiting worden gezocht bij de definitie van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' in art. 1.1.1, eerste lid onder i. van het Besluit ruimtelijke ordening.
Deze definitie luidt als volgt: "stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen kan worden gesteld dat er sprake is van het overdekken van reeds bestaande (buiten)opslagruimte en dat gelet daarop er ook geen sprake is van extra verkeersaantrekkende werking.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Voorliggend bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.
In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De standaard waterparagraaf behorende bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen.
In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen.
In dit artikel worden de overige regels beschreven. Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
Agrarisch - 1 (Artikel 3)
De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn ondermeer bestemd voor het agrarisch gebruik, de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf, het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering al dan niet in combinatie met mantelzorg, dagbesteding en educatie, voorzover de gronden zijn voorzien van een bouwperceel en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
Bos - Natuur (Artikel 4)
De voor 'Bos - Natuur' aangewezen gronden zijn ondermeer bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie; het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden en voor beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of –partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging; afschermende beplanting en bebossing;
Bedrijf (Artikel 5)
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn ondermeer bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van bedrijven, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven en voor bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer, en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemer ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie heeft laten weten geen bezwaren te hebben tegen voorliggend planvoornemen.
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd.