| Plan: | Beekdorpweg 6, 8 en 10, Weerselo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.BUIBPBEEKDORPWGWLO-VG01 |
De aanleiding voor voorliggend bestemmingsplan ligt in twee separate ontwikkelingen op aangrenzende percelen aan de Beekdorpweg in Weerselo. Ten eerste is aan de Beekdorpweg 10 in Weerselo Paus Agro Service V.O.F. gevestigd. Dit bedrijf heeft een aanvraag ingediend om het voormalige agrarische bedrijfsperceel aan de Beekdorpweg 8 bij het bedrijfsperceel te betrekken. Hierdoor kan de bedrijfsvoering op een efficiëntere en effectievere wijze uitgevoerd worden, waarbij de veiligheid op en rond het perceel wordt verbeterd. Ten tweede wenst de eigenaar van het woonerf aan de Beekdorpweg 6 in Weerselo twee bijgebouwen te slopen en vervangen door één nieuw bijgebouw. Dit bijgebouw overschrijdt echter de woonbestemming met enkele meters.
Bovengenoemde ontwikkelingen passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld om deze initiatieven mogelijk te maken.
Het plangebied bestaat uit het bedrijfsperceel van Paus Agro Service V.O.F aan de Beekdorpweg 10, het agrarische erf aan de Beekdorpweg 8 en het woonerf aan de Beekdorpweg 6, allen te Weerselo. De locaties liggen in elkaars directe nabijheid, aangrenzend aan elkaar. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland op hemelsbreed 1.200 meter ten westen van Weerselo. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie T, perceelsnummers 802, 1492, 1493, 1494 en 1583. Op figuur 1.1 staat het plangebied met een rode omlijning globaal weergegeven. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas Overijssel, bewerkt)
Voor alle locaties in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het bestemmingplan 'Buitengebied 2010' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 28 februari 2010 vastgesteld.
Aan het plangebied zijn diverse bestemmingen toegekend. Hieronder zijn deze per adres benoemd:
Zowel de uitbreiding van het landbouwmechanisatiebedrijf, als de wijziging van het woonerf passen niet binnen de vigerende bestemming. Een herziening van het bestemmingsplan is gewenst om deze ontwikkelingen te voorzien van een passend juridisch-planologisch kader.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het onderhavige bestemmingsplan 'Beekdorpweg 6, 8 en 10, Weerselo' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
Het bedrijf Paus Agro Service V.O.F. is reeds lange tijd gevestigd op het adres Beekdorpweg 10 in Weerselo. Het bedrijf is thuis in loon- en grondverzetwerk, mechanisatie , metaalbewerking, tuin- en parkmachines, reinigingstechnieken en verhuur van machines (die gerelateerd zijn aan de betreffende onderdelen). Verder beschikt het bedrijf over een uitgebreid onderdelen magazijn en winkel / agrishop. Het geheel van activiteiten vindt plaats in de bestaande bebouwing op de bedrijfslocatie.
Op het perceel is in de huidige situatie te weinig ruimte voor een efficiënte en veilige inrichting van het bedrijfsperceel. Door de middelste bedrijfshal rijden de landbouwmachines om bij de opslag aan de achterzijde van het perceel en de werkplaats te komen. Dit zorgt ervoor dat de betreffende hal niet volledig gebruikt kan worden voor productie en opslag en tegelijkertijd kunnen hierdoor onveilige situaties ontstaan voor medewerkers. Mede hierdoor zijn de eigenaren al enige tijd op zoek naar mogelijkheden om dit te verbeteren. Door het initiatief van maatschap Lansink om het agrarische bedrijf aan de Beekdorpweg 8 naar een nieuwe locatie te verplaatsen, doet zich een kans voor om een efficiënt en toekomstbestendig bedrijfsperceel te realiseren.
In de nieuwe situatie wordt het voormalige agrarische bedrijfsperceel aan de Beekdorpweg 8 bij het bedrijfsperceel van Paus Agro Service V.O.F. gevoegd. Hierdoor ontstaat de kans om de zowel de inrichting van de buitenruimte logisitiek te verbeteren als om de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in te zetten voor het bedrijf. Deze (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing zal gebruikt worden voor de opslag van materieel en materiaal dat nu buiten plaatsvindt. Naast dat bedrijfsgebouw dient ook de hal achter op het perceel Beekdorpweg 10 voor opslag. Doordat het bedrijf nu beschikt over twee opslaghallen, kan een geordende en goed bereikbare opslag gerealiseerd worden, waar kosten mee gespaard kunnen worden. Dit betekent ook dat de opslag die van tijd tot tijd op andere locaties aanwezig is, op het perceel aan de Beekdorpweg 10 kan plaatsvinden. Ook de materialen en het materieel dat opgeslagen was op het perceel Akkerhuisweg 1 wordt nu centraal opgeslagen. Op het perceel Akkerhuisweg 1 is de Rood voor Rood-regeling toegepast. Hierdoor is de opslag verplaatst naar het perceel Beekdorpweg 10.
Ten behoeve van de nieuwe inrichting van het perceel wordt een aantal bedrijfsgebouwen gesloopt. Hierna wordt aan de hand van beeldmateriaal aanwezige bebouwde oppervlakte beschreven en wordt stil gestaan bij de oppervlakte die gesloopt wordt. Daarbij wordt alleen ingegaan op de bedrijfsbebouwing. De bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende bijgebouwen worden hier niet belicht.
Beekdorpweg 10
Bestaande situatie
Op het perceel Beekdorpweg 10 heeft het bestaande bedrijfshal (10b) een oppervlakte van 1.929 m². Achter deze hal is een bedrijfspand (10f) aanwezig voor opslag met een oppervlakte van 546 m². Daarnaast zijn de volgende voorzieningen op het bedrijfsperceel aanwezig:
| gebouwtje (10e) bij weegbrug | 4 m² |
| overkapping (10c) bij bedrijfshal achter woning | 7 m² |
| achter bedrijfshal een silo (10d) | 38 m² |
De totale oppervlakte aan bebouwing op het bedrijfsperceel Beekdorpweg 10 te Weerselo bedraagt derhalve 2.524 m² (zie figuur 2.1). Hierin is de routering van landbouwmachines naar het achterterrein of de werkplaats door middel van rode bepijling aangegeven. De bedrijfswoning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 310 m².
Langs de Beekdorpweg liggen dertien parkeerplaatsen. Op het achterterrein vindt opslag plaats van materieel en materiaal.
Figuur 2.1: Bestaande situatie Beekdorpweg 10 (bron: Building Design Architectuur)
Te slopen bedrijfsbebouwing
De weegbrug en de daarbij behorende gebouwtje (10e), de wasplaats direct achter de bedrijfshal (10b) en de silo (10d) worden geamoveerd. Hierdoor is er sprake van een vermindering van de oppervlakte aan bebouwing van 49 m².
Nieuwe situatie
In de nieuwe situatie blijft de bedrijfsbebouwing gehandhaafd en de bedrijfshal (10b) krijgt een meer praktische inrichting waardoor een optimaal en veilig gebruik van de hal mogelijk is. De agroshop wordt naar de straatzijde verplaatst, waarbij de bestaande oppervlakte overigens niet vergroot wordt. Binnen de agroshop is overeenkomstig de huidige situatie ruimte voor verkoop van producten, daarnaast biedt het de mogelijkheid voor aanprijzing van de aanwezige handelswaar. Hierdoor ontstaat er niet alleen een verbeterde situatie voor de winkel (bezoekers hoeven niet meer door de hal), maar wordt er ook voor gezorgd dat de werkplaats dichter bij de opslag- en bergingsruimte gesitueerd wordt. De veiligheid en bedrijfsvoering wordt in de toekomstige situatie significant verbeterd. Dit wordt tevens mogelijk gemaakt omdat er ruimte ontstaat naast de bestaande bedrijfshal voor de toegangsweg voor landbouwmachines. Om het achterterrein en de werkplaats te bereiken kan nu buitenom worden gereden (zie figuur 2.3 en 2.4).
Met betrekking tot de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt een uitbreiding van het bedrijfsgebouw (10f) voorgestaan. De gewenste oppervlakte bedraagt 993 m², waardoor sprake is van toename van 447 m². Met de sloop van de kleinere opstallen, zoals hiervoor is aangegeven, neemt de bebouwingsoppervlakte op dit perceel toe met maximaal 398 m².
Met de nieuwe inrichting van het perceel en de bedrijfsbebouwing is bovendien extra ruimte ontstaan om zes extra parkeerplaatsen op het voorterrein te realiseren.
De opslag op het achterterrein worden naar binnen verplaatst, waardoor die gronden aan de achterzijde de bedrijfsbestemming verliezen en een groene inrichting kunnen krijgen. Voor een passende en kwalitatieve goede inrichting is door Bijkerk C.S. Tuin- en Landschapsarchitecten een landschapsplan opgesteld. Dit plan is in het KGO-totaalplan (Bijlage 1) aan de toelichting van dit plan gekoppeld. In paragraaf 2.3 wordt nader op het KGO-totaalplan ingegaan.
Beekdorpweg 8
Bestaande situatie
Op het perceel Beekdorpweg 8 staan diverse agrarische bedrijfsgebouwen. Een aantal van die bedrijfsopstallen kan niet hergebruikt worden en zal worden gesloopt. De ligboxenstal (8k) met een oppervlakte van 1.026 m² zal in de nieuwe situatie voor opslag ingezet worden. Naast de ligboxenstal zijn de volgende opstallen aanwezig, zie ook figuur 2.2):
| werkplaats/garage (8e) | 71 m² |
| werktuigenberging (8f) | 61 m² |
| jongveestal (8g) | 117 m² |
| jongveestal met overkapping (8h) | 126 m² |
| werktuigenberging (8i) | 72 m² |
| werktuigenberging (8j) | 171 m² |
Op het perceel Beekdorpweg 8 is een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aanwezig van 1.644 m². De bedrijfswoning en de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouwen (in de vorm van werktuigenberging en garage) hebben een gezamenlijke oppervlakte van 543 m².
Figuur 2.2: Bestaande situatie Beekdorpweg 10 (bron: Building Design Architectuur)
In het bovenstaande figuur is het agrarische bouwvlak rood gearceerd weergegeven. De gele belijning betreft de begrenzing van het agrarische perceel. Hierop zijn de sleufsilo's/ kuilvoerplaten achter de woning Beekdorpweg 6 goed te zien.
Te slopen bedrijfsbebouwing
Om de toegang voor de machines van initiatiefnemer via de buitenzijde naar het achterterrein mogelijk te maken worden de opstallen 8e tot en met 8j gesloopt. De totale oppervlakte van de te slopen opstallen bedraagt 618 m². Op dit perceel is dus sprake van een afname van bebouwing met een oppervlakte van ruim 600 m².
Naast de bedrijfsgebouwen zullen ook de sleufsilo's en de kuilvoerplaten verwijderd worden
Nieuwe situatie
Zoals gezegd wordt het agrarische bedrijf verplaatst naar een locatie elders, waardoor de agrarische bedrijfsbebouwing een nieuw invulling kan krijgen. Initiatiefnemers kunnen deze bebouwing goed gebruiken om de opslag voor hun bedrijfsvoering op één bedrijfsperceel te laten plaatsvinden.
De oppervlake van de ligboxenstal (8k, 1.026 m²) maakt in de nieuwe situatie onderdeel uit van de bedrijfsbebouwing van initiatiefnemers. De voormalige (agrarische) bedrijfswoning zal als bedrijfswoning in gebruik worden genomen. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing die hiervoor beschreven is, bedraagt in de nieuwe situatie iets meer dan 4.000 m².
Op de locatie van de sleufsilo's/kuilvoerplaten krijgt het landschap een passende groene invulling die doorgetrokken wordt tot achter het bedrijfsperceel Beekdorpweg 10. Dit heeft een gunstig effect op het perceel Beekdorpweg 6.
Het nieuwe bedrijfsperceel voor Paus Agro Service is weergegeven in figuur 2.3. Hierin is ook de nieuwe situatie van het perceel Beekdorpweg 6 opgenomen.
Figuur 2.3: Nieuw bedrijfsperceel Paus Agro Service (bron: Building Design Architectuur)
Figuur 2.4: gewijzigd gebruik bedrijfspereel Paus Agro Service (bron: Building Design Architectuur)
Het perceel aan de Beekdorpweg 6 in Weerselo betreft een woonerf. De eigenaar is voornemens 2 bestaande bijgebouwen te saneren en vervangen door één nieuw bijgebouw. Voor het gebouw is reeds een vergunning verleend, maar door de verplaatsing van het agrarische bedrijf van maatschap Lansink ontstaat de mogelijkheid om het bijgebouw te verplaatsen zodat er een gunstigere inrichting van het erf ontstaat voor de bewoners. Het woonperceel blijft daarbij dezelfde oppervlakte behouden, maar biedt wel de mogelijkheid om de nieuwe schuur iets te verplaatsen. De oppervlakte aan bijgebouwen neemt iets af door deze ontwikkeling. In de bestaande situatie was namelijk 332 m² bebouwd oppervlakte aanwezig, verspreid over drie bijgebouwen, 6b, 6c en 6d (zie figuur 2.6).
Figuur 2.6: Bestaande situatie Beekdorpweg 6 (bron: Building Design Architectuur)
In de nieuwe situatie heeft de berging (6e) een oppervlakte van 266 m². Hierdoor is sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte van 66 m².
Door Bijkerk C.S. Tuin- en Landschapsarchitecten is een landschapsplan opgesteld, waarin de gewenste situatie landschappelijk in haar omgeving wordt ingepast. Ten opzichte van de bestaande situatie ondergaan de gronden een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering. Ter vergelijking wordt hierna een luchtfoto uit 2013 en het landschapsplan weergegeven (figuren 2.7 en 2.8).
Figuur 2.7: Fragment luchtfoto 2013 (bron: atlasvanoverijssel.nl)
Figuur 2.8: Landschapsplan (bron: Bijkerk C.S. Tuin- en Landschapsarchitecten)
Zoals uit de figuren afgeleid kan worden, zal de woon- leefkwaliteit van de woning Beekdorpweg 6 sterk verbeterd worden. Ook de overgang naar de open ruimte en de middensloot krijgt een ruimtelijke kwaliteitsimpuls.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruime is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Daarbij is van belang om eerst te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Bro. Hierin is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
De procesvereiste ziet er als volgt uit:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
In het voorliggende bestemmingsplan gaat het om de uitbreiding van het bedrijfsperceel van Paus Agro Service en de wijziging (géén vergroting) van een woonerf. Van deze activiteiten kan alleen de uitbreiding van het bedrijfsperceel in potentie worden gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de uitbreiding van Paus Agro Service is echter sprake van een lokaal geworteld bedrijf dat uitbreidt op het naastgelegen agrarische erf. Daarmee betrekt het bedrijf een bestaand en bebouwd erf bij het bedrijfsperceel, zonder dat er sprake is van extra ruimtebeslag. Deze uitbreiding is daarmee geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder van duurzame verstedelijking is daardoor niet van toepassing.
Conclusie
Doordat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, kan nadere toetsing op dit onderdeel achterwege blijven.
De Omgevingsvisie Overijssel 2009 betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en vervoerplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omgevingsvisie is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden.
In 2013 is de Omgevingsvisie op een aantal onderwerpen aangepast. Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld. Reden voor deze actualisatie is de evaluatie van de Omgevingsvisie en het Hoofdlijnenakkoord uit 2011. De actualisatie richt zich alleen op de volgende onderwerpen: de ecologische hoofdstructuur (EHS), het streefbeeld Wegencategorisering, windenergie (rol provincie), nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's), kantorenbeleid, definitie van lokaal gewortelde bedrijvigheid, ruimtelijke reservering gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. en tot slot de aanpassing van de verordening op basis van eerder uitgevoerde evaluatie. Wanneer hieronder wordt gesproken over de Omgevingsvisie, dan is dat de geactualiseerde versie.
De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht en getoetst.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. Onderstaande generieke beleidskeuzes zijn op dit plan van toepassing.
Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
De SER-ladder is ontwikkeld voor gebiedsontwikkeling in de stedelijke omgeving. In de groene omgeving wordt liever gesproken over het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De denklijn is hetzelfde, maar bij de kleinschaligheid van ontwikkelingen in de Groene omgeving kan de SER-ladder, zoals deze bedoeld is, eigenlijk niet toegepast worden. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn naar analogie als volgt samen te vatten:
Met voorliggend plan is sprake van het bestaande bedrijf Paus Agro Service dat door de verplaatsing van het agrarisch bedrijf aan de Beekdorpweg 8 kans ziet hun bedrijfsperceel uit te breiden en optimaliseren op het naastgelegen (voormalige) agrarische erf, zodat er sprake is van de herbenutting van bestaande bebouwing. Tot slot blijft het in dit plan betrokken woonerf gelijk qua oppervlakte. Geconcludeerd wordt dat het plan volledig voldoet aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In de provinciale verordening is bepaald dat bestemmingsplannen voor de groene omgeving (het buitengebied) kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De gemeente Dinkelland heeft een gemeentelijk beleidskader ontwikkeld waarmee de kaders worden gegeven voor de kwaliteitsimpuls groene omgeving. Nadere toetsing vindt plaats onder het gemeentelijke beleid. Daaruit blijkt dat met voorliggend plan wordt voldaan aan de voorwaarden en de vereiste investering in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Conform de provinciale verordening mogen bestemmingsplannen (én afwijkingen hiervan) alleen voorzien in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; en tot slot het groene karakter. Bij voorliggend plan is sprake van de uitbreiding van Paus Agro Service en het wijzigen van een woonerf. Deze ontwikkelingen worden landschappelijk ingepast en er vindt een kwaliteitsimpuls groene omgeving plaats. Bij de vormgeving daarvan is rekening gehouden met de ligging in het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Dit plan leidt tot een kwalitatieve verbetering van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente.
Toets
Met het hergebruik van bestaande gebouwen kunnen de gronden grenzend aan de Middensloot groen ingericht worden. Deze herstructering van de betreffende gronden en het hergebruik van bestaande bebouwing voldoen aan de uitgangspunten van de generieke beleidskeuzes.
Ontwikkelingsperspectieven.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
De percelen aan de Beekdorpweg liggen in eerste instantie in het ontwikkelingsperspectief 'Buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte; mixlandschap'. Zie ook figuur 3.2. In het ontwikkelingsperspectief 'mixlandschap' is sprake van verweving van functies. Aan de ene kant melkveehouderij en akkerbouw als belangrijke vorm van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Aan de achterzijde van de percelen stroomt de Middensloot. Deze is voorzien van het ontwikkelingsperspectief 'Zone ondernemen met natuur en water; continue- en herkenbaar
watersysteem'. Het gaat daarbij om het samenhangend netwerk van gebieden met natuurkwaliteit, water en landschappelijke kwaliteit. Deze zone bestaat (deels) uit de EHS en uit de gebieden waar water de bepalende functie is (het watersysteem van brongebieden tot hoofdsysteem) en (landbouw)gebieden waar ruimte is voor ontwikkeling van economische dragers. De toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving richt zich in het gebied
buiten de EHS op beheer en versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
Toets
Bij voorliggend plan is er sprake van de uitbreiding van een bestaand bedrijf, de wijziging van een woonerf en een investering in ruimtelijke kwaliteit. Het plan past zowel qua gebruik als qua uitvoering van de kwaliteitsimpuls groene omgeving binnen de ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectieven en draagt bij aan de diversiteit van functies binnen het perspectief.
Figuur 3.2: Ontwikkelingsperspectievenkaart (Bron: Atlas Overijssel)
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
De 'Natuurlijke laag'
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart met de 'Natuurlijke laag' overwegend aangeduid met het gebiedstype 'zandgebieden: dekzandvlakten en ruggen' en deels met 'zandgebieden: beekdalen en natte laagtes'. In de eerste afbeelding bij figuur 3.3 is dat aangegeven.
Figuur 3.3: Natuurlijke laag Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Atlas Overijssel)
Bij het gebiedstype 'zandgebieden: dekzandvlakten en ruggen' wordt beschreven dat de dekzandgronden een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie beslaan. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem
en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
Bij het gebiedstype 'zandgebieden: beekdalen en natte laagtes' wordt beschreven dat het Overijsselse zandlandschap van oorsprong kletsnat is. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, ’s winters bredere stroomdraad met meestromende geulen. De dynamiek (water, wind) bepaalt de verschijningsvorm; de gedaante wisselt. Dynamisch landschap, open karakter met hogere randen. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier.
De 'Laag van het agrarisch cultuur landschap'
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen. Hierdoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan. Het plangebied is in de 'laag van het agrarisch cultuur landschap' aangeduid als 'essenlandschap' (zie figuur 3.4).
Figuur 3.4: Laag van het Agrarisch Cultuurlandschap Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Atlas Overijssel)
Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen en de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting (met heideplaggen en stalmest) heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge steilranden. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es en op de overgang naar de lager gelegen maten en flierenlanden. De zandpaden volgen steeds de lange 'luie' lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet.
De 'stedelijke laag'
Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.
De 'lust- en leisurelaag'
De lust- en leisurelaag geeft aan het plangebied het kenmerk 'donkerte'. Met dit kenmerk wordt het contrast tussen lichte en donkere en drukke en stille gebieden weergegeven. De 'donkere' gebieden hebben een rustig en onthaast karakter en vormen hiermee een eigen kwaliteit voor mens en dier. Donkere gebieden vragen om een minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. De gewenste uitbreiding levert ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie slechts beperkt extra licht op, maar dit licht valt weg in de bestaande verlichting en heeft geen uitstraling naar het open gebied achter de houtwal.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. In verband met de aanpassing van de bestemmingen, krijgen de gronden langs de Middensloot een groen karakter. Met het opstellen van een landschapsplan is specifiek rekening gehouden met de aanwezige landschapstypen en de bestaande landschappelijke waarden en kenmerken. Zodoende wordt de nieuwe situatie op een passende wijze in het landschap ingepast en draagt deze op een positieve wijze bij aan de ter plaatse geldende gebiedskenmerken.
De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.
Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Voor het buitengebied hanteert de gemeente op hoofdlijnen de volgende ambitie:
Op de structuurvisiekaart voor het buitengebied liggen de percelen Beekdorpweg 6, 8 en 10 in deelgebied 'West'. Voor dit deelgebied gelden de volgende uitgangspunten:
Daarnaast staat in de structuurvisie ook de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving benoemd. De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben samen het 'Werkboek Kwaliteitsimpuls groene omgeving' uitgewerkt in een gemeentelijk 'Beleids- en uitvoeringskader groene omgeving'. Dit beleids- en uitvoeringskader bevat uitgangspunten voor het toepassen van de principes van ruimtelijke kwaliteit in ruimtelijke planprocessen bij ontwikkelingen in het buitengebied. Omdat dit een separaat beleidskader vormt wordt deze hierna in een paragraaf behandeld.
Conclusie
Met voorliggend plan wordt mogelijkheden geboden het bedrijf van initiatiefnemers uit te breiden op het perceel van het voormalig agrarische bedrijf aan de Beekdorpweg 8. Daarnaast wordt langs de Middensloot een groene inrichting mogelijk gemaakt. Het plan draagt daarmee bij aan een goed functionerende economische sector in het buitengebied van Dinkelland, terwijl tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de kleinschaligheid van het landschap. Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met de gemeentelijke structuurvisie.
Het beleid Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt ruimte aan grootschalige uitbreidingen en ontwikkelingen in het buitengebied, onder de voorwaarde dat er tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De kwaliteitsimpuls is van toepassing op ontwikkelingen die niet in het geldende bestemmingsplan passen. KGO is een instrument om ruimtelijke kwaliteit te realiseren en meer mogelijkheden te bieden tot maatwerk. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en de kwaliteitsimpuls. Dit onderscheid komt voort uit de omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Hierin staat het volgende: "Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van het bestaande) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning)". Deze investering in de omgevingskwaliteit moet in evenwicht zijn met de verkregen waardevermeerdering als gevolg van de ontwikkelingsplannen.
Bij elke ontwikkeling op een bestaand bouwblok waarbij meer dan 500 m³ bebouwing wordt toegevoegd, geldt op basis van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 en het gemeentelijke beleid, de noodzaak tot landschappelijke inpassing. Zodra sprake is van een grootschalige ontwikkeling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. De KGO is dan van toepassing, náást de basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in het buitengebied.
In het KGO-beleid is bepaald wanneer er sprake is van een kleinschalige of een grootschalige ontwikkeling. In de gevallen waarbij medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling welke in het bestemmingsplan zijn geregeld, hetzij bij recht, hetzij met toepassing van een afwijking, dan geldt deze ontwikkeling in principe als een ontwikkeling met een kleinschalige impact en hoeft er geen KGO te worden geleverd en kan er worden volstaan met de basisinspanning. Is er wél een bestemmingsplanprocedure nodig dan is er sprake van een ontwikkeling met een grootschalige impact. Hierbij is opgemerkt dat partiële wijzigingen evenwel dusdanig beperkt zijn qua impact dat het reëel is deze niet onder de reikwijdte van de KGO te laten vallen, tenzij hogere regelgeving anders voorschrijft.
Toetsing aan beleidskader
De ontwikkeling van Paus Agroservice aan de Beekdorpweg 8 en 10 bestaat uit het onderbrengen van het voormalig agrarisch bedrijfsperceel aan de Beekdorpweg 8 bij het bestaande bedrijfsperceel van Paus Agroservice aan de Beekdorpweg 10. Hierdoor vindt een vergroting van het bedrijfsperceel met 3.054 m² plaats.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het gemeentelijk KGO-beleidskader en dient te worden uitgewerkt in overeenstemming met dit beleidskader. Hiertoe is een KGO-plan opgesteld, zie Bijlage 1 .Op basis van dit plan is de vereiste investering bepaald, de landschappelijke inpassing kenbaar gemaakt en het geheel nader toegelicht.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Figuur 3.5: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart)
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Conclusie
De voorgestane wijzigingen raken geen casco-onderdelen. Met de uitvoering van het landschapsplan worden de landschappelijke cascolijnen versterkt. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in strijd is met de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente'.
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Dinkelland is vastgesteld op 2 september 2008 en is een gemeentelijke uitwerking van het LOP Noordoost Twente en Twenterand. In het plan worden richtlijnen geformuleerd voor de inrichting van het landschap. Het plan mag daarmee geen belemmeringen voor de landbouw opleveren. Het landschapsontwikkelingsplan kan worden gezien als handreiking voor landschappelijke inpassing. Het plan is mede richtinggevend om te beoordelen of ontwikkelingen landschappelijk aanvaardbaar zijn.
De ontwikkelingsrichting in het LOP wordt bepaald door:
De ontwikkelingsrichtingen zijn beschreven per landschappelijke eenheid:
Deze gebieden vormen een eenheid door overeenkomsten in de geologische, geomorfologische, hydrologische en bodemkundige situatie. het plangebied maatk deel uit van de landschappelijke eenheid (6) 'Bekken van Hengelo'. Binnen dit gebied vragen het herstel van de beken, de beekdalen en de beekdalranden speciale aandacht vanwege de hoge hydro-ecologische potenties, zoals kwelrijke situaties, sterke gradiënten, aangrenzende natuurgebieden en kleinschalige afwisseling van kwelgebieden (beken) en infiltratiegebieden. Het toekomstbeeld is een landschap met houtwallen, singels en extensieve graslanden langs de beken. Dit vraagt om aangepast (agrarisch) gebruik van de gronden langs de beekdalen.
Op de hogere dekzandruggen tussen de oostwestgerichte beekdalen is ruimte voor ontwikkeling van grondgebonden landbouw. De verschillen tussen dekzandruggen en beekdalen zijn versterkt en de lengterichting in het landschap is benadrukt. Bij het oude cultuurlandschap rond Saasveld-Gammelke en Weerselo staat behoud en herstel van de landschapswaarden voorop, zoals de ensembles van grote open essen en kampen, de compositie van landschapselementen en de verspreide oude erven langs de randen van deze essen en kampen.
Het aan dit bestemmingsplan gekoppelde KGO-totaalplan laat zien dat de nieuw situatie op een verantwoorde wijze wordt ingepast en dat de landschappelijke inpassing naadloos aansluit op het toekomstbeeld van het landschap in het Bekken van Hengelo.
Conclusie
Met voorliggend plan worden de aanwezige landschappelijke kwaliteiten met houtwallen, singels en extensieve graslanden langs de beken geaccentueerd. Het plan draagt daarmee op een positieve wijze bij aan de uitvoering van het Landschapsontwikkelingsplan.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, flora & fauna, archeologie & cultuurhistorie en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst is niet toereikend. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.
Toets
De verruiming van het perceel van Paus Agroservice bedraagt iets meer dan 3.000 m², waardoor de volledige bedrijfskavel een oppervlakte heeft van bijna 11.000 m². Daarbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande ligboxenstal van het perceel Beekdorpweg 8. Op het perceel Beekdorpweg 10 wordt een bestaande hal met bijna 450 m² vergroot. De gronden worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing.
In lijst D van het Besluit millieueffectrapportage is onder nummer 11.2 aangegeven dat bij een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en meer dan 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer een onderzoek verricht dient te worden naar de gevolgen voor het milieu. Van een dergelijk grootschalige stedelijke ontwikkeling is hier geen sprake.
De aanpassing van het woonperceel Beekdorpweg 6, de verruiming van het bedrijfsperceel en de vermindering van het aantal m² aan bijgebouwen brengen geen nadelige gevolgen voor het milieu met zich mee.
Met deze toelichting op het bestemmingsplan zijn de gevolgen van het plan op de omgeving in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft voor de omgeving. Verder is in het kader van de voorbereiding van dit bestemmingsplan geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. De onderzoekslocatie ligt op grote afstand (ruim 2,5 km) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lemselermaten'. Door de grote afstand, het hergebruik van de bestaande bebouwing en de bestaande inrichting van het tussenliggende gebied heeft de in dit plan besloten ontwikkeling geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Toets
Zoals blijkt uit hoofdstuk 2 voert Paus Agroservice diverse activiteiten uit, welke in de bestaande bebouwing op de bedrijfslocatie plaatsvinden. Het bedrijf is thuis in loon- en grondverzetwerk, mechanisatie , metaalbewerking, tuin- en parkmachines, reinigingstechnieken en verhuur van machines (die gerelateerd zijn aan de betreffende onderdelen). Verder beschikt het bedrijf over een uitgebreid onderdelen magazijn en winkel / agrishop.
Bij de toets voor het aspect 'milieuzonering' zijn daarom een drietal typen bedrijven/ activiteiten uit de VNG-uitgave aangehouden, zie onderstaande tabel. Het gaat daarbij concreet om de typen:
Zoals blijkt uit deze tabel geldt voor deze typen bedrijven een grootste richtafstand voor het aspect geluid. De richtafstand bedraagt 50 meter.
Tabel 4.1: Richtafstanden vergelijkbare bedrijvigheid (bron: VNG-brochure)
In de directe omgeving van het bedrijfsperceel bevinden zich diverse gevoelige objecten. Het gaat dan om de (agrarische) bedrijfswoningen aan de Beekdorpweg 16a, 14, 12, 6 en 3a in Weerselo. Deze bedrijfswoningen en burgerwoning (dichtstbijzijnde gevel) liggen op respectievelijk ± 97, ± 60 ± 36, ± 78 en ± 26 m afstand van de gevel van de bedrijfsbebouwing (zoals weergegeven in figuur 4.1). De afstand tot het perceel Beekdorpweg 3a is gemeten vanaf de voorgevel van de woning Beekdorpweg 10. Het is niet aannemelijk dat bedrijfsbebouwing voor de woning wordt gesitueerd. Met de genoemde afstanden wordt voor een aantal objecten voldaan aan de minimale richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. Voor een aantal objecten wordt niet voldaan aan de indiciatieve afstand. Dit geldt voor Beekdorpweg 12 en Beekdorpweg nummer 6.
De afstand aan de zijde van Beekdorpweg 12 wordt met het voorliggende bestemmingsplan niet kleiner, waardoor de milieusituatie niet nadelig wordt beïnvloedt.
Met betrekking tot de afstand tot het perceel Beekdorpweg 6 wordt het volgende opgemerkt. Tussen de percelen Beekdorpweg 6 en Beekdorpweg 10 lag een agrarisch bedrijf. Op dat perceel is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Hiervoor geldt een vaste afstand (zie ook onderdeel Geur in paragraaf 4.5) van 50 m. Daar werd niet aan voldaan. De afstand van de ligboxenstal die gebruikt gaat worden voor opslag wordt ten opzichte van die woning niet kleiner. Doordat de kuilvoerplaten en de sleufsilo's ook verdwijnen, zal het geluid afkomstig van de daarbij behorende activiteiten aanzienlijk afnemen.
Al met al, mede gelet op de betrokkenheid van alle partijen (Beekdorpweg 6, 8 en 10), wordt gesteld dat voor het onderdeel 'bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Figuur 4.1: Ligging bedrijfsperceel t.o.v. gevoelige functies (bron: atlasvanoverijssel.nl)
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Toets
Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van het bedrijfsperceel met de bestaande (agrarische) bedrijfsbebouwing op het perceel Beekdorpweg 8 positief bestemd. De gronden en gebouwen waren (voorheen) in gebruik voor agrarische doeleinden. De ligboxenstal wordt in de nieuwe situatie gebruikt voor opslag. Het is niet aannemelijk dat mensen in die opslagruimte zullen verblijven. De uitbreiding aan de achterzijde van de bestaande hal op het perceel Beekdorpweg 10 met bijna 450 m² is eveneens bedoeld voor opslag. Ook voor die opslagruimte geldt dat er geen mensen langdurig zullen verblijven. Uit de toets aan de bodematlas Overijssel blijkt dat er voor zover bekend geen sprake is van een bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit wordt daarmee geacht geschikt te zijn voor het gebruik als bedrijfsperceel met opslagvakken. Voor het aspect 'bodem' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Wel gedlt voor de bestaande bedrijfshal van Paus Agroservice (figuur 2.1, hal 10b) dat het straks anders gebruikt gaat worden. Er komt een showroom, kantoor, kantine en toiletten. Dit betekent dat bij de aanvraag om een Omgevingsvergunning te zijner tijd mogelijk wel een bodemonderzoek nodig zal zijn.
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect 'geluid'. In de wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van een industrieterrein, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden opgesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan de milieugevoelige functies.
Toets
Met voorliggend plan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) mogelijk gemaakt in het kader van de Wet geluidhinder. Daarmee is er geen sprake van belemmeringen door weg- en/of spoorweglawaai. Uit de toets aan het aspect 'bedrijven en milieuzonering' blijkt dat er qua industrielawaai voor soortgelijke bedrijvigheid een richtafstand geldt van 50 meter ten opzichte van geluidsgevoelige functies. Aan deze afstand wordt weliswaar voor de objecten Beekdorpweg 6 en Beekdorpweg 12 niet voldaan, maar het woon- en leefklimaat van de omliggende (bedrijfs)woningen wordt niet verslechterd. Door de functie van de ligboxenstal op het perceel Beekdorpweg 8 om te zetten naar opslag, zal geluid nog wel waarneembaar kunnen zijn, maar met het verdwijnen van de kuilvoerplaten en sleufsilo's achter de woning Beekdorpweg 6 ontstaat een verbetering van de akoestische situatie. Aan de zijde van de woning Beekdorpweg 12 wordt de afstand niet kleiner, waardoor ook voor dat object geen verslechtering ontstaat. Daarmee is er ook geen sprake van belemmeringen vanuit het aspect 'industrielawaai. Voor het aspect 'geluid' is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets
Met voorliggend plan worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De bestaande (bedrijfs)woningen van op de percelen Beekdorpweg 6, 8, 10 en 12 zijn al positief bestemd. De dichtstbijgelegen agrarische bouwvlakken (grondgebonden agrarische bedrijven aan de Beekdorpweg 16 - ± 75 m vanaf grens bouwperceel tot aan bedrijfsperceel Beekdorpweg 10 en Beekdorpweg 3/5 - ± 25 m gemeten vanaf grens bouwperceel tot aan voorgevel bedrijfswoning). De bestaande afstand wordt met het voorliggende bestemmingsplan niet kleiner.
Omdat het agrarische bedrijf haar activiteiten op het perceel Beekdorpweg 8 staakt, zullen de achter het perceel Beekdorpweg 6 gelegen kuilvoerplaten en sleufsilo's ook verdwijnen. Deze gronden krijgen een groene inrichting. Bovendien kunnen ter plaatse geen dieren meer worden gehouden, waardoor ook het 'geurklimaat' een positieve impuls krijgt.
Geconstateerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor dit plan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets
De uitbreiding van het bedrijfsperceel met de ligboxenstal die als opslaghal zal worden gebruikt, leidt niet tot extra verkeersbewegingen, maar juist tot een efficiëntere logistiek op het erf. De opslag, die nu achter op het perceel Beekdorpweg 10 en elders binnen de gemeente aanwezig is, wordt naar één perceel (beekdorpweg 8/10) verplaatst. Hierdoor zal per saldo het aantal verkeersbeweging naar verwachting iets afnemen. De concentratie van de bedrijfsvoering, de effectiviteit en de efficiënte inrichting van het bedrijfsperceel zal op de onderhavige locatie mogelijk meer verkeersbewegingen genereren. Daarbij kan uitgegaan worden van een worst-case scenario van 100 verkeersbewegingen per dag. In een worst-case scenario zal een percentage van 20 procent bestaan uit zwaar-/vrachtverkeer. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven.
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is, mede gelet op de per saldo te verwachten afname van het aantal verkeersbewegingen, derhalve niet nodig.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Risicokaart Overijssel
Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets
Met voorliggend plan wordt geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in artikel 2 van het Bevi. Er is daarmee geen sprake van externe werking voor het aspect 'externe veiligheid'. Er wordt eveneens geen kwetsbaar object aan het plangebied toegevoegd. Uit de inventarisatie blijkt dat op een afstand van ongeveer 175 m Tankstation Krabbe, Bornsestraat 18 is gevestigd. Dit bedrijf heeft een LPG-afleveringsinstallatie met een vergunde jaardoorzet LPG van 940 m³. De afstand tot de grens van het invloedsgebied verantwoording groepsrisico bedraagt 150 m. Aangezien de afstand circa 175 m bedraagt vormt dit tankstation geen belemmering.
Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Op 15 december 2015 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets toegepast moet worden.
Uitgangspunten waterschap Vechtstromen
Voor alle inbreidingen en uitbreidingen gelden in principe onderstaande beleidsregels. Deze dienen voor het plangebied specifiek uitgewerkt te worden.
Algemeen
Bij de keuze voor de locatie van het plangebied wordt rekening gehouden met de wateropgave en de eigenschappen van het watersysteem.
Afvalwater
Hemelwater
Grondwater
Oppervlaktewater
Toets
Bij voorliggend plan is er sprake van een (reeds gerealiseerde) uitbreiding van een bedrijfsperceel. De uitbreiding is logisch gesitueerd rondom de bestaande bebouwing. Het afvalwater dat ontstaat vanuit de bestaande functies wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering, de uitbreiding ziet toe op opslagvakken en leidt niet tot een toename in afvalwater. Afvoerpieken in hemelwater wordt opgevangen in aangrenzende kavelsloten. Aan weerszijden van de nieuwe houtwallen worden eveneens kavelsloten gerealiseerd. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het grond- en/of oppervlaktewater rondom het plangebied. Bovendien wordt er in het landschapsplan rekening gehouden met extra ruimte voor retentie van hemelwater. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan niet leidt tot negatieve gevolgen voor het aspect water.
Naar aanleiding van de digitale toets heeft het waterschap Vechtstromen bij e-mailbericht van 15 januari 2016 de volgende opmerkingen geplaatst.
Om wateroverlast, vanaf maaiveld, in gebouwen te voorkomen adviseert het waterschap om de bovenzijde begane-grondvloer tenminste 30 centimeter boven de weg aan te leggen. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Dit kan bijvoorbeeld door middel van de aanleg van een drempel.
Omdat ten tijde van deze toets nog sprake was van verplaatsing van het agrarische bedrijf van Beekdorpweg 8 naar Beekdorpweg 18, wees het waterschap op het volgende. Bijna alle agrarische bedrijven vallen onder het “Activiteitenbesluit”. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest.
Nu geen sprake meer is van een verplaatsing van het agrarische bedrijf binnen de gemeente Dinkelland, kan dit onderdeel van de reactie achterwege blijven.
Hemelwater dat van het verharde oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. Het waterschap zal in deze gevallen aanvullende voorzorgsmaatregelen adviseren om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen. Oppervlaktewater dat al aanwezig is kan onderdeel uitmaken van het regionale watersysteem. Dit betekent dat de waterpeilen in deze wateren door het waterschap worden beheerd. Daarnaast biedt het aanwezige oppervlaktewater aanknopingspunten voor de afvoer van het schone hemelwater.
Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet tijdig een vergunning worden aangevraagd of een melding worden ingediend in kader van de Waterwet. Onder ingrepen in het watersysteem worden ook het onttrekken- en lozen van grond- en oppervlaktewater verstaan. Op de website www.vechtstromen.nl is meer informatie over de Waterwet. Hiervoor dient ruim van te voren in het kader van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd.
Om een goede kwaliteit van water te realiseren, moet worden voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Het is wenselijk dat er geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende (bouw)materialen.
Wanneer voornoemde opmerkingen in het plan wordt meegenomen heeft waterschap Vechtstromen geen bezwaar.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet, Barro) en provinciale regelgeving (EHS in provinciale verordening). resultaten zijn in de volgende paragrafen opgenomen.
Het plangebied ligt niet in de Ecologische hoofdstructuur (EHS) en/of de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten de EHS’. Het plangebied grenst wel aan deze gebieden, zoals weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2: liggen plangebied ten opzichte van EHS en 'ondernemen met natuur en water' (bron: atlasvanoverijssel.nl)
Toets
Ten noorden van het perceel Beekdorpweg 6 zijn de gronden aangewezen als zone voor ondernemen met natuur en water. Doordat de agrarische activiteiten op die betreffende gronden staken, doet zich de kans voor om deze gronden een groene inrichting te geven. In paragraaf 2.3 Landschappelijke inpassing is ingegaan op de landschappelijke inpassing en daarmee de nieuwe inrichting van de onbebouwde gronden. De voorgestane groene inrichting sluit perfect aan op de bestaande natuur en de zone ondernemen met natuur en water buiten de EHS.
Het hergebruik van de ligboxenstal (Beekdorpweg 8) voor opslag ten behoeve van Paus Agroservice en de uitbreiding van het bedrijfsgebouw (met bijna 450 m²) op het perceel Beekdorpweg 10 hebben een lokale invloedsfeer en tasten de groene waarden, mede gelet op het landschapsplan, niet aan. Gezien de lokale invloedsfeer en de ligging van het plangebied buiten de EHS, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS. Bovendien worden de gronden ten noorden van het perceel Beekdorpweg groen ingericht en vervallen de agrarische activiteiten. Het landschapsplan versterkt de groene structuur ter plaatse, hetgeen een positief effect heeft op de EHS en de zone ondernemen met natuur en water.
Het plangebied ligt niet in- of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, 'Lemselermaten' ligt circa 2,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (zie figuur 4.3).
Figuur 4.3: Ligging Natura 2000-gebied ten opzichte van plangebied (bron: bewerking synbiosys.nl)
Het plangebied bestaat uit reeds bestaande (agrarische) bedrijfspercelen welke zijn ingericht met bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en erfverhardingen. Het terrein is daarmee grotendeels verhard. Vanwege de inrichting en staat van onderhoud, vormt het gebied een nagenoeg ongeschikte habitat voor beschermde soorten.
Op de percelen Beekdorpweg 6 en 8 worden opstallen gesloopt. Wanneer die sloop plaatsvindt is niet bekend. Op het moment van sloop dient duidelijk te zijn dat er geen beschermde soorten verloren gaan.
Voor het bestemmingsplan is geen nader onderzoek nodig. Voor de sloop van de opstallen dient het bepaalde in artikel 2 van de Flora- en faunawet in acht te worden genomen. In dit artikel is de zogenaamde 'zorgplicht' opgenomen.
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden. Deze wijziging van de wet heeft ervoor gezorgd dat gemeenten een archeologische zorgplicht krijgen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
Het plangebied is volgens de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland gelegen in de gebieden aangemerkt als 'dekzandwelvingen en -vlakten', 'beekdalen en overige laagten' en 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Daarnaast ligt het plangebied in een bufferzone rond een erf en een watermolen. In figuur 4.4 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen.
Figuur 4.4: Archeologische verwachtings- en advieskaart
Voor gebieden met de aanduiding 'dekzandwelvingen en -vlakten' geldt een middelmatige verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle periodes. Er bestaat een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten liggen vlak onder het maaiveld en zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn hierdoor vaak minder goed geconserveerd.
Het beleidsadvies bij dergelijke gebieden luidt "archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek".
Voor gebieden met de aanduiding 'beekdalen en overige laagten' geldt een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle periodes. Het gaat hierbij hoofdzakelijk om archeologische resten die in verband staan met beekdalgebonden activiteiten, zoals bruggen, voordes, watermolens etc. en mogelijk archeologische resten, bijvoorbeeld afvaldumps, die in verband staan met bewoning op nabij gelegen, hoge gronden. Verder diverse categorieën losse vondsten.
Het beleidsadvies bij dergelijkge gebieden luidt "vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten".
Voor gebieden met de aanduiding 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' geldt een hoge verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Omdat arrcheologische resten afgedekt zijn door een plaggendek groter dan 50 cm. Hierdoor zijn deze resten minder kwetsbaar voor bodemingrepen en zijn ze goed geconserveerd.
Het beleidadvies bij dergelijke gebieden luidt: "archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek".
Binnen een bufferzone rond een erf, adellijk huis of watermolen geldt een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het beleidsadvies voor dergelijke zones is "archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek".
Toets
Achter de bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel Beekdorpweg 10 wordt een hal uitgebreid. De oppervlakte van die uitbreiding bedraagt maximaal 500 m², waardoor deze ruim onder de ondergrens van 2500 m² blijft. Derhalve geldt conform het beleid voor het aspect 'archeologie' een vrijstelling van verder archeologisch onderzoek.
Voor het perceel Beekdorpweg 6 bestaat het plan om twee opstallen te slopen en één nieuw bijgebouw terug te bouwen. De oppervlakte van het nieuw te bouwen bijgebouw bedraagt 266 m². Dit betekent dat ruim onder de ondergrens van 2500 m² gebleven wordt. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
De gronden aan de zijde van de Beekdorpweg ter hoogte van nummer 10 liggen binnen een hoge verwachtingswaarde en binnen een bufferzone. Binnen die zone wordt echter alleen een aantal parkeerplaatsen aangelegd. De oppervlakte van die parkeerplaatsen blijft ruimte onder de onder ondergrens van 2500 m² waar er conform het archeologiebeleid een vrijstelling van de onderzoeksplicht geldt.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets
Uit Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen monumenten gelegen zijn. Uit historische kaarten kan wel afgeleid worden dat op de betreffende gronden rond 1900 al bebouwing aanwezig was. Het oudste pand dat in de huidige situatie nog op het perceel Beekdorpweg 8 aanwezig is, de ligboxenstal, dateert volgens de atlasvanoverijssel.nl uit de periode 1900-1920. Uit de toets aan de waardenkaart blijkt verder niets van andere bijzondere cultuurhistorische waarden waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling vereist is. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen voor Paus Agroservice is hiervoor aangegeven dat er geen of nauwelijks een toename van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht. De extra ruimte die met de ligboxenstal op het perceel Beekdorpweg 8 vrijkomt, wordt ingezet om bestaande buitenopslag naar binnen te verplaatsen. Doordat de opslag op één locatie gerealiseerd kan worden, zal het aantal verkeersbewegingen van en naar Paus Agroservice iets afnemen.
Met de extra mogelijkheden op het perceel Beekdorpweg 8 en de nieuwe route naar het achtergelegen terrein van het perceel Beekdorpweg 10 zijn er goede mogelijkheden ontstaan voor extra parkeerplaatsen op het voorterrein. Zoals in Hoofdstuk 2 is aangegeven kunnen zes extra parkeerplaatsen worden aangelegd. Dit zal het parkeren op de grens met de openbare weg verminderen. Hiermee is de verkeersveiligheid gediend.
De hiervoor beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (artikel 2)
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
Deze bepaling bevat regels met betrekking tot het bouwen ten opzichte van de bestemming 'Verkeer'. De afstand tot wegen is hierin nader bepaald;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch' hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie. Hier worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. De bescherming van het landschap is nevengeschikt aan het agrarisch gebruik. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunningenstelsel opgenomen om structurele veranderingen op het landschap te voorkomen dan wel structurele ingrepen in het landschap af te kunnen wegen. Landschappelijke elementen, die niet zijn aangeduid, kunnen worden verwijderd wanneer daar een landbouwkundige noodzaak voor is. Een criterium daarbij is wel dat de structuur van het landschap niet wordt aangetast. Dit kan betekenen dat het element elders gecompenseerd moet worden.
Onder deze bestemming vallen de niet-agrarische bedrijven. Het gaat hier om een '(agrarisch) dienstverlenend bedrijf', niet zijnde een geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichting en/of vuurwerkbedrijf. In beginsel zijn de bedrijven bestemd overeenkomstig de aard van het aanwezige bedrijf. De oppervlakte inclusief de uitbreiding die door dit plan mogelijk wordt gemaakt is in dit plan vastgelegd. Deze oppervlakte is mogelijk geworden doordat de bebouwing op het buurperceel ingezet kan worden voor de bedrijfsvoering. Vanwege de verruiming van de bebouwde oppervlakte voor het (agrarisch) dienstverlenend bedrijf is de nieuwe situatie volledig landschappelijk ingepast.
De bestemming 'Bos - natuur' betreft in dit plan de gebieden die in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving zijn aangelegd dan wel zijn versterkt en daarom de genoemde bestemming dienen te krijgen. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staan voorop.
De bestaande burgerwoning behoud de huidige bestemming 'Wonen'. De regels van de bestemming 'Wonen' zijn dan ook voor zover van toepassing op het betreffende perceel overgenomen. Omdat het aantal m² de bij recht toegestane m² overschrijdt, is de gewenste oppervlakte aan bijgebouwen expliciet vastgelegd. In deze situatie bedraagt die oppervlakte maximaal 350 m².
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.
Rijkswaterstaat
Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat zij tijdig betrokken wenst te worden bij plannen die betrekking hebben op de drie netwerken die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn: het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.
Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke uitgevoerd door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.
Provincie Overijssel
Het ontwerpbestemmingsplan is ter kennisgeving aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft een zienswijze op het plan in te dienen.
Waterschap Vechtstromen
Op 15 december 2015 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat de normale procedure moet worden doorlopen. Het bestemmingsplan is daarom in het kader van vooroverleg ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap. Bij e-mailbericht van 15 januari 2016 heeft Waterschap Vechtstromen opmerkingen geplaatst, zie paragraaf 4.8.
Wanneer de gemaakte opmerkingen in het plan worden meegenomen, heeft waterschap Vechtstromen geen bezwaar.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 mei 2017 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.