direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Wonen Holten, Nieuwbouw Kulturhus Dijkerhoek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1742.TAMHW2025002-0401

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van een nieuw kulturhus in Dijkerhoek en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22u) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22u van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22u' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22u' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Wonen Holten, Nieuwbouw Kulturhus Dijkerhoek' van de gemeente Rijssen-Holten;

1.2 de verbeelding

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMHW2025002-0401 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 archeologische waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij in dit plan of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

1.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk;

1.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.13 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond is verbonden, en direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.15 crossterrein

terrein gebruikt voor een wedstrijd of training met motorfietsen of een daarmee gelijk te stellen voertuig. Op het terrein is een parcours uitgezet met natuurlijke hindernissen;

1.16 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik van de mens door de jaren heen;

1.17 dagrecreatie

ondergeschikt medegebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve of niet in wedstrijdverband georganiseerde sportieve activiteiten, zoals wandelen, hardlopen, nordic-walken, fietsen, mountainbiken, racefietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie of een naar de aard daarmee gelijk te stellen (mede)gebruik. De activiteiten dienen plaats te vinden tussen zonsopgang en zonsondergang, tenzij de grondeigenaar anders kenbaar maakt;

1.18 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.19 detailhandel

het bedrijfsmatig ter plaatse uitstallen van goederen en deze:

  • a. te koop aanbieden,
  • b. verhuren;
  • c. leasen en leveren.

Een supermarkt, (motor)brandstoffenverkoop, erotisch getinte vermaakfuncties, een bedrijf alleen gericht op afhaalmaaltijden of darkstore zijn niet toegestaan, tenzij specifiek aangegeven;

1.20 dienstverlening

het verlenen van economische of maatschappelijke diensten aan derden;

1.21 drinkwatervoorziening

het geheel van activiteiten dat er op gericht is te voorzien in drinkwater;

1.22 dunning

het kappen van houtopstanden als onderhoudsmaatregel die erop gericht is de resterende houtopstanden een (betere) overlevingskans te bieden;

1.23 erf

bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Deze definitie is van invloed op de mogelijkheden om een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening te kunnen bouwen (het zogenoemde vergunningsvrij bouwen);

1.24 functie

de regels voor gebruik of bouwwerken binnen een werkingsgebied;

1.25 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26 geurgevoelig object

een op basis van het omgevingsplan of met omgevingsvergunning toegelaten gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, niet zijnde:
    • 1. plattelandswoningen of;
    • 2. een bedrijfswoning beide voor wat betreft de eigen bedrijfsactiviteiten;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidsfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan of;
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
1.27 gevoelig object

een bouwwerk dat bestemd is voor het meer dan incidenteel verblijven van mensen dat beschermd wordt tegen emissies van geluid, geur, ammoniak of fijnstof, niet zijnde de eigen bedrijfswoning of plattelandswoning;

1.28 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;

1.29 kampeermiddelen

een tent, vouwwagen, caravan, of kampeerwagen, niet zijnde een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf. Een bijzettentje wordt niet als zelfstandig kampeermiddel gezien;

1.30 kappen

het rooien, verplanten of verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge (kunnen) hebben;

1.31 kleinschalig evenement

elke voor publiek toegankelijke verrichting, georganiseerde gebeurtenis, openluchtmanifestatie, (thema-)dag of week en/of herdenking die al dan niet met een zekere regelmaat (bijvoorbeeld maandelijks, jaarlijks of jaaroverstijgend) plaatsvindt;

waardoor het normaal maatschappelijk gebruik van de gronden niet mogelijk is gedurende:

  • 1. tenminste één aanééngesloten periode van 24 uur (inclusief het opbouwen en afbreken): of
  • 2. tenminste twee niet opéénvolgende dagen of vier niet opéénvolgende dagdelen: en
    • a. met een omvang van maximaal 250 bezoekers/deelnemers/toeschouwers/gasten gelijktijdig aanwezig: en
    • b. met een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van meer dan 40 dB(A) op de gevel van de dichtst bij gelegen woningen om en nabij het (evenementen)terrein.
1.32 landschappelijke inpassing

een plan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe een nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande bebouwing en bestaande omgeving. In het plan moet in elk geval de erfinrichting en (erf)beplanting worden opgenomen en hoe deze zich verhouden tot de omgeving;

1.33 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende landschappelijke waarde, in verband met de voor het gebied kenmerkende waarneembare verschijningsvorm;

1.34 lichtmast

een vrijstaande constructie waaraan één of meerdere lampen zijn opgehangen;

1.35 lokale weg - onverhard

een weg, bestaande uit zand, die niet als rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat. Ook een half verharde weg, bestaande uit menggranulaat of grind, wordt aangemerkt als een onverharde weg;

1.36 lokale weg - verhard

een weg, bestaande uit klinkers, tegels, asfalt of beton, die niet als een rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat;

1.37 maaiveld

de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzende) terrein;

1.38 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaalmedische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van scoutingactiviteiten - met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren - en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, waaronder ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.39 melding

een schriftelijke voorafgaande mededeling aan burgemeester en wethouders om een activiteit, zoals aangewezen in dit plan, te mogen verrichten. Voor een melding gelden de in dit plan opgenomen indieningsvereisten;

1.40 natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde die samenhangt met de geologische, bodemkundige en biologische elementen;

1.41 normaal onderhoud, beheer of exploitatie

werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de instandhouding dan wel de realisering van de functie;

1.42 niet-plaatsgebonden recreatieverblijf

een recreatieverblijf bestaande uit een lichte constructie van één bouwlaag, dat geen vaste verankering in de grond heeft en zonder ingrijpende maatregelen demontabel of verplaatsbaar is, zoals een stacaravan, chalet, tenthuisje, trekkershut, blokhut, cabin of 'tiny house'. Het dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreaten die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.43 ondergeschikte horeca

horeca die wat betreft de ruimtelijke/functionele uitstraling (exploitatievorm) behoren bij en ondergeschikt zijn aan een sociaal/culturele hoofdfunctie, zoals kerkelijke centra, sporthallen, kleinschalige horeca in buurtcentra;

1.44 opslagtank

een opslagtank is een opslagvoorziening voor gas met een inhoud van tenminste 150 liter. Met een opslagtank wordt het geheel van een tank, leidingwerk en appendages bedoeld;

1.45 paardrijbak

buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining;

1.46 perceel

een perceel is een onroerend goed (al dan niet met bebouwing) met dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht, dat is ingeschreven bij het Kadaster;

1.47 perceelsgrens

de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door één gebruiker worden benut;

1.48 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

1.49 provinciale weg

een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als provinciale weg is aangemerkt en op de wegenlegger staat;

1.50 rijksweg

een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als rijksweg is aangemerkt en op de wegenlegger staat;

1.51 risico

de kans op ongewenste gebeurtenissen van een bepaalde omvang, die bij een bepaalde activiteit kunnen plaatsvinden;

1.52 risicobron

een activiteit waaraan een veiligheidsafstand is verbonden ten opzichte van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten;

1.53 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.54 sociaal-culturele voorziening

gebouw ten behoeve voor het gebruik van workshopruimte, kunstclub, schilderclub, toneelvereniging of daarmee gelijk te stellen functie, waarbij overnachtingen zijn uitgesloten;

1.55 veiligheidszone

veiligheidszones zijn door de Rijksoverheid aangewezen zones rondom transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit kunnen wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren zijn. Binnen deze zone kan een afwijkend planologisch regiem gelden;

1.56 vrije veldopstelling zonnepanelen

het op of in de grond zetten van een constructie met zonnepanelen;

1.57 weg

voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg;

1.58 wegbeheerder

bevoegd gezag welke de wettelijke onderhoudsplicht van een weg heeft;

1.59 werkingsgebied

een geometrisch bepaald vlak of figuur waar op basis van die plan regels gelden;

Artikel 2 Indieningsvereisten en maatvoering

2.1 bepalen maten, maatvoering

In dit TAM-IMRO deel van het omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • a. peil:
    • 1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    • 2. voor gebouwen waarvan de toegang niet onmiddellijk aan de weg grenst en waar direct in de omgeving is gelegen: de gemiddelde hoogtemaat ten opzichte van NAP;
    • 3. de gemiddelde hoogte van het terrein, of;
    • 4. in andere gevallen: het door de gemeentelijk toezichthouder aangewezen peil;
  • b. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  • c. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • d. de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • e. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gemeten vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;
  • f. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • g. afstand tot de zijdelingse perceelgrens: tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  • h. afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels;
  • i. maaiveld: de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzend) terrein;
2.2 ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten en het bepalen van het oppervlak van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.

Voor ondergeschikte bouwdelen groter dan 0,5 m, maar kleiner dan 0,75 m wordt een oppervlak van maximaal 4 m² niet meegerekend tot het toegelaten oppervlak. Het eventuele resterende oppervlak wordt tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.

Bouwdelen groter dan 0,75 m zijn niet ondergeschikt en worden altijd tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.

Voor rietgedekte daken geldt dat overstekken worden gemeten van buitenkant buitenmuur tot buitenkant bouwkundige (onderliggende) constructie.

2.3 maten
  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. voor hoeken/hellingen in graden (º).

2.4 indieningsvereisten

Voor het indienen van een landschaps- en/of erfinrichtingsplan gelden de volgende eisen:

  • a. het plan moet een geschaalde plattegrond bevatten;
  • b. de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) dient als ondergrond voor het plan gebruikt te worden;
  • c. het plan moet noord-gericht zijn getekend.
2.5 indieningsvereisten melding

Voor het indienen van een melding op basis van het omgevingsplan gelden de volgende eisen:

  • a. de melding wordt ingediend via het op de gemeentelijke website beschikbaar gestelde elektronische formulier en;
  • b. een melding wordt gedaan uiterlijk 4 weken voor aanvang van de activiteit.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1.  
    • a. Het Chw Veegplan buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) is niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
    • b. Voor zover de begripsbepalingen en de wijze van meten van plannen op de locatie bedoeld in het derde lid afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, gaat dit hoofdstuk voor bij de uitleg van hoofdstuk 22u.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Als de regels uit afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3, in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Wonen Holten, Nieuwbouw Kulturhus Dijkerhoek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMHW2025002--0401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 4. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Maatschappelijk

4.1 Functieomschrijving

Binnen de functie "Maatschappelijk" is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:

met daarbij behorende:

  • c. gebouwen;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • e. sport- en speelvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen en water;
  • g. verkeers- en parkeervoorzieningen;
  • h. ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
  • i. landschappelijke inpassing.

4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Algemene beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende beoordelingsregels:

  • a. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht. Als wordt voldaan aan onderstaande regels wordt de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel verleend.
  • b. Situering en inpassing van bouwwerken op het erf vindt plaats aan de hand van het Ruimtelijk kwaliteitsplan uit Bijlage 1;
  • c. In afwijking van artikel 22.27 en 22.36 is er in het gehele plangebied geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen;
  • d. Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
    Type weg   Afstand  
    provinciale weg   50 m  
    lokale weg - verhard   20 m  
    lokale weg - onverhard   10 m  
  • e. Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
  • f. Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
  • g. Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
  • h. Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
4.2.2 Gebouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor gebouwen de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goothoogte bedraagt maximaal 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' aangegeven hoogte;
  • d. de minimale dakhelling is 15°.
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwwerken, geen gebouw zijnde de volgende beoordelingsregels:

  • a. De maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 m;
  • b. Overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing;
  • c. Zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    • 1. Zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    • 2. De maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m;
    • 3. Het maximale oppervlak aan zonnepanelen in veldopstelling is 50 m²;
    • 4. Zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota;
    • 5. Als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
  • d. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 m waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:

  • a. opslag van:
    • 1. gevaarlijke stoffen;
    • 2. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    • 3. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen.
  • b. een crossterrein, het beproeven van motorvoertuigen, het beoefenen van de modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten;
  • c. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  • d. detailhandel anders dan het bedoelde in 4.1 onder h;
  • e. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • f. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  • g. wonen;
  • h. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  • i. een paardrijbak;
  • j. vrijstaande lichtmasten;
  • k. zeer kwetsbare gebouwen;
  • l. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
4.3.2 Binnenschietbaan

Een binnenschietbaan is toegestaan mits er een geluidonderzoek wordt verricht in geval de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m dient.

4.3.3 Kleinschalig evenement

Maximaal 7 kleinschalige evenementen per kalenderjaar zijn toegestaan. Kleinschalige evenementen hebben een:

  • a. maximale duur van 72 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken);
  • b. maximum aantal bezoekers van 250 gelijktijdig aanwezig; of
  • c. maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 65 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

4.3.4 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Tot een met de functie 'Maatschappelijk' strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie Maatschappelijk onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.
4.3.5 Milieuregels
  • a. Een nieuwe ontwikkeling voldoet verder aan de volgende normen:
  Milieunormering  
Donkerte   Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid.  

  • b. Er kan afgeweken worden van de milieuregels mits er aangetoond kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 5 Algemene gebruiksregels

5.1 Verboden gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hieronder wordt in ieder geval begrepen; het gebruiken, het te doen of te laten gebruiken of in gebruik te geven van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van:

  • a. een stort- en/of opslagplaats van aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslag ten behoeve van het normale gebruik en onderhoud;
  • b. stalling- en/of opslagplaats van een of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik of onderhoud;
  • c. een seksinrichting of prostitutiebedrijf.
5.2 Parkeernormen
5.2.1 Functieomschrijving en aanwijzing werkingsgebied

Het plangebied van het omgevingsplan is tevens aangewezen als gebied waarbinnen normen gelden voor parkeren.

5.2.2 Samenloop via omgevingsvergunningsplicht bouwen of gebruik

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken of gebruiken van gronden op basis van de toegelaten functie op basis van dit omgevingsplan wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.

5.2.3 Afwijken beoordeling voldoende parkeergelegenheid

Het bevoegd gezag kan van de parkeernormen Rijssen-Holten afwijken, mits:

  • a. sprake is van een integrale afwijking;
  • b. daarmee een ander, zwaar wegend belang wordt gediend en;
  • c. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
5.2.4 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken met een parkeerbehoefte die niet op eigen terrein wordt voorzien.

Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

6.1 Overige zone - Landschap Espelo, Dijkermaten en Dijkerhoek (deelgebied 1)

Dit landschap wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.

Dit gebied ligt relatief laag. Door de ruilverkaveling van de 80-er jaren is een tamelijk rationeel landschap ontstaan met robuuste beplantingen en wegen waarlangs verspreid agrarische bebouwing ligt met groene erven. De landbouw is sterk vertegenwoordigd en de gronden zijn overwegend in gebruik als graslanden.

Opgaven voor het landschap

  • 1. optimaliseren van de agrarische bedrijfsvoering;
  • 2. behoud en versterken van beplantingsstructuur ruilverkaveling jaren 80 (rationeel landschap met robuuste beplantingen);
  • 3. openheid in het stroomgebied van de Soestwetering ter bevordering van het contrast met de omgeving;
  • 4. versterken beplantingsstructuur op de hogere delen van het gebied zijn gewenst als contrast met het open stroomgebied van de Soestwetering;
  • 5. verzachten overgang dorpsrand Dijkerhoek (beperkte groei) en buitengebied;
  • 6. vergroten van de herkenbaarheid van het grondwaterbeschermingsgebied en het waterwingebied.

6.2 Overige zone - Aandachtsgebied buisleidingen
6.2.1 Functieomschrijving en aanwijzing aandachtsgebieden rondom buisleidingen

In het plangebied zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met de aanwezigheid van buisleidingen.

6.2.2 Strijdig gebruik

Er mag in dit gebied geen toename plaatsvinden van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, zonder een positief advies van de leidingbeheerder.

6.3 Overige zone - Archeologische verwachtingswaarde
6.3.1 Functieomschrijving en aanwijzing gebieden met archeologische waarden

In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

6.3.2 Toedelen functies of activiteiten

Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.
6.3.3 Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie
  • a. Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden binnen een aangewezen gebied met archeologische waarden.
  • b. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties;
  • c. Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
    • 1. bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
    • 2. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
    • 3. bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
    • 4. bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.

6.4 Overige zone - Grondwaterbeschermingsgebied
6.4.1 Functieomschrijving

In het plangebied zijn gebieden aangewezen ter bescherming van de drinkwatervoorziening. Deze contour geeft de grens aan waar het grondwater minimaal een periode van 25 jaar nodig heeft om de waterwinputten te bereiken. De aanwijzing en begrenzing van de grondwaterbeschermingsgebieden is een bevoegdheid van de Provincie Overijssel. Deze gebieden zijn naast de andere aangewezen functies tevens bestemd voor het behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening en voor de waterhuishouding.

6.4.2 Toegestaan gebruik of functies

Ter plaatse van de zonering grondwaterbeschermingsgebied zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. functies die harmoniëren met de functie drinkwatervoorziening.
6.4.3 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de zonering grondwaterbeschermingsgebied wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor:

  • a. (glas)tuinbouw;
  • b. andere activiteiten die een negatief effect hebben op de grondwaterkwaliteit.
6.4.4 Bouwregels
  • a. In het grondwaterbeschermingsgebied mogen alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de functie drinkwatervoorziening worden gebouwd, met een maximale bouwhoogte van 2,50 m;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwenwerken ten dienste van de daarnaast geldende functies worden gebouwd, mits de kwaliteit van het grondwater daardoor niet wordt geschaad;
  • c. Bij een nieuwe ontwikkeling binnen de zonering grondwaterbeschermingsgebied is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid vereist. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat de kwaliteit en de kwantiteit van het grondwater minimaal gelijk blijft;
    • 2. alvorens te beslissen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het waterschap en de Provincie Overijssel.
  • d. In afwijking van het bepaalde onder c is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    • 1. werkzaamheden die het normale onderhoud of de normale exploitatie betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning;
    • 3. werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.

6.5 Overige zone - Molenbiotoop
6.5.1 Functieomschrijving

Een molenbiotoop is een zonering die rondom een molen wordt gelegd, binnen deze zonering geldt een beperking geldt voor de bouwhoogtes van omliggende bouwwerken. Deze zonering voorkomt belemmering van de windgang van de molen.

6.5.2 Toegestaan gebruik of functies

Ter plaatse van de zonering molenbiotoop zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. het behoud en herstel van een goede windvang van een molen;
  • b. het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element.
6.5.3 Strijdig gebruik
  • a. Tot een met het omgevingsplan strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het zonder omgevingsvergunning gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van bomen, beplanting en bouwwerken met een hoogte van meer dan:
    • 1. 5 m, bij een afstand tot 100 m van de molen;
    • 2. 7 m, bij een afstand tussen 100 en 200 m van de molen;
    • 3. 9 m, bij een afstand tussen 200 en 300 m van de molen;
    • 4. 11 m, bij een afstand tussen 300 en 400 m van de molen;
  • b. Het bestaande gebruik is toegestaan, als het bestaand gebruik een grotere hoogte betreft;
  • c. In afwijking van sub a is het toegestaan om aan de achterzijde van bestaande bouwwerken, bouwwerken op te richten, mits:
    • 1. de hoogte en breedte blijft binnen de contouren (hoogte, breedte) van de bouwwerken waarachter deze wordt opgericht;
    • 2. het bouwwerk aan een bestaand bouwwerk wordt gebouwd, dan wel vrijstaand opgericht binnen een afstand van ten hoogste 10 m van bestaande bouwwerken;
    • 3. het vloeroppervlak van bouwwerken die krachtens deze vergunning worden opgericht niet meer bedragen dan 10% van de bouwwerken waarachter wordt gebouwd;
    • 4. het oprichten van een bouwwerk is uitsluitend toegestaan, voor zover dit mogelijk is op basis van de overige voor deze locatie geldende regels;
  • d. In afwijking van het bepaalde onder a is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    • 1. werkzaamheden die nodig zijn voor de realisatie/aanleg en instandhouding van het bouwplan en de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.

6.6 Overige zone - Veiligheidszone aardgastransportleiding
6.6.1 Functieomschrijving

In het gebied zijn (hoofd)aardgastransportleidingen aanwezig. Er mag binnen deze veiligheidszone in beginsel alleen ten behoeve van aardgastransportleidingen worden gebouwd.

6.6.2 Toegestaan gebruik of functies

er plaatse van de zonering veiligheidszone aardgastransportleiding zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. de aanleg, instandhouding en bescherming van ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding met daarbij behorende:
    • 1. belemmeringenstrook;
    • 2. gebouwen;
    • 3. bouwwerken, geen gebouw zijnde of;
    • 4. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
  • b. In geval van strijdigheid gaan deze regels voor op de regels die ingevolge andere artikelen op deze gronden van toepassing zijn.
6.6.3 Strijdig gebruik

Het is in strijd met dit plan om binnen de zonering veiligheidszone aardgastransportleiding kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen te realiseren.

6.6.4 Bouwregels
  • a. Ter plaatse van de functie veiligheidszone aardgastransportleiding en de bijbehorende belemmeringsstrook mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de functie veiligheidszone aardgastransportleiding worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2,5 m.
  • b. In afwijking van sub a kan met een omgevingsvergunning worden toegestaan dat er gebouwd wordt ten dienste van de basisfunctie, mits:
    • 1. er uit voorafgaand schriftelijk advies van de leidingbeheerder(s) blijkt dat de veiligheid met betrekking tot de aardgastransportleiding niet geschaadt wordt en;
    • 2. er geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen opgericht worden.
6.6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Binnen de zonering veiligheidszone aardgastransportleiding is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid vereist voor:
    • 1. het aanbrengen of rooien van hoog opgaande of diepwortelende beplanting en bomen, zoals rietbeplanting;
    • 2. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    • 3. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend: afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
    • 4. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • 5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 6. het plaatsen van roerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair en;
    • 7. het indrijven van voorwerpen in de bodem.
  • b. In aanvulling op sub a dient vooraf schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de leidingbeheerder.
  • c. In afwijking van sub a is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    • 1. werkzaamheden die het normale onderhoud of het normale beheer van de gasleiding betreffen;
    • 2. werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning;
    • 3. beplanting die voorkomt op de beplantinglijst van de leidingbeheerder;
    • 4. werkzaamheden die worden uitgevoerd ten behoeve van instandhouding van de leiding(en) en;
    • 5. graafwerkzaamheden die worden uitgevoerd als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON);
    • 6. werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.

6.7 Overige zone - Waterintrekgebied
6.7.1 Functieomschrijving

In het plangebied zijn gebieden aangewezen ter bescherming van de drinkwatervoorziening. Dit gebied is opgedeeld in drie contouren. Het waterintrekgebied is de buitenste contour van deze bescherming. Deze contour geeft de grens aan waar het grondwater minimaal een periode van 100 jaar nodig heeft om de waterwinputten te bereiken.

6.7.2 Toegestaan gebruik of functies

Ter plaatse van de zonering waterintrekgebied zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:

  • a. functies die harmoniëren met de functie drinkwatervoorziening.
6.7.3 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de zonering waterintrekgebied wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:

  • a. (glas)tuinbouw;
  • b. andere activiteiten die een negatief effect hebben op de grondwaterkwaliteit.
6.7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Bij een nieuwe ontwikkeling binnen de zonering waterintrekgebied is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid vereist. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat de kwaliteit en de kwantiteit van het grondwater minimaal gelijk blijft;
    • 2. alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het waterschap en de Provincie Overijssel.
  • b. In afwijking van sub a is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    • 1. werkzaamheden die het normale onderhoud of de normale exploitatie betreffen;
    • 2. werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning;
    • 3. werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.

6.8 Overige zone - Zonering aanwijzing gebied buiten bebouwde kom Wet natuurbescherming
6.8.1 Aanwijzing werkingsgebied

Binnen het omgevingsplan is er een gebied buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming aangewezen.

6.8.2 Omgevingsvergunningsplicht

Binnen dit gebied geldt voor het kappen of laten kappen van hakhout, een houtopstand of 1 of meer bomen een vergunningplicht.

6.8.3 Geldigheidsduur omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor het kappen geldt 12 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de vergunning tenzij in de vergunning anders is bepaald.

6.8.4 Toetsingsgronden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand kan worden verleend als er geen aantasting is van:

  • a. de natuurwaarde van de houtopstand;
  • b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
  • c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
  • d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
  • e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand of;
  • f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
6.8.5 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht

In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor het kappen van:

  • a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;
  • b. vruchten en windschermen om boomgaarden;
  • c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
  • d. kweekgoed;
  • e. houtopstanden die bij wijze van dunning wordt gekapt;
  • f. houtopstanden waarvoor het kappen onder bevoegd gezag van de Provincie Overijssel valt of;
  • g. houtopstanden die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last van het college van burgemeester en wethouders;
    • 1. houtopstanden die moeten worden gekapt voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.
6.8.6 (Zelfstandige) herplantplicht

Burgemeester en wethouders kunnen een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Deze herplantplicht kan zelfstandig worden opgelegd.

6.9 Overige zone - Zonering geurgehinderden - buitengebied

Om ruimte te bieden aan agrarische activiteiten die geur veroorzaken en ter bescherming van gevoelige gebouwen tegen activiteiten die geurhinder veroorzaken worden in het omgevingsplan gebieden aangewezen met een maximale achtergrondbelasting.

6.10 Overige zone - Zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks
6.10.1 Aanwijzing werkingsgebied

Binnen de gemeente Rijssen-Holten is een gebied aangewezen zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks.

6.10.2 Verbod

Ter plaatse van de 'Overige zone - zonering risicobronnen in de vorm van opslagtanks' is het niet toegestaan risicobronnen in de vorm van opslagtanks ten behoeve van ruimteverwarming te realiseren.

6.10.3 Afwijken van het verbod

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om af te wijken van het gestelde onder artikel 6.10.2 voor het realiseren van een risicobron in de vorm van een opslagtank ten behoeve van ruimteverwarming, onder de voorwaarde dat:

  • a. duurzame initiatieven ten behoeve van ruimteverwarming onwenselijk/onhaalbaar zijn gelet op de bestaande of toekomstige ruimtelijke structuur van de beoogde locatie, en;
  • b. de minimale veiligheidsafstanden van de betreffende risicobron op eigen terrein liggen.

Artikel 7 Overige regels

7.1 Omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstanden
7.1.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning hakhout, een houtopstand of 1 of meer bomen te kappen of te laten kappen. De omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstanden geldt voor 12 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de vergunning tenzij in de vergunning anders is bepaald.

7.1.2 Toetsingsgronden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand kan worden verleend als er geen aantasting is van:

  • a. de natuurwaarde van de houtopstand;
  • b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
  • c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
  • d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
  • e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
  • f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
7.1.3 Uitzondering omgevingsvergunningplicht

In afwijking van hetgeen bepaald in 7.1.1 is geen omgevingsvergunning vereist voor het kappen van:

  • a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;
  • b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
  • c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
  • d. kweekgoed;
  • e. houtopstanden die bij wijze van dunning worden gekapt;
  • f. houtopstanden waarvoor het kappen onder bevoegd gezag van de Provincie Overijssel valt;
  • g. houtopstanden die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last van het college van burgemeester en wethouders of;
  • h. houtopstanden die gekapt worden in het kader van de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan.
7.1.4 (Zelfstandige) herplantplicht

Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Deze herplantplicht kan zelfstandig worden opgelegd.

7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken of werkzaamheden
7.2.1 Omgevingsvergunningplicht

Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;
  • c. het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
  • d. het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
  • f. het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
7.2.2 Toetsingsgronden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning kan worden verleend, mits er geen aantasting plaatsvindt van:

  • a. de landschappelijke en natuurlijke waarden;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de externe veiligheid.
7.2.3 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m²;
  • b. die het normale onderhoud betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • d. waarvoor een omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;
  • e. het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen;
  • f. het aanleggen van koe- of kavelpaden of;
  • g. die uitgevoerd worden in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld ruimtelijk kwaliteitsplan.