Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Buitengebied Holten, Sangeldijk 10
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1742.TAMB2025004-0401

Regels

 
Preambule
 
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de functiewijziging van de Sangeldijk 10 in Holten van een agrarisch bedrijf naar wonen-VAB in combinatie met akkerbouw en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22s) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22s van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holten. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22s]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22s]' gelezen worden.
 
In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22s.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22s.' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begripsbepaling
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 plan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s met identificatienummer NL.IMRO.1742.TAMB2025004 van de gemeente Rijssen-Holten;
 
1.2 verbeelding
de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMB2025004 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen.
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.5 aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (één van) de hoofdbewoner(s) van de woning, waarvan de voorwaarden zijn opgenomen in 602.
 
1.6 agrarische bedrijven
ondernemingen die (nagenoeg) volledig zijn gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren. Mest wordt niet tot voortgebrachte agrarische producten gerekend;
 
1.7 akkerbouwbedrijf
een vorm van een agrarisch bedrijf gericht op de teelt van gewassen op open grond. Onder akkerbouwbedrijf wordt niet verstaan een bedrijf in lelieteelt, pot- en containerteelt, sierteelt en boomkwekerij;
 
1.8 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.9 bed & breakfast
het binnen de (bedrijfs)woning bieden van, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, een mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, studie of arbeid of permanente kamerverhuur
 
1.10 bedrijf
het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen of verhandelen van goederen, waarbij eventuele detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.
 
1.11 bedrijfsgebouw
een gebouw, dat gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf.
 
1.12 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw op een terrein, die behoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting gelet op de functie van het gebouw of gronden noodzakelijk is;
 
1.13 bedrijven
het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen of verhandelen van goederen, waarbij eventuele detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.
 
1.14 bestaande
  1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan binnen het betreffende perceel aanwezig is, dan wel krachtens een bestemmingsplanherziening mogelijk is;
  2. bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  3. het onder 1 en 2 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming.
 
1.15 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
 
1.16 binnenplanse omgevingsplanactiviteit
het wijzigen, toevoegen of afwijken van een functie onder voorwaarden zoals genoemd in dit omgevingsplan;
 
1.17 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
 
1.18 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond is verbonden, en direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.19 bouwwerken
constructies van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond zijn verbonden, en direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.20 crossterrein
terrein gebruikt voor een wedstrijd of training met motorfietsen of een daarmee gelijk te stellen voertuig. Op het terrein is een parcours uitgezet met natuurlijke hindernissen.
 
1.21 dagrecreatie
ondergeschikt medegebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve of sportieve activiteiten, zoals wandelen, hardlopen, nordic-walken, fietsen, mountainbiken, racefietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie of een naar de aard daarmee gelijk te stellen (mede)gebruik. De activiteiten dienen plaats te vinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht te zijn op het verstrekken van nachtverblijf.
 
1.22 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.23 detailhandel
het bedrijfsmatig ter plaatse uitstallen van goederen en deze:
  1. te koop aanbieden,
  2. verhuren,
  3. leasen en leveren.
Een supermarkt, (motor)brandstoffenverkoop, erotisch getitne vermaakfuncties, een bedrijf alleen gericht op afhaalmaaltijden of darkstore zijn niet toegestaan, tenzij specifiek aangegeven.
 
1.24 erf
bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Deze definitie is van invloed op de mogelijkheden om een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en/of handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening te kunnen bouwen (het zogenoemde vergunningsvrij bouwen).
 
1.25 erfinrichtingsplan
plan dat aangeeft op welke wijze de inpassing van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt; tot deze inpassing behoren de situering van opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap; het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap.
 
1.26 functie
de regels voor gebruik of bouwwerken binnen een werkingsgebied.
  
1.27 binnenplanse omgevingsplanactiviteit
het wijzigen, toevoegen of afwijken van een functie onder voorwaarden zoals genoemd in dit omgevingsplan;
 
1.28 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte. geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.29 gebouwen
alle bouwwerken, die voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.30 gevoelig object
een bouwwerk dat bestemd is voor het meer dan incidenteel verblijven van mensen dat beschermd wordt tegen emissies van geluid, geur, ammoniak en/of fijnstof, niet zijnde de eigen bedrijfswoning of plattelandswoning.
 
1.31 hoofdgebouw
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.
 
1.32 huishouden
samenlevingsvorm van één gezin of met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband.
 
1.33 inwoning
een in eenzelfde woning huisvesten van één ander huishouden met eigen voorzieningen.
 
1.34 kampeermiddelen
een tent, vouwwagen, caravan, kampeerwagen, niet zijnde een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf. Een bijzettentje wordt niet als zelfstandig kampeermiddel gezien.
 
1.35 landbouwhuisdieren
zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken.
 
1.36 landschappelijke inpassing
een plan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe een nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande bebouwing en bestaande omgeving. In het plan moet in elk geval de erfinrichting en (erf)beplanting worden opgenomen en hoe deze zich verhouden tot de omgeving.
 
1.37 lichtmast
een vrijstaande constructie waaraan één of meerdere lampen zijn opgehangen.
 
1.38 locatie
plaats, plek of ligging.
 
1.39 lokale weg - onverhard
een weg, bestaande uit zand, die niet als rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat. Ook een half verharde weg, bestaande uit menggranulaat of grind, wordt aangemerkt als een onverharde weg.
 
1.40 lokale weg - verhard
een weg, bestaande uit klinkers/tegels (open) of asfalt (gesloten), die niet als een rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat.
 
1.41 maaiveld
de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzende) terrein.
 
1.42 mantelzorg
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
 
1.43 melding
een schriftelijke voorafgaande mededeling aan burgemeester en wethouders om een activiteit, zoals aangewezen in dit plan, te mogen verrichten. Voor een melding gelden de in dit plan opgenomen indieningsvereisten.
 
1.44 paardrijbak
buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining.
 
1.45 perceel
een perceel is een onroerend goed (al dan niet met bebouwing) met dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht, dat is ingeschreven bij het Kadaster.
 
1.46 perceelgrens
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door één gebruiker worden benut.
 
1.47 permanente bewoning
er is sprake van permanente bewoning als een recreatiewoning, een stacaravan of ander kampeermiddel het hoofdverblijf voor de gebruiker is en/of voor bewoning anders dan in het kader van recreatief verblijf wordt gebruikt.
 
1.48 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding.
   
1.49 provinciale weg
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als provinciale weg is aangemerkt en op de wegenlegger staat.
 
1.50 recreatief verblijf
verblijf dat plaatsvindt in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie en dat enkel gericht is op ontspanning of vrijetijdsbesteding, niet zijnde kortdurende recreatieve activiteiten.
 
1.51 recreatiewoning
een verblijfsobject bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning en zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten zijn uitgesloten.
 
1.52 rijksweg
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als rijksweg is aangemerkt en op de wegenlegger staat.
 
1.53 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.54 streekeigen producten
producten die zijn voortgebracht in dezelfde streek waar ook de grondstoffen vandaan komen en in de streek worden aangeboden;
 
1.55 vrijstaande lichtmasten
een vrijstaande mast of paal waar één of meerdere lichtarmaturen aan zijn bevestigd.
 
1.56 vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing
bedrijfsbebouwing welke minimaal 3 jaar in agrarisch gebruik is geweest ten behoeve van een agrarisch bedrijf.
 
1.57 vrijstaande overkappingen
een vrijstaand bouwwerk met dak bestaande uit maximaal 3 wanden, waarvan maximaal 1 wand tot de constructie behoort;
 
1.58 weg
voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg.
 
1.59 wegbeheerder
bevoegd gezag welke de wettelijke onderhoudsplicht van een weg heeft.
 
1.60 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
2.1 bepalen maten, maatvoering
In dit TAM-IMRO deel van het omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
  1. peil:
    1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor gebouwen waarvan de toegang niet onmiddellijk aan de weg grenst en waar direct in de omgeving is gelegen: de gemiddelde hoogtemaat ten opzichte van NAP;
    3. de gemiddelde hoogte van het terrein, of;
    4. in andere gevallen: het door de gemeentelijk toezichthouder aangewezen peil;
  2. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  4. de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  5. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gemeten vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;
  6. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  7. afstand tot de zijdelingse perceelgrens: tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  8. afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels;
  9. maaiveld: de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzend) terrein;
 
2.2 ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten en het bepalen van het oppervlak van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.
Voor ondergeschikte bouwdelen groter dan 0,5 m, maar kleiner dan 0,75 m wordt een oppervlak van maximaal 4 m² niet meegerekend tot het toegelaten oppervlak. Het eventuele resterende oppervlak wordt tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.
Bouwdelen groter dan 0,75 m zijn niet ondergeschikt en worden altijd tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.
 
2.3 maten
  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (º).
 
2.4 indieningsvereisten
Voor het indienen van een landschaps- of erfinrichtingsplan gelden de volgende eisen:
  1. het plan moet een geschaalde plattegrond bevatten;
  2. de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) dient als ondergrond voor het plan gebruikt te worden;
  3. het plan moet noord-gericht zijn getekend.
 
2.5 indieningsvereisten melding
Voor het indienen van een melding op basis van het omgevingsplan gelden de volgende eisen:
  1. de melding wordt ingediend via het op de gemeentelijke website beschikbaar gestelde elektronische formulier en;
  2. een melding wordt gedaan uiterlijk 4 weken voor aanvang van de activiteit.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. a. Het bestemmingsplan ChwVeegplan Buitengebied Rijssen-Holten (NL.IMRO.1742.BPB2023000-0401) is niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.  b. Voor zover de begripsbepalingen en de wijze van meten van plannen op de locatie bedoeld in het derde lid afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, gaat dit hoofdstuk voor.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Als de regels uit afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3, in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Buitengebied Holten, Sangeldijk 10, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO. 1742.TAMB2025004 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  4. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  
2 functies en gebiedsaanwijzingen
 
Artikel 4 Agrarisch landschap - gemengde functies
 
4.1 Functieomschrijving
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
  1. bestaande agrarische bedrijven en de uitoefening van het agrarische bedrijf;
  2. bestaande niet-agrarische bedrijven;
  3. bestaande woningen;
  4. bestaande bedrijfswoningen,
  5. bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;
  6. landschappelijke inpassing;
  7. het aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:
    1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
    2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
    3. hoogspanningsleidingen;
    4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
  8. transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;
  9. bestaande veldschuren;
  10. bestaande recreatieverblijven;
  11. bestaande sportactiviteiten;
  12. hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  13. bestaande dagrecreatie;
  14. bestaande druiventeelt of;
  15. het weiden van vee.
 
4.2 Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;
  2. het omschakelen naar, uitbreiden met of toevoegen van geiten aan een bestaand (intensief) agrarisch bedrijf;
  3. huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;
  4. (boom)kwekerijen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  5. het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  6. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  7. een crossterrein, het beproeven van motorvoertuigen, het beoefenen van de modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten;
  8. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  9. detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel, met dien verstande dat supermarkten in het gehele plangebied niet zijn toegelaten;
  10. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  11. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  12. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  13. het splitsen van woningen, het toevoegen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of vergund met een omgevingsvergunning;
  14. permanente bewoning van recreatiewoningen of objecten met een functie voor verblijfsrecreatie, tenzij er een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is;
  15. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  16. bewoning van (agrarische) bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
  17. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
  18. het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve functie;
  19. het uitbreiden van de horeca functie;
  20. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op het moment van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan legaal aanwezig was of;
  21. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
4.3 Regels voor het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden voor bestaand gebruik of bestaande functies
  1. Voor het vernieuwen, onderhouden of nieuw bouwen van bouwwerken bij toegelaten bestaand gebruik of toegelaten bestaande functies zijn de regels opgenomen in de algemene of locatiespecifieke artikelen, horend bij dat bestaand gebruik of die bestaande functie.
  2. Voor het gebruik van gronden en bouwwerken bij toegelaten bestaand gebruik of toegelaten bestaande functies zijn de regels opgenomen in de algemene of locatiespecifieke artikelen, horend bij dat bestaand gebruik of die bestaande functies.
 
4.4 Beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
4.4.1 Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bouwregels:
  1. de maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 m;
  2. overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze:
    1. passend zijn binnen het gebiedstype en de functie van de locatie en;
    2. onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde is maximaal 3 m.
 
4.4.2 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
  1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning chemische gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten te gebruiken binnen 50 meter van:
    1. (Bedrijfs)woningen;
    2. De NNN-gebieden, zoals bepaald en begrensd in de Omgevingsverordening Overijssel. 4.4.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt verleend indien door middel van onderzoek en/of door het treffen van maatregelen aangetoond kan worden dat het woon- en leefklimaat en/of de natuurlijke waarden van de omliggende gronden hierdoor niet onevenredig worden aangetast.
 
4.4.3 Uitzondering vergunningplicht
Het verbod zoals genoemd in 4.4.1 geldt niet voor het gebruik van laagrisico stoffen (biologische teelt)
 
Artikel 5 Bedrijven (niet-agrarisch)
 
5.1 Functieomschrijving
Op deze locatie is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:
  1. één bedrijf tot en met milieucategorie 2, met daarbij behorende:
    1. bedrijfsgebouwen;
    2. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  2. een akkerbouwbedrijf;
  3. voorzieningen zoals:
    1. in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    3. speelvoorzieningen;
    4. water;
  4. ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering of de handel in streekeigen producten;
  5. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    1. met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
    2. het omzetten van wind in elektriciteit op het dak van de bedrijfsbebouwing voor eigen gebruik met de daarbij behorende voorzieningen;
  6. buitenopslag ten dienste van de bedrijfsvoering op onbebouwde grond na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven;
  7. met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
Hierbij geldt specifiek voor deze locatie dat het volgende gebruik en de volgende functies zijn toegestaan:
  1. één bedrijfswoning.
 
5.2 algemeen toegestaan gebruik of functies voor bedrijfswoningen
Op deze locatie is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:
  1. het wonen in bestaande bedrijfswoningen met daarbij behorende:
    1. gebouwen;
    2. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
    3. werken, geen bouwwerk zijnde;
  2. voorzieningen zoals:
    1. in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    3. speelvoorzieningen;
    4. water;
  3. bed & breakfast in de bedrijfswoning, mits:
    1. niet meer dan drie kamers worden verhuurd;
    2. de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  4. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    1. met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
    2. met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende4voorzieningen;
  5. een paardrijbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak;
  6. een aan huis gebonden beroep na melding, zoals opgenomen in Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  7. inwoning na melding, zoals opgenomen in Melding voor inwoning;
  8. mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in Binnenplanse omgevingsplanactiviteit mantelzorg;
  9. met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
 
5.3 algemeen strijdig gebruik voor bedrijven (niet-agrarisch)
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. (boom)kwekerijen, tenzij expliciet toegelaten in het plan.
  2. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  3. een crossterrein, het beproeven van motorvoertuigen, het beoefenen van de modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten;
  4. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  5. detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel, met dien verstande dat supermarkten in het gehele plangebied niet zijn toegelaten;
  6. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  7. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  8. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  9. het splitsen van woningen of het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  10. permanente bewoning van recreatiewoningen of objecten met een functie voor verblijfsrecreatie, tenzij er een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is;
  11. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  12. bewoning van bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
  13. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
  14. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op het moment van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan legaal aanwezig was;
  15. vrijstaande lichtmasten, tenzij deze ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning;
  16. vrijstaande overkappingen, tenzij deze ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een vergunning;
  17. het houden van landbouwhuisdieren;
  18. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
5.4 algemeen strijdig gebruik voor bedrijfswoningen
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  2. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  3. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  4. het splitsen van woningen of het toevoegen van woningen en het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  5. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  6. bewoning van (agrarische) bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
  7. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
  8. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  9. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  10. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of op het moment van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan legaal aanwezig was;
  11. vrijstaande lichtmasten, tenzij deze ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan reeds met een vergunning aanwezig waren;
  12. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
5.5 algemene bouw-, milieu- en ruimtelijke beoordelingsregels
5.5.1 algemene beoordelingsregels voor bouwwerken
  1. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht. Als wordt voldaan aan onderstaande regels wordt de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel verleend.
  2. Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels: het maximum oppervlak ten behoeve van bedrijvigheid als bedoeld onder artikel 4.2 onder e is 995m².
  3. Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten.
  4. Er is in het gehele plangebied geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen;
  5. Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
 
  1. Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
  2. Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
  3. Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
  4. Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
 
5.6.2 Specifieke regels over de maatvoering en landschappelijke inpassing van gebouwen
  1. Voor bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoningen geldt onderstaande maatvoering:
    1. het aantal toegestane vierkante meters is 995 m2, zoals ook is opgenomen in het locatiespecifieke artikel;
    2. de maximale bouwhoogte is 14 m;
    3. de maximale goothoogte is 6 m;
    4. de minimale dakhelling is 15°.
  2. Voor bedrijfswoningen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    1. het maximum oppervlak is 150 m2;
    2. de maximale bouwhoogte is 10m;
    3. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    4. de minimale dakhelling is 30°.
    5. in afwijking van 1 tot en met 4 geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan gehandhaafd mogen worden;
    6. in afwijking van het genoemde onder 1 kan een voormalige boerderij inpandig vergroot worden boven het maximum oppervlak, middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het inpandig vergroten van een voormalige boerderij;
    7. in afwijking van het genoemde onder a kan worden afgeweken ten behoeve van het wijzigen van de gevel voor duurzaamheidsdoeleinden middels een Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het wijzigen van de gevel voor duurzaamheidsdoeleinden;
 
5.6.3 Specifieke regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde
  1. De maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 m.
  2. Overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze:
    1. passend zijn in het gebiedstype en de functie van de locatie en;
    2. onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing.
  3. Zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1. zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen de open ruimte tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    2. de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m
    3. de maximale oppervlakte aan zonnepanelen in veldopstelling is 100 m2;
    4. zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van het geldende landschapstype en de welstandsnota en;
    5. als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden.
  4. De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 m boven de nok van het dak;
  5. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d, is maximaal 3 m, waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
Hierbij geldt specifiek voor deze locatie:
  1. de totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan 995 m2.
  2. de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 4.1 opgenomen functieomschrijving mogen worden gebruikt onder de voorwaarde dat twee jaar na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan de ingebruikname van de gronden uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 4 bij de regels opgenomen Ruimtelijk Kwaliteitsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
 
5.6.4 milieuregels
Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:
 
 
Milieunormering
Donkerte
Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke 
.
Geur van een grondgebonden agrarisch bedrijf
a. De minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object is nooit minder dan 25 meter.
b. De minimale afstand tussen een geurgevoelig object en een emissiepunt van een dierverblijf, niet zijnde een dierverblijf van het eigen (agrarisch) bedrijf, bedraagt:
1. 100m voor een object binnen de bebouwde kom;
2. 50m voor een object buiten de bebouwde kom, of;
3. Een kortere bestaande afstand dan onder 1 of 2 genoemd indien de afstand tussen de veehouderij en het
geurgevoelig object dat binnen de onder b bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van
één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Geur van een intensief agrarisch bedrijf
a. De minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object is nooit minder dan 25 meter.
b. Een bestaand geurgevoelig object, anders dan een geurgevoelig object bedoeld onder c, wordt niet uitgebreid, dan wel een nieuw geurgevoelig object wordt niet opgericht, binnen een contour van een veehouderij met een hogere geurbelasting dan:
1. 14 ou/m3 voor een object buiten de bebouwde kom;
2. 3 ou/m3 voor een object binnen de bebouwde kom.
c. De minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij of dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
1°. Op een kavel dat op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij;
2°. in samenhang met het geheel of gedeelteijk buiten werking stellen van de veehouderij, en
3°. in samenhang met de sloop van bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij;
bedraagt:
1. 100 m voor een object binnen de bebouwde kom;
2. 50 m voor een object buiten de bebouwde kom;
Geluid niet-agrarische bedrijven
a. Geluidgevoelige objecten worden zo gesitueerd dat de geluidsbelasting (LAr,Lt) ten gevolge van vaste installaties en vaste toestellen van het dichtsbijgelegen bedrijf niet hoger is dan:
7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur
50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
b. De waarde wordt beoordeeld op 50 meter van de inrichtingsgrens. Als binnen die grens de (nieuwe) gevel van het geluidgevoelige object is gelegen, wordt de belasting op dat punt beoordeeld.
Geluid agrarische bedrijven
a. Geluidgevoelige objecten worden zo gesitueerd dat de geluidsbelasting (LAr,Lt) ten gevolge van vaste installaties en vaste toestellen van het dichtsbijgelegen bedrijf niet hoger is dan:
6.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-6.00 uur
45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A)
b. De waarde wordt beoordeeld op 100 meter van de inrichtingsgrens. Als binnen die grens de (nieuwe) gevel van het geluidgevoelige object is gelegen, wordt de belasting op dat punt beoordeeld.
Fijn stof (PM10)
Woningen worden niet gebouwd en niet uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.
Stikstof
Niet van toepassing.
 
 
3 Landschapsontwikkelingsplan
Artikel 6 Landschap Holterbroek, Fliermaten en Lokerbroek (deelgebied 3)
 
Dit landschap bestond oorspronkelijk uit vochtige, lager gelegen hooilanden met zwarte els langs de perceelgrenzen en behoort tot het matenlandschap. Een groot deel van die singels is inmiddels verloren gegaan, waardoor de landerijen bestaan uit open weidegronden.
Het is een vlak gebied met een onregelmatig rechthoekig verkavelingspatroon tussen wegen en watergangen. Door de geringe aanwezige beplantingen heeft het een grote mate van openheid.
Opgaven voor het landschap:
  1. ontwikkeling voor landbouw;
  2. een casco van beplantingen realiseren om 'rode' ontwikkelingen op te vangen door het bestaande grid van wegen en watergangen te beplanten met rijen essen of populieren; tussen die beplantingen blijft het gebied open;
  3. versterken openheid middengebied;
  4. grote openheid waarderen door een ruimtelijk kader te bieden voor weidevogels (fliermaten);
  5. zichtbaar maken van de landweer langs de Scholmansdijk (greppels en aarden wallen met hagen van gevlochten takken om de vijand buiten te houden).
 
4 Zoneringen
  
Artikel 7 Aandachtsgebied buisleidingen
 
7.1 Functieomschrijving en aanwijzing aandachtsgebieden rondom buisleidingen
In het plangebied zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met de aanwezigheid van buisleidingen.
 
7.2 Strijdig gebruik
Er mag in dit gebied geen toename plaatsvinden van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen, zonder een positief advies van de leidingbeheerder.
 
Artikel 8 Archeologische verwachtingswaarde
 
8.1 Functieomschrijving en aanwijzing gebieden met archeologische waarden
In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
 
8.2 Toedelen functies of activiteiten
Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:
  1. het behoud, de bescherming of het herstel van de archeologische waarden.
 
8.3 Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie
  1. Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden binnen een aangewezen gebied met archeologische waarden.
  2. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties;
  3. Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
    1. bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
    2. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
    3. bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
    4. bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.
 
Artikel 9 Geluidszone spoor
 
Voor gronden gelegen binnen de zone van 500 m aan weerszijden van de spoorlijn Deventer-Wierden mogen toegelaten geluidgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de hoogst toelaatbare geluidsbelasting, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder of het Besluit geluidhinder of een vastgesteld besluit hogere grenswaarde.
Artikel 10 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken of werkzaamheden
 
10.1 Aanwijzing werkingsgebied
Binnen het plangebied zijn gebieden aangewezen waarbinnen regels gelden voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden.
 
10.2 Omgevingsvergunningsplicht
Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;
  3. het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
  4. het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;
  5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
  6. het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken met uitzondering van maatregelen die volgen uit het ruimtelijk kwaliteitsplan (bijlage 2 bij de Toelichting).
 
10.3 Toetsingsgronden omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning van worden verleend, mits er geen aantasting plaatsvindt van:
  1. de landschappelijk en natuurlijke waarden;
  2. de milieusituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of;
  5. de externe veiligheid.
 
10.4 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht
In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:
  1. voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2 binnen de basisfunctielagen Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies;
  2. die het normale onderhoud betreffen;
  3. die het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen betreffen binnen de basisfunctielaag Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies met toestemming van de net- of leidingbeheerder, met uitzondering van:
    1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
    2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
    3. hoogspanningsleidingen;
    4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
  4. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  5. waarvoor een Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;
  6. het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen of;
  7. het aanleggen van koe- of kavelpaden.
 
5 Functieveranderingen in het buitengebied
Artikel 11 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit mestvergistingsinstallatie
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in toegestaan gebruik bij een agrarisch bedrijf voor het realiseren van een mestvergistingsinstallatie, onder de voorwaarden dat:
  1. het alleen voor eigen energievoorziening is;
  2. de grondstoffen voor mestvergisting afkomstig zijn van het eigen bedrijf;
  3. de mestvergistingsinstallatie landschappelijk wordt ingepast;
  4. de maximale bouwhoogte van de mestvergistingsinstallatie niet meer dan 7 m mag bedragen.
 
Artikel 12 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een paardrijbak
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het algemene strijdige gebruik voor het realiseren van een paardrijbak bij een (bedrijfs)woning, onder voorwaarde dat:
  1. een paardrijbak uitsluitend is toegestaan in het achtererfgebied;
  2. er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning is toegestaan;
  3. de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd dient te worden, volgens het ;
  4. de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;
  5. de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m;
  6. de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 m;
  7. lichtmasten zijn niet toegestaan.
 
 
Artikel 13 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het inpandig vergroten van een voormalige boerderij
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels, als er sprake is van het inpandig vergroten van een voormalige boerderij, onder voorwaarden dat:
  1. de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;
  2. de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;
  3. geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;
  4. bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld van het plan;
  5. de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past;
  6. vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.
 
Artikel 14 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het algemeen strijdig gebruik voor bedrijven (niet-agrarisch) en een buitenopslag bij een niet-agrarisch bedrijf toestaan. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
  1. de buitenopslag is aantoonbaar noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  2. er wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen, zoals opgenomen in het gemeentelijk geluidsbeleid;
  3. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing wat blijkt uit een meegeleverd landschapsplan;
  4. er bij buitenopslag geen verlichting wordt gebruikt die leidt tot een aantasting van het geldende gemeentelijke lichtdonkerbeleid;
  5. buitenopslag leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
  6. er mogen alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende bouwregels:
    1. de maximale bouwhoogte van keerwanden is 3 m.
 
Artikel 15 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken zoals bepaald in de bouwregels bij (bedrijfs)woningen onder voorwaarden dat:
  1. het bijbehorende bouwwerk gerealiseerd wordt in het achtererfgebied;
  2. het bijbehorende bouwwerk kwalitatief passend is bij de uitstraling en opzet van het erf en de woning;
  3. het bijbehorende bouwwerk moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota;
 
Artikel 16 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het plaatsen van hekwerken ter plaatse van een brandgang
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in Strijdig gebruik voor het bouwen van te openen hekwerken, niet zijnde vaste erfafscheidingen, onder de voorwaarden dat:
  1. de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  2. er geen aantasting plaatsvindt van de bereikbaarheid van het (achterliggende) gebied of de aangrenzende percelen voor hulpdiensten of ontvluchting;
  3. er schriftelijk advies is gevraagd bij de Veiligheidsregio Twente;
  4. het hekwerk moet geopend kunnen worden met een universele sleutel;
  5. de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast.
 
Artikel 17 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit mantelzorg
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning mantelzorg mogelijk maken onder voorwaarden dat:
  1. het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;
  2. situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt op basis van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage Erven buitengebied Rijssen-Holten;
  3. de afstand van de bijbehorende (bedrijfs)woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 m bedraagt;
  4. de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m2;
  5. de mantelzorgsituatie enkellaags is;
  6. er een door een zorgprofessional opgestelde zorgindicatie kan worden overlegd waaruit blijkt dat de mantelzorg noodzakelijk is en;
  7. de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.
 
 
Artikel 18 Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
 
  1. Het is toegestaan een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te realiseren binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal of het college realisatie van het beroep aan huis heeft verboden.
  2. Het college verbiedt het aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit indien:
    1. de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
    2. meer dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
      1. 75 m2, dan wel;
      2. indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan;
    3. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;
    4. de ruimtelijke uitstraling niet in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
    5. er detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden;
    6. de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
  3. Het aan huis gebonden beroep kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
Artikel 19 Melding voor een nevenactiviteit bij een (agrarisch) bedrijf
 
  1. Het is toegestaan om een nevenactiviteit bij een (agrarisch) bedrijf te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste nevenactiviteit, tenzij het college realisatie van de nevenactiviteit heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de nevenactiviteit indien:
    1. er geen sprake is van een ondergeschikte bedrijfsfunctie;
    2. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden;
    3. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor verkoop-aan-huis van lokale agrarische producten;
    4. er meer dan 500 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor inpandige opslag en stalling voor derden;
    5. er meer dan 200 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor ambachtelijk bewerken van agrarische producten;
    6. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor kano-, boot- of fietsenverhuur en huifkartochten;
    7. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor een ontvangstruimte ten behoeve van rondleidingen op het bedrijf;
    8. een minicamping meer dan 25 staplaatsen heeft.
    9. er sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
    10. de (agrarische) bedrijfsfunctie niet meer primair is;
    11. er sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en lokale agrarische producten;
    12. er sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    13. er zelfstandig vergunningplichtige activiteiten in het kader van milieu plaatsvinden;
    14. er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
    15. de nevenactiviteit niet wordt uitgevoerd door één van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
    16. parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, conform de gemeentelijke parkeernormen;
    17. er sprake is van reclame-uitingen.
  3. De nevenactiviteit kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
Artikel 20 Melding voor inwoning
 
  1. Het is toegestaan om een inwoonsituatie te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste inwoonsituatie, tenzij het college realisatie van de inwoonsituatie heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de inwoonsituatie indien:
    1. de twee huishoudens niet onder één dak worden gehuisvest;
    2. het uiterlijk van de woning niet één woning, één bouwmassa is;
    3. er geen sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
    4. er geen sprake is van woningscheidende wand;
    5. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
  3. De inwoonsituatie kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
Artikel 21 Melding voor nevenactiviteit in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing
 
  1. Het is toegestaan om een nevenacticiteit te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste nevenactiviteit, tenzij het college realisatie van de nevenactiviteit heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de nevenactiviteit indien:
    1. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden;
    2. de activiteiten niet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing;
    3. er opslag en stalling buiten de bestaande bebouwing plaatsvindt;
    4. er sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
    5. de activiteiten niet ondergeschikt aan de woonfunctie zijn;
    6. er sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en agrarische producten;
    7. er sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    8. er zelfstandig vergunningplichtige activiteiten in het kader van milieu plaatsvinden;
    9. er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
    10. de nevenactiviteit niet wordt uitgevoerd door één van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
    11. parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, conform de gemeentelijke parkeernormen;
    12. er sprake is van reclame-uitingen.
  3. De nevenactiviteit kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
6 Overgangs- en slotregels
Artikel 22 Overgangsrecht
 
22.1 Bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
 
22.2 Uitzondering
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
Artikel 23 Overgangsrecht gebruik
 
23.1 Gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaan gebruik.
 
23.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
23.3 Verbod
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
23.4 Uitzondering
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende Chw omgevingsplan Buitengebied Rijssen-Holten, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.