Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied Holten, nevenfunctie recreatie, Helhuizerweg 6-6a
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1742.BPB2023006-0401
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan
het bestemmingsplan Buitengebied Holten, nevenfunctie recreatie, Helhuizerweg 6-6a met identificatienummer NL.IMRO.1742.BPB2023006-0401 van de gemeente Rijssen-Holten;
 
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
1.3 aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (één van) de hoofdbewoner(s) van de woning, waarvan de voorwaarden zijn opgenomen in 8.5.
 
1.4 achtererfgebied
erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn wordt als hoofdgebouw aangemerkt het gebouw dat noodzakelijk is voor het realiseren van de toegelaten functie of activiteit waarvan de voorkant het dichtst bij openbaar toegankelijk gebied is gelegen.
 
1.5 agrarisch bedrijf
een onderneming die (nagenoeg) volledig is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren. Mest wordt niet tot voortgebrachte agrarische producten gerekend.
 
1.6 archeologische waarde
de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis.
 
1.7 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.8 bed & breakfast
het binnen de (bedrijfs)woning bieden van, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, een mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, studie of arbeid of permanente kamerverhuur.
 
1.9 bedrijf
het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen of verhandelen van goederen, waarbij eventuele detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaats vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.
 
1.10 bedrijfsgebouw
een gebouw, dat gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf.
 
1.11 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw op een terrein, die behoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting gelet op de functie van het gebouw of gronden noodzakelijk is.
 
1.12 bedrijven
het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen of verhandelen van goederen, waarbij eventuele detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaats vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.
 
1.13 beperkt kwetsbaar object
  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden;
  2. kantoor- en bedrijfsgebouwen, met een bruto vloeroppervlak van minder dan 1500 m2 per object;
  3. hotels en restaurants, met een bruto vloeroppervlak van minder dan 1500 m2 per object;
  4. winkels, waaronder complexen waarin minder dan vijf winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijke brutovloeroppervlak minder dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van minder dan 2000 m2 per winkel, voorzover in die complexen of die winkels geen supermarkt, hypermarkt of warenhuis gevestigd is;
  5. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  6. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden bestemd voor het verblijf van minder dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
  7. objecten die met de onder a tot en met e genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en;
  8. objecten met een hoge infrastructurele waarden zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
 
1.14 bestaande
  1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan binnen het betreffende perceel aanwezig is, dan wel krachtens een bestemmingsplanherziening mogelijk is;
  2. bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  3. het onder 1 en 2 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming.
 
1.15 bestaande emissie
  1. emissie die hoort bij de activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit omgevingsplan op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt, of een melding op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming of
  2. indien een vergunning of melding als bedoeld onder a ontbreekt: emissie die hoort bij het feitelijke en planologisch legale gebruik.
 
1.16 bevoegd gezag
het college van burgemeester en wethouders, tenzij in dit plan of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
 
1.17 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
 
1.18 bijbehorende bouwwerken
uitbreidingen van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwde gebouwen, of andere bouwwerken, met een dak.
 
1.19 (boom)kwekerij)
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals planten, struiken en bomen, één en ander in de vorm van volle grondteelt dan wel pot- en containerteelt of daarmee gelijk te stellen teelt.
 
1.20 boerderijappartementen
een deel van een in werking zijnde agrarisch bedrijf, welke dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in zelfstandige eenheden. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie die mede tot doel heeft de agrarische c.q. plattelandsomgeving te ervaren.
 
1.21 boerderijkamer
een deel van een in werking zijn agrarisch bedrijf, welke dient voor recreatief nachtverblijf, met dien verstande dat het ondergeschikt is aan het agrarische bedrijf. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie die mede tot doel heeft de agrarische c.q. plattelandsomgeving te ervaren.
 
1.22 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
 
1.23 bouwlaag
een verdieping van zodanige afmeting en vorm dat de daardoor ontstane ruimte zonder ingrijpende voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor de betreffende functie.
 
1.24 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond is verbonden, en direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.25 bouwwerken
constructies van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct of indirect met de grond zijn verbonden, en direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.26 crossterrein
terrein gebruikt voor een wedstrijd of training met motorfietsen of een daarmee gelijk te stellen voertuig. Op het terrein is een parcours uitgezet met natuurlijke hindernissen.
 
1.27 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik van de mens door de jaren heen.
 
1.28 dagrecreatie
ondergeschikt medegebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve of sportieve activiteiten, zoals wandelen, hardlopen, nordic-walken, fietsen, mountainbiken, racefietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie of een naar de aard daarmee gelijk te stellen (mede)gebruik. De activiteiten dienen plaats te vinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht te zijn op het verstrekken van nachtverblijf.
 
1.29 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.30 de digitale plankaart
de digitale plankaart van het bestemmingsplan Buitengebied Holten, nevenfunctie recreatie, Helhuizerweg 6-6a met identificatienummer NL.IMRO.1742.BPB2023006-0401 van de gemeente Rijssen-Holten.
 
1.31 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die de goederen kopen voor eigen gebruik, niet zijnde afhaalzaken, maaltijdbezorgdiensten en erotisch getinte vermaaksfuncties.
 
1.32 drinkwatervoorziening
het geheel van activiteiten dat er op gericht is te voorzien in drinkwater.
 
1.33 dunning
het kappen van houtopstanden als onderhoudsmaatregel die erop gericht is de resterende houtopstanden een (betere) overlevingskans te bieden.
 
1.34 emissiepunt
de plek waar geur naar buiten gaat. Bij een overdekt dierenverblijf of bouwwerk is dit de plek waar de natuurlijke of mechanische ventilatie zich bevind. Bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf of bouwwerk is dat de plek waar het overdekte deel eindigt. Bij een geheel onoverdekt dierenverblijf of bouwwerk is dit de gevel van het dierenverblijf of bouwwerk.
 
1.35 erf
bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Deze definitie is van invloed op de mogelijkheden om een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en/of handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening te kunnen bouwen (het zogenoemde vergunningsvrij bouwen).
 
1.36 erfinrichtingsplan
plan dat aangeeft op welke wijze de inpassing van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt; tot deze inpassing behoren de situering van opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap; het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap.
 
1.37 functie
de regels voor gebruik of bouwwerken binnen een werkingsgebied.
 
1.38 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte. geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.39 gebouwen
alle bouwwerken, die voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.40 geluidsgevoelig object
een op basis van het omgevingsplan of met omgevingsvergunning toegelaten gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  3. gezondheidsfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan of;
  4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
 
1.41 geurgevoelig object
een op basis van het omgevingsplan of met omgevingsvergunning toegelaten gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  1. woonfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan;
  2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  3. gezondheidsfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan of;
  4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
 
1.42 gevoelig object
een bouwwerk dat bestemd is voor het meer dan incidenteel verblijven van mensen dat beschermd wordt tegen emissies van geluid, geur, ammoniak en/of fijnstof, niet zijnde de eigen bedrijfswoning of plattelandswoning.
 
1.43 grondgebonden agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voorbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven. Ook melkrundveebedrijven zijn doorgaans grondgebonden agrarische bedrijven.
 
1.44 het plan
het bestemmingsplan Buitengebied Holten, nevenfunctie recreatie, Helhuizerweg 6-6a met identificatienummer NL.IMRO.1742.BPB2023006-0401 van de gemeente Rijssen-Holten;
 
1.45 hoofdgebouw
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.
 
1.46 huishouden
samenlevingsvorm van één gezin of met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband.
 
1.47 inwoning
een in eenzelfde woning huisvesten van één ander huishouden met eigen voorzieningen.
 
1.48 kampeermiddelen
een tent, vouwwagen, caravan, kampeerwagen, niet zijnde een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf. Een bijzettentje wordt niet als zelfstandig kampeermiddel gezien.
 
1.49 kappen
het rooien, verplanten of verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge (kunnen) hebben.
 
1.50 karakteristiek
van lokale cultuurhistorische waarde die op grond van de typologie, architectuur, landschappelijke of stedenbouwkundige situering, gaafheid of zeldzaamheid bijdragen aan de identiteit van de omgeving.
 
1.51 kwekerij
bedrijf waar siergewassen, fruitbomen, struiken en vaste planten, onder meer bestemd voor tuinen en parken, één en ander in de vorm van vollegrondsteelt dan wel pot- of containerteelt worden voortgebracht of daarmee vergelijkbaar van aard.
 
1.52 landschappelijke inpassing
een plan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe een nieuwe ontwikkeling zich verhoudt tot de bestaande bebouwing en bestaande omgeving. In het plan moet in elk geval de erfinrichting en (erf)beplanting worden opgenomen en hoe deze zich verhouden tot de omgeving.
1.53 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende landschappelijke waarde, in verband met de voor het gebied kenmerkende waarneembare verschijningsvorm.
 
1.54 leidingzone
een zone waarin een ondergrondse transportleiding ten behoeve van de nutsvoorziening aanwezig is.
 
1.55 lichtmast
een vrijstaande constructie waaraan één of meerdere lampen zijn opgehangen.
 
1.56 locatie
plaats, plek of ligging.
 
1.57 lokale weg - onverhard
een weg, bestaande uit zand, die niet als rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat. Ook een half verharde weg, bestaande uit menggranulaat of grind, wordt aangemerkt als een onverharde weg.
 
1.58 lokale weg - verhard
een weg, bestaande uit klinkers/tegels (open) of asfalt (gesloten), die niet als een rijksweg of provinciale weg is aangemerkt maar wel op de wegenlegger staat.
 
1.59 maaiveld
de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzende) terrein.
 
1.60 mantelzorg
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
 
1.61 melding
een schriftelijke voorafgaande mededeling aan burgemeester en wethouders om een activiteit, zoals aangewezen in dit plan, te mogen verrichten. Voor een melding gelden de in dit plan opgenomen indieningsvereisten.
 
1.62 mestsilo
een vat bedoeld voor het opslaan van vloeibare mest.
1.63 minicamping
een terrein geheel of gedeeltelijk ingericht, om gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 stuks kampeermiddelen, met dien verstande dat een niet-plaatsgebonden recreatieverblijf niet is toegestaan.
 
1.64 natuurlijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde die samenhangt met de geologische, bodemkundige en biologische elementen.
 
1.65 normaal onderhoud, beheer of exploitatie
werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de instandhouding dan wel de realisering van de functie.
 
1.66 omgevingsplan
het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet bestaande uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.BPB2016007-0401 met bijbehorende regels en eventuele bijlagen.
 
1.67 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde
een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder b onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
1.68 paardrijbak
buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining.
 
1.69 perceel
een perceel is een onroerend goed (al dan niet met bebouwing) met dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht, dat is ingeschreven bij het Kadaster.
 
1.70 perceelgrens
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door één gebruiker worden benut.
 
1.71 permanente bewoning
er is sprake van permanente bewoning als een recreatiewoning, een stacaravan of ander kampeermiddel het hoofdverblijf voor de gebruiker is en/of voor bewoning anders dan in het kader van recreatief verblijf wordt gebruikt.
 
1.72 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding.
 
1.73 provinciale weg
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als provinciale weg is aangemerkt en op de wegenlegger staat.
 
1.74 recreatief verblijf
verblijf dat plaatsvindt in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie en dat enkel gericht is op ontspanning of vrijetijdsbesteding, niet zijnde kortdurende recreatieve activiteiten.
 
1.75 recreatiewoning
een verblijfsobject bestemd voor het recreatieve verblijf van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning en zelfstandige kortdurende recreatieve activiteiten zijn uitgesloten.
 
1.76 rijksweg
een weg, bestaande uit asfalt of vergelijkbare materialen, die als rijksweg is aangemerkt en op de wegenlegger staat.
 
1.77 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.78 streekeigen producten
producten die zijn voortgebracht in dezelfde streek waar ook de grondstoffen vandaan komen en in de streek worden aangeboden.
 
1.79 tuin
begrensd stuk grond, met gedeeltelijk verharding, bloemen, bomen en andere gewassen beplant.
 
1.80 veiligheidszone
veiligheidszones zijn door de Rijksoverheid aangewezen zones rondom transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit kunnen wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren zijn. Binnen deze zone kan een afwijkend planologisch regiem gelden.
 
1.81 voersilo
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedoeld voor het opslaan van voer.
 
1.82 volledige herbouw
het herbouwen van een bestaand bouwwerk waarbij een nieuw bouwwerk ontstaat.
 
1.83 vrije veldopstelling zonnepanelen
het op of in de grond zetten van een constructie met zonnepanelen.
 
1.84 vrijstaande lichtmasten
een vrijstaande mast of paal waar één of meerdere lichtarmaturen aan zijn bevestigd.
 
1.85 weg
voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg.
 
1.86 wegbeheerder
bevoegd gezag welke de wettelijke onderhoudsplicht van een weg heeft.
 
1.87 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
2.1 bepalen maten, maatvoering
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  1. peil:
    1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddelijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor gebouwen waarvan de toegang niet onmiddelijk aan de weg grenst en waar direct in de omgeving is gelegen: de gemiddelde hoogtemaat ten opzichte van NAP;
    3. de gemiddelde hoogte van het terrein, of;
    4. in andere gevallen: het door de gemeentelijk toezichthouder aangewezen peil;
  2. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  4. de inhoud van een bouwwerk: onderkant afgewerkte vloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  5. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat voor een boomhut de constructie onder de begane grondvloer, gementen vanaf de onderkant van de vloer, niet wordt meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte;
  6. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij balkons, luifels en overstekende daken die geen ondergeschikte bouwdelen zijn wordt een fictieve gevel neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  7. afstand tot de zijdelingse perceelgrens: tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  8. afstand tussen gebouwen: gemeten tussen de buitenzijde van de dichtst bij elkaar gelegen gevels;
  9. maaiveld: de gemiddelde bestaande hoogte van het (aangrenzend) terrein;
 
2.2 ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten en het bepalen van het oppervlak van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de onverschrijving niet meer dan 0,5 m bedraagt.
Voor ondergeschikte bouwdelen groter dan 0,5 m, maar kleiner dan 0,75 m wordt een oppervlak van maximaal 4 m2 niet meegerekend tot het toegelaten oppervlak. Het eventuele resterende oppervlak wordt tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.
Bouwdelen groter dan 0,75 m zijn niet ondergeschikt en worden altijd tot het oppervlak van het bouwwerk gerekend.
 
2.3 maten
  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (º).
 
2.4 indieningsvereisten
Voor het indienen van een landschaps- of erfinrichtingsplan gelden de volgende eisen:
  1. het plan moet een geschaalde plattegrond bevatten;
  2. de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) dient als ondergrond voor het plan gebruikt te worden;
  3. het plan moet noord-gericht zijn getekend.
 
2.5 indieningsvereisten melding
Voor het indienen van een melding op basis van het omgevingsplan gelden de volgende eisen:
  1. de melding wordt ingediend via het op de gemeentelijke website beschikbaar gestelde elektronische formulier en;
  2. een melding wordt gedaan uiterlijk 4 weken voor aanvang van de activiteit.
 
2 Bestemmingsregels
  
Artikel 3 Agrarisch bedrijf Helhuizerweg 6 en 6A in Holten
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch bedrijf Helhuizerweg 6 en 6A' zijn het volgende gebruik van gronden en bouwwerken toegestaan:
Agrarisch bedrijf
  1. één grondgebonden agrarisch bedrijf met daarbij behorende:
    1. bedrijfsgebouwen voor dierplaatsen;
    2. overige agrarische bedrijfsgebouwen;
    3. kuilvoerplaten, sleufsilo's, mestvoorzieningen en opslag ten dienste van de agrarische bedrijfsfunctie;
    4. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  2. voorzieningen zoals:
    1. in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    3. speelvoorzieningen;
    4. water;
  3. ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering of de handel in streekeigen producten;
  4. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    1. met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
    2. met gebruik van windturbines op het dak van de bedrijfsbebouwing voor eigen gebruik met de daarbij behorende voorzieningen of;
    3. met gebruik van één windmolen voor eigen gebruik met de daarbij behorende voorzieningen
  5. met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf;
  6. nevenactiviteiten na melding, zoals opgenomen in lid 8.1 Melding nevenactiviteit bij agrarisch bedrijf;
  7. nevenactiviteiten na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in lid 8.2 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven;
  8. een paardenbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in lid 8.3 Paardrijbak.
 
Bedrijfswoning
  1. twee bedrijfswoningen;
  2. het wonen in bestaande woningen met daarbij behorende:
    1. gebouwen;
    2. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
    3. werken, geen bouwwerk zijnde;
  3. voorzieningen zoals:
    1. in- en uitritten, parkeerplaatsen, paden en wegen;
    2. groen, landschappelijke inpassing zoals tuinen of erfbeplanting;
    3. speelvoorzieningen;
    4. water;
  4. bed & breakfast in de bedrijfswoning, mits:
    1. niet meer dan drie kamers worden verhuurd;
    2. de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  5. de mogelijkheid tot het opwekken van duurzame energie:
    1. met gebruik van zonnepanelen in veldopstelling met de daarbij behorende voorzieningen of;
    2. met gebruik van windturbines op het dak van de woning met de daarbij behorende voorzieningen.
  6. een paardenbak na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in lid 8.3 Paardrijbak;
  7. een aan huis gebonden beroep na melding, zoals opgenomen in lid 8.4 Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  8. mantelzorg na omgevingsvergunning, zoals opgenomen in lid 8.5 Mantelzorg;
  9. inwoning na melding, zoals opgenomen in lid 8.6 Melding voor inwoning;
  10. met dien verstande dat de gronden niet mogen worden beschouwd als erf.
 
Boerderijappartementen
Maximaal drie boerderijappartementen, waarbij één boerderijappartement per aanduidingsvlak ‘specifieke vorm van agrarisch – boerderijappartementen’ is toegestaan.
 
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Algemene bouw- milieu- en ruimtelijke ordeningsregels voor grondgebonden agrarische bedrijven
  1. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht. Als wordt voldaan aan onderstaande regels wordt de omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel verleend.
  2. Situering en inpassing van bouwwerken op het (bestaande) erf vindt plaats aan de hand van de kenmerken en uitgangspunten van het bestaande erftype uit de bijlage 1 Erfstructuren buitengebied Rijssen-Holten.
  3. Er is in het gehele plangebied geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen.
  4. Nieuwe of te verbouwen bouwwerken worden op voldoende afstand van de weg opgericht vanwege het wegbeheer en de verkeersveiligheid. Voldoende afstand ten opzichte van de as van de weg is in ieder geval:
   
  1. Een kortere afstand kan alleen wanneer dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de wegbeheerder vanuit wegbeheer en verkeersveiligheid geen bezwaar heeft;
  2. Nieuwe vrijstaande bouwwerken worden in ieder geval 5 meter van andere bouwwerken opgericht, maar nooit verder dan 25 meter tenzij aan(een)gebouwde bouwwerken specifiek zijn toegelaten;
  3. Nieuwe bouwwerken of te verbouwen bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit, zoals opgenomen in de welstandsnota;
  4. Nieuwe bouwwerken op een onbebouwde of volledig gesaneerde locatie worden binnen een logische structuur ten opzichte van elkaar gesitueerd. De structuur wordt afgestemd met de opzet binnen het geldende landschapstype en de redelijke eisen van beeld- en erfkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.
   
3.2.2 Specifieke bouwregels voor bedrijfsgebouwen
  1. Voor bouwwerken ten behoeve van de bedrijfvoering van het agrarisch bedrijf gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    1. de maximale bouwhoogte is 14 m;
    2. de maximale goothoogte is 6 m;
    3. de minimale dakhelling is 15°. Een afwijkende dakvorm is toegestaan, mits deze past in de welstandsnota.
  2. het maximum oppervlak aan toe te voegen agrarische bedrijfsbebouwing is niet groter dan 25% van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing met een maximum aan totale bebouwing voor de agrarische bedrijfsvoering van 5000 m2. Kuilvoerplaten, sleufsilo's ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en de bedrijfswoning met daarbij horende bijbebehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, maken geen onderdeel uit van het toegelaten oppervlak.
  3. Als het oppervlak aan agrarische bedrijfsbebouwing, inclusief kuilvoerplaten en sleufsilo's groter wordt dan 2500 m2 vindt landschappelijke inpassing van het geheel plaats aan de hand van het geldende landschapstype. De landschappelijke inpassing staat in verhouding tot de bestaande en beoogde ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en opzet van de locatie.
 
3.2.3 Specifieke bouwregels voor bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken
  1. Voor bedrijfswoningen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    1. het maximum oppervlak is 150 m2 per bedrijfswoning;
    2. de maximale bouwhoogte is 10 m;
    3. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    4. de minimale dakhelling is 30°;
    5. in afwijking van 1 tot en met 4 geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan gehandhaafd mogen worden;
    6. in afwijking van het genoemde onder 1 kan een voormalige boerderij inpandig vergroot worden boven het maximum oppervlak, middels de binnenplanse afwijking opgenomen in lid 8.7 Inpandig vergroten van een voormalige boerderij.
  2. Voor bijbehorende bouwwerken gelden onderstaande bouwregels:
    1. het maximale oppervlak is 150 m2, waarvan maximaal 30 m2 aangebouwd;
    2. per perceel mogen maximaal 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
    3. de maximale bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is 6 m;
    4. de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is tenminste 1 m lager dan de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw;
    5. de maximale goothoogte is 3,5 m;
    6. de minimale dakhelling is 30°, een andere dakhelling is onder voorwaarden mogelijk middels een binnenplanse afwijking, opgenomen in lid 8.8 Afwijkende dakhelling bijbehorende bouwwerken;
    7. in afwijking van het bepaalde onder 1 tot en met 6 geldt dat afwijkingen in aantallen, maten en afmetingen, zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan gehandhaafd mogen worden. Voor het oppervlak van bijbehorende bouwwerken geldt als de legaal aanwezige m2 meer bedragen dan 150 m2, vervangende nieuwbouw is toegestaan tot deze bestaande oppervlakte met een maximum van 300 m2, onder voorwaarde van landschappelijke inpassing.
 
3.2.4 Specifieke bouwregels voor boerderijappartementen
  1. Voor boerderijappartementen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    1. Het maximale oppervlakte is 45m2 per appartement
    2. de maximale bouwhoogte is 7 m;
    3. de minimale dakhelling is 15°.
  2. De ruimtelijke uitstraling van de boerderijappartementen is conform de paragraaf beeldkwaliteit in het in Bijlage 2 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.
 
3.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde bij grondgebonden bedrijven
  1. de maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 m;
  2. overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing.
  3. zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1. zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    2. de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m;
    3. het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 500 m2, en;
    4. zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapontwikkelingsplan en de welstandsnota;
    5. als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
  4. windturbines voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1. de maximale ashoogte is 15 m;
    2. de maximale afstand tussen een windturbine en de bestaande bebouwing is 25 m;
    3. windturbines worden op of aansluitend aan het bestaande erf gesitueerd;
    4. er mag niet meer energie opgewekt worden dan noodzakelijk is voor de eigen energieopwekking;
    5. bij een afstand tot een bovengrondse hoogspanningsverbinding van minder dan 2x de werpafstand bij nominaal toerental dient advies te worden ingewonnen bij de netbeheerder;
    6. de windturbine moet voorzien zijn van ijsdetectie;
    7. de windturbine moet voorzien zijn van een automatisch remsysteem;
    8. de minimale afstand tussen een windturbine en de zonering Veiligheidszone aardgastransportleiding is 17,5 m;
  5. de maximale bouwhoogte van een voersilo is 15 m;
  6. de maximale bouwhoogte van een mestsilo is 8 m;
  7. de maximale bouwhoogte van luchtwassers is 2 m boven de nok van het dak;
  8. de maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 m boven de nok van het dak van de bedrijfsbebouwing
  9. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan genoemd onder a en c tot en met h, is maximaal 3 m waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
 
3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfswoning
  1. De maximale bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee is 1,5 m;
  2. Overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing;
  3. Zonnepanelen in veldopstelling voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1. zonnepanelen in veldopstelling aansluitend aan de bestaande bebouwing zijn alleen toegelaten als zonnepanelen op bebouwing of binnen open ruimten tussen de bestaande bebouwing niet mogelijk zijn, omdat de opbrengst van de panelen op die plekken beperkt is;
    2. de maximale bouwhoogte van de opstelling is 2,5 m;
    3. het maximale oppervlak aan zonnepanelen is 50 m2, en;
    4. zonnepanelen in veldopstelling worden landschappelijk ingepast aan de hand van de kenmerken van het deelgebied op basis van het landschapontwikkelingsplan en de welstandsnota;
    5. als de opstelling binnen 200 m is gelegen van de hartlijn van een aardgastransportleiding wordt advies aan de leidingbeheerder gevraagd voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden;
  4. De maximale bouwhoogte van windturbines die op het dak geplaatst worden, is 2 m boven de nok van het dak van de bedrijfswoning;
  5. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde anders dan genoemd onder a, c en d is maximaal 3 m waarbij vrijstaande lichtmasten niet zijn toegestaan.
 
3.3 Strijdig gebruik
3.3.1 algemeen strijdig gebruik voor grondgebonden agrarische bedrijven
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;
  2. het huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;
  3. (boom)kwekerijen;
  4. het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  5. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  6. een crossterrein, het beproeven van motorvoertuigen, het beoefenen van de modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten;
  7. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  8. detailhandel, anders dan de ondergeschikte verkoop van steekeigen producten, met dien verstande dat supermarkten in het gehele plangebied niet zijn toegelaten;
  9. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  10. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  11. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in de algemene regels of het locatiespecifieke artikel;
  12. permanente bewoning van recreatiewoningen of objecten met een functie voor verblijfsrecreatie, tenzij er een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is;
  13. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  14. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  15. vrijstaande lichtmasten, tenzij deze ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan reeds legaal aanwezig waren of gebouwd konden worden met een omgevingsvergunning;
  16. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
3.3.2 algemeen strijdig gebruik voor bedrijfswoningen
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  2. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  3. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  4. het splitsen van woningen of het toevoegen van woningen en het samenvoegen van woningen, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel;
  5. recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  6. bewoning van (agrarische) bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering, tenzij deze bewoning is aangevangen voor 1 november 2012;
  7. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan;
  8. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  9. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  10. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning.
  11. vrijstaande lichtmasten, tenzij deze ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteld omgevingsplan reeds met een vergunning aanwezig waren;
  12. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
3.3.3 Milieuregels bij een grondgebonden agrarisch bedrijf
Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:
 
 
Milieunormering
  
Donkerte
  
Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid.  
Geur
a. De minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object is nooit minder dan 25 meter.
b. De minimale afstand tussen een geurgevoelig object en een emissiepunt van een dierverblijf, niet zijnde een dierverblijf van het eigen (agrarisch) bedrijf, bedraagt:
1. 100m voor een object binnen de bebouwde kom;
2. 50m voor een object buiten de bebouwde kom, of;
3. Een kortere bestaande afstand dan onder 1 of 2 genoemd indien de afstand tussen de veehouderij en het
geurgevoelig object dat binnen de onder b bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van
één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.  
Geluid
a. Geluidgevoelige objecten worden zo gesitueerd dat de geluidsbelasting (LAr,Lt) ten gevolge van vaste installaties en vaste toestellen van het dichtsbijgelegen bedrijf niet hoger is dan:
6.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-6.00 uur
45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A)
b. De waarde wordt beoordeeld op 100 meter van de inrichtingsgrens. Als binnen die grens de (nieuwe) gevel van het geluidgevoelige object is gelegen, wordt de belasting op dat punt beoordeeld.  
Fijnstof (PM 10)
  
a. De jaargemiddelde concentratie, inclusief de bijdrage van de nieuwe ontwikkeling, bedraagt maximaal 20 µg/m3 en
b. De nieuwe ontwikkeling niet meer dan 1,2 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie.   
Stikstof
De emissie, inclusief de nieuwe ontwikkeling, bedraagt niet meer dan de bestaande emissie. 
 
  1. Er kan afgeweken worden van de milieuregels mits er aangetoond kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
3.3.4 Milieuregels bij een bedrijfswoning
Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende normen:
 
 
Milieunormering  
Donkerte  
Er geen sprake is van onevenredige aantasting van de aanwezige donkerte conform de ambitie op basis van het gemeentelijke lichtdonkerbeleid.  
Geur van een grondgebonden agrarisch bedrijf  
a. De minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object is nooit minder dan 25 meter.
b. De minimale afstand tussen een geurgevoelig object en een emissiepunt van een dierverblijf, niet zijnde een dierverblijf van het eigen (agrarisch) bedrijf, bedraagt:
1. 100m voor een object binnen de bebouwde kom;
2. 50m voor een object buiten de bebouwde kom, of;
3. Een kortere bestaande afstand dan onder 1 of 2 genoemd indien de afstand tussen de veehouderij en het
geurgevoelig object dat binnen de onder b bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van
één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.  
Geur van een intensief agrarisch bedrijf  
a. De minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object is nooit minder dan 25 meter.
b. Een bestaand geurgevoelig object, anders dan geurgevoelig object bedoeld onder c, wordt niet uitgebreid, dan wel een nieuw gevoelig object wordt niet opgericht, binnen een contour van een veehouderij met een hogere geurbelasting dan:
1. 14 ou/m3 voor een object buiten de bebouwde kom;
2. 3 ou/m3 voor een object binnen de bebouwde kom.
c. De minimale afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij of dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
1°. Op een kavel dat op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij;
2°. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en
3°. in samenhang met de sloop van bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij;
bedraagt:
1. 100 m voor een object binnen de bebouwde kom;
2. 50 m voor een object buiten de bebouwde kom.  
Geluid niet-agrarische bedrijven  
a. Geluidgevoelige objecten worden zo gesitueerd dat de geluidsbelasting (LAr,Lt) ten gevolge van vaste installaties en vaste toestellen van het dichtstbijgelegen bedrijf niet hoger is dan:
7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur
50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
b. De waarde wordt beoordeeld op 50 meter van de inrichtingsgrens. Als binnen die grens de (nieuwe) gevel van het geluidgevoelige object is gelegen, wordt de belasting op dat punt beoordeeld.  
Geur agrarische bedrijven  
a. Geluidgevoelige objecten worden zo gesitueerd dat de geluidsbelasting (LAr,Lt) ten gevolge van vaste installaties en vaste toestellen van het dichtstbijgelegen bedrijf niet hoger is dan:
6.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-6.00 uur
45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A)
b. De waarde wordt beoordeeld op 100 meter van de inrichtingsgrens. Als binnen die grens de (nieuwe) gevel van het geluidgevoelige object is gelegen, wordt de belasting op dat punt beoordeeld.  
Fijn stof (PM 10)  
Woningen worden niet gebouwd en niet uitgebreid binnen een gebied waar de concentratie meer dan 20 µg/m3 jaargemiddelde grenswaarde is.  
Stikstof  
Niet van toepassing  
 
3.3.5 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:
  1. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg - binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de boerderijappartementen - en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage 2 opgenomen ruimtelijke kwaliteitsplan.
  2. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie Agrarisch bedrijf Helhuizerweg 6 en 6A in Holten onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de boerderijappartementen geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.
 
 
 
Artikel 4 Agrarisch landschap - Gemengde functies
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
  1. bestaande agrarische bedrijven en de uitoefening van het agrarische bedrijf;
  2. bestaande niet-agrarische bedrijven;
  3. bestaande tuin, erf, erfontsluiting en parkeervoorzieningen;
  4. het aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met uitzondering van:
    1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" of een druk van meer dan 40 bar;
    2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
    3. hoogspanningsleidingen;
    4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer en een lengte van 10 km of meer;
    5. transformatorstations ten dienste van nutsvoorzieningen;
  5. bestaande veldschuren;
  6. hobbymatig agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen het hobbymatig houden van dieren, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  7. bestaande dagrecreatie;
  8. het weiden van vee;
  9. landschappelijke inpassing.
 
4.2 Bouwregels
Uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegestaan met inachtneming van de volgende regels::
  1. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen voor het weiden van vee mag maximaal 1,5 m zijn;
  2. overige perceel- en erfafscheidingen zijn alleen toegestaan als deze onderdeel uitmaken van de landschappelijke inpassing;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, anders dan voor perceel- en erfafscheidingen, mag maximaal 3 m zijn.
 
4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en gebouwen voor:
  1. het nieuwvestigen van een (intensief) agrarisch bedrijf;
  2. huisvesten van landbouwhuisdieren op een verdieping;
  3. (boom)kwekerijen;
  4. het vergisten van mest en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, tenzij vergund met een omgevingsvergunning;
  5. opslag van:
    1. afval anders dan ten gevolge van de toegelaten bedrijfsvoering;
    2. materialen of goederen in de openlucht anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    3. gevaarlijke stoffen anders dan ten behoeve van de toegelaten bedrijfsvoering;
    4. aan het gebruik onttrokken materialen en goederen, of;
    5. aan het gebruik onttrokken voer- en vaartuigen;
  6. een crossterrein, het beproeven van motorvoertuigen, het beoefenen van de modelvliegsport of andere geluidsoverlast veroorzakende activiteiten;
  7. dagrecreatie of het plaatsen van kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegelaten of plaatsvindt op de daarvoor bewegwijzerde routes of aangewezen locaties;
  8. detailhandel, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten in het locatiespecifieke artikel, met dien verstande dat supermarkten in het gehele plangebied niet zijn toegelaten;
  9. een seksinrichting, (straat)prostitutie of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  10. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen (gedoog)toestemming is verleend;
  11. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning, tenzij dit gebruik expliciet is toegelaten;
  12. bewoning van (agrarische) bedrijfswoningen anders dan ten dienste van de bedrijfsvoering;
  13. bewoning van een woning door meer dan één huishouden, tenzij dit op basis van een melding of omgevingsvergunning is toegestaan, zoals opgenomen in lid 8.6 Melding voor een Inwoonsituatie;
  14. een paardrijbak, tenzij vergund met een omgevingsvergunning of;
  15. andere functies of activiteiten die afwijken van de regels voor het toegelaten gebruik of regels voor bouw, milieu of ruimtelijke ordening zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
 
3 Algemene regels
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
 
6.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren auto's en fietsen, laden en lossen
  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van dit bestemmingsplan, waarbij sprake is van een parkeerbehoefte, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de geldende parkeernormen. Voor de geldende parkeernormen zie; Parkeernormen Rijssen-Holten, dan wel de op dat moment geldende Nota parkeernormen;
  2. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van dit bestemmingsplan, waarbij sprake is van een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, overeenkomstig de Parkeernormen Rijssen-Holten, dan wel de op dat moment geldende Nota parkeernormen.
 
6.2 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning en overeenkomstig de Parkeernormen Rijssen-Holten, dan wel de op dat moment geldende Nota parkeernormen, afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 onder a en b inzake de eis dat in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen en ruimte voor laden en lossen moet worden voorzien, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
 
6.3 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig de geldende parkeernormen. Voor de geldende parkeernormen zie Parkeernormen Rijssen-Holten, dan wel de op dat moment geldende Nota parkeernormen.
 
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels
 
7.1 Overige zone - Archeologische verwachtingswaarde
7.1.1 Functieomschrijving
In het plangebied zijn gebieden aangewezen waar voor archeologie een verwachtingswaarde geldt. Om de mogelijke archeologische waarden in deze gebieden te beschermen gelden er regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
 
7.1.2 Toegestaan gebruik en/of functies
Ter plaatse van de zonering archeologische verwachtingswaarde zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:
  1. het behoud, de bescherming en/of het herstel van de archeologische waarden.
 
7.1.3 Omgevingsvergunningsplicht in verband met archeologie
  1. Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden binnen een aangewezen gebied met archeologische waarden.
  2. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning vast te stellen kwalificaties;
  3. Er is geen omgevingsvergunning nodig voor:
    1. bouwwerken of projecten met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
    2. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is;
    3. bouwwerken of projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport dat niet ouder dan 5 jaar is, wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld of;
    4. bouwwerken of projecten waarbij vervangende nieuwbouw op bestaande fundering plaatsvindt.
 
7.2 Overige zone - Landschap Westflank Holterberg
Dit landschap wordt gevormd door kleinschalige akker- en graslanden, met beplante steilranden, houtwallen, gegroepeerde boerderijen en behoort tot het kampenlandschap.
Dit landschap, waarin de hoogteligging afneemt van oost naar west, wordt gevormd door onregelmatige wegenpatroon, verspreide boerderijen, glooiende landerijen en beplantingselementen. Het gebied is gevarieerd en kleinschalig.
 
Opgaven voor het landschap:
  1. behoud en versterken kleinschalig landschap met als inspiratiebron het landschap van 1900 door houtwallen met zomereik als hoofdsoort;
  2. behoud en versterken zichtrelatie met de Holterberg;
  3. cultuurhistorisch beeld van boerderijen en erven behouden en versterken;
  4. behoud van onverharde wegen ten behoeve van natuur en recreatie;
  5. versterken landgoed en bos in de omgeving.
 
7.3 Overige zone - Zone hydrologische bescherming
7.3.1 Functieomschrijving
Deze zone van 1000 m aan de westflank van de Holterberg is van belang voor de hydrologie van het gebied. Om de kwantiteit en kwaliteit van de watervoorziening in dit gebied te kunnen waarborgen en de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied te waarborgen.
 
7.3.2 Toegestaan gebruik en/of functies
Ter plaatse van de zone hydrologische bescherming zijn de gronden behalve voor de daar al toegelaten functies, mede aangewezen voor:
  1. functies die de grondwaterstanden in het naastgelegen natuurgebied niet aantasten.
 
7.3.3 Omgevingsvergunning vor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Bij een nieuwe ontwikkeling binnen de zone hydrologische bescherming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid vereist. Aan de omgevingsvergunningen kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor geen nadelige hydrologische effecten optreden;
    2. alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de grondwater- en leidingbeheerder, alsmede het waterschap en de Provincie Overijssel.
  2. In afwijking van sub a is geen omgevingsvergunning vereist voor:
    1. bouwwerken of werken waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,5 m wordt verstoord;
    2. bouwwerken of werken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de effecten op de hydrologie zijn vastgesteld. Dit rapport mag niet ouder dan 5 jaar zijn;
    3. het vervangen van bouwwerken op de bestaande fundering.
 
7.4 Overige zone - Zonering aanwijzing gebied buiten bebouwde kom Wet natuurbescherming
7.4.1 Aanwijzing werkingsgebied
Binnen het omgevingsplan is er een gebied buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming aangewezen.
 
7.4.2 Omgevingsvergunningsplicht
Binnen dit gebied geldt voor het kappen of laten kappen van hakhout, een houtopstand of 1 of meer bomen een vergunningplicht.
 
7.4.3 Geldigheidsduur omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning voor het kappen geldt 12 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de vergunning tenzij in de vergunning anders is bepaald.
 
7.4.4 Toetsingsgronden omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand kan worden verleend als er geen aantasting is van:
  1. de natuurwaarde van de houtopstand;
  2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
  3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
  4. de beeldbepalende wwaarde van de houtopstand;
  5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand of;
  6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
 
7.4.5 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht
In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor het kappen van:
  1. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;
  2. vruchten en windschermen om boomgaarden;
  3. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
  4. kweekgoed;
  5. houtopstanden die bij wijze van dunning wordt gekapt;
  6. houtopstanden waarvoor het kappen onder bevoegd gezag van de Provincie Overijssel valt of;
  7. houtopstanden die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last van het college van burgemeester en wethouders.
 
7.4.6 (Zelfstandige) herplantplicht
Burgemeester en wethouders kunnen een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Deze herplantplicht kan zelfstandig worden opgelegd.
 
7.5 Overige zone - Zonering geurgehinderden buitengebied
Om ruimte te bieden aan agrarische activiteiten die geur veroorzaken en ter bescherming van geurgevoelige gebouwen tegen activiteiten die geurhinder veroorzaken worden in het omgevingsplan gebieden aangewezen met een maximale achtergrondbelasting.
 
7.6 Overige zone - Zonering Natuurnetwerk Nederland
7.6.1 Functieomschrijving
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en een betere aansluiting realiseren met het omringende agrarisch gebied. Onder het Natuurnetwerk Nederland vallen bestaande natuurgebieden, waaronder 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren en alle Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden, dit om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het bevoegde gezag voor het NNN. Voor de Natura 2000-gebieden zijn door de provincie Overijssel aanvullende beheersplannen vastgesteld met instandhoudingsdoeleinden.
 
7.6.2 Toegestaan gebruik en/of functies
Ter plaatse van de zonering Natuurnetwerk Nederland zijn de gronden behalve voor de daar toegelaten functies, mede aangewezen voor:
 
  1. het behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.
 
7.6.3 Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met de zonering Natuurnetwerk Nederland wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden voor:
 
  1. elke (nieuwe) ontwikkeling die niet bijdraagt aan het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.
  
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
 
8.1 Melding nevenactiviteit bij agrarisch bedrijf
  1. Het is toegestaan om een nevenactiviteit bij een (agrarisch) bedrijf te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste nevenactiviteit, tenzij het college realisatie van de nevenactiviteit heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de nevenactiviteit indien:
    1. er geen sprake is van een ondergeschikte bedrijfsfunctie;
    2. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden;
    3. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor verkoop-aan-huis van lokale agrarische producten;
    4. er meer dan 500 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor inpandige opslag en stalling voor derden;
    5. er meer dan 200 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor ambachtelijk bewerken van agrarische producten;
    6. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor kano-, boot- of fietsenverhuur en huifkartochten;
    7. er meer dan 100 m2 van de totale bestaande bedrijfsbebouwing gebruikt wordt voor een ontvangstruimte ten behoeve van rondleidingen op het bedrijf;
    8. een minicamping meer dan 25 staplaatsen heeft;
    9. er sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
    10. de (agrarische) bedrijfsfunctie niet meer primair is;
    11. er sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en lokale agrarische producten;
    12. er sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    13. er zelfstandig vergunningplichtige activiteiten in het kader van milieu plaatsvinden;
    14. er sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
    15. de nevenactiviteit niet wordt uitgevoerd door één van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
    16. parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, conform de gemeentelijke parkeernormen;
    17. er sprake is van reclame-uitingen.
  3. De nevenactiviteit kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
8.2 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning een nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toestaan. Hierbij moet gedacht worden aan een minicamping, boerderijkamers of boerderijappartementen. De nevenactiviteit is ondergeschikt aan het agrarische bedrijf en moet beëindigd worden als het agrarische bedrijf stopt. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
  1. de activiteiten plaatsvinden in de bestaande bebouwing;
  2. het perceel is niet gelegen in de basisfunctielaag Natuurlandschap en de deelgebieden Landschap Holterbroek, Fliermaten en Lokerbroek (deelgebied 3) en Landschap de Schipbeek (deelgebied 4);
  3. er geen sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen;
  4. de agrarische bedrijfsfunctie primair is en blijft;
  5. er geen sprake is van detailhandel met uitzondering van ambachtelijke en agrarische producten;
  6. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er geen sprake is van geluidhinder zoals bedoeld in het geldende geluidbeleid van de gemeente;
  8. de nevenactiviteit wordt uitgevoerd door 1 van de hoofdbewoners van het agrarische bedrijf;
  9. parkeren plaatsvindt op eigen terrein, conform de gemeentelijke parkeernormen;
  10. voor minicampings geldt een maximum van 25 staplaatsen;
  11. voor boerderijkamers geldt dat deze niet groter dan 50 m2 per boerderijkamer en 300 m2 in totaal mogen zijn;
  12. voor boerderijappartementen geldt dat deze een minimale oppervlakte hebben van 50 m2 en in totaal niet meer dan 300 m2 mogen bedragen;
  13. landschappelijke inpassing plaatsvindt met streekeigen beplanting;
  14. de nieuwe nevenfunctie in overeenstemming is met het gebruik van de omliggende gronden.
 
8.3 Paardrijbak
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het algemene strijdige gebruik voor het realiseren van een paardrijbak bij een (bedrijfs)woning, onder voorwaarde dat:
  1. een paardrijbak uitsluitend is toegestaan in het achtererfgebied;
  2. er maximaal 1 paardrijbak per (bedrijfs)woning is toegestaan;
  3. de paardrijbak aansluitend aan het bestaande erf gerealiseerd dient te worden, volgens het;
  4. de oppervlakte van een paardrijbak bedraagt maximaal 1.300 m2;
  5. de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m;
  6. de omheiningen hebben een maximale hoogte van 1,8 m;
  7. lichtmasten zijn niet toegestaan.
 
8.4 Melding voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
  1. Het is toegestaan een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te realiseren binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal of het college realisatie van het beroep aan huis heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit indien:
    1. de beroeps- of bedrijfsfunctie niet ondergeschikt is aan de woonfunctie;
    2. meer dan 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit tot een maximale oppervlakte van:
      • 75 m², dan wel;
      • indien de bestaande oppervlakte groter is, de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld bestemmingsplan;
    3. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteiten uitvoert, niet de bewoner van de woning is;
    4. de ruimtelijke uitstraling niet in overeenstemming is met de woonfunctie en woonomgeving;
    5. er detailhandel en horeca-gerelateerde activiteiten plaatsvinden;
    6. de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk.
  3. Het aan huis gebonden beroep kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
8.5 Mantelzorg
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning mantelzorg mogelijk maken onder voorwaarden dat:
  1. het bouwwerk door niet meer dan twee personen gebruikt gaat worden;
  2. situering van een mantelzorgsituatie in een nieuw te bouwen bouwwerk plaatsvindt;
  3. de afstand van de bijbehorende woning tot de mantelzorgsituatie niet meer dan 25 m bedraagt;
  4. de totale oppervlakte aan mantelzorgruimten niet groter is dan 75 m²;
  5. de mantelzorgsituatie enkellaags is;
  6. er een door een zorgprofessional opgestelde zorgindicatie kan worden overlegd waaruit blijkt dat de mantelzorg noodzakelijk is en;
  7. de mantelzorgsituatie wordt beëindigd als er geen mantelzorg meer wordt verleend.
 
8.6 Melding voor een Inwoonsituatie
  1. Het is toegestaan om een inwoonsituatie te realiseren indien daar van tevoren melding is gedaan bij het college onder indiening van een situatieschets op schaal van de gewenste inwoonsituatie, tenzij het college realisatie van de inwoonsituatie heeft verboden.
  2. Het college verbiedt de inwoonsituatie indien:
    1. de twee huishoudens niet onder één dak worden gehuisvest;
    2. het uiterlijk van de woning niet één woning, één bouwmassa is;
    3. er geen sprake is van één centrale toegang tot de woning, van waaruit beide woonvertrekken direct toegankelijk/bereikbaar zijn;
    4. er geen sprake is van woningscheidende wand;
    5. er vergunningplichtige, bouwkundige aanpassingen in- dan wel uitpandig aan het gebouw plaatsvinden.
  3. De inwoonsituatie kan worden gerealiseerd als het college niet binnen 4 weken na ontvangst van de melding realisatie heeft verboden.
 
8.7 Inpandig vergroten van een voormalige boerderij
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels, als er sprake is van het inpandig vergroten van een voormalige boerderij, onder voorwaarden dat:
 
  1. de uitwendige hoofdvorm van de woning gehandhaafd blijft;
  2. de totale inhoud ervan niet wordt vergroot, dan wel met niet meer dan 10% van de inhoud wordt vergoot of verkleind;
  3. geen andere afwijkingen van het omgevingsplan ontstaan;
  4. bij vergroting, het bouwwerk niet hoger wordt dan op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld van het plan;
  5. de woning niet zodanig van karakter verandert, dat het niet of minder in de omgeving past;
  6. vooraf vaststaat dat daardoor het aantal woningen niet toeneemt.
 
8.8 Afwijkende dakhelling bijbehorende bouwwerken
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de dakhelling van bijbehorende bouwwerken zoals bepaald in de bouwregels bij (bedrijfs)woningen onder voorwaarden dat:
 
  1. het bijbehorende bouwwerk gerealiseerd wordt in het achtererfgebied;
  2. het bijbehorende bouwwerk kwalitatief passend is bij de uitstraling en opzet van het erf en de woning;
  3. het bijbehorende bouwwerk moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota.
 
Artikel 9 Overige regels
 
9.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van diverse werken of werkzaamheden
9.1.1 Omgevingsvergunningsplicht
Er geldt een omgevingsvergunningsplicht voor de volgende werken of werkzaamheden:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden, of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het egaliseren, diepploegen, diepwoelen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld;
  3. het ophogen van gronden met meer dan 0,2 m ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
  4. het aanleggen of veranderen van waterlopen, sloten en greppels en het vergraven, verruimen en dempen van waterlopen en kolken en het draineren van gronden;
  5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur of;
  6. het beplanten van gronden met diepwortelende bomen en struiken.
 
9.1.2 Toetsingsgronden omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning van worden verleend, mits er geen aantasting plaatsvindt van:
  1. de landschappelijk en natuurlijke waarden;
  2. de milieusituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of;
  5. de externe veiligheid.
 
9.1.3 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht
In afwijking van de omgevingsvergunningsplicht is geen vergunning vereist voor werken of werkzaamheden:
  1. voor oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van 100 m2 binnen de basisfunctielagen Infrastructuur en Agrarisch landschap - gemengde functies;
  2. die het normale onderhoud betreffen;
  3. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  4. waarvoor een Omgevingsvergunningsplicht en voorwaarden in verband met archeologie vereist is;
  5. het aanleggen of verharden van wegen of paden ter directe ontsluiting van agrarische (bouw)percelen of;
  6. het aanleggen van koe- of kavelpaden.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Overgangsrecht
 
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
  2. Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
10.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaan gebruik.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het gestelde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten 2012, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 11 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan Buitengebied Holten, nevenfunctie recreatie, Helhuizerweg 6-6a.