direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Cuneraweg-Heuningstraat, Ochten (Hoofdstuk 22i)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe schuur te realiseren op de locatie Cuneraweg-Heuningstraat. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende omgevingsplan. Omdat het initiatief wel gewenst is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het omgevingsplan. In dit document wordt toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Omgevingswet.

In februari 2024 is in principe ingestemd om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van een nieuwe schuur aan de Cuneraweg-Heuningstraat in Ochten. Omdat deze ontwikkeling niet past in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe dat sinds de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 van kracht is (voorheen: het bestemmingsplan), maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels een wijziging omgevingsplan (WOP) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de oksel van de Cuneraweg en de Heuningstraat. Het plangebied vormt het overgangsgebied tussen de kern en het buitengebied van Ochten. Het perceel staat kadastraal bekend als 'OTN00-F-23'. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0001.png" Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Waarom deze procedure: TAM-IMRO

De gemeente Neder-Betuwe beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen)) en de bruidsschat. Hiermee wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan omvat onder meer het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld', vastgesteld door de gemeenteraad op 30 mei 2013.

Voorliggend initiatief is in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelet op de bouwrechten die moeten worden verleend binnen het plangebied om de bebouwing te kunnen realiseren. Het voorgenomen initiatief betreft de ontwikkeling van een nieuwe schuur op een agrarisch perceel. Deze bebouwing dient te worden gerealiseerd binnen een bouwvlak, deze is nu niet aanwezig. Volgens de regels van de functie 'Agrarisch' is het toevoegen van bebouwing en/of het toevoegen van een bouwvlak voor bedrijfsgebouwen in het plangebied niet toegestaan. Middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt dit bouwrecht mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer

Onderhavige motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het besluit. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar de voor het plan relevante beleid van gemeente, provincie en Rijk. In hoofdstuk 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties en een goede omgevingskwaliteit. Daarna komen in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Aan de parallelweg 49c in Opheusden is het boomkwekerijbedrijf 'Betuwe Boomkwekerij BV' gevestigd. Het bedrijf wil graag de bedrijfsvoering versterken door de bedrijfsactiviteiten efficiënter in te richten. De bedrijfsactiviteiten vinden reeds verspreid plaats over Opheusden en Ochten. Er is echter geen opslagmogelijkheid voor machines, gerooide bomen en voorzieningen voor medewerkers op het perceel aan de Cuneraweg in Ochten. Dit bemoeilijkt de efficiënte verwerking van de gerooide bomen en vertraagt daarmee het bedrijfsproces.

De teeltgronden van het bedrijf met een oppervlakte van ruim 33 ha liggen verspreid. Circa 25 ha ligt in Ochten/Echteld. Het streven is om alles in (de buurt van) Ochten te hebben. Dit om het aantal verkeersbewegingen tussen het bedrijf en de teeltgronden sterk te verminderen.

Tijdens de piekmomenten (half oktober tot half april met een directe piek in november en maart) worden de percelen namelijk dagelijks door zware voertuigen bezocht, met name door bedrijfsauto's met rooiploeg (wortelrooier en kluitmachine) en tractor met ophaalploeg. Op navolgende afbeelding is de route tussen het bedrijf en de teeltgronden weergeven doormiddel van een blauwe lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0002.png"

Route zware voortuigen tussen bedrijf en teeltgronden.

Het plangebied is gelegen in het overgangsgebied tussen de kern van Ochten en het buitengebied en wordt ontsloten vanaf de/ via de Cuneraweg en de Heuningstraat. Het perceel ligt volgens de landschapsontwikkelingsvisie van Gemeente Neder-Betuwe in de boomteeltrijke oeverwallen. In dit landschap liggen veel langgerekte kavels en wordt de grond veel gebruikt voor bomenteelt. Dit is ook het geval voor dit perceel, waarop bomenteelt plaatsvindt op een langgerekt perceel. Rondom het perceel liggen watergangen van categorie b.

Het perceel sluit ten zuiden aan bij de bebouwde contouren van de Cuneraweg-Heuningstraat en ten noorden bij het landelijke open gebied. Op navolgende afbeelding is het plangebied weergeven doormiddel van een rode omkadering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0003.png"

Luchtfoto waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

Voor een versterking van de bedrijfsvoering is het noodzakelijk om een opslagruimte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten op de noodzakelijke percelen te hebben. Gezien de vele verkeersbewegingen tussen de hoofdlocatie en de Parallelweg in Opheusden en het perceel met teeltgronden aan de Cuneraweg in Ochten is het van belang dat de benodigde bedrijfsactiviteiten met betrekking tot het rooien van bomen plaatsvindt op het betreffende perceel zelf. Indien het basisstation op het nieuwe perceel kan worden gerealiseerd, betekent dat een vermindering van twee verkeersbewegingen per dag (heen en terug van Opheusden naar Ochten) met zware voertuigen, namelijk drie bedrijfsauto's met rooiploegen en een tractor.

Voor het bedrijf is het dan ook noodzakelijk een schuur te realiseren met een maximale grootte van 1200 m2 voor het realiseren van een basisstation op dit perceel in Ochten. De bebouwing betreft een schuur waarin de opslag van de gerooide bomen plaatsvindt, evenals de opslag van de benodigde machines. Tevens zal in de schuur ruimte worden gecreëerd voor een kleinschalige kantine met bijbehorende sanitaire ruimten.

Navolgende afbeeldingen geven een impressie en een situatietekening van de beoogde schuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0004.png"

Impressie van de beoogde schuur (Bron: Bureau Huibers)

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0005.png"

Situatietekening van de beoogde schuur (Bron: Buro SRO)

De schuur wordt in het zuidelijke deel, in de bebouwde zone aan de Cuneraweg-Heuningstraat, gesitueerd. Rondom de schuur wordt verharding aangelegd voor de verkeersbewegingen en aan de achterzijde voor kluitdepots. Dit zal vooral aan de westelijke zijde van de schuur plaatsvinden, zoveel mogelijk uit het zicht van de weg. Hiervoor is ca. 4000 m2 aan verhard oppervlak nodig. Ontsluiting vindt plaats via de Heuningstraat en de Cuneraweg. De toegang van het terrein vindt plaats via de de Heuningstraat. Het verlaten van het terrein gebeurt op de Cuneraweg.

Om de schuur in te passen komt ten noorden van de bebouwing een groenstrook met een lage haag en een bomenrij van inheemse soorten, passend bij dit gebied maar onderscheidend van de bomenteelt. Deze bomenrij en haag vormen de grens tussen de bomenteelt en het bedrijfsgedeelte met de schuur. De oostelijke watergang wordt verbreed ten behoeve van de waterberging (zie paragraaf 4.1 voor nadere toelichting). Door de watergang te verbreden worden de typerende lange kavellijnen benadrukt en door het talud geleidelijk te laten vervallen ontstaat er een natuurvriendelijke oever dat een waardevolle toevoeging is voor de natuur. Langs deze watergang worden op het bedrijfsgedeelte enkele wilgen geplant. Deze houden de schuur uit het zicht vanaf de Cuneraweg en versterken tegelijk de noord-zuid gerichte landschapsstructuur.

In bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen voor waarin de toekomstige situatie is verbeeld.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is vastgesteld op grond van de voorheen geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking was. De NOVI voldoet aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

Ladder duurzame verstedelijking
Voorliggend initiatief betreft het mogelijk maken van één nieuwe schuur. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet nodig.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit het Bkl. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke regels voor dit plan.

Ladder duurzame verstedelijking

Het voorgenomen initiatief betreft de ontwikkeling van één nieuwe schuur voor een boomkwekerijbedrijf. De schuur betreft een maximale grootte van 1200 m2. De bebouwing vindt op het zuidelijke deel van het perceel plaats, zoveel mogelijk tegen de bestaande bebouwing. Hierdoor blijft het zicht op achterliggende percelen zoveel mogelijk behouden en past de nieuwe bebouwing binnen de bestaande bebouwingscontour. Daarmee is er geen sprake van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel van een ontwikkeling waarbij sprake is van duurzaam ruimtegebruik door de bebouwing zo te situeren dat deze zoveel mogelijk aansluit bij bestaand bebouwd gebied.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

Het plan past binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.6 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Streekgids Betuwe & Tielerwaard, deelgebied Gekanaliseerde Linge

In het deelgebied gekanaliseerde Linge uit de Streekgids staan de hoofdlijnen van het landschappelijk karakter. Het gebied staat bekend om zijn brede oeverwallen langs de Nederrijn en Waal, de kleinschalig gevarieerde oeverwallen, het grootschalige rationeel verkavelde kommen en het erfgoed. Het deelgebied zet onder andere in op onderstaande ontwerpprincipes.

• Zet in op een aantrekkelijke mix van grondgebruiksfuncties en sferen die bijdragen aan het versterken van het landschapsmozaïek;

• Voorkom het aan elkaar groeien van de dorpen door het ontwikkelen van 'groene wiggen' tussen de dorpen met ruimte voor landbouw, natuur, recreatie en incidentele bebouwing;

• Versterk de kleinschaligheid en afwisseling van het landschap door aanleg en beheer van groene landschapselementen zoals lanen, singels, boomgaarden, erfbeplantingen en bosschages;

• Bouw voort op de organisch gegroeide opzet van het landschap met slingerende wegen en onregelmatige verkaveling;

• Versterk de recreatieve toegankelijkheid. Verbindt de dorpen met de rivier en de kommen in het achterland;

• Geef vorm aan de nieuwe dorpsentrees langs de N327. Geef de kernen een 'dorps' gezicht naar de weg met een afwisseling van groen en bebouwing;

• Versterk het lommerijke karakter van de dorpen door het behoudt van kleine weidepercelen en boomgaarden in de kernen en het ontwikkelen van groene rafelige dorpsranden met een afwisseling van kleine rode ontwikkelingen en groen gebieden;

• Weghalen van storende bebouwing/oude kassen op kwetsbare plekken;

• Zorg voor een mooie landschappelijke overgang naar de komgebieden, waarin de landschappelijke gradiënt van droog naar nat herkenbaar wordt gemaakt.

Planspecifiek

Met voorgenomen initiatief wordt een vrijstaande schuur binnen het projectgebied toegevoegd. Door de schuur op het zuidelijk deel van het perceel te plaatsvinden, wordt de te realiseren schuur onderdeel va de bestaande bebouwingslint. Hierdoor blijft de landschappelijke overgang naar de komgebieden in stand, passend binnen de Streekgids Betuwe en Tielerwaard.

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft de realisatie van één nieuwe schuur in het overgangsgebied tussen de kern van Ochten en het buitengebied. De nieuwe schuur en de inpassing daarvan in het agrarische landschap voldoet aan het beleid en de regels uit de Provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Er worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.

Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe

De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Neder-Betuwe' vastgesteld. De Omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld met belangrijke waarden, die Neder-Betuwe kenmerken en wil behouden en versterken voor toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Omgevingsvisie ook een beeld waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. De Omgevingsvisie bestaat uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart.

De speerpunten

  • Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken
  • Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
  • Wonen voor iedereen.
  • Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar.
  • Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit.
  • Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren.
  • Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier.
  • Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat.
  • Een gezonde, groene en biodiverse omgeving.
  • Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente.

Richtinggevende kaart:

Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0006.png"

Richtinggevende kaart Omgevingsvisie Neder-Betuwe (bron: omgevingsvisienederbetuwe.nl)

Waardenkaart

Op de waardenkaart staan gebieden aangegeven waarin de specifiek waarden van de gekozen locatie op aan staan gegeven. Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met de waarden van het gebied waarin de locatie ligt.

In de Omgevingsvisie worden op de waardenkaart voor het buitengebied de volgende waarden benoemd:

  • Landelijk, groen, agrarisch gebied
  • Kleinschalige recreatieve voorzieningen
  • Laanbomenteelt
  • Fruitteelt
  • Linge en oude dijken
  • Eldikse en Dodewaardse Veld (nat, open en rijk aan weidevogels)
  • Fiets- en wandelmogelijkheden

Planspecifiek

Het plangebied is gelegen in de oksel tussen de Cuneraweg en de Heuningstraat in het overgangsgebied tussen de kern van Ochten en het buitengebied van de gemeente. Met de ontwikkeling wordt de bedrijfsvoering van een boomkwekerijbedrijf efficiënter gemaakt. Hiermee draagt het plan bij aan de ontwikkeling van de boomkwekerijsector in het buitengebied van de gemeente. Het plan past daarmee binnen de Omgevingsvisie Neder-Betuwe.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Neder-Betuwe

In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP, 2009) Neder-Betuwe wordt inzichtelijk gemaakt hoe de gemeente de ontwikkeling van het landschap voor de komende 10 jaar wil begeleiden. Rekening houdend met de ontwikkeling van de verschillende functies in het landelijke gebied wordt beschreven hoe de landschappelijke waarden behouden en versterkt kunnen worden. Op hoofdlijnen kent de landschappelijke visie de volgende elementen, geordend naar ontwikkelingsgerichtheid:

  • De Linge als nieuwe landschappelijke structuurdrager;
  • De kernen en het landelijk gebied verknopen;
  • Nieuwe kwaliteiten toevoegen aan het dynamisch middengebied;
  • Heldere keuzes in de kommen;
  • Waaien (wielen) als dragers van de geschiedenis;
  • Kleinschalige diversiteit oeverwallen behouden;
  • Eigenheid van de uiterwaarden bewaren;

Planspecifiek

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de visiekaart ter plaatse van de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0007.png"

Uitsnede Landschapsontwikkelingsvisie Neder-Betuwe met het projectgebied rood omcirkeld.

Het plangebied ligt binnen het landschappelijk inpassen van bestaande en nieuwe dorpsranden gerelateerd aan landschapstypen. Met name bij de inpassing van nieuwe ontwikkelingen is het creëren en behouden van lange doorgaande lijnen van belang. Voorliggend initiatief betreft het realiseren van een nieuwe schuur ten behoeve van een boomkweekbedrijf waardoor het bedrijf haar bedrijfsvoering kan versterken en verduurzamen voor de bomenkweek in het omliggende agrarisch gebied dat zich kenmerkt door de bestaande boomteelt. Door de loods op het zuidelijk deel van het perceel te plaatsvinden, wordt de te realiseren schuur onderdeel va de bestaande bebouwingslint. Hierdoor blijven de zichtlijnen naar het achterliggende landschap in stand, passend binnen deze landschappelijke visie.

Het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan.

3.3.3 Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt

In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt.

De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0008.png"

Uitsnede visiekaart boomteelt waarbij het projectgebied rood omcirkeld.

De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.

De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.

Planspecifiek

Het plangebied is gelegen binnen het bestaande boomteelt/ boomteeltconcentratiegebied. Dit is het gebied waar de boomkweeksector de ruimte krijgt. Het realiseren van een schuur voor een bestaand boomkweekbedrijf past hiermee binnen de ambitie van de intergemeentelijke strategische visie. De ontwikkeling is vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt passend binnen de visie.

Het initiatief past binnen de Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt.

3.3.4 Geldend omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de strijdigheid met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangegeven.

Planspecifiek

Ter plaatse van het projectgebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarin is het voormalige bestemminsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' dat op 30 mei 2013 is vastgesteld door de gemeente van Neder-Betuwe, verwerkt als het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het voormalige bestemmingsplan heeft het projectgebied de enkelbestemming 'Agrarisch' en dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'. Op navolgende afbeelding is een uitsnede uit het tijdelijke omgevingsplan opgenomen met het projectgebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0009.png"

Uitsnede voormalige bestemmingsplan “Buitengebied Dodewaard en Echteld” (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Voorts zijn ter plaatse de volgende (paraplu)bestemmingsplannen van toepassing:

  • PLattelandswoningen - niet van toepassing;
  • VAB-beleid - niet van toepassing;
  • Parapluregeling Parkeren - hierbinnen geldt dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn;
  • Parapluplan Archeologie - hierbinnen geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' met de daarbij behorende regels om eventuele voorkomende archeologische waarden te beschermen;
  • Parapluplan 2020 - niet van toepassing;
  • Aanpassing Woonbestemming Buitengebied - niet van toepassing;
  • Parapluplan 2023 - niet van toepassing;

Daarnaast geldt het Omgevingsplan Neder-Betuwe waarin vooralsnog enkel de Bruidsschat is opgenomen.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het realiseren van een nieuwe schuur is niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch' omdat er geen bouwvlak binnen het plangebied is opgenomen. De activiteit past wel binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

3.3.5 Toetsing van het initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het realiseren van een nieuwe schuur is niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch'. De activiteit past wel binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om de schuur mogelijk te maken is het voorliggende TAM-imro plan opgsteld met deze bijbehorende motivering.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid Waterschap Rivierenland

Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.

Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening:

Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436

Planspecifiek

Beheergebied

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rivierenland.

Waterberging

De realisatie van het initiatief zorgt voor een toename aan verhard oppervlak groter dan 500 m2, de totale oppervlakte van het perceel betreft 28.378 m2. De verharding op het terrein betreft de inrit en de oppervlakteverharding rondom de bebouwing met een oppervlakte van ca 4.000 m2. Het bebouwd oppervlak daarbinnen is circa 1.005 m2. Compensatie voor de toevoeging van verhard oppervlak is daarom nodig.

Oppervlak bestaande situatie:

  • 0 m2

Oppervlak verhard oppervlak toekomstige situatie:

  • Volledig verhard (o.a. voor opslag en transport): 3.882 m2
  • Kluitdepot met halfverharding: 600 m2 * 50% = 300 m2

Totaal komt dit uit op 3.882 + 300 m2 = 4.182 m2 verharding.

De ontwikkeling betreft een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. Hierdoor kan de onderstaande standaardberekening worden toegepast waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vanuit het beleid van Waterschap Rivierenland is de volgende compensatie nodig:

Benodigde compensatie = 4.182 * 0,0436 = 182,3 m3.

De waterberging wordt voorzien door de watergang te verbreden. De toegestane peilstijging, gementen vanaf het zomerpeil, bedraagt 0,3 m. Hiermee is er ca. 607,8 m2 nodig. Dit is verwerkt in het plan door de watergang ca 3 meter te verbreden op het perceel, over ca 203 meter lengte.

Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt de waterberging nader uitgewerkt.

Overige waterhuishoudkundige

Rondom het plangebied zijn secundaire watergangen gelegen. Deze kennen een beschermingszone van 1 m, die obstakelvrij moet blijven om de watergang te kunnen inspecteren. Het initiatief voorziet niet in bebouwing binnen de beschermingszone. De watergang blijft bereikbaar voor onderhoud.

Watertoets

Voor dit plan is een watertoets uitgevoerd, deze is als Bijlage 2 opgenomen bij deze motivering. In deze watertoets wordt uitgebreid ingegaan op alle waterhuishoudkundige aspecten in en om het projectgebied en wordt het planvoornemen getoetst. Uit Bijlage 2 blijkt dat locatie vanuit waterhuishoudkundig opzicht geschikt is voor de beoogde functie.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt een bedrijfsactiviteit toegevoegd. Op basis van de VNG-brochure is de omgeving van het plangebied aan te merken als een 'rustig buitengebied'. Gelet op de aanwezige functies zoals diverse agrarische gronden en woonfuncties in het buitengebied is sprake van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Een kwekerij is geen bedrijfstype dat is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG handreiking. Het kan het best worden vergeleken met een akkerbouwbedrijf, hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in rustig buitengebied, vanwege geluid.

Ten zuiden van het plangebied is een woning gelegen op ruim 55 m van de beoogde locatie van de nieuwbouw. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Er zal dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

Het realiseren van de bebouwing ten behoeve van de bedrijfsactiviteit heeft geen invloed op het functioneren van omliggende bedrijven.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig functies toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3.

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke

verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (teeltlaag) en ter plaatse van de slootdemping verdacht met diverse parameters. Voor

het overige terrein is de bodem onverdacht voor bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De bodem is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 104) wordt voor geen van de onderzochte stoffen de signaleringsparameter grondwater overschreden.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ met

bestrijdingsmiddelen en diverse parameters ter plaatse van de slootdemping verworpen te worden en de

hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ voor het overige terrein bevestigd te worden; voor de

onderzochte parameters in de bodem zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn

voor barium en cis + trans-1,2-Dichlooretheen wel licht verhoogde concentraties aangetoond. De

verhoogde bariumconcentratie kan worden beschouwd als een natuurlijk verhoogde

achtergrondconcentratie dat vaker voorkomt in grondwater. Voor de licht verhoogde concentratie cis +

trans-1,2-Dichlooretheen kan op basis van de historische gegevens niet een oorzaak worden gevonden.

De aangetoonde concentraties in het grondwater zijn echter zodanig licht verhoogd dat de in het

Omgevingsplan vastgelegde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Het uitvoeren

van aanvullend onderzoek of andere maatregelen worden naar onze mening daarom niet noodzakelijk

geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de locatie geschikt geacht voor de geplande (nieuw)bouw

van een bedrijfshal op de locatie.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Planspecifiek

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 51468751_15555987. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3)   16,6 µg/m3   18,2 µg/m3   10,2 µg/m3  
Resultaatverplichting concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Het initiatief zorgt niet voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Er is immers sprake van verkeersbewegingen die er al waren om goederen te verplaatsen naar de andere bedrijfslocatie. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Het initiatief draagt 'niet in betekenende mate bij' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Planspecifiek

Het initiatief voorziet in het realiseren van een nieuwe schuur die niet wordt aangemerkt als geurgevoelig gebouw. Daarnaast geldt dat er geen activiteiten plaatsvinden die geur veroorzaken.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt geen geluidgevoelige bebouwing (functies) mogelijk waardoor verdere toetsing aan de regels uit het Bkl niet nodig is. Daarnaast is in paragraaf 4.2 aangegeven wat de richtafstanden van de bedrijfsactiviteit ten opzichte van gevoelige functies moet zijn. Daar wordt aan voldaan. De bestaande toerit welke nu al gebruikt wordt voor de bedrijfsvoering op het perceel ligt naast een bestaande woning. De bedrijfstijden van het bedrijf zijn van 07.00 uur in de ochtend tot uiterlijk 17.00 uur in de middag. Er vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats in de avond- en nachtperiode (tussen 19:00 en 7:00 uur). In de regels bij het plan is geborgd dat de toerit niet in de avond- en nachtperiode wordt gebruikt. Er zijn dan ook geen overschrijdingen te verwachten. De bedrijfstijden zijn momenteel van toepassing en dat zal in de toekomst niet veranderen door de toevoeging van bedrijfsbebouwing op de locatie. Er is dan ook geen sprake van een andere bedrijfsvoering. Daarmee wordt de situatie van de naastgelegen woning (geluidgevoelig) ook niet anders. In de bestaande situatie bestaat er geen overlast waardoor mede geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld dat er in de directe omgeving geen inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamOCheuningstrB-vst1_0010.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat er ter plaatse van het plangebied geen risicobron in de nabije omgeving is. De op te richten bedrijfsactiviteiten ter plekke betreffen geen activiteiten die effect hebben op de risico's voor de omgeving.

4.8 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

 

Planspecifiek

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend plan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

4.9 Spuitzonering

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen   gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel.

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft het toevoegen van bedrijfsbebouwing behorend bij de ter plekke aanwezige agrarische bedrijfsvoering binnen de functie Agrarisch. Het bedrijf is reeds op de locatie aanwezig. Er wordt geen gevoelige(re) functie mogelijk gemaakt. De spuitzone zoals in dit plan is opgenomen, is een bestaande spuitzone vanuit het omgevingsplan.

4.10 Conclusie veilige en gezonde fysieke leefomgeving

De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige fysieke leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe schuur in het overgangsgebied tussen de kern van Ochten en het buitengebied. De bijbehorende oppervlakte bebouwing en verharding is passend bij de bedrijfsactiviteit en is zo gesitueerd dat deze aansluit bij de bestaande bebouwing in de omgeving, rekening houdend met voldoende afstand tot de omliggende woningen. Op deze manier is er sprake van zorgvuldig en efficient ruimtegebruik, passend bij de omgeving en passend bij de beleidsuitgangspunten voor dit gebied.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Voor cultuurhistorie heeft de gemeente een Waarderingskaart historisch cultuurlandschap vastgesteld als onderdeel van de Erfgoed beleidsnota. Hieruit blijkt dat er geen waarden aanwezig zijn die behoudenswaardig zijn of die aanleiding zijn voor de inrichting van het perceel. Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig.

Archeologie

In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 1000 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld.

Omdat het beoogde bouwinitiatief groter is dan 1000 m2, is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4 . Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten uit de periode Laat-Neolithicum-Late Middeleeuwen. Eventueel aanwezige resten bevinden zich in de top van de oeverafzettingen en zijn direct onder de bouwvoor te verwachten. In het kader van het realiseren van een bedrijfsgebouw wordt geadviseerd om bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv (top archeologisch niveau + 20 cm buffer en op basis van beleid) een vervolgonderzoek uit te voeren. Omdat de verwachting op resten en sporen hoog is, er in alle boringen sprake is van een vegetatiehorizont en er archeologische indicatoren zijn aangetroffen verdient het de aanbeveling om dit onderzoek, in afwijking van het advies uit het bureauonderzoek, uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden wanneer er graafwerkzaamheden beneden de diepte van 30 cm -Mv gepland zijn. Voor een dergelijk gravend onderzoek is op voorhand van de werkzaamheden een Programma van Eisen (PVE) nodig, dat door de gemeente beoordeeld en goedgekeurd is.

Voor de werkzaamheden is dan ook een PvE opgesteld, zoals opgenomen in bijlage 5.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 550 meter afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie bijlage 6. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd is er in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in Bal, Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) onder 2.

Soortenbescherming

Voor de beoogde bouw van de opslagruimte aan de Cuneraweg-Heuningstraat is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot een overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat vanuit ecologie er geen belemmeringen bestaan voor het toekennen van het agrarisch bouwvlak waardoor er vanuit dit aspect eveneens sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen.

Planspecifiek

De verkeersaantrekkende werking neemt door het voorliggende initiatief niet toe. De verkeersbewegingen die er nu zijn, betreffen het ophalen van goederen en vervoer naar de andere bedrijfslocatie. Door realisatie van de bedrijfsbebouwing ter plekke betekent dat een vermindering van twee verkeersbewegingen per dag (heen en terug van Opheusden naar Ochten) met zware voertuigen Daarmee wordt een efficiëntere bedrijfsvoering gerealiseerd wat een gunstig effect heeft op de verkeersbewegingen ter plekke. Op het terrein zelf wordt in voldoende verharding voorzien om de voertuigen te ontvangen en te laden. Het plangebied wordt en blijft ontsloten via de Heuningstraat en de Cuneraweg.

Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeerruimte in het plangebied toe. In de Nota parkeernormen Neder-Betuwe zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Neder-Betuwe. Voor agrarische bedrijven zijn geen normen opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe'. Ook voor het parkeren van de machines behorende bij een agrarisch bedrijf zijn geen vaste normen opgenomen. Wel wordt de eis gesteld dat er voldoende ruimte op het bedrijf aanwezig moet zijn voor de stalling van machines en voertuigen en voor de auto's van werknemers en dus voor de eigen bedrijfsvoering. In de nieuw te realiseren schuur is voldoende ruimte voorzien voor de stalling van de machines en voertuigen. Daarnaast is er geen sprake van bezoekers of klanten die naar het bedrijf toekomen waarvoor parkeerplaatsen benodigd zijn. Op grond van het bestemmingsplan 'Parapluregeling Parkeren' is de instandhouding van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd. Immers bij elke vergunning wordt de parkeernorm getoetst.

Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Daarnaast vindt er een toename aan verhard oppervlak plaats door de plaatsing van de schuur. Deze toename wordt gecompenseerd door de aanwezige watergang te verbreden. Hiermee wordt de waterberging/afvoer voorzien.

Hittestress

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De beoogde bedrijfsbebouwing wordt gerealiseerd conform de eisen uit wetgeving, welke mede bedoeld zijn ter voorkoming van hittestress.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied op te vangen en vervolgens af te voeren is het streven het hemelwater zolang mogelijk in het gebied zelf te houden. De kans op een natuurbranden is bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.


Overstroming

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied op ruim 800 m afstand tot de Waal ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

Inspraak

Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht doormiddel van een brief op 20 december 2023. Dit is persoonlijk door initiatiefnemer gebeurd. Er zijn van betrokkenen geen reacties ontvangen op de versterkte informatie en de persoonlijke uitleg van de plannen. Verwezen wordt naar bijlage 8.

Overleg

Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk overleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.

Zienswijzen

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbesluit en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

6.2 Kostenverhaal

Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.