direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Kesteren, Schaapsteeg 9
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Tussen de percelen van Schaapsteeg 7 en 9 te Kesteren bevindt zich een onbebouwd perceel. De initiatiefnemer is, in het kader van rood-voor-rood, voornemens op deze locatie een woning te realiseren, met bijbehorend bijgebouw, parkeerplaatsen en groen. Voor dit plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarbij aandacht is besteed aan halfverharding, nieuwe hagen, bomen en bloemrijk grasland. Ter compensatie van de bouw van de woning wordt elders in de gemeente in onbruik geraakte agrarische bebouwing gesloopt.

Voor het projectgebied geldt het 'Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe', met onderliggend het bestemmingsplan 'Buitengebied, Kesteren', het wijzigingsplan 'Kesteren, Schaapsteeg 9' en het bestemmingsplan 'VAB-beleid'. Op basis van het omgevingsplan is de locatie bestemd als 'Agrarisch'. Op grond van de huidige bestemming is de voorgenomen ontwikkeling niet toegestaan. Om die reden moet het 'Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe' worden gewijzigd. Dit wordt gedaan door middel van dit TAM-omgevingsplan. TAM staat voor 'tijdelijke alternatieve maatregel'. Kort gezegd wordt bij een TAM-omgevingsplan de techniek voor planvorming gebruikt zoals deze onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) gold. Deze maatregel kan tijdelijk gebruikt worden onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Juridisch is echter sprake van een wijziging van het 'Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe' onder de Omgevingswet.

1.2 Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt in het buitengebied ten zuidwesten van de kern Kesteren, tussen de woonpercelen van Schaapsteeg 7 en 9 in. In de huidige situatie is het projectgebied in gebruik voor agrarische doeleinden.

Ten noorden van het projectgebied is de woning van Schaapsteeg 7 gelegen. Ten oosten van het projectgebied is een hoveniersbedrijf gelegen, ten zuiden de woning van Schaapsteeg 9 en ten westen grenst het projectgebied aan de Schaapsteeg.

Navolgende afbeelding geeft de globale ligging, en de globale projectbegrenzing van het projectgebied weer met een rode markering. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0001.jpg" Globale projectbegrenzing op luchtfoto

1.3 Leeswijzer

De motivering van dit TAM-omgevingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de omgevingsplanwijziging. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie en de toekomstige situatie binnen het projectgebied. Ook wordt ingegaan op de de strijdigheid met het geldend omgevingsplan. In Hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische en milieuaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Tot slot wordt In Hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid, waaronder de voorbereiding en participatie van onderhavig plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de bestaande situatie is het projectgebied, gelegen in het buitengebied van de kern Kesteren, onbebouwd. Het projectgebied is gesitueerd aan de Schaapsteeg, tussen twee woonpercelen in. Het heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2. Voorgaande afbeelding geeft een weergave van de onbebouwde situatie binnen het projectgebied.

2.2 Toekomstige situatie

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. Het bouwkavel heeft een totale oppervlakte van 1.500 m². In de toekomstige situatie zal de woning aan de westzijde van het erf gepositioneerd worden, en een inhoud van circa 750 m³ hebben. Het bijgebouw zal aan de oostzijde van het erf gepositioneerd worden, en een oppervlakte van 70 m² beslaan. De bebouwing zal uitlijnen met bestaande bebouwing in de omgeving. Dit staat in lijn met de traditionele verdeling van een erf.

Voor dit plan is tevens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan halfverharding van de oprit, nieuwe hagen, bomen en bloemrijk grasland. Aan de oostzijde van het projectgebied is een greppel ingetekend, om mogelijke wateroverlast door afstromend water van verhardingen te voorkomen.

De verkeersontsluiting wordt geregeld via de halfverharde oprit die uitkomt op de Schaapsteeg. Navolgende afbeelding geeft een weergave van de woning, het bijgebouw en het landschappelijk inpassingsplan. Het volledige landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0002.jpg"

Landschappelijk inpassingsplan

Om de realisatie van het plan mogelijk te maken zijn elders sloopmeters gekocht. Er zijn 2.090 m² aan sloopmeters gekocht van het perceel aan de Ambtseweg 1 in Kesteren. Dit staat gelijk aan drie schuren die zullen verdwijnen.

Het hoofdgebouw zal een maximale goothoogte hebben van 4 meter, en een nokhoogte van 9 meter. Voor het bijgebouw geldt een maximale goothoogte van 3 meter nokhoogte 5 hoogte.

2.3 (Strijdigheid) geldend omgevingsplan

Voor het projectgebied geldt het 'Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe'. Onderdeel van dit omgevingsplan zijn de bruidsschatregels en de bestemmingsplannen. De bestemmingsplannen zijn onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. De bruidsschatregels zijn voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn komen te vervallen en in het omgevingsplan van de gemeente zijn opgenomen. Alle (op 31 december 2023) geldende bestemmingsplannen zijn per 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe'.

Ter plaatse van het projectgebied is het Omgevingsplan nog niet geactualiseerd. Ter plaatse geldt daarom het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren', vastgesteld op 8 april 2014. Ook geldt op deze locatie deels het wijzigingsplan 'Kesteren, Schaapsteeg 9' (vastgesteld op 5 april 2022).

Tevens geldt voor het projectgebied het bestemmingsplan 'VAB-beleid'. Op 9 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe het bestemmingsplan 'VAB-beleid' vastgesteld. In dat bestemmingsplan is het beleid over hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing van de gemeente doorvertaald in een juridisch-planologische regeling voor het buitengebied. Door het aankopen van sloopmeters kan de nieuwbouw van een woning gerealiseerd worden. Het bestemmingsplan 'VAB-beleid' herziet op dat onderdeel de regelingen van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren'. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 3.4.3.

Navolgende afbeeldingen geven het projectgebied weer op de verbeeldingen van het bestemmingsplan en het wijzigingsplan met een rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0003.jpg"

Globaal projectgebied weergegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren'

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0004.jpg" Globaal projectgebied weergegeven op de verbeelding van het wijzigingplan 'Kesteren, Schaapsteeg 9'

Op grond van de geldende regels uit het omgevingsplan gelden de onderstaande bestemmingen en gebiedsaanduidingen binnen het projectgebied.

Agrarisch

De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische productie met bijbehorende voorzieningen, landschappelijke beplanting, watergangen met bijbehorende voorzieningen en extensief dagrecreatief gebruik.

Op de binnen de bestemming geldende gronden, ter plaatse van het gedeeltelijke bouwvlak, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming worden gebouwd, en bijgebouwen ten behoeve van de woning. De bouwhoogte van een erfafscheiding mag niet meer dan 2,5 meter bedragen. Voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag de bouwhoogte niet meer dan 9 meter bedragen.

Vrijwaringszone - weg

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - weg', voor zover niet behorend tot gronden met de bestemming 'Verkeer', mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

Strijdigheid met omgevingsplan

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. Wonen is echter niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch'. Ook is er sprake van overschrijding van de bouwvoorschriften, aangezien er geen bouwvlak binnen het projectgebied aanwezig is. Om bovenstaande redenen is de realisatie van de woning niet toegestaan, en dient een juridisch-planologische procedure te worden doorlopen.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan:

  • periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval;
  • de zeespiegelstijging;
  • de overgang naar duurzame energie;
  • de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen;
  • de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen;
  • de groei en het bereikbaar houden van steden;
  • plekken voor distributiecentra;
  • het versterken van de natuur en biodiversiteit;
  • het behoud van het landschap;
  • de vitaliteit van de landbouw.

Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Gezien de aard en omvang van het plan wordt geen nationaal belang geschaad. Het rijksbeleid dat is opgenomen in de NOVI vormt geen belemmering voor het plan.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:

  • De dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Toetsing

Voor het plan zijn, anders dan de instructieregels die in Hoofdstuk 4 van deze motivering aan bod komen, geen specifieke instructieregels van toepassing. De mogelijke belemmeringen vanuit de instructieregels op het plan, worden in de verschillende milieuparagrafen in Hoofdstuk 4 afzonderlijk getoetst. Op basis van deze paragrafen wordt geconcludeerd dat de instructieregels geen belemmeringen op het plan vormen.

3.1.3 Conclusie Rijksbeleid

Het initiatief is in lijn met het Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:

  • energietransitie;
  • klimaatadaptatie;
  • circulaire economie;
  • biodiversiteit;
  • bereikbaarheid;
  • economisch vestigingsklimaat;
  • woon- en leefklimaat.

Voor dit initiatief zijn met name de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing.

Klimaatadaptatie

Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hierbij goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken.

De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelen wil de provincie Gelderland benutten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst.

Woon- en leefklimaat

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

Toetsing

Met het plan is sprake van nieuwbouw in het buitengebied van de kern Kesteren. Door het gebruik van het VAB-beleid zullen agrarische bedrijfsgebouwen die niet langer voor agrarische doeleinden worden gebruikt gesloopt worden. Deze sloopmeters bieden de kans om een nieuwe woning te realiseren op de locatie aan de Schaapsteeg. Dit sluit aan bij een goed woon- en leefklimaat. Ook wordt er in het plan rekening gehouden met klimaatadaptatie, aangezien er een landschappelijk inpassingsplan wordt opgesteld.

Het plan draagt bij aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Ten aanzien van voorliggend initiatief zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'intrekgebied', 'landschap', 'woonlocaties' en 'klimaatadaptatie' relevant.

Paragraaf 4.3.6 Intrekgebieden

Het projectgebied bevindt zich in een 'intrekgebied'. In paragraaf 4.3.1 zijn regels opgenomen over activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater. In paragraaf 4.3.6 is opgenomen dat in ruimtelijke plannen die plaatsvinden in een intrekgebied, geen functies zijn toegestaan om een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte.

Artikel 5.33 Beschermen landschap algemeen

Afdeling 5.3 is opgenomen met het oog op de instandhouding en versterking van de landschappelijke diversiteit en kwaliteiten. Volgens artikel 5.33 van de provinciale omgevingsverordening moet bij iedere ontwikkeling rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In het bijzonder geldt dit voor locaties binnen de nationale landschappen. Het projectgebied ligt in de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard. Daarom moet bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden worden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

Artikel 5.64 'Woonlocaties en recreatiewoningen'

In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan nieuwe woningen alleen toe laat als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:

  • a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
  • b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

Artikel 5.85 'Klimaatadaptatie', instructieregel klimaatadaptie

Voor zover een initiatief een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van de instructieregel klimaatadaptie de toelichting bij het ruimtelijke plan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing

Voor art. 4.3.6 (Intrekgebieden) geldt dat het plan voorziet niet in de realisatie van een mijnbouwwerk. Om die reden zijn de regels met betrekking tot het intrekgebied in overeenstemming met de instructieregel 'Intrekgebieden'.

Voor art. 5.33 (landschap) geldt dat het projectgebied niet in een gebied ligt waarvoor specifieke kernkwaliteiten gelden voor Betuwe en Tielerwaard. Wel geldt dat het initiatief landschappelijk is ingepast, waarbij een landschappelijke analyse is uitgevoerd en waarbij de landschappelijke inpassing is aangepast naar de uitgangspunten van dat gebied. Dit is onder meer gedaan door het toepassen van streekeigen beplanting, de noord-zuidstructuur, de traditionele verdeling van het erf en de uitlijning van de bebouwing.

Voor art. 5.7.1 (woonlocaties) geldt dat het project in overeenstemming is met de regionale woonagenda. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.

Voor art. 5.85 (klimaatadaptatie) geldt dat het project rekening houdt met klimaatverandering binnen het projectgebied. Door middel van landschappelijke inpassing worden er oplossingen geboden voor problemen zoals hittestress en wateroverlast.

Het plan draagt bij aan de Omgevingsverordening provincie Gelderland.

3.2.3 Actieplan wonen 2020-2025

Het Actieplan Wonen is op 27 mei 2020 vastgesteld door de Provinciale Staten van Gelderland. Gelderland heeft te maken met een urgente vraag naar meer woonruimte. Tot 2030 moeten er in de provincie ruim 80.000 nieuwe woningen gebouwd worden. Het provinciale 'Actieplan Wonen 2020-2025' is een actieplan voor heel Gelderland. Met het plan wil de provincie het tekort aan (betaalbare) huizen terugdringen. Er moet worden gewerkt aan het oplossen van het woningtekort. Vanuit deze insteek benoemt het 'Actieplan Wonen 2020-2025' twaalf acties voor de woningmarkt en nodigt gemeenten en andere bij het bouwen en wonen betrokken partijen uit om samen met de provincie een impuls te geven aan de (verdere) versterking en vernieuwing van de regionale samenwerking. De twaalf acties zijn ondergebracht in drie thema's. Deze thema's betreffen:

  • acties om de woningbouw te versnellen;
  • acties voor betaalbaar wonen;
  • acties voor meer flexibele woonvormen.

Acties om de woningbouw te versnellen

Het 'Actieplan Wonen' versnelt de komende vijf jaar de bouwproductie van 43.000 woningen, met vijftig doorbraakprojecten beginnend met grote projecten met een harde status die voor 2025 gerealiseerd kunnen zijn. Daarnaast zorgen de acties ervoor dat overal in Gelderland in het Omgevingsplan voldoende bouwplannen zijn opgenomen die uitgevoerd kunnen worden.

Acties voor betaalbaar wonen

Het 'Actieplan Wonen' zorgt voor de betere beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale en middeldure huur- en koopwoningen. De provincie zet daarbij niet alleen bestaande provinciale instrumenten in, zoals afspraken in de regionale woonagenda's, maar draagt ook bij aan de financiering en/of totstandkoming van deze woningen.

Acties voor meer flexibele woonvormen

Het 'Actieplan Wonen' wil 2.000 flexibele woningen (tijdelijke huizen gerealiseerd door nieuwbouw of transformatie van bestaande woningen) toevoegen.

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Dit is in lijn met acties om woningbouw te versnellen. Het project draagt bij aan het actieplan wonen 2020-2025 van de provincie Gelderland.

3.2.4 Conclusie provinciaal beleid

Het initiatief is in lijn met het provinciaal beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woonagenda 2020-2030

In het najaar van 2020 is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Neder-Betuwe heeft samen met de andere regiogemeenten vijf thema's gekozen waarin we samenwerking zoeken:

  • Continuïteit in productie we de bestaande woningbouwplannen versneld uitgevoerd zullen worden en waar geprobeerd wordt om adaptief (flexibeler) te programmeren;
  • Betaalbaarheid waarbij extra ingezet wordt op huishoudens met een laag- of middeninkomen;
  • Flexibiliteit op de woningmarkt: er is een toenemend aantal inwoners dat behoefte heeft aan betaalbare en snel beschikbare woonruimte;
  • Wonen en zorg waarbij er voldoende passende en betaalbare woonruimte beschikbaar moet zijn in een breed scala aan woonvormen;
  • Duurzame woningvoorraad waarbij gekeken wordt naar de Regionale Energie Strategie (RES) die invulling moet geven aan de ambities uit het Klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord.

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Hier wordt gebruik gemaakt van de rood-voor-rood regeling. Deze regeling maakt een flexibele woningmarkt mogelijk. Tevens draagt het bij aan het sneller vrijkomen van woonruimte. Het project draagt bij aan de Regionale woonagenda 2020-2030.

3.3.2 Woondeal Rivierenland 2022-2030

De Woondeal Rivierenland die de acht gemeenten in de regio Rivierenland opstelden in samenwerking met de provincie Gelderland en het Ministerie van Binnenlandse zaken is de regionale uitwerking van de Nationale Woon- en Bouwagenda die in het voorjaar van 2022 verscheen. De provincie Gelderland koos ervoor de Gelderse Woondeal op te stellen. In Gelderland is afgesproken de komende jaren in te zetten op de bouw van 100.000 woningen, waarvan minimaal 60% betaalbaar en waarvan minimaal 28% sociale huur door corporaties.

De Gelderse Woondeal is vervolgens vertaald in regionale Woondeals. Voor de regio Rivierenland is een woonambitie van 10.000 tot 13.000 te realiseren woningen vanaf 2022 tot en met 2030 bepaald. Concreet is afgesproken regionaal in te zetten op de realisatie van circa 12.550 nieuwe woningen en met daarbij een regionaal streven voor de realisatie van 30% sociale huur en 8% vrije sector huur in het woningbouwprogramma tot 2030.

De ambities vragen om nieuwbouw die is gericht op de lokale behoefte en bijdraagt aan de vraag naar meer levensloopbestendige, betaalbare en duurzame woningen. Dit kan enerzijds door het bouwen van passende woningen voor deze doelgroepen en anderzijds door het zorgen van doorstroming op de woningmarkt, waardoor uiteindelijk starters meer kans krijgen.

Uit navolgende tabel komt naar voren dat voor de gemeente Neder-Betuwe wordt uitgegaan van 1.396 te realiseren woningen (bruto). Daarbij wordt een tekort aan sociale huurwoningen en goedkope koopwoningen geconstateerd. Voor de gemeente Neder-Betuwe gaat het om minimaal 950 en maximaal 1.400 woningen tot 2030.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0005.jpg"

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw aan de Schaapsteeg in Kesteren, gelegen in de gemeente Neder-Betuwe. Dit plan draagt bij aan het realiseren van 1.396 te realiseren woningen in de gemeente Neder-Betuwe.

3.3.3 Conclusie regionaal beleid

Het initiatief is in lijn met het regionaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe

De Omgevingsvisie Neder-Betuwe richt zich op tien speerpunten. Deze tien speerpunten laten zien waar de gemeente zich de komende jaren op wil richten. Dit willen ze samen doen met de inwoners, ondernemers, organisaties, de regio en andere partners en overheden. De tien speerpunten zijn:

  • 1. Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken;
  • 2. Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt;
  • 3. Wonen voor iedereen;
  • 4. Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar;
  • 5. Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit;
  • 6. Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren;
  • 7. Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier;
  • 8. Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat;
  • 9. Een gezonde, groene en biodiverse omgeving;
  • 10. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente.

Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven. Navolgende afbeelding geeft Kesteren weer op de richtinggevende kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0006.jpg"

Richtinggevende kaart gemeente Neder-Betuwe

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Hier wordt gebruik gemaakt van de rood-voor-rood regeling, waarbij een woning gebouwd kan worden in ruil voor de sloop van agrarische bebouwing binnen de gemeente. Dit initiatief draagt bij aan het speerpunt 'wonen voor iedereen', aangezien er woonruimte vrijkomt in het buitengebied. Tevens dient er in Kesteren meer woonruimte gerealiseerd te worden. Het initiatief sluit aan op de Omgevingsvisie Neder-Betuwe.

3.4.2 Wonen voor iedereen - Programma wonen 2022-2030

De woonvisie 'Wonen voor iedereen - Programma wonen 2022-2030' van de gemeente Neder-Betuwe richt zich op het creëren van een evenwichtige en inclusieve woningmarkt. De woonvisie richt zich op zes speerpunten:

  • 1. Betaalbaar voor iedereen: Het programma streeft ernaar om woningen betaalbaar te maken voor alle inkomensgroepen, met speciale aandacht voor sociale huur- en koopwoningen.
  • 2. Beschikbaar voor iedereen: Er wordt gewerkt aan het vergroten van het aanbod van woningen, zodat er voldoende woningen beschikbaar zijn voor iedereen.
  • 3. Vindbaar voor iedereen: Het verbeteren van de toegankelijkheid van informatie over beschikbare woningen, zodat inwoners gemakkelijk passende woningen kunnen vinden
  • 4. Lage Inkomens: De gemeente zet in op extra sociale huur bij nieuwbouwprojecten.
  • 5. Starters: De gemeente Neder-Betuwe is een relatief jonge gemeente. Voor deze groep is betaalbaarheid van woningen erg belangrijk. Daar wordt door de gemeente op ingezet.
  • 6. Senioren: Er worden levensloopbestendige woningen en kleinschalige woonoplossingen voor zorgdoelgroepen gerealiseerd.

Tevens zet de gemeente hoog in op samenwerking. De gemeente werkt samen met regionale en lokale partners, zoals woningcorporaties en bouwers, om de doelen te bereiken. Er wordt een woonmonitor bijgehouden om de voortgang van de woningmarkt en de realisatie van de speerpunten te volgen.

Toetsing

Voorliggend initiatief sluit goed aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Neder-Betuwe en bij het programma Wonen voor iedereen. Er is een noodzaak om in de gemeente Neder-Betuwe nieuwe woningen te realiseren. De realisatie van deze woning creëert tevens een nieuwe doorschuifmogelijkheid voor anderen. Dat draagt bij aan een woning voor iedereen.

3.4.3 Beleidsnotitie hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing Neder-Betuwe 2016

Op 9 juni 2016 is de beleidsnotitie hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing Neder-Betuwe 2016 vastgesteld. In deze beleidsnotitie wordt aandacht besteed aan het vervangen van bestaande leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing voor woningen. Dit om te voorzien in de behoefte aan wonen in een landelijke omgeving, waarbij de nieuwe bewoners bijdragen aan het versterken van de vitaliteit van het buitengebied.

De functie van desbetreffende locaties zal veranderen naar wonen, in ruil voor de sanering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied. Dit kan door middel van gesloopte bebouwing binnen het perceel, of door de aankoop van sloopmeters op een ander perceel. Navolgende afbeelding geeft weer hoeveel compensatiewoningen zijn toegestaan, op basis van het aantal sloopmeter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0007.jpg"

Aantal compensatiewoningen voor aantal sloopmeters

Wel wordt er benoemd dat de uitgangspunten alleen gelden als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • alle op het perceel aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen, bouwwerken en overige voorzieningen dienen te worden gesloopt/verwijderd;
  • nieuwbouw vindt plaats op het perceel waar ook de sloop plaatsvindt. Soms zijn daartoe aantoonbaar geen mogelijkheden of is een andere locatie ruimtelijk gezien een goed alternatief;
  • de maximale omvang van de nieuw te bouwen woning(en) is 750 m3 per woning;
  • er wordt een zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de nieuwe woning en de bijgebouwen;
  • nieuw te bouwen woningen mogen niet leiden tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven.

Dit beleid heeft geresulteerd in het bestemmingsplan 'VAB-beleid' van de gemeente Neder-Betuwe, vastgesteld op 9 maart 2017.

Toetsing

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een woning op onbebouwde agrarische grond. Om deze woning te realiseren zijn, in overeenstemming met de gemeente, 2.090 m2 aan sloopmeters aangekocht van een ander perceel binnen de gemeente Neder-Betuwe. Zoals benoemd in het beleid, mag daarvoor in de plaats één vrijstaande woning worden gebouwd, met een maximale inhoud van 750 m3. Tevens is er een landschappelijk inpassingsplan ontwikkeld. Tot slot leidt de nieuwbouw niet tot beperking van ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2, Voorliggend initiatief voldoet aan de voorwaarden.

Het initiatief is in lijn met de beleidsnotitie 'Hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing Neder-Betuwe 2016'.

3.4.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Het initiatief is in lijn met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde leefomgeving

4.1 Weging van het waterbelang

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.

4.1.1 Beleid

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Watervisie 2050

Haar visie op een toekomstbestendig rivierengebied en de bijdrage die het waterschap daar zelf aan wil leveren is verwoord in de Watervisie 2050. De Watervisie reikt met een horizon tot 2050 verder dan de planperiode van het WBP (2022-2027). De Watervisie is het strategisch kader voor de lange termijn en het WBP is een tactische vertaling voor de planperiode. In de Watervisie 2050 is het gewenste toekomstbeeld beschreven: een toekomstbestendig rivierengebied. Om dit toekomstbeeld te bereiken moeten in het WBP keuzes worden gemaakt. De principes uit de Watervisie helpen om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. Deze principes zijn als volgt:

  • 1. de natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt;
  • 2. water is bepalend voor de inrichting van het gebied;
  • 3. we zijn zuinig op water en grondstoffen;
  • 4. de focus ligt op de bescherming van het gebied tegen overstromingen;
  • 5. uitdagingen worden aangepakt binnen de huidige generatie en niet afgewenteld op volgende generaties;
  • 6. waterbeheer van de toekomst: er worden maatschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt;
  • 7. met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerplan ‘Versterken. Verbinden. Vergroenen.’ beschrijft de doelen van Waterschap Rivierenland voor de periode 2022-2027. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Regionaal Waterprogramma Gelderland en het Stroomgebiedsbeheerplan. De visie voor het waterbeheerprogramma is afgeleid van de langetermijnvisie die wordt gesteld in de Watervisie 2050. De kortetermijnvisie wordt in het waterbeheerprogramma uitgewerkt. Aan de volgende waterthema’s wordt in het waterbeheerprogramma van 2022-2027 extra aandacht besteed:

  • Beschermen tegen overstromingen;
  • Water eerlijk verdelen;
  • Voorbereiden op extreem weer;
  • Werken aan schoon water;
  • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur;
  • Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit;
  • Toewerken naar circulariteit.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen en het klimaat. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. Net als in voorgaand Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

4.1.2 Doorvertaling omgevingsplan

Situatie projectgebied

De ontwikkeling voorziet ter plaatse van het projectgebied in de nieuwbouw van een vrijstaande woning. Met de ontwikkeling is sprake van een toename van de verharding van circa 500 m2. De ruimte rondom de bebouwing wordt groen ingericht, de erfverhardingen worden uitgevoerd in halfverharding en grasbetonstenen. Aan de oostzijde van het erf wordt een greppel aangelegd om hemelwater afkomstig van verhard oppervlak in op te vangen. Hemelwater afkomstig van de nieuw te realiseren bebouwing wordt daarmee niet op de riolering geloosd, maar afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem.

Voor de ontsluiting van het perceel op de Schaapsteeg zal een duiker worden aangelegd in de watergang ten oosten van het projectgebied. Hiervoor wordt bij de verdere uitwerking van het initiatief een vergunning aangevraagd.

Het wateradvies

Voor het ruimtelijke plan moet worden aangetoond dat de waterhuishouding ter plaatse niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Om de gevolgen in kaart te brengen, dient het ‘het wateradvies’ te worden aangevraagd. Naar aanleiding van deze scan van de wateraspecten, geeft waterschap Rivierenland, in samenwerking met de gemeente, advies en uitgangspunten met betrekking tot de waterhuishouding. Het doel van de scan van de wateraspecten is water-belangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd.

Via ‘het wateradvies’ is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Voor dit plan is op 8 mei 2025 ‘het wateradvies’ aangevraagd. Hieruit blijkt dat de ‘korte procedure’ doorlopen moet worden. Bijlage 2 geeft het advies van het waterschap aan. Bij een toename van 1.500 m2 verharding dient een watercompensatieopgave aangeleverd te worden. Aangezien er geen toename van 1.500 m2 verharding zal plaatsvinden, is een watercompensatieopgave niet noodzakelijk. Nadere toetsing aan het aspect water is daarom niet noodzakelijk.

In een reactie op het initiatief geeft het waterschap aan dat nabij de locatie een secundaire watergang loopt die in het beheer is van het waterschap. Deze watergang is in 'het wateradvies' niet teruggekomen omdat de plancontour niet ruim genoeg was ingetekend. Het waterschap geeft aan dat de activiteiten in het water en bijbehorende beschermingszones vergunning- en/ of meldingplichtig zijn. Ze zien daarom graag een nadere toelichting in de motivering. Deze is naar aanleiding van de reactie opgenomen in voorgaande paragraaf ('situatie projectgebied').

Verder geeft het waterschap aan dat het plan gebruik kan maken van de eenmalige vrijstelling van 1.500 m2 die wordt gehanteerd buiten de bebouwde kom. Omdat deze eenmalig is, adviseert het waterschap in de motivering een verhardingsbalans op te nemen waarin de nieuwe oppervlaktes worden opgevoerd. De hoeveelheid aan toename van verharding is naar aanleiding van deze reactie in voorgaande paragraaf ('situatie projectgebied') opgenomen.

Samenvattend geeft het waterschap aan om bij de vergunningaanvraag voor het kruisen van de watergang en activiteiten in bijbehorend beschermingszone, ook gelijk de toename van verharding aan te vragen.

4.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt:

  • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja;
  • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;
  • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
4.2.1 Beleid

Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten).

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld.

4.2.2 Doorvertaling omgevingsplan

Interne toetsing

Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich op de functie wonen binnen een omgeving waar de functies wonen en agrarisch (op kleine schaal) de boventoon voeren. Bij de functie wonen kunnen kleinschalige bedrijfsfuncties worden toegestaan in de vorm van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is tevens passend in de omgeving, aangezien deze reeds voorkomen. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn.

Externe toetsing

Omliggende bedrijven kunnen zorgen voor (milieu)hinder. In het kader van milieubelastende activiteiten wordt wonen aangemerkt als milieugevoelige functie. In de nabije omgeving van het projectgebied zijn een hoveniersbedrijf, een pluimveevermeerderingsbedrijf en een melkveehouderij gelegen.

Door Buro Ontwerp en Omgeving is in november 2025 een quickscan Bedrijven en Milieuzonering uitgevoerd om het omgevingsaspect 'milieubelastende activiteiten' te kunnen motiveren. Hiervoor is gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. De woning ligt niet binnen richtafstanden van (milieu)hinder veroorzakende functies in de directe omgeving. Het aspect geur wordt nader toegelicht in paragraaf 4.5.

4.2.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.3 Bodem

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

4.3.1 Beleid

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, daarbij rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen te beheren.
4.3.2 Doorvertaling omgevingsplan

Door Buro Ontwerp en Omgeving is in februari 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Hieronder worden kort de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek besproken.

  • Tijdens de uitvoering van het veldwerk is vastgesteld dat in drie boringen in de bovengrond enkele sporen baksteen zijn aangetroffen. In een andere boring is een spoor plastic afval aangetroffen. In de overige boringen en bodemlagen zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging;
  • Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen;
  • Geen van de aangetoonde waarden van de onderzochte parameters overschrijdt de interventiewaarde;
  • In de zintuiglijk schone bovengrond van het terrein ligt enkel het gehalte koper in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. In de bovengrond met een bijmenging van sporen of resten baksteen overschrijden geen parameters de kwaliteitsklasse voor ‘Landbouw/natuur’. In het mengmonster voor de bovengrond met bijmengingen van plastic afval ligt het gehalte nikkel in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’;
  • De zintuiglijk schone ondergrond bestaande uit klei en zand bevatten een gehalte nikkel dat tot de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ behoort;
  • Tot slot bevat het grondwater geen parameters die boven de signaleringswaarde uitkomen.

Conclusies en aanbevelingen

In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten ten opzichte van de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ aangetoond. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Er bestaan geen belemmeringen voor het realiseren van nieuwbouw op de locatie.

4.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.4 Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

4.4.1 Beleid

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

4.4.2 Doorvertaling omgevingsplan

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt dat het dichtst bij het projectgebied ligt (27364178_64343 aan de snelweg A15) kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2023:

  • NO2: 21,9121 µg/m3
  • PM10: 16,6383 µg/m3
  • PM2,5: 9,0617 µg/m3

Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

4.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.5 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect geur.

4.5.1 Beleid

Bij bedrijven kunnen activiteiten plaatsvinden die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

4.5.2 Doorvertaling omgevingsplan

Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van één woning die aangemerkt kan worden als geurgevoelige gebouw. Het projectgebied is gelegen in het zuidoostelijk deel van het buitengebied van de kern Kesteren.

Er is één melkveehouderij gelegen aan de Schaapsteeg 14 te Lienden. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 50 m (buiten de bebouwde kom). De nieuwe woning is voorzien op circa 118 m afstand van het agrarisch bouwvlak van de desbetreffende melkveehouderij. Dit bedrijf wordt daarmee niet in zijn bedrijfsvoering beperkt door de voorgenomen ontwikkeling.

Daarnaast is er één pluimveevermeerderingsbedrijf in de directe omgeving van het projectgebied (aan de Fruitstraat 66, op 215 m afstand van de nieuwe woning). Voor dit pluimveevermeerderingsbedrijf geldt dat er al woningen tussen het projectgebied en het betreffende pluimveebedrijf aanwezig zijn, die maatgevend zijn voor dit bedrijf. Dit bedrijf wordt daarmee niet in zijn bedrijfsvoering beperkt door de voorgenomen ontwikkeling.

Voor wat betreft het woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige woning is gebruik gemaakt van de Geurgebiedsvisie Neder-Betuwe. Op de geurnormenkaart is te zien dat er sprake is van een acceptabel geurniveau in het projectgebied. Er is daarmee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige woning. Er zijn sinds het opstellen van de Geurgebiedsvisie Neder-Betuwe geen ontwikkelingen bij veehouderijen geweest die ervoor zorgen dat er na het maken van de geurnormenkaart alsnog een onacceptabel geurniveau is ontstaan.

4.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.6 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door bedrijven, wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

4.6.1 Beleid

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen, worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • het bevorderen van bronmaatregelen;
  • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
  • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het aspect geluid afgewogen worden.

4.6.2 Doorvertaling omgevingsplan

Door Buro Ontwerp & Omgeving is mei 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd.

De ontwikkeling is gelegen nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de geluidaandachtsgebieden rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Daaruit komt naar voren dat onderzoek naar geluidhinder afkomstig van de rijksweg A15, Schaapsteeg, spoorlijn Arnhem-Tiel, en de Betuweroute noodzakelijk is.

Toetsing aan de Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Rijksweg

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Rijksweg (A15), bedraagt 54 dB. Bij de nieuwe woning wordt de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl overschreden, echter wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB uit het Bkl.

Gemeentelijke weg

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentewegen (Schaapsteeg (overgaand in de Oude Broekdijk) en nabij de Zilverlandseweg ( overgaand in de Fruitstraat)), bedraagt 57 dB. Bij de nieuwe woning wordt de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl overschreden, echter wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl.

Spoorlijnen

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de spoorlijnen (spoorlijn Arnhem – Tiel en Betuweroute), bedraagt 54 dB. Bij de nieuwe woning wordt voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB uit het Bkl.

Toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB.

De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 59 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (59-33=) 26 dB worden bereikt. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl te halen.

4.6.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.7 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

4.7.1 Beleid

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen

beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
4.7.2 Doorvertaling omgevingsplan

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Een woning wordt aangemerkt als kwetsbaar gebouw. Navolgende afbeelding geeft het projectgebied globaal (rood kader) weer ten opzichte van mogelijke risicobronnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0008.jpg"

Globaal projectgebied (rood kader) op kaart omgevingsveiligheid

Het projectgebied is niet gelegen binnen een risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Nader onderzoek naar het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk.

4.7.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.8 Spuitzonering

4.8.1 Beleid

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen ‘voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige’ objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van (fruit)bomen wordt bij ruimtelijke plannen als vuistregel een afstand van 50 m gehanteerd tussen een (fruit)boomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Een kortere afstand kan aanvaardbaar zijn, mits in een locatiespecifiek onderzoek is gemotiveerd dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

4.8.2 Doorvertaling omgevingsplan

De locatie aan de Schaapsteeg grenst aan gronden met de bestemming 'Agrarisch'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn volgens het omgevingsplan 'Buitengebied Kesteren' onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren en bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag. Het is daarom niet uitgesloten dat er productieboomgaarden, zacht-fruitopstanden en/of boomkwekerijen kunnen worden opgericht.

Voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op grond dat in eigendom is van de initiatiefnemer. De aangrenzende agrarische gronden ten oosten van het projectgebied zijn eveneens in eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn in gebruik als weidegrond/grasland. Initiatiefnemer is niet voornemens om gewasbeschermingsmiddelen te spuiten op de genoemde gronden. Bovendien is de maatvoering van de genoemde gronden niet geschikt voor een doelmatig gebruik van agrarische bedrijfsactiviteiten waar wel gespoten kan worden (zoals een boomgaard).

Ten westen van de het projectgebied zijn eveneens agrarische gronden aanwezig. Deze gronden zijn in gebruik als weidegrond/grasland ten behoeve van de melkveehouderij aan de Schaapsteeg 14. Deze gronden grenzen gelijk aan het erf van dit bedrijf. De gronden zijn benodigd voor een doelmatige bedrijfsvoering van de melkveehouderij (het weiden van melkvee en uitrijden van mest). Er zijn geen plannen bekend voor een eventuele omzetting van de weidegronden in gronden voor de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Gezien de economische waarde van een melkveebedrijf met aangrenzende weidegronden is het onaannemelijk dat een dergelijke omzetting zich zal voordoen. Om voorgaande redenen is het niet aannemelijk dat deze gronden ingezet zullen worden voor de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt die om bescherming vragen ten opzichte van woningen. De initiatiefnemer heeft met de grondeigenaar overeenstemming bereikt dat de grondeigenaar geen gebruik zal maken van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van de nieuwe woning.

Ten zuiden van het projectgebied zijn gronden aanwezig die gebruikt worden voor akkerbouw en boomteelt. De afstand tussen het projectgebied en deze gronden bedraagt circa 100 m. Tussen het projectgebied en de betreffende gronden is reeds een andere woning gelegen. De realisatie van de beoogde woning zal daarmee niet zorgen voor een (verdere) belemmering van de genoemde gronden.

Ter bescherming van het woon- en leefmilieu die op basis van onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt een spuitvrije-zone van 50 meter rondom het projectgebied opgenomen.

4.8.3 Conclusie

Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9 M.e.r-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een initiatief met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van het voorgenomen initiatief, in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage, moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

4.9.1 Beleid

De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een initiatief:

  • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
  • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het initiatief leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op initiatieven of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

4.9.2 Doorvertaling omgevingsplan

Het voorliggende plan maakt één woning mogelijk van 750 m3 en een bijgebouw van 70 m2. Om toepassing te kunnen geven aan het VAB-beleid is daar een oppervlak van 2.090 m² aan te slopen agrarische bebouwing voor verworven. De bebouwing in het buitengebied neemt de facto dus aanmerkelijk af.

Uit onder meer de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253 volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Bijlage V, onder J11 van het Omgevingsbesluit afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van het initiatief een rol spelen.

Zoals hiervoor is aangegeven gaat het om een ontwikkeling waarbij het ruimtebeslag van de bebouwing gering is. De toevoeging van de bebouwingsmogelijkheden is van kleinschalige aard. Ten opzichte van de bebouwingsmogelijkheden die ter plaatse in het recente verleden nog bestonden, wordt feitelijk gezien geheel geen extra bebouwing mogelijk gemaakt. Bovendien wordt in relatie tot de voorgestelde ontwikkeling elders in het buitengebied een veelvoud aan bebouwing verwijderd. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel als gevolg van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan, maar die functie is passend binnen het landelijke karakter van de omgeving.

Gelet op het voorgaande wordt vastgesteld dat de wijziging van het omgevingsplan geen stedelijke ontwikkelingsproject betreft als bedoeld in Bijlage V, onder J11 van het Omgevingsbesluit. Derhalve is geen plan-m.e.r.-beoordeling nodig.

4.9.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.10 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

4.10.1 Beleid

Onderzoek naar explosieven dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.10.2 Doorvertaling omgevingsplan

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek wijst uit dat het projectgebied een verdachte locatie voor artilerie-, mortier- en raketbeschieting betreft.
Een oppervlaktedetectie onderzoek kan uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Voor indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal moeten zijn aangetoond dat er geen explosief materiaal aanwezig is. In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.10.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect explosieven geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.11 Conclusie veilige en gezonde leefomgeving

De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

5.1.1 Beleid

In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/Bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

5.1.2 Doorvertaling omgevingsplan

In artikel 5.129g van het Bkl wordt beschreven dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Bij voorliggend initiatief is er sprake van een woningbouwlocatie. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met meer dan elf woningen worden aangemerkt als woningbouwlocatie. In dit geval zal er slechts één woning gerealiseerd worden. Dat houdt in dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is, aangezien er vanaf elf nieuwe woningen pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

5.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

5.2.1 Beleid

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
5.2.2 Doorvertaling omgevingsplan

Voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn grondwerkzaamheden en aantasting van mogelijk cultuurhistorisch waardevolle objecten relevant. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur en groenvoorzieningen. De archeologische verwachtingswaarde van het projectgebied is verwerkt in de 'Parapluregeling Archeologie' van de gemeente Neder-Betuwe. Hieruit blijkt dat het projectgebied geen dubbelbestemming voor archeologie bevat. Nadere toetsing naar dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

In 2022 zijn de Waarderingskaart historisch cultuurlandschap en de Waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw vastgesteld. Uit de volgende afbeeldingen blijkt, dat er ter plaatse van het initiatief geen hoog of zeer hoog gewaardeerde cultuurhistorische objecten aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0009.jpg" Uitsnede waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1_0010.jpg"

Uitsnede waarderingskaart historisch cultuurlandschap

In en rond het projectgebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Tevens wordt het landschap niet belemmerd door voorliggend initiatief. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de aspecten cultuurhistorie en landschap.

5.2.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.3 Ecologie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

5.3.1 Beleid

Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.

De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer.

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen.

5.3.2 Doorvertaling omgevingsplan

Door Buro Ontwerp en Omgeving is februari 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in onderstaande alinea's samengevat.

Gebiedsbescherming

Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Rijntakken dat op circa 2,1 kilometer ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt. Het enige andere Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand is het Binnenveld (ca. 9 km).

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht.

Om deze reden is in november 2025 een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr in de gebruiksfase plaatsvindt. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief. Tevens is er voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelzone

Het onderzoeksgebied ligt op ca. 980 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 940 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (Figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

Houtopstanden

De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht.

Soortenbescherming

Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt voor de hermelijn en de wezel ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Deze soorten dienen nader onderzocht te worden.

  • Hermelijn en wezel: Een groot deel van de elzen langs de westelijke grens van het onderzoeksgebied zijn geschikt als verblijfplaats voor de hermelijn en wezel. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van de hermelijn en wezel niet worden uitgesloten.

Nader onderzoek

In november 2025 is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek ecologie uitgevoerd naar kleine marterachtigen binnen het projectgebied. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het projectgebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd.

Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn geen nesten van vogels aangetroffen binnen het plangebied. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht in acht wordt genomen.

Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Er gelden in het kader van natuurwetgeving geen verdere vervolgstappen.

5.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.4 Verkeer en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

5.4.1 Beleid

De omgevingsvisie van de gemeente Neder-Betuwe moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient onder meer hieraan getoetst te worden. Daarnaast zijn er ook bekende richtlijnen vanuit het CROW. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen (Nota Parkeernormen Neder-Betuwe). Het plan dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden.

5.4.2 Doorvertaling omgevingsplan

Verkeer

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. De ontsluiting vindt in de toekomstige situatie plaats via een nog aan te leggen inrit aan de Schaapsteeg.

Om de verkeersgeneratie van het te ontwikkelen plan te bepalen, is gebruik gemaakt van de CROW publicatie Parkeerkencijfers 2024 (publicatie 744). Navolgend is de verkeersgeneratie van het plan voor een vrijstaand koophuis genomen. Hierbij wordt uitgegaan van een verstedelijkingsgraad 'niet stedelijk' en het gebiedstype 'buitengebied'. De bijbehorende verkeersgeneratie voor één woning bedraagt een gemiddelde verkeersgeneratie van (1,0 x 8,2 =) 8,2 voertuigen per etmaal. De Schaapsteeg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Uit het regionale verkeersmodel (Goudappel, 2021) blijkt dat de intensiteit van deze weg rond de 500 mtv/etmaal ligt. Een toename van 8,2 voertuigen per etmaal is dan ook voor deze weg acceptabel.

Parkeren

Om de hoeveelheid parkeerplaatsen te bepalen, is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe. Voor het gebiedstype 'buiten de bebouwde kom' geldt een gemiddelde parkeerbehoefte van (1,0 x 2,8=) afgerond naar boven drie parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd.

5.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'.

5.5.1 Beleid

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water

Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van de provincie en hoogheemraadschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie paragraaf 4.1).

5.5.2 Doorvertaling omgevingsplan

De woning wordt volgens de huidige normen op het gebied van duurzaamheid gebouwd. Ook wordt de woning volledig geïsoleerd en toekomstbestendig opgeleverd, om te voldoen aan de eisen voor energiezuinige bebouwing. Voor klimaatadaptatie geldt dat er binnen het projectgebied verschillende landschapselementen worden toegevoegd, in de vorm van knotwilgen, een fruitboomgaard, een haag en een zwarte els. Door middel van deze landschappelijke inpassing worden er oplossingen geboden voor problemen zoals hittestress en wateroverlast

5.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

In overleg met de buurman van de Schaapsteeg 7 en 9 zijn er afspraken gemaakt over de bouw van een woning tussen beide percelen. Hierop is geen bezwaar gemaakt. Verder wordt participatie niet noodzakelijk geacht, gezien de ligging in het buitengebied van Kesteren, en het geringe aantal omwonenden.

6.2 Kostenverhaal

De gemeente hoeft geen belangrijke voorinvesteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar.

Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

6.3 Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Het ontwerp TAM-Omgevingsplan heeft van 18 december 2025 tot en met 29 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Ten aanzien van het ontwerp TAM-omgevingsplan zijn gedurende bovengenoemde termijn geen zienswijzen naar voren gebracht.

Ambtshalve is het TAM-Omgevingsplan op een aantal onderdelen gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd.


Verbeelding

Per abuis was de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' op gronden van de gemeente Buren gelegd. Deze aanduiding is daarom aangepast zodat de aanduiding uitsluitend binnen de grenzen van de gemeente Neder-Betuwe liggen.


Motivering

Het waterschap heeft een reactie op het plan gegeven. Deze reactie is verwerkt in paragraaf 4.1. Naar aanleiding van een overeenstemming die de initiatiefnemer heeft bereikt met de grondeigenaar van agrarische gronden ten westen van het projectgebied om geen gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van de nieuwe woning te gebruiken, is paragraaf 4.8 aangepast.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een motivering. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen functies. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de functies. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

7.2 Juridische systematiek

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vijf hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende bepalingen, de specifieke regels over functies, de algemene regels over functies, regels ter bescherming van waarden en objecten en de overgangsregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe.

7.3 Toepassingsbereik TAM-omgevingsplan

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de, onder de Wro gebruikte, IMRO-standaard en de voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-vst1, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. projectgebied opgenomen.

7.4 Beschrijving per functie

7.4.1 Specifieke regels over functies

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan is de functie 'Wonen' opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functie nader toegelicht. Per functie is in deze paragraaf beschreven waarvoor de gronden zijn bestemd.

Wonen (Artikel 4)

De locatie van de nieuwe woning is aangewezen als functie 'Wonen'. Voor deze gronden gelden de functies bewoning, bijbehorende voorzieningen en landschappelijke beplanting.

Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 m en 9 m.

Naast de woningen mogen tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De (maatvoerings)eisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder 4.9 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken en 4.10 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.4.2 Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels over functies. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de volgende aanduiding.

Milieuzone - spuitzone (artikel 6.1)

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitzone' dienen tevens voor de bescherming van het woon- en leefmilieu die op basis van onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt. Als gebruik in strijd met de aanduiding 'Milieuzone - spuitzone' wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

7.4.3 Regels ter bescherming van waarden en objecten

In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben om specifieke waarden en objecten in het projectgebied te beschermen. In voorliggend omgevingsplan gaat het om de volgende waarden.

Vrijwaringszone - weg (Artikel 8)

Een locatie die is aangewezen als 'Vrijwaringszone - weg' heeft mede als functie de bescherming van het gebruik van de verkeerswegen.