Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Broedershof Echteld
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22i.' gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1 Omgevingsplan Neder-Betuwe
Dit plan wijzigt het omgevingsplan Neder-Betuwe in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe een hoofdstuk 22r wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22r van het omgevingsplan Neder-Betuwe. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22r.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22r.]' gelezen worden.
 
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
 
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Broedershof Echteld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
2.1 Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan.
 
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.53 gehanteerd.
 
2.3 Plan
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Broedershof Echteld met identificatienummer
NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
2.4 Locatievlak
een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
 
2.5 aanbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is;
 
2.6 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
2.7 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
2.8 archeologische deskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg;
 
2.9 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden;
 
2.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
2.11 bebouwingspercentage
het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd;
 
2.12 bed & breakfast:
een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;
 
2.13 bedrijfs-/dienstwoning:
een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is;
 
2.14 begane grondbouwlaag:
de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;
 
2.15 bestaand:
  • bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het vastgesteld van dit plan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouwvergunning;
  • bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit hoofdstuk bestond;
 
2.16 bijgebouw:
een vrijstaand of aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat door zijn situering en/of afmetingen ondergeschikt is aan dat op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en die vanuit het hoofdgebouw niet rechtstreeks toegankelijk is;
 
2.17 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
2.18 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
2.19 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m;
 
2.20 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.21 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
2.22 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
2.23 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
2.24 bouwwijze:
de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij wordt verstaan onder:
a. aaneengebouwd:
bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen;
 
b. gestapeld:
bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;
 
c. twee-aan-een:
bebouwing waarvan het hoofdgebouw aan maximaal één zijde grenst aan een ander hoofdgebouw en daardoor aan die zijde in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd;
 
d. vrijstaand:
bebouwing waarbij het hoofdgebouw aan beide zijden niet in de perceelsgrens is gebouwd;
 
2.25 carport:
een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of
ondersteuningen van het dak;
 
2.26 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen;
 
2.27 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.28 huishouden:
één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid;
 
2.29 internetverkoop:
detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt;
 
2.30 kantoor:
een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie;
 
2.31 kamer:
een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehorend bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte;
 
2.32 kamerbewoning:
bewoning van een kamer;
 
2.33 kap:
een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°;
 
2.34 kelder:
een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein;
 
2.35 luifel:
afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund;
 
2.36 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;
 
2.37 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
 
2.38 ondergronds:
onder peil;
 
2.39 ondergeschikte detailhandel:
detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt en gerelateerd is aan de hoofdfunctie en waarbij geen specifieke inrichting voor de detailhandelsfunctie is toegestaan;
 
2.40 overbouwing:
een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein;
 
 
2.41 overkapping:
bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand;
 
2.42 permanente bewoning c.q. hoofdwoonverblijf:
gebruik van een woning, recreatiewoning of andere woonruimte door eenzelfde persoon of eenzelfde huishouden op een wijze die ingevolge het bepaalde in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noopt tot inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Neder-Betuwe;
 
2.43 plat dak:
een dak met een dakhelling van minder dan 15º;
 
2.44 publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:
een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan;
 
2.45 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.46 sociale huurwoning
huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;
 
2.47 uitbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap;
 
2.48 voorgevel:
de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied;
 
2.49 voorgevelrooilijn:
de lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel);
 
2.50 voortuin:
het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de voorgevelrooilijn(en);
 
2.51 wonen:
het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.52;
 
2.52 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
 
2.53 zijtuin:
het bij de woning behorende perceelsgedeelte, dat is gelegen naast de zijgevel, tussen de voor- en achtergevelrooilijn, indien het perceelsgedeelte niet reeds is aangemerkt als voortuin.
 
   
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
3.1 Meetbepalingen
In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:
 
3.2 bebouwingspercentage
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage.
 
3.3 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
3.4 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
3.5 Inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
3.6 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
3.7 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein;
 
3.8 peil
de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
 
3.9 afstand van een gebouw tot de perceelsgrens:
de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens;
 
3.10 toepassing van maten
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m. bedraagt.
 
2 Specifieke regels over functies
Artikel 4 Groen
 
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Groen.
 
4.2 Beschrijving gebruiksdoel
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Groen heeft de volgende functies:
  1. groenvoorzieningen;
  2. speelvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de ‘specifieke vorm van groen- speelvoorziening’
  3. hondenuitlaatplaatsen;
  4. voet- en fietspaden;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. beeldende kunstwerken;
  7. geluidwerende voorzieningen;
  8. in- en uitritten;
  9. nutsvoorzieningen;
  10. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
 
4.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels
4.3.1 In- en uitritten
De gronden mogen alleen worden gebruikt voor bestaande in- en uitritten.
 
4.3.2 Parkeervoorzieningen
De gronden mogen alleen worden gebruikt voor bestaande parkeervoorzieningen.
 
4.4 Gebruiksactiviteit - verboden
4.4.1 Algemeen
  1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.
  2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 4.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
 
4.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
4.5.1 In- en uitritten
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van een nieuwe in- en uitrit.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de nieuwe in- en uitrit geen onevenredige aantasting van de groenstructuur betekent.
 
4.5.2 Parkeervoorzieningen
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van een nieuwe parkeervoorziening.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de nieuwe parkeervoorziening geen onevenredige aantasting van de groenstructuur betekent.
 
4.6 Bouwactiviteiten – algemene regels
4.6.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:
  1. bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2;
  2. alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.
 
4.6.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m;
  2. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m;
  3. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Verkeer - Verblijfsgebied.
 
5.2 Beschrijving gebruiksdoel
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Verkeer - Verblijfsgebied heeft de volgende functies:
  1. voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf;
  2. hondenuitlaatplaatsen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. straatmeubilair;
  5. kunstobjecten;
  6. geluidwerende voorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen.
 
5.3 Gebruiksactiviteit - verboden
5.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies.
 
5.3.2 Opslaan, storten of bergen
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken ten behoeve van het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de in 5.2 genoemde functies.
 
5.4 Bouwactiviteiten – algemene regels
5.4.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:
  1. bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2;
  2. alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.
 
5.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m;
  2. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m;
  3. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
Artikel 6 Water
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Water.
 
6.2 Beschrijving gebruiksdoel
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Water heeft de volgende functies:
  1. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  2. waterstaatkundige (kunst)werken;
  3. nutsvoorzieningen;
  4. kunstobjecten;
  5. groenvoorzieningen;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
 
6.3 Gebruiksactiviteit - verboden
6.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 6.2 genoemde functies.
 
6.4 Bouwactiviteiten – algemene regels
6.4.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:
  1. bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 6.2;
  2. alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.
 
6.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
Artikel 7 Wonen
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.
 
7.2 Beschrijving gebruiksdoel
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 7.3.2;
  3. (openbare) parkeerplaatsen;
  4. nutsvoorzieningen;
  5. waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
 
7.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels
7.3.1 Sociale huurwoningen
Minimaal 8 van de woningen dienen sociale huurwoningen te zijn.
 
7.3.2 Niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit
Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis gelden de volgende voorwaarden:
  1. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken
  2. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  3. degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;
  4. activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens de Omgevingswet zijn niet toegestaan;
  5. detailhandel mag niet plaatsvinden.
 
7.4 Gebruiksactiviteit - verboden
7.4.1 Algemeen
  1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2 genoemde functies van de gronden.
  2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 7.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
 
7.4.2 Kamerbewoning
Het is in ieder geval verboden om een woning te gebruiken of te laten gebruiken ten behoeve van kamerbewoning.
 
7.4.3 Zelfstandige bewoning bijbehorende bouwwerken
Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte.
 
7.4.4 Internetverkoop
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald.
 
7.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
7.5.1 Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien:
    1. een publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken
    2. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
    3. degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
    4. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse.
    5. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
    6. detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit.
 
7.5.2 Bed & Breakfast
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien
    1. de bed & breakfast wordt gerealiseerd in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken;
    2. het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning;
    3. het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²;
    4. er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden;
    5. de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening niet is toegestaan;
    6. als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
 
7.6 Bouwactiviteit - algemeen
  1. Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 7.2.
  2. Voor de in voorliggend plan toegestane bouwwerken wordt niet eerder een omgevingsvergunning verleend, en worden de werken en werkzaamheden niet eerder uitgevoerd dan nadat burgemeester en wethouders een (deel)inrichtingsplan hebben vastgesteld en de aanvraag voor de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het (deel)inrichtingsplan. Het in de voorgaande zin bedoelde inrichtingsplan, dat zich uitstrekt over een stedenbouwkundig logisch afgebakend deel van het plangebied en dat is gebaseerd op de stedenbouwkundige inrichting zoals die is opgenomen in bijlage 1 van de motivering, omvat in ieder geval de volgende elementen:
    1. De situering van wegen en paden;
    2. De situering van bouwpercelen en daarbinnen de situering van de hoofdgebouwen;
    3. De situering van parkeerplaatsen, zowel op de bouwpercelen als collectief, vergezeld van een parkeerbalans, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017-1 van de gemeente Neder-Betuwe of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren;
    4. De situering van groen en water en de inrichting van het watersysteem met watergangen, wadi's en andere waterhuishoudkundige voorzieningen;
    5. De programmering van het aantal woningen, verdeeld naar type (vrijstaande woningen, tweekappers en aaneengebouwde woningen) en het aandeel sociale huurwoningen;
    6. De gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte om te spelen en te verblijven, voorzien van referentiebeelden en voorzien van maatvoering.
  3. voordat het college het inrichtingsplan genoemd onder sub b vaststelt, vraagt zij schriftelijk advies aan het Waterschap Rivierenland ten aanzien van het bepaalde in artikel 7.6 onder b, onder 4. Bij de vaststelling van het inrichtingsplan wordt met het advies van het Waterschap rekening gehouden.
  
7.7 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen
7.7.1 Algemene regels
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. voor de bouwwijze van de woningen geldt het volgende:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengeschakelde woningen toegestaan;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneengebouwde woningen toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;
  3. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' twee aaneengebouwde woningen of vrijstaande woningen zijn toegestaan.
  4. het aantal woningen mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' niet meer bedragen dan is aangegeven, waarbij tevens dient te worden voldaan aan het bepaalde in sub e;
  5. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  6. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan:
    1. bij woningen in de bouwwijze 'vrijstaand': aan één zijde 3 meter en de andere zijde 1,5 meter;
    2. bij woningen in de bouwwijze 'twee-aaneen' aan één zijde van de woning: 1,5 meter
    3. bij woningen in de bouwwijze 'aaneengebouwd' aan één zijde van de hoekwoning: 0,5 meter.
 
7.8 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken
7.8.1 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel
Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel zijn toegestaan in de vorm van erkers, mits voldaan wordt aan het volgende:
  1. de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
  2. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m;
  3. indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m;
  4. de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m.
 
7.8.2 Bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel
Voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel geldt in afwijking van het bepaalde in 22.36 en in aanvulling en indien van toepassing in afwijking van 22.27, het volgende:
  1. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen';
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geldt voor de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel het volgende, met dien verstande, dat bij de situering van de bijbehorende bouwwerken bij twee-aaneen gebouwde woningen en de vrijstaande woningen, te allen tijde voldoende ruimte beschikbaar moet blijven voor de aanleg en instandhouding van ten minste twee parkeerplaatsen op eigen terrein overeenkomstig de Nota Parkernormen 2017-01 of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26.:
Oppervlakte bouwperceel  
Toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken  
< 200 m²  
60 m²  
200 - 400 m²  
90 m²  
400 - 600 m²  
100 m²  
600 - 800 m²  
110 m²  
> 800 m²  
120 m²  
 
  1. in aanvulling op het bepaalde onder b geldt dat van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat, indien de aanduiding 'bijgebouwen' vóór de voorgevel is gesitueerd, de bebouwde oppervlakte ter plaatse van de aanduiding voor de voorgevel niet meetelt bij de bebouwde oppervlakte zoals genoemd onder b;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,25 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
7.8.3 Carport
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van een carport gelden in afwijking van 7.8.1 en 7.8.2 de volgende regels:
  1. een carport mag uitsluitend worden gebouwd op het bouwperceel behorende bij een (bedrijfs)woning;
  2. de carport mag de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet overschrijden;
  3. de bouwhoogte van de carport mag niet meer bedragen dan 3 m;
  4. de bebouwde oppervlakte van de carport mag niet meer bedragen dan 20 m2;
 
7.9 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde
7.9.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
7.10 Bouwactiviteit - ondergronds bouwen
Voor het ondergronds bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag.
 
7.11 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting
7.11.1 Parkeren
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 wordt alleen verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en/of in het openbaar gebied en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden.
  2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017-1 of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26.
 
 
3 Algemene regels over functies
   
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Bestaande maatvoering
 
Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge deze regels toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.
Artikel 10 Aanvraagvereisten
 
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en
    2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.
 
4 Regels ter bescherming van waarden en objecten
Artikel 11 Waarde - Archeologie 1
 
11.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
11.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 1.
 
11.3 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 1 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.
 
11.4 Bouwactiviteit
11.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is:
    1. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders;
    2. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering;
    3. het nieuw te bebouwen oppervlak is niet groter dan 100 m²;
    4. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld;
    5. naar het oordeel van het bevoegd gezag is de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie voldoende vastgesteld.
 
11.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften
Indien uit het onder 11.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in 11.4.1 onder 2 sub e, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of,
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
11.5 Aanlegactiviteit
11.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
  1. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  2. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist;
  3. het verlagen van het waterpeil;
  4. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  5. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  6. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  7. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
11.5.2 Uitzondering vergunningplicht
Het verbod van 11.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:
  1. voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast' voor zover het aanlegactiviteiten in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
  2. voor zover het aanlegactiviteiten in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt;
  3. in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld;
  4. in de bodem over een maximale oppervlakte van 100 m²;
  5. in de bodem binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  6. in de vorm van het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten;
  7. die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen;
  8. die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  9. in de bodem die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 11.4.
 
11.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
11.5.4 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die aanlegactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
  2. Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige over:
    1. het bepaalde in 1. en;
    2. of en zo ja welke voorwaarden er dienen te worden gesteld.
 
11.6 Vergunningvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of,
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  
Artikel 12 Waarde – Integraal ensemble: Echteld
 
12.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
12.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Waarde - Integraal ensemble: Echteld
 
12.3 Functieomschrijving
a. Algemeen
Een locatie die is aangewezen als 'Waarde - Integraal ensemble: Echteld heeft als functie de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble.
 
b. Nadere detaillering van de bestemming
Het integraal ensemble als bedoeld in 12.3 onder a, betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart in Bijlage 1. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
In paragraaf 2.5 Echteld van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' (Bijlage 2) is de waardering van dit integrale ensemble beschreven.
 
De waarden hebben betrekking op:
  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;
  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;
  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;
  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;
  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;
  • de profilering van het dijklichaam.
 
12.4 Bouwactiviteit
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de in 12.3 bedoelde gronden gelden de volgende regels:
  1. bestaande kapvormen en dakhellingen mogen niet worden veranderd;
  2. bestaande goot- en bouwhoogten mogen niet worden veranderd;
  3. hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen niet worden veranderd of uitgebreid;
  4. de gevelindeling van gebouwen mag niet worden gewijzigd;
  5. het bouwen van dakkapellen en het veranderen van bestaande dakkapellen is niet toegestaan;
  6. luifels, zonneschermen, reclame aan de gevel, zonnepanelen op daken en losse reclame-elementen in de openbare ruimte, anders dan reeds bestaand, zijn niet toegestaan als die vanuit openbaar toegankelijk gebied zichtbaar zijn.
 
12.5 Omgevingsplanactiviteit voor het aan-, ver- of nieuwbouwen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.4 ten behoeve van het aan-, ver- of nieuwbouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de beeldkwaliteit van het integraal ensemble, zoals genoemd in lid 12.3, wordt niet onevenredig aangetast dan wel herstel is verzekerd;
  2. alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
 
12.6 Aanlegactiviteit
12.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
  1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  3. het vellen of rooien van beplanting en/of bomen ter plaatse van de landschappelijke eenheden en elementen zoals weergegeven op de waardenkaart in Bijlage 1;
  4. het ophogen, verlagen en/of afgraven van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte;
  5. werkzaamheden ter plaatse van de (steden)bouwkundige en landschappelijke eenheden en elementen, zoals aangegeven in Bijlage 1 en Bijlage 2.
 
12.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het verbod van 12.6.1 is niet van toepassing op:
  1. op normale onderhoudswerkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het beheer of de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld van dit plan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende of nog te verlenen omgevingsvergunning;
  2. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen, watergangen, vijvers en beplantingen binnen bestaande tracés;
  3. voor zover het werkzaamheden op de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt.
 
12.6.3 Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.6.1 kan slechts worden verleend, indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit van integraal ensemble. Deze beeldkwaliteit is beschreven in de redengevende beschrijvingen van de gebouwde monumenten, op de waardenkaart in Bijlage 3 en in paragraaf 2.2 Echteld van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' (Bijlage 2).
 
12.7 Omgevingsplanactiviteit voor het slopen van een bouwwerk
12.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op de in 12.3 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, geheel of gedeeltelijk te slopen.
 
12.7.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het verbod van 12.7.1 is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden:
  1. ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag;
  2. die het normale onderhoud betreffen;
  3. die van ondergeschikte betekenis zijn. Het slopen is van ondergeschikte betekenis indien burgemeester en wethouders dit schriftelijk hebben verklaard;
  4. die ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren.
 
12.7.3 Toelaatbaarheid
De in 12.7.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:
  1. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit zoals aangegeven in 12.3, of
  2. de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk niet te handhaven is, of;
  3. het slopen van een bouwwerk betrekking heeft op delen van een pand of bijbehorend bouwwerk die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en de sloop van het betreffende gedeelte van het bouwwerk niet leidt tot een onevenredige aantasting van beeldkwaliteit zoals aangegeven in 12.3.
 
5 Overgangsregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
13.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
 
13.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 13.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 13.1.1 met maximaal 10 %.
 
13.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik
13.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
13.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
13.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in 13.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
13.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.