direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Aldi Opheusden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Sinds 1969 is een landbouwmechanisatiebedrijf gevestigd op de locatie Hamsestraat 14 te Opheusden. Dit betreft het bedrijf Damcon BV. dat met name werkzaam is voor boomkwekerijen in de regio.

Het bedrijf wordt verplaatst naar een andere locatie, waardoor het Damcon-terrein vrij komt. De Damcon locatie wordt herontwikkeld voor een Aldi supermarkt, parkeerplaats en bijbehorende infrastructuur, zoals een ontsluitingsweg naar de Hamsestraat en een langzaamverkeerverbinding en een woonhuis. Daarvoor is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Het onderhavige bestemmingsplan is de planologisch-juridische regeling die voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt. Het woonhuis wordt via een afzonderlijk bestemmingsplan mogelijk gemaakt.

1.2 Plangebied

De locatie ligt in het dorp Opheusden. Het dorp is met ongeveer 5.900 inwoners de grootste kern in de gemeente. Opheusden ligt ten noorden van de rijksweg A15 en ten noorden van de spoorlijn Arnhem - Tiel en de Betuwespoorlijn.

Het plangebied wordt aan de noordzijde en westzijde grofweg gevormd door landbouwgronden, aan de oostzijde door het parkeerterrein aan de Swaenenstate en de Hervormde School en aan de zuidzijde door de brandweerkazerne en woningen aan de Hamsestraat.

Op de afbeelding "Ligging plangebied" is de ligging van het plangebied weergegeven. De exacte situering is weergegeven in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0001.jpg"

Afbeelding: Ligging plangebied

1.3 Planologisch-juridische regeling

1.3.1 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kern Opheusden". Dit bestemmingsplan is op 25 april 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. Op het perceel ligt de bestemming 'Bedrijf - 1'. Onderstaande afbeelding betreft de verbeelding, waarbij de luchtfoto halftransparant is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0002.png"

Afbeelding: Uitsnede bestemmingsplan "Kern Opheusden"

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, daarom is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

1.3.2 Voorliggend bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de gewenste ontwikkeling mogelijk. Voor het plangebied is een gedetailleerde bestemmingsregeling opgesteld. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening en voldoet aan de meest recente inzichten betreffende de digitale uitwisseling en raadpleging (RO-Standaarden). Hierdoor is het bestemmingsplan een goed leesbaar en bruikbaar plan.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Aldi Opheusden" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding, schaal 1:1:1.000 (NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1);
  • planregels.

Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan de elementen, die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 4 is de planbeschrijving opgenomen. In hoofdstuk 5 is de economische uitvoerbaarheid weergegeven. In hoofdstuk 6 zijn de juridisch-technische aspecten van de opgenomen regeling vermeld. Hoofdstuk 7 sluit deze toelichting af met de resultaten van de inspraak en het gevoerde overleg.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Algemeen

Het (inter)nationale en provinciale beleid is neergelegd in verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, alsmede in de verschillende structuurvisies. Een "doorwerking" van dit beleid vindt veelal plaats in verschillende gemeentelijke en provinciale uitwerkingsnota's, beleidsplannen en bestemmingsplannen. Ook binnen de gemeente Neder-Betuwe is dit het geval. Het relevante beleid komt in dit hoofdstuk aan de orde.

2.2 Europees beleid

De Nederlandse ruimtelijke ordening wordt door een aantal Europese richtlijnen beïnvloed. Hieronder worden kort de relevante richtlijnen besproken.

2.2.1 Verdrag van Malta

Het Europese Verdrag van Malta uit 1992 regelt de bescherming van archeologisch erfgoed, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Nederland heeft dit verdrag ondertekend en goedgekeurd. Doorvoering van het verdrag in de Nederlandse wetgeving heeft onder meer plaatsgevonden door de Monumentenwet 1988.

Het belangrijkste doel is behoud van het bodemerfgoed. Om te weten of bij een ontwikkeling verstoring van het bodemerfgoed dreigt, is vooronderzoek nodig. Voor plannen voor de ruimtelijke ordening die het bodemarchief bedreigen moeten rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden in het geding zijn. Tijdig archeologisch (voor)onderzoek is dus belangrijk, zodat verstoring van het bodemerfgoed kan worden voorkomen of dat er opgravingen kunnen plaatsvinden. In paragraaf 3.5.1 is hier nader op ingegaan.

2.2.2 Dienstenrichtlijn

De Europese Dienstenrichtlijn heeft tot doel het realiseren van een interne dienstenmarkt. Door de Dienstenrichtlijn moeten alle bestaande belemmeringen voor dienstverleners om zich in een lidstaat te vestigen of om er tijdelijke diensten te kunnen verrichten worden opgeheven. De richtlijn is in de Nederlandse wet- en regelgeving doorgevoerd. De hoofdverplichtingen uit de richtlijn zijn onder meer vastgelegd in de Dienstenwet. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de Dienstenrichtlijn.

2.3 Rijksbeleid

2.3.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze vervangt onder andere de Nota Ruimte.

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze van invloed zijn op de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling.

Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Voor het plangebied geldt het nationale belang "ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten" in verband met de ligging van de Romeinse Limes. In paragraaf 3.5 is hier nader aandacht aan besteed.

In zijn algemeenheid dient er sprake te zijn van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Hiervoor is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder werkt met de volgende opeenvolgende stappen:

  • 1. Beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen waarin nog niet elders is voorzien.
  • 2. Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten.
  • 3. Indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte. In paragraaf 3.7 is nader ingegaan op de distributie planologische effecten. Bij de ontwikkeling is sprake van herstructurering / transformatie van bestaand stedelijk gebied.

In de omgeving zijn nog enkele andere nationale belangen van toepassing, namelijk in verband met de ligging van de rivier de Nederrijn. De volgende belangen zijn daarvoor relevant:

  • Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen.
  • Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling.

In paragraaf 3.4 is nader ingegaan op de wijze waarop in het voorliggende plan rekening is gehouden met water en waterveiligheid.

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over betrekkelijk kleinschalige ontwikkelingen zoals opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij de voorgenomen ontwikkeling.

Het nationale beleid staat de planontwikkeling, gezien het karakter van het plan, niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

2.4 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Vanuit twee hoofddoelen wil de provincie bijdragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

Ten aanzien van detailhandel streeft de provincie naar een evenwichtige en toekomstbestendige detailhandel die bijdraagt aan vitale, aantrekkelijke steden en dorpen. Door trends als internetwinkelen, schaalvergroting en branchevervaging en door demografische ontwikkelingen verandert de winkelmarkt en neemt de vraag naar winkels aanzienlijk af. De ruimtevraag verandert mee. De bestaande centra in de (binnen-)steden en dorpen staan centraal. Om deze in de toekomst vitaal te houden streven de provincie en haar partners naar transformatie en vernieuwing van bestaande winkelgebieden. De provincie en haar partners willen overcapaciteit aan winkels terugdringen. Dit voorkomt leegstand en aantasting van de sociale en economische vitaliteit van winkelgebieden in dorpen en steden.

De relocatie van Aldi past binnen de trend van schaalvergroting en branchevervaging, waardoor een veranderde ruimtevraag is ontstaan. De verplaatsing gaat gepaard met een uitbreiding van circa 395 m2 bvo. Op de huidige locatie kan deze oppervlakte niet worden toegevoegd.

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening Gelderland bepaalt in artikel 2.3.3.1 het volgende over detailhandel.

  • 1. 1. In een bestemmingsplan worden geen nieuwe locaties voor detailhandel mogelijk gemaakt die leiden tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelstructuur.
  • 2. 2. Voor zover er voor het betreffende gebied een regionale afspraak is gemaakt over de programmering van detailhandel, is de bestemming detailhandel in een bestemmingsplan alleen mogelijk als deze ontwikkeling niet in strijd is met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraak.
  • 3. 3. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe een nieuwe detailhandelontwikkeling zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid en een eventuele intergemeentelijke samenwerking op het gebied van detailhandel.

Er zijn geen regionale afspraken over de programmering van detailhandel en/of intergemeentelijke samenwerkin over detailhandel.

Onder duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur verstaat de provincie de negatieve gevolgen van overcapaciteit en leegstand op het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de omgeving van de bestaande winkels in wijken en centra. Voor nieuwe locaties is de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik van toepassing zoals opgenomen in de omgevingsvisie.

De juridische basis voor de Gelderse ladder is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), genoemd in paragraaf 2.3.1. De Gelderse ladder kent dezelfde treden als de ladder uit het Bro, zodat deze gezamenlijk kan worden beklommen.

De ladder voor duurzaam ruimtegebruik / duurzame verstedelijking

De ladder bestaat uit drie treden:

  • 1. Is er een regionale behoefte? Zo ja:
  • 2. Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen bestaand stedelijk gebied? Zo nee:
  • 3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte.

Ad 1.

De vraag naar de regionale behoefte heeft slechts tot doel na te gaan of de vestiging in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (art. 3.1.6 lid 4 Bro).

Niettemin kan omtrent de behoefte het volgende worden gezegd.

De twee supermarkten in Opheusden (met een totale oppervlakte van ca. 1.907 m² w.v.o.) hebben een gezamenlijke jaarlijkse omzet van ca. € 17,9 mln. (afgerond). Dit geraamde omzetcijfer wordt, bij een aanbod van ca. 1.907 m² w.v.o., vertaald in een vloerproductiviteit van ca. € 9.370,- (afgerond). Aan de hand van de normvloerproductiviteit van € 8.737,20,- (supermarktsector - HBD - 2012) bevindt de gemiddelde gerealiseerde vloerproductiviteit zich ca. 7,5% boven de ‘HBD-norm’. Er ligt op dit moment een druk op de supermarktsector, aangezien de vraag groter is dan het aanbod (Bron: effectenrapportage Adviesburo Kardol, Bijlage 5). Verder is van belang dat de behoefte aan meer winkelmeters deels fysiek is. De Aldi heeft op dit moment een relatief hoge vloerproductiviteit, die straks zal dalen. De gemiddelde vloerproductiviteit zal naar verwachting met circa 8% afnemen.

Zoals gezegd heeft de vraag naar de regionale behoefte slechts tot doel na te gaan of de vestiging in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Van een goede ruimtelijke ordening is geen sprake, indien de vestiging een zodanige leegstand veroorzaakt, dat het woon- en leefklimaat wordt aangetast. Vertaald naar de onderhavige situatie is aan de orde de vraag of de huidige Aldi-locatie leeg blijft staan, en zo ja, of dit een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat zou betekenen.

Voor de huidige locatie van de Aldi is er belangstelling van een winkelketen, niet zijnde een supermarkt. Verwacht wordt dat de gesprekken leiden tot invulling van de locatie. Mocht de locatie onverwacht toch leeg blijven staan, dan is het volgende van belang. Een zekere frictieleegstand is normaal. Zolang er geen maatschappelijk probleem is, is er ook geen taak voor een gemeente om dit op te pakken.

Op dit moment staat er in Opheusden één winkel leeg (Hamsestraat 40). Deze winkel sluit niet aan bij het bestaande winkelgebied, zodat de locatie niet in aanmerking komt voor hervestiging van de Aldi. Bovendien heeft deze winkel een winkelvloeroppervlak dat nog kleiner is dan het oppervlak van de huidige Aldi locatie, zodat hij niet geschikt is voor hervestiging van de Aldi.

Gemiddeld stond op 1 januari 2015 in Nederland 7,5% van de winkelpanden leeg (bron: Locatus). Met twee lege winkelpanden op 59 winkeliers blijft de leegstand onder het landelijk gemiddelde.

De leegstaande winkel ligt niet in het winkelconcentratiegebied. Indien het vrijkomende Aldipand leeg blijft staan, is er sprake van een enkel leegstaand pand, niet van een cluster van leegstaande panden. Een enkel leegstaand pand tast het woon-, leef- en ondernemersklimaat niet (onevenredig) aan.

Ad 2.

De behoefte van de Aldi aan een groter winkelvloeroppvlak wordt opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied.

Ad 3.

Nu trede 2 van de ladder bevestigend wordt beantwoord, is trede 3 niet aan de orde.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de vestiging van een supermarkt op deze locatie in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking / duurzaam ruimtegebruik.

2.5 Regionaal beleid

2.5.1 Structuurvisie Rivierenland 2004-2015

De gemeente Neder-Betuwe maakt deel uit van de Regio Rivierenland. Regio Rivierenland is een samenwerkingsverband van tien gemeenten in Betuwe en Bommelerwaard. De gemeenten ontwikkelen daarin eigen beleid en nemen eigen formele besluiten.

De Structuurvisie Rivierenland 2004-2015 (Regio Rivierenland, 2004) formuleert als hoofdopgave het behouden en versterken van het unieke karakter van de regio rond de ruimtelijke structuurdragers die de eigenheid van dit landschap bepalen. De ruimtelijke structuurdragers zijn de uiterwaarden, dijken, oeverwallen en kommen en het cultuurhistorische landschap (bijvoorbeeld de Nieuwe Hollandse Waterlinie). In het rivierenland zijn de ruimtelijke structuurdragers richtinggevend voor de ontwikkeling van verstedelijking, de functies van het landelijk gebied, verkeer en vervoer en recreatie en toerisme. Hierdoor wordt het unieke landschap met haar contrasten behouden dan wel versterkt. De hoofdinfrastructuur wordt door de regio mede als leidend gezien voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor het realiseren van de bundeling van verstedelijking kiest de regio voor voortzetting van de huidige kernenhiërarchie waarin Tiel een regionale opvangfunctie heeft voor wonen, werken en voorzieningen en de kernen Zaltbommel, Geldermalsen, Culemborg en Druten een subregionale functie hebben. De regio wil de mogelijke toepassing van de netwerkgedachte gaan onderzoeken. Voor de hele regio geldt een kwalitatieve benadering van nieuwe verstedelijking, ruimtelijk geduid met de kwaliteitscontouren zoals deze voor de periode tot 2015 rond de kernen zijn getrokken in het kader van het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland.

Het plangebied ligt binnen de contouren van het bebouwd gebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de historische landschappen.

Ook moet onderhavig bestemmingsplan de beoogde versterking van de natuurwaarden niet in de weg staan. In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 3.6 en Bijlage 4. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor de versterking van de natuurwaarden.

2.5.2 Regionale detailhandelsstructuurvisie Rivierenland

In 2014 is deze regionale detailhandelsvisie opgesteld vanuit de gedachte dat een eenduidige gezamenlijke visie op de detailhandelsstructuur de voorwaarde is om een toekomstbestendig aantrekkelijk regionaal winkelvoorzieningenniveau in Rivierenland te waarborgen. De regionale visie moet leiden tot versterking van de koopkrachtbinding binnen Rivierenland en een omgeving waarin marktpartijen en overheid durven en kunnen investeren. De visie is opgesteld vanuit de vraag hoe de optimale toekomstige detailhandelsstructuur van de regio eruit ziet, waarbij ingespeeld wordt op structurele ontwikkelingen in de detailhandel en regio. De visie is door de raad vastgesteld op 5 maart 2015.

Over dagelijkse winkelvoorzieningen is het volgende opgenomen.

De dagelijkse winkelvoorzieningenstructuur in met name de kleine kernen staat onder druk. Het aanbod supermarkten in kernen kleiner dan 2.500 inwoners neemt al jaren af. Er dient rekening te worden gehouden met de verschillen tussen de kleine en grote(re) kernen. Binnen de regio streeft men naar het in stand houden van deze fijnmazige voorzieningenstructuur. Dit betekent dat er beperkte mogelijkheden zijn om substantiele toevoegingen in het dagelijks winkelaanbod te realiseren, mede gelet op de bestaande winkelplannen in de dagelijkse sector. Omdat de dagelijkse winkelvoorzieningen vooral een lokale verzorgingsfunctie hebben, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de individuele gemeenten. Het regionale beleid op de dagelijkse winkelvoorzieningen (in kernen groter dan 2.500 inwoners) is als volgt:

  • a. Supermarkten zijn bij voorkeur in de kern als onderdeel van een winkelgebied gevestigd. Het uitplaatsen van supermarkten die in een winkelgebied zijn gelegen, naar een locatie buiten de winkelstructuur, los van de bestaande overige voorzieningen, is niet toegestaan, mits wordt voldaan aan alle volgende punten:

- schaalvergroting niet mogelijk is binnen het winkelgebied;

- aantakking op een ander winkelgebied plaats vindt of de achter blijvende winkeliers de (reële) mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen naar de supermarktlocatie;

- er geen negatieve gemeente overstijgende effecten ontstaan.

  • b. Binnen Rivierenland is het niet mogelijk een XL-supermarkt (> 2.500 m2 wvo) te realiseren, omdat dit negatieve ruimtelijke effecten heeft op de fijnmazige structuur in Rivierenland. Er wordt wel rekening gehouden met een toekomstige situatie waarin er minder maar grotere supermarkten gevestigd zijn in de regio;
  • c. Nieuwe vestigers in de dagelijkse sector huisvesten binnen de bestaande winkelstructuur. Het initiatief voldoet aan het besluit ruimtelijke ordening. Ten behoeve van de gemeentelijke besluitvormingen zijn de ruimtelijke effecten inzichtelijk gemaakt en is de Ladder voor duurzame verstedelijking (opgenomen in het Bro) doorlopen.
  • d. Bij elke initiatief voor uitplaatsing, vergroting en vestiging van een (nieuwe) supermarkt dient een ruimtelijke effectstudie te worden uitgevoerd.

De voorwaarden in de visie hebben betrekking op nieuwe detailhandelsplannen die niet in de tabel met bestaande winkels zijn opgenomen. De te verplaatsen en uit te breiden Aldi is in de visie beschouwd als bestaande winkel.

Ook overigens voldoet de locatie aan de visie:

ad a. Er zijn in de directe omgeving van het winkelconcentratiegebied geen andere panden die beschikbaar zijn, geschikt zijn of geschikt te maken zijn voor de uitbreiding van de Aldi. De locatie sluit aan op het bestaande winkelgebied. Op de nieuwe locatie maken de klanten van de Aldi en de Albert Heijn gebruik van hetzelfde parkeerterrein.

ad b. De uitgebreide Alde betreft geen XL-supermarkt.

ad c. De ladder is doorlopen. Zie hiervoor paragraaf 2.4.

ad c. In paragraaf 3.7 wordt ingegaan op de effecten.

2.6 Gemeentelijk beleid

2.6.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2010-2020

De structuurvisie is het strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden kan de structuurvisie duidelijk maken hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten. Tevens is de visie leidraad bij de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven.

De gemeente streeft nog steeds naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees: kwaliteit) van de kern niet verloren gaat. De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied.

Het plan sluit aan bij de huidige winkelconcentratie aan de Dorpsstraat. Over de winkelconcentratie is in de structuurvisie het volgende vermeld: in de kernen Kesteren, Ochten, Dodewaard en Opheusden worden projecten voor winkelconcentratie tot uitvoering gebracht ter versterking van het karakter en de uitstraling van de centrumgebieden. Het gaat enerzijds om de gebouwde omgeving, maar ook om het herinrichten van de openbare ruimte. Bovendien wil de gemeente de concentratie van voorzieningen behouden en waar mogelijk versterken en/of uitbreiden.

Naast de beoogde gemeentelijke ambities, is in de structuurvisie een toetsingskader voor particuliere initiatieven opgenomen. Initiatieven worden in eerste instantie getoetst aan de visie. Indien het initiatief past binnen de uitgangspunten van de visie, wordt onderzocht of het initiatief inpasbaar is in de directe omgeving.

Hiermee dragen particuliere initiatieven in belangrijke mate bij aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

Dit bestemmingsplan is opgesteld om een perceel van een nieuwe bestemming te voorzien die passend is bij het toekomstige gebruik. Het plangebied en de omgeving zijn aangeduid als ontwikkelingsrichting wonen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van nieuwbouw van een Aldi supermarkt op een inbreidingslocatie, te weten het voormalige terrein van Damcon BV. Het is dan geen concrete woningbouw, maar levert wel een belangrijke bijdrage aan de woonomgeving. De (open) ruimte van Opheusden wordt efficiënt benut en versterkt de kern haar compacte dorpsstructuur. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de huidige winkelconcentratie. Het plan draagt door de herstructurering bij aan een verbetering van de leefomgeving en een verbetering van het draagvlak van de voorzieningen in de kern. Ondanks dat deze ontwikkeling niet concreet wordt benoemd in de structuurvisie, past de ontwikkeling binnen de opgestelde uitgangspunten van de visie.

Hoofdstuk 3 Randvoorwaarden

3.1 Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht).

Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken.

3.2 Beschrijving bestaande situatie

Binnen het plangebied was voorheen het bedrijf Damcon BV gevestigd. De gebouwen zullen in verband met de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt.

3.3 Milieu

Met de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan dient te worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen. In dit kader dient aandacht te worden besteed aan de volgende punten:

  • luchtkwaliteit;
  • externe veiligheid;
  • bodem;
  • geluid (Wet geluidhinder);
  • bedrijven en milieuzonering.
3.3.1 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof danwel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Voorliggend bestemmingsplan maakt een ontwikkeling mogelijk, die van geringere omvang is dan de ontwikkelingen die hiervoor zijn aangegeven en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Er kan daarom geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

3.3.2 Veiligheid
3.3.2.1 Externe veiligheid

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ("Indeling Leidraad maatramp") zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang.

Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

Beleid

De gemeente beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. De kaart in bijlage 3 van deze visie, de signaleringskaart, laat het huidige beeld zien van de risicobronnen in de gemeente. Hieruit blijkt ook dat er geen risicovolle inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied gelegen zijn.

Planspecifiek

Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de provinciale risicokaart opgenomen, met daarbij het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0003.jpg"

Afbeelding: Uitsnede provinciale risicokaart

Inrichtingen

De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:

  • of voldoende afstand in acht worden genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

Op basis van de risicokaart blijkt dat er in de kern Opheusden geen risicovolle inrichtingen liggen. De meest nabijgelegen inrichting ligt op een afstand van meer dan 1600 meter ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van een risicovolle inrichting.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Op basis van de risicokaart ligt de meest nabijgelegen buisleiding (aardgasleiding transportroutedeel N-574-10-KR-023) ten zuiden van het plangebied op een afstand van meer dan 950 meter. Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidscontouren van deze leiding.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor

In de directe nabijheid van het plangebied vindt volgens de provinciale risicokaart geen transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats. Op basis van de risicokaart ligt de meest nabijgelegen route gevaarlijke stoffen (Rijksweg A15) ten zuiden van het plangebied op een afstand van meer dan 1400 meter.

Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidscontouren van routes gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid hoeft niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling die middels dit bestemmingsplan juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt. Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ("Indeling Leidraad maatramp") zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang.

3.3.2.2 Explosievenonderzoek

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond en onder water. In de oorlog is in en rond Opheusden zwaar gevochten. Om eventuele problemen tijdens de bouw te voorkomen, dient een explosievenonderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van conventionele explosieven. Dit wordt uitgevoerd als het gehele terrein vrij is van verharding en gebouwen (anno 1945).

3.3.3 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem.

Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Milieutechnisch adviesbureau De Bruin, Verkennend bodemonderzoek + eindsituatie onderzoek Damcon BV, Hamsestraat 14, Opheusden, van 15 april 2013). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Op het onverdachte deel is de locatie verkennend onderzocht en op de verdachte deellocaties is een eindsituatie onderzoek uitgevoerd.

Bodem

Onverdachte deel van de locatie

In het toplaagmengmonster liggen de gehaltes onder de achtergrondwaarde. In het onderlaagmengmonster ligt het nikkelgehalte (33 mg/kgds) boven de achtergrondwaarde (26 mg/kgds). De veronderstelling van onverdacht terreindeel kan worden gehandhaafd.

Verdachte deellocatie opslag klein chemisch afval

In het toplaagmengmonster ligt het minerale oliegehalte (45 mg/kgds) in geringe mate boven de achtergrondwaarde (38 mg/kgds). In het onderlaagmengmonster liggen de gehaltes onder de achtergrondwaarden.

Verdachte deellocatie wasplaats Noord

In het toplaagmengmonster ligt het minerale oliegehalte (45 mg/kgds) in geringe mate boven de achtergrondwaarde (38 mg/kgds). In het onderlaagmengmonster liggen de gehaltes onder de achtergrondwaarden.

Verdachte deellocatie opslag verfspuiterij en verfopslag

In het toplaagmengmonster ligt het nikkel (22 mg/kgds) in geringe mate boven de achtergrondwaarde (21 mg/kgds). In het onderlaagmengmonster liggen de gehaltes onder de achtergrondwaarden.

Verdachte deellocaties afgewerkte olie- en dieseltank/opslag olie en vet/olie-waterafscheider

Het minerale oliegehalte in monster bij boring 13, traject 0,9-1,4 m-mv (afgewerkte olie- en dieselolietank) ligt met 250 mg/kgds boven de achtergrondwaarde. De overige minerale olie- en aromagehaltes liggen onder de detectiegrens.

Bij het onderzochte onverdachte deel van de locatie en de onderzochte verdachte deellocaties zijn slechts (licht) verhoogde gehaltes boven de achtergrondwaarde aangetroffen. Zij geven geen aanleiding tot nader onderzoek. De eindsituatie is hiermee voldoende vastgelegd.

Bij de verdachte deellocatie wasplaats Oost op de locatie is reeds in 2011 een nader onderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van de sanering van deze olieverontreiniging zal een saneringsplan worden opgesteld.

Overige terreindeel

In mengmonster MM2, vanuit een tweetal boringen nabij de lood- en zinkvervuiling naastgelegen huisnummer 18, ligt het lood- (120 mg/kgds) en zinkgehalte (130 mg/kgds) boven de achtergrondwaarde (respectievelijk 40 en 100 mg/kgds).

In mengmonster MM4 (voormalige smederij) ligt het koper (110 mg/kgds)-, nikkel (33 mg/kgs)- en loodgehalte (300 mg/kgds) boven de tussenwaarde (respectievelijk 68, 30 en 210 mg/kgds). Het cadmium- kobalt-, kwik-, molybdeen-, zink- en minerale oliegehalte ligt boven de achtergrondwaarde.

In het onderlaagmengmonster MM5 ligt het nikkelgehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. Bij boring 27 (traject 0,6-1,1 m-mv) ligt het minerale oliegehalte (200 mg/kgds) boven de achtergrondwaarde (76 mg/kgds).

Bij boring 30 (traject 0,5-0,9 m-mv) ligt het minerale oliegehalte (3400 mg/kgds) boven de interventiewaarde (2000 mg/kgds).

Als gevolg van de verhoogde metaal- en minerale gehaltes dient ter plaatse van de voormalige smederij een nader onderzoek plaats te vinden. Als blijkt dat het een niet ernstige verontreiniging (<25 m3 met gehaltes boven de interventiewaarde) is, hoeft wettelijk niet te worden gesaneerd omdat het een vervuiling betreft van voor 1987. Het terrein van de voormalige smederij valt echter binnen het onderzoeksgebied. Bij de nieuwe inrichting van dit deel zal rekening moeten worden gehouden met de (gedeeltelijke) verwijdering van de vervuiling om particulier gebruik mogelijk te maken. Hierbij is dan toch een saneringsplan noodzakelijk.

Op basis van de huidige gegevens kan niet worden vastgesteld dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunningaanvraag dient duidelijk te zijn op welke wijze de deellocaties worden gesaneerd conform de Wet bodembescherming. Bij de omgevingsvergunningaanvraag dient een bodemonderzoek conform de NEN 5740-2009 te worden overlegd dat betrekking heeft op het gehele plangebied.

Grondwater

Onverdacht deel van de locatie

In het grondwatermonster van peilbuis pb 2 ligt het barium- en molybdeengehalte boven de streefwaarde.

Verdachte deellocaties

In de grondwatermonsters van peilbuizen pb KCA, pb WN, pb verf en pb SMED liggen de bariumgehaltes boven de streefwaarde. Bij pb 13 ligt het minerale oliegehalte boven de streefwaarde. Bij pb 19 zijn geen verhoogde gehaltes in het grondwater aangetroffen.

De aangetroffen licht verhoogde gehaltes boven de streefwaarde in het grondwater geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

3.3.4 Geluid

De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor)wegverkeer of industrie het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidgevoelige functies de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Voor spoorwegverkeer mag de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet worden overschreden. In het geval van industrielawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Indien nieuwe geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van geluidgevoelige functies.

Aangezien er in dit geval geen nieuwe geluidgevoelige bestemming wordt gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.

In het kader van de milieuzones is in paragraaf 3.3.5 nader ingegaan op de geluidsbelasting vanaf het terrein naar de omgeving.

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wet geluidhinder vormt geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan.

3.3.5 Bedrijven en milieuzone

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: "scheiden waar het moet, mengen waar het kan". Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig welke een belemmering zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

De supermarkt vormt geen belemmering voor de omgeving. Volgens de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" heeft een supermarkt een richtafstand van 10 meter. Binnen een afstand van 10 meter van de supermarkt zijn geen gevoelige functies gelegen.

3.3.6 Richtlijn spuitzonering gewasbeschermingsmiddelen

Aan de noord- en westzijde van het plangebied grenzen, gescheiden door watergangen, agrarische percelen. In het op 25 april 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Kern Opheusden" zijn die gronden aangewezen als "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" en bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden. De gronden zijn in gebruik voor boomteelt. Daarbij worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en nabij gelegen gevoelige objecten. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers.

Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die in het Activiteitenbesluit worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlaktewater.

Vanwege het ontbreken van wetgeving is er een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat er een afstand van 50 meter tussen de agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object in acht genomen moet worden. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Het is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken.

In 2009 heeft Wageningen University & Research centre (J.C. van de Zande, H. Stallinga en J.M.G.P. Michielsen) de publicatie "Driftblootstelling binnen 50 meter van de perceelgrens bij bespuitingen van een boomteeltperceel" opgesteld. Deze publicatie gaat in op de vraag op welke afstand woningbouw en bijbehorende erven nog verantwoord zijn in verband met plaatselijke bespuitingen van gewasbeschermingsmiddelen. Omdat ook de detailhandelsbestemming een gevoelige functie is en de verkeersbestemming afhankelijk van de juridische regeling een gevoelige functie kan zijn, is de publicatie relevant voor onderhavige situatie. Het onderzoek leidt tot de volgende conclusie:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0004.png"

Sinds 2013 is de aan te houden teeltvrije zone ten opzichte van een oppervlaktewater niet langer geregeld in het Lozingenbesluit, maar in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen bedraagt de teeltvrije zone ten minste 5 m (art. 3.80 lid 3 Activiteitenbesluit). Door het aanhouden van een teeltvrije zone wordt ook de drift op grotere afstand beperkt. De drift kan nog verder worden beperkt door een windhaag (hoofdstuk 5 uit genoemd rapport). Met een windhaag is er volgens het rapport vanaf 10 m vanaf de perceelsgrens (uitwaarts vanaf het boomteeltperceel) geen overschrijding van de blootstellingsrisico's voor dermaal, inhalatoir en secundair dermaal contact. Van de onderzoekszone van 50 m resteert dus een in acht te nemen zone van 10 m.

Dit bestemmingsplan voorziet allereerst in een bladhoudende aaneengesloten windhaag met een hoogte van tenminste 3 m. Deze is op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'groen' en loopt helemaal langs de perceelgrens grenzend aan de agrarische bestemming / waterbestemming. Verder is een regeling opgenomen waarin de in acht te nemen zone van 10 m deels uitwaarts en deels inwaarts is gezoneerd: uitwaarts vanuit de detailhandelsbestemming en inwaarts vanaf de verkeersbestemming. Voor het uitwaarts gezoneerde gebied is bepaald dat binnen 10 m uit de perceelgrens (uitwaarts vanaf de westzijde en noordzijde van de detailhandelsbestemming) het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. In het inwaarts gezoneerde gebied is geregeld dat geen gewasbeschermingsmiddelengevoelige functies zijn toegestaan. De gewone verkeersfunctie is niet gevoelig voor gewasbeschermingsmiddelen, gelet op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3-9-2014 (nr. 201310924/1/R3). Hondenuitlaatplaatsen, tuinen en speelvoorzieningen zijn wel functies die gevoelig zijn voor gewasbeschermingsmiddelen. Deze zijn in het aangeduide gebied niet toegestaan. In de noordoosthoek is in beginsel denkbaar dat drift het terrein kan bereiken langs de oostzijde van de haag. De inwaartse zonering is dan niet 10 m, maar 35 m. Zie onderstaande figuur uit genoemd rapport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0005.png"

De afstand van 35 m moet worden gemeten uit de laatste bomenrij. Deze is gelegen op 5 m uit de insteek van de sloot (art. 3.80 lid 3 Activiteitenbesluit). Scharnierend langs het uiteinde van de haag ontstaat een gebied waarin geen spuitgevoelige functies zijn toegestaan. Dit is middels een aanduiding in de verkeersbestemming geregeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0006.jpg"

De aanleg, locatie en instandhouding van een bladhoudende en aaneengesloten windhaag met een hoogte van tenminste 3 m is geborgd middels de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels van de bestemmingen.

Ten overvloede is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen die inhoudt dat binnen 10 meter vanaf bestemming 'Agrarisch met waarden' geen te openen delen aanwezig mogen zijn. Ramen zijn wel toegestaan, maar deze mogen niet te openen zijn. Deuren voor dagelijks gebruik zijn niet toegestaan; nooddeuren zijn wel mogelijk.

Het bestemmingsplan "Kern Opheusden" sluit gebruik van de agrarische grond voor boomfruitteelt niet uit. In een publicatie van Wageningen University & Research centre over woningbouw in nabijheid van mogelijke fruitteelt (J.C. van de Zande en M. Wenneker, mei 2014, rapport 569: "Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen", opgenomen in bijlage 5 bij de toelichting op het bestemmingsplan 'Buitengebied, vijfde herziening, van de gemeente Buren) staat het volgende.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0008.png"

Bij omschakeling moet van de best beschikbare technieken gebruik worden gemaakt. In combinatie met een bladhoudende, aaneengesloten windhaag is de theoretische kans op boomfruitteelt geen reden om uit te gaan van een grotere zone dan 10 meter.

3.4 Watertoets

3.4.1 Nationaal beleid

Nationaal Waterplan

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Opheusden ligt aan de rivier de Nederrijn. In de afgelopen eeuwen is door de verschillende gebruiksfuncties veel ruimte aan de rivieren ontnomen, met als gevolg dat de rivieren zijn ingeklemd tussen de dijken, die steeds hoger zijn gemaakt. Door de bevolkingsontwikkeling en economische groei zijn de te beschermen waarden sterk toegenomen. Deze kwetsbaarheid van ons land, tezamen met ongunstige verwachtingen over klimaatverandering en zeespiegelstijging, maken duidelijk dat een duurzame bescherming tegen hoogwater, zowel nu als in de toekomst, hoge prioriteit moet houden.

3.4.2 Provinciaal beleid

Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan is tegelijk opgesteld met de ontwerp water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen.

Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Het plangebied heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie "stedelijk gebied". Zowel in nieuw als in bestaand stedelijk gebied streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel voorkomen worden. Hierbij wordt het water in de stad met het omringende watersysteem als één geheel beschouwd. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn in stedelijk gebied gericht op:

  • het voorkomen of zo veel mogelijk beperken van wateroverlast;
  • de ontwikkeling en het behoud van de natuur in het stedelijk gebied;
  • het voorkomen van zettingen;
  • het herbenutten van ontwateringswater voor drink- en industriewatervoorziening of voor herstel van verdroogde natuur;
  • het weren van de riolering van (diepe) drainage en instromend grond- en oppervlaktewater;
  • het beperken van de vuilbelasting door riooloverstorten en hemelwateruitlaten;
  • het beperken van de invloed van bronbemaling;
  • het realiseren van de basiskwaliteit voor oppervlaktewater.
3.4.3 Waterschap Rivierenland

Waterbeheerplan 2010-2015

Het beleid uit het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rivierenland is er op gericht schoon hemelwater niet af te voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen.

Hierbij hanteert het waterschap de drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

3.4.4 Gemeentelijk beleid

Gemeentelijke Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018

Het waterplan geeft uitvoering aan de watertaken die voortvloeien uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Gemeente en waterschap moeten samen de stedelijke wateropgaven realiseren die voortvloeien uit dit landelijk beleid. Het waterplan geeft kaders voor de samenwerking en geeft een visie op de ruimtelijke inpassing van watertaken in de gemeente.

Het waterplan zet in op een robuust en schoon watersysteem en een goed functionerend rioleringssysteem in de gemeente.

Ook geeft het waterplan streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen:

  • Een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem.
  • Een optimaal functionerende waterketen.
  • Een effectieve en efficiënte waterorganisatie.

Vanuit het waterplan hebben de gemeente en het waterschap de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van "overstort" uit de riolering). De essentie van het waterbeleid in de komende periode is: ruimte maken voor water. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met de ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in paragraaf 3.4.5 de waterparagraaf opgenomen.

3.4.5 Waterparagraaf

Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Het waterschap is geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling door middel van de digitale watertoets. Met de digitale watertoets is nagegaan welke waterschapsbelangen aan de orde zijn bij de voorgenomen planontwikkeling. De resultaten zijn hierna aangegeven.

Beleid waterschap Rivierenland

Met ingang van 22 december 2009 is het Waterbeheerplan 2010-2015 Werken aan een veilig en schoon Rivierenland bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Veiligheid

In het plangebied is geen waterkering gelegen. De primaire waterkering kent een kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone, waarop de keur van Waterschap Rivierenland van toepassing is. Het plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. In deze buitenbeschermingszone zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning; afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Op bestemmingsplankaarten wordt de buitenbeschermingszone niet opgenomen met een dubbelbestemming omdat hier slechts geringe beperkingen gelden.

Grondwater

Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde drooglegging. Dit is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Er wordt uitgegaan van het zomerpeil. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen.

In gebieden met rivierkwel dient aangetoond te worden dat een T=10 hoogwatersituatie op de rivier in combinatie met de T=2 winterbui volgens Buijsman en Velds niet leidt tot onacceptabele peilstijgingen en afvoeren. Het plangebied ligt niet in een zone met rivierkwel en de genoemde toetsing is dan ook niet van belang.

Waterberging

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van en compenseren in open water als onderdeel van het watersysteem.

Kleine plannen hebben slechts een minimaal effect op de waterhuishouding. Voor plannen met minder dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en minder dan 1.500 m2 in landelijk gebied is daarom geen compenserende waterberging vereist.

Het plangebied betreft een bestaand bebouwd terrein met bebouwing. Het plangebied is reeds verhard. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van toename aan verharding. Hiermee blijft de toename aan verharding onder 500 m2. Daarom worden geen aanvullende eisen gesteld.

Oppervlaktewater

Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het oppervlaktewater in het plangebied. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit.

Waterkwantiteit

Binnen het plangebied ligt geen A-watergang, maar wel een beschermingszone van een A-watergang. Voor deze locatie is in 2000 een ontheffing van polderdistrict Betuwe verleend om binnen de beschermingszone te bouwen.

Bij de aanleg van nieuw water in het plangebied wordt bij voorkeur zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande waterstructuur. Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten en opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos. Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven, is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door voldoende ruimte voor water, voldoende waterdiepte (streven is 1 meter) en voldoende oevervegetatie (taludschuinte minimaal 1:2 of flauwer).

Waterkwaliteit

Er zijn geen overstorten uit het gemengde rioolstelsel in of nabij het plangebied die een risico kunnen opleveren voor het plangebied.

Riolering en zuiveringswerken

In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

Natuur

In het plangebied is geen oppervlaktewater of grond aanwezig met een hoge natuurwaarde.

Conclusie

Voor de ligging van het plangebied in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering hoeft geen beschermende regeling te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van toename aan verharding, daarom worden in dat kader geen aanvullende eisen gesteld. Ook zijn er geen andere belemmeringen vanuit water.

Vervolgtraject

Het waterschap is geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling door middel van de digitale watertoets. Met het waterschap is ook vooroverleg gevoerd. Door het plan is aan de zuidzijde van de watergang geen obstakelvrije keurzone meer mogelijk. Het onderhoud dient dus plaats te vinden via de noordzijde (zoals nu feitelijk ook gebeurt). De toegang en de mogelijkheid van onderhoud vanaf de noordzijde dienen gegarandeerd te zijn.

3.5 Archeologie en cultuurhistorie

3.5.1 Archeologie

De Monumentenwet 1988 is na de ratificatie van het Europese verdrag van Malta gewijzigd. Per 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Hierin is geregeld dat gemeenten zelf de verantwoordelijkheid dragen voor hun archeologisch erfgoed. Het centrale instrument dat de gemeenten gebruiken om de verantwoordelijkheid vorm te geven, is het bestemmingsplan.

Bij ruimtelijke planvorming dient te worden getoetst op archeologische waarden. Indien potentiële archeologische waarden worden verstoord, dient hier nader onderzoek naar te worden verricht.

De gemeente Neder-Betuwe heeft een archeologische beleids- en verwachtingenkaart. Op de afbeelding "Uitsnede archeologische beleids- en verwachtingenkaart" is een uitsnede van deze kaart voor het plangebied weergegeven. Op basis van deze kaart is voor het plangebied sprake van een middelhoge verwachtingswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0009.jpg"

Afbeelding: Uitsnede archeologische beleids- en verwachtingenkaart

Voor het plangebied is een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd (Synthegra door Bergman/Plasmeijer, projectnummer 173013, van 7 februari 2003). In Bijlage 3 is het onderzoek opgenomen. Op basis van dit onderzoek waren er geen bezwaren voor ontwikkelingen in het plangebied en werd geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Conclusie

Ten aanzien van het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.5.2 Cultuurhistorie

Historische geografie

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte maakt het plangebied onderdeel uit van een gebied met het nationale belang "ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten" in verband met de ligging van de Romeinse Limes. In artikel 2.13 van het Barro wordt de borging van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde geregeld.

Voor de Romeinse Limes krijgen de betrokken provincies de opdracht om de begrenzing nader te bepalen en de kernkwaliteiten verder uit te werken. Vervolgens moet de provincie bij provinciale verordening regels stellen over de inhoud van bestemmingsplannen zodat de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt.

De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes. Het plangebied betreft een bestaand bebouwd gebied, gelegen binnen de bebouwing van de kern Opheusden. De nieuwe ontwikkeling wordt ingepast binnen de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van de omgeving.

Historische (steden)bouwkundige waarden

Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.

3.6 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Gebiedsbescherming

Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) opgenomen.

Soortbescherming

Op basis van de Flora- en faunawet (FFW) zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van dier- en plantensoorten. De werkingssfeer van de Flora- en faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

Zorgplicht

De zorgplicht Flora- en faunawet is mede van toepassing op de beschermde soorten waarvoor geen ontheffing hoeft te worden verkregen. Dit houdt in, dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten (inclusief hun leefomgeving). Concreet betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep rekening moet worden gehouden met alle aanwezige dieren en planten door middel van planning en uitvoering. Voor alle grondgebonden zoogdieren en amfibieën in het plangebied geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat deze dieren gedurende de werkzaamheden zoveel mogelijk moeten worden ontzien.

Onderzoek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurtoets uitgevoerd (Ecogroen Advies BV, project 12-080, van 20 augustus 2012). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. De conclusies volgen hieronder.

Gebiedsgerichte natuurbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de EHS, Natura 2000-gebied of een Beschermd Natuurmonument. De ingreep vindt plaats binnen de bebouwde kom van Opheusden en er worden geen uitstralende effecten verwacht met negatieve effecten op de te beschermen waarden in omliggende natuurgebieden.

Aangetroffen en te verwachten soorten

  • Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden op basis van het ontbreken van geschikt biotoop (het plangebied betreft vrijwel uitsluitend verhard en bebouwd terrein) ook niet verwacht in het plangebied.
  • In de te slopen bebouwing zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Vleermuizen zijn strikt beschermd onder de Flora- en faunawet en tevens opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Het plangebied is daarnaast naar verwachting nauwelijks van belang als foerageergebied/vliegroute voor vleermuizen.
  • (Vaste) verblijfplaatsen van andere zwaarder beschermde zoogdieren zijn niet aangetroffen en te verwachten in het onderzoeksgebied. In het plangebied zijn wel verblijfplaatsen van enkele laag beschermde (FFW tabel 1) kleine grondgebonden zoogdieren zoals Huisspitsmuis en Egel te verwachten.
  • In het plangebied zijn geen (potentiële) nestplaatsen van jaarrond beschermde broedvogels (bijvoorbeeld Steenuil, Huismus en Gierzwaluw) aangetroffen en te verwachten. In het plangebied zijn wel een aantal algemeen voorkomende broedvogels (zoals Winterkoning, Witte kwikstaart, Houtduif, Zwarte roodstaart en Merel) te verwachten.
  • Voortplanting van amfibieën kan worden uitgesloten in het plangebied omdat permanent oppervlaktewater ontbreekt. In het plangebied is wel overwintering van enkele laag beschermde (FFW tabel 1) amfibieënsoorten zoals Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker te verwachten. Overwintering van zwaarder beschermde amfibieënsoorten wordt niet verwacht omdat in de nabijheid van het plangebied geen geschikte voortplantingswateren aanwezig zijn.
  • Voortplanting/verblijfplaatsen van reptielen en beschermde vissen, libellen, dagvlinders en andere ongewervelden zijn niet aangetroffen en worden op basis van biotoopkenmerken en bekende verspreidingsgegevens ook niet in het plangebied verwacht.

Vervolgstappen en mitigerende maatregelen

  • Als gevolg van de plannen zijn er geen effecten te verwachten op de functionele leefomgeving van strikt beschermde soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet. Een vervolgtraject is dan ook niet noodzakelijk.
  • Werkzaamheden die potentiële broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen dienen buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels te worden gestart. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar en in het kader van de Flora- en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste van de aanwezige soorten kan de periode tussen half maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen.
  • Voor de (mogelijk) voorkomende laag beschermde zoogdieren en amfibieën wordt als belangrijkste mitigerende maatregel fasering in tijd genoemd. Schade is – indien de planning van activiteiten dit toelaat – te minimaliseren door grondwerkzaamheden en het eventueel verwijderen van beplanting, zoveel mogelijk uit te voeren in de periode september - oktober. Dit is buiten de voortplantings- en overwinteringsperiode van veel dieren, dus buiten de periode waarin dieren extra kwetsbaar zijn.

Conclusie

Bij de voorgenomen ontwikkeling dient te worden voldaan aan de gestelde maatregelen. Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling zijn er dan ten aanzien van het aspect ecologie geen belemmeringen.

3.7 Distributie planologische effectenrapportage

Distributieve planologische effecten

Om inzicht te krijgen in de distributieve gevolgen van de verplaatsing en schaalvergroting van de Aldi voor de bestaande winkelstructuur in Opheusden heeft Adviesburo Kardol een effectenrapportage opgesteld. De conclusies uit de rapportage luiden:

Gemeentebreed zullen er de komende jaren meer meters in de supermarktsector worden toegevoegd. Het gaat hier om een uitbreiding van de andere Aldi in Ochten en Opheusden en de uitbreiding van de SPAR/PLUS in Kesteren. In totaal wordt er verdeeld over een drietal supermarkten circa 1.482 m2 winkelvloeroppervlakte (w.v.o). toegevoegd in de gemeentelijke supermarktsector.

Door de diversiteit aan extra meters én formulewijzigingen zullen er marktverschuivingen ontstaan binnen de supermarktsector.

De volgende effecten worden in de nieuwe situatie naar verwachting teweeggebracht:

  • de Aldi Opheusden omzet zal toenemen met een omzetvolume van circa € 0,6 miljoen per jaar (+ circa 10%);
  • de Albert Heijn (voormalige C1000) Opheusden zal in de nieuwe situatie de omzet zeer licht zien toenemen;
  • de Aldi in Ochten zal de omzet met eveneens circa 10% zien toenemen, de omzet van de MCD in Ochten zal stabiliseren;
  • de SPAR (in de toekomst PLUS) in Kesteren zal haar omzet fors zien toenemen (toename lokale binding);
  • doordat een groot deel van de meters wordt toegevoegd in de discountsector (circa 800 m2 w.v.o.), zullen de andere supermarktsegmenten relatief weinig hinder gaan ondervinden;
  • de koopkrachtafvloeiing in de supermarktsector naar 'elders' (buiten de gemeente Neder-Betuwe) die thans nog plaatsvindt, zal gaan afnemen.

Er ligt op dit moment een druk op de supermarktsector, aangezien de vraag groter is dan het aanbod. Met de verplaatsing van de Aldi naar de Damcon-locatie ontstaat er een sterk supermarktcluster in Opheusden. Het nadeel hiervan is dat de andere kleinere winkels in het dorp hiervan niet direct van kunnen profiteren. Maar het grote voordeel voor de consument is het gemak ten aanzien van het supermarktbezoek. Gezien het feit dat de supermarkten nu al zo dicht tegen elkaar aanliggen en de uitbreiding beperkt is, zal dit geen grote gevolgen hebben voor het functioneren van de andere winkels. Een omzetreductie van andere dagwinkels in Opheusden ligt dan ook niet voor de hand. Ondanks dat de Aldi hemelsbreed verder van de Albert Heijn komt te liggen, ontstaat wel meer gezamenlijke aantrekkingskracht door de ligging van het parkeerterrein. Combinatiebezoek aan beide winkels wordt gemakkelijker.

De uitbreiding is grotendeels bedoeld om de interne circulatieproblemen in de supermarkt op te lossen. Distributief zullen er weinig veranderingen optreden in Neder-Betuwe, zowel lokale binding als toevloeiing uit andere delen van de gemeente nemen slechts in lichte mate toe.

De volledige rapportage is als Bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.

3.8 Verkeer en parkeren

Bij de voorgenomen ontwikkeling is rekening gehouden met eventuele gevolgen voor verkeerskundige aspecten in of nabij het plangebied, zoals verkeersbewegingen en parkeren.

Verkeer

De voorgenomen ontwikkeling brengt een verkeersaantrekkende werking met zich mee. Dit wordt in de toekomst in goede banen geleid door een beoogde in-/uitrit op de Hamsestraat en de in-/uitrit op de Dorpsstraat.

Het aantal verkeersbewegingen zal ten gevolge van de nieuwe supermarkt toenemen. Om het extra verkeer te berekenen, is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. In publicatie 317 zijn tabellen opgenomen die per functie het aantal te verwachten ritten weergeven. Voor de Aldi is gekozen voor "discountsupermarkt".

Een Aldi heeft over het algemeen een groter verzorgingsgebied dan alleen de plaats waarin het gevestigd is. Opheusden en omgeving kan getypeerd worden als "niet stedelijk". De plek van de Aldi is "schil centrum".

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0010.png"

Aangenomen mag worden dat het aantal ritten per dag per 100 m2 brutovloeroppervlak (bvo) ligt tussen de 86 en 122. In deze berekening wordt uitgegaan van 100 ritten per dag per 100 m2 bvo, op hetzelfde plein is een Albert Heijn gevestigd en er mag dus rekening gehouden worden met een uitwisseling van verkeer en tegelijk bestaat de kans dat dit juist meer verkeer aantrekt. Uitgaan van een gemiddelde van 100 is dan ook reëel.

De oppervlakte van de Aldi is circa 1.500 m2 bvo. Bij de nieuw te vestigen Aldi moet dan ook rekening gehouden worden met 100 * 15 = 1.500 ritten per dag (dit is dus circa 750 bezoekers per dag).

Verdeling van het verkeer

Uit de modelgegevens over de verkeersintensiteiten van de gemeente (verkeersmodel 2020, Goudappel Goffeng) is op te maken dat in 2020 de te verwachten verkeersintensiteit op de Dorpsstraat op 4.100 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) ligt. Voor de Hamsestraat is dit circa 1.900 mvt/etm. Dit zijn de intensiteiten op een gemiddelde werkdag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0011.jpg"

In de huidige situatie is de Albert Heijn bereikbaar via 1 ontsluiting op de Dorpsstraat. Gezien de omvang van de Albert Heijn (circa 1.500 m2 bvo) mag aangenomen worden dat deze supermarkt circa 1.700 ritten per dag genereert.

Het totaal aantal ritten dat na de realisatie van de Aldi het plangebied zal genereren komt dan uit op 3.200 ritten. Deze ritten zullen verdeeld worden over 2 ontsluitingen.

Gezien het verzorgingsgebied van de supermarkten en het meer doorgaande karakter van de Dorpsstraat ten opzichte van de Hamsestraat, zal het zwaartepunt van de afwikkeling van het verkeer via de ontsluiting op de Dorpsstraat komen te liggen.

Voor een gedetailleerde berekening van de verdeling moet het verkeersmodel gebruikt worden. Desondanks kan op basis van een reële inschatting wel een uitspraak gedaan worden over de verdeling.

In dit geval is het aannemelijk om een verdeling van 60% via de ontsluiting Dorpsstraat en 40% via de ontsluiting Hamsestraat aan te houden (variant 1). Door de drukte op de Dorpsstraat kan het verkeer op drukke momenten (laden en lossen) toch meer kiezen voor de ontsluiting via de Hamsestraat. In dat geval is het goed om rekening te houden met een 50/50 verdeling van het verkeer over de 2 ontsluitingen (variant 2).

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ontstaan er andere verkeersstromen. In de volgende afbeeldingen is dit in beeld gebracht.

Het verkeersstromen plaatje komt er bij variant 1 dan als volgt uit te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0012.jpg"

Bij variant 2 kunnen de volgende intensiteiten verwacht worden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0013.jpg"

Voor de Hamsestraat is dit een in verhouding aanzienlijke toename van het verkeer. Echter het profiel van de Hamsestraat past bij een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Het landelijk Duurzaam Veilig(beleid) geeft aan dat op zo'n weg maximaal 5000 - 6000 motorvoertuigen per etmaal vlot en veilig kunnen worden afgewikkeld. Hierbij is de leefbaarheid in straten zoals de Hamsestraat (denk hierbij aan de verkeersveiligheid, oversteekbaarheid en geluidsoverlast) goed op elkaar af te stemmen. In beide varianten blijft op beide wegen de intensiteit onder deze 5.000 mvt/etm.

Beide wegen zijn er nu al op ingericht om deze extra verkeersbewegingen te kunnen verwerken.

Bij een worst-case situatie van met een verdeling van 60% via de ontsluiting Hamsestraat en 40% via de ontsluiting Dorpsstraat zullen gezien de intensiteit ook geen problemen ontstaan met de verkeersstromen. Ook in de worst-case situatie blijft op beide wegen de intensiteit onder de 5.000 mvt/etm.

Opgemerkt moet worden dat in het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan aangegeven is dat de Hamsestraat zal gaan worden ingericht als 30 km/uur weg. Hiermee rekening houdend is de voorgenomen verkeerstoename ook acceptabel, aangezien de intensiteit nog steeds onder de maximale capaciteit blijft.

De ontsluitingsmogelijkheden zijn voor zowel het gemotoriseerde als het langzaamverkeer bedoeld. Verder wordt het voetpadenstelsel vanaf het bestaande parkeerterrein richting de Aldi uitgebreid. Bovendien wordt er vanaf de Hamsestraat, langs het nieuwe woonperceel Hamsestraat 14-16, een fiets/voetpad aangelegd.

De bevoorrading van de Aldi zal plaatsvinden vanaf de ontsluiting op de Hamsestraat. Aan de westzijde van de winkel is een met wanden en dak afgeschermde sluis ontworpen, zodat de eventuele hinder tot een minimum wordt beperkt. Bij de aansluiting op de Hamsestraat zal de maatvoering van de bochtstralen zodanig zijn dat die geschikt zijn voor het vrachtverkeer. Bij de Dorpsstraat is dit al het geval, omdat de bevoorrading van de Albert Heijn aan de achterzijde van de winkel plaatsvindt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling ontstaan acceptabele verkeersintensiteiten, rond de in-/uitritten worden geen problemen verwacht. Hiermee zijn er geen belemmeringen in verband met verkeer.

Parkeren

Volgens de ASVV 2004 en CROW publicatie 182 geldt bij de voorgenomen ontwikkeling een kencijfer van 3,0-4,5 parkeerplaatsen per 100 m2 winkelvloeroppervlakte. De bruto vloeroppervlakte van de Aldi supermarkt is circa 1.500 m2. Dus 3,0 x 1.500 = 4.500 = 45 parkeerplaatsen en 4,5 x 1.500 = 6.750 = 68 parkeerplaatsen. Dit betekent dat het bestaande parkeerterrein aan de Swaenenstate ten behoeve van deze voorziening met minimaal 45 parkeerplaatsen en maximaal 68 parkeerplaatsen moet worden uitgebreid. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zijn afspraken gemaakt over het aantal parkeerplaatsen. Het ontwikkelde plan geeft voor wat betreft het aspect parkeren aan dat er op de kavel een capaciteit van 87 parkeerplaatsen is ontworpen ten behoeve van de voorgenomen supermarkt. Het aantal parkeerplaatsen ligt 15 parkeerplaatsen boven het aantal dat met de gemeente is afgesproken. Ten tijde van de gemaakte afspraken was ook nog sprake van een dagwinkel. Deze dagwinkel is vervallen. Dus ten opzichte van de gemaakte afspraken is er nu meer parkeergelegenheid voor de supermarkt dan in de oorspronkelijke afspraken was aangegeven. Hierbij wordt aangetekend dat er altijd nog fysieke ruimte in de omgeving aanwezig is om extra parkeren te regelen

Inmiddels is de gemeentelijke Nota Parkeernormen (vastgesteld februari 2013) van toepassing, maar bij de vaststelling van de nota is toegezegd dat deze nog niet van toepassing is op lopende projecten, daar gelden de bestaande afspraken voor. In dit geval geldt dus dat met de gemeente is afgesproken dat met het voorliggende plan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

De warenmarkt vindt op donderdagmiddag plaats en kan op de huidige positie blijven. De toevoeging van de Aldi zal daar niet op van invloed zijn, omdat de ontsluiting gedurende die middag kan plaatsvinden via de Hamsestraat.

De parkeerplaats voor vrachtwagens achter de brandweerkazerne (gedoogsituatie) zal komen te vervallen. De gemeente wil, indien nodig, maatregelen nemen om overlast van geparkeerde vrachtwagens in de dorpskern tegen te gaan. De gemeente is bereid om mee te denken met initiatieven voor het realiseren van alternatieve parkeerlocaties.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

Het bestemmingsplan is gebaseerd op de bouw van een Aldi supermarkt op het voormalige terrein van Damcon aan de Hamsestraat te Opheusden. De bestaande bebouwing in het plangebied wordt voor deze ontwikkeling gesloopt.

Omgeving

Het plangebied ligt in het centrum van Opheusden aan de Hamsestraat. Deze straat vormt één van de oudere wegen van het dorp en heeft een belangrijke ontsluitingsfunctie voor het dorp. In de omgeving liggen verschillende woongebouwen die in de jaren '50 van de vorige eeuw zijn gebouwd. Ook zijn nabij het plangebied een kerk en de brandweerkazerne gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0014.jpg"

Afbeelding: Straatbeeld parkeerzijde

In een samenwerking tussen de Welstandscommissie en de architect is een positie en ontwerp gemaakt dat aansluit bij de karakteristieken van het landelijk gebied en een begrenzing vormt van het parkeerterrein. De materialisering sluit aan bij het landelijk gebied, baksteenrood, bruin en een stalen dakplaat. Verder is er sprake van gesloten gevels aan de buitenzijde en een open gevel aan de zijde van het parkeerterrein.

Op de afbeelding "Situatieschets" is een indicatie van het bouwplan weergegeven. Dit bouwplan is de basis voor de verbeelding. Op de verbeelding is met een bouwvlak de begrenzing van de Aldi supermarkt aangegeven.

De supermarkt is bestemd als "Detailhandel". De hoogteregeling is op de verbeelding aangegeven. Binnen het bouwvlak is eveneens door middel van een aanduiding aangegeven waar het mogelijk is om de bevoorrading te realiseren.

Zowel de ontsluitingsweg als het parkeerterrein zijn geregeld met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". Door middel van deze bestemming wordt bovendien het fiets-/voetpad (verbinding voor langzaam verkeer) geregeld die de verbinding vormt tussen het parkeerterrein en de Hamsestraat.

Het plangebied is goed bereikbaar. Via de in-/uitrit op de Dorpsstraat is het plangebied ontsloten voor bezoekers (en voor bevoorrading van de Albert Heijn). Via de beoogde in-/uitrit op de Hamsestraat is het plangebied ontsloten voor bezoekers en de bevoorrading van de Aldi.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0015.jpg"

Afbeelding: Situatieschets

Op de volgende afbeelding zijn de gevelaanzichten weergegeven. Een duidelijkere weergave van deze afbeelding is opgenomen in Bijlage 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0016.jpg"

Afbeelding: Gevelaanzichten

De gehele ontwikkeling betreft dus de supermarkt, parkeerplaats en bijbehorende infrastructuur, waaronder ook de langzaamverkeerverbinding en een woonhuis. Het woonhuis wordt via een afzonderlijk bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Op de volgende afbeelding is dit in beeld gebracht. De bolletjeslijn betreft de grens van de verschillende bestemmingsplannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPswaenenstA-vst1_0017.jpg"

Afbeelding: Gehele ontwikkeling Damcon-terrein met supermarkt, parkeerterrein, infrastructuur en woonhuis (bolletjeslijn grens bestemmingsplannen)

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin ook inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan.

Voor het bestemmingsplan "Aldi Opheusden" zijn door de gemeente voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure overeenkomsten gesloten met initiatiefnemer. De grond voor het besluit geen exploitatieplan vast te stellen ligt in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeenteraad is niet verplicht tot het opstellen van een exploitatieplan als:

  • 1. het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een fasering niet noodzakelijk is; en
  • 3. het stellen van overige eisen niet noodzakelijk is.

Het kostenverhaal in het bestemmingsplan is "anderszins verzekerd" door een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer Castella vastgoed. Het betreft een koop-/realisatieovereenkomst.

Hoofdstuk 6 Het juridisch plan

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk worden de, van het bestemmingsplan deel uitmakende, regels voor zover nodig van een nadere toelichting voorzien.

De regels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is.

De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1 Inleidende regels.
  • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels.
  • Hoofdstuk 3 Algemene regels.
  • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1. Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden de in regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.

Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de bestemmingsregels. De meeste bestemmingen bestaan uit:

  • a. een bestemmingsomschrijving en
  • b. bouwregels

Daarnaast is bij verscheidene bestemmingen opgenomen:

  • c. een afwijkingsmogelijkheid en/of
  • d. gebruiksregels

  • Ad a. Bestemmingsomschrijving
    De bestemmingsomschrijving is vooral van belang om vast te stellen waartoe de gronden mogen worden gebruikt. In het kader van de handhaving is de bestemmingsomschrijving dan ook van groot belang.
  • Ad b. Bouwregels
    De bouwregels geven de bouwmogelijkheden aan. Omdat steeds is opgenomen dat alleen mag worden gebouwd ten dienste van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden niet los te zien van de bestemmingsomschrijving.
    Ondergronds bouwen is toegestaan zolang maar wordt gebouwd ten dienste van de bestemming en met inachtneming van de bouwregels. Doorgaans betekent dit dat ondergrondse gebouwen, bijvoorbeeld (parkeer)kelders, uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht.
  • Ad c. Afwijkingsmogelijkheid
    De bevoegdheid om bij een omgevingsvergunning afwijking te verlenen van bepaalde normen is gebaseerd op de mogelijkheden in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De uitvoering ervan berust bij het college van burgemeester en wethouders. Deze regels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming niet mag worden gewijzigd.
  • Ad d. Gebruiksregels
    In sommige bestemmingen wordt uitdrukkelijk aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Desgewenst kunnen specifieke vormen van gebruik worden uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan. De hier opgenomen gebruiksregel is aanvullend op de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat regels die in hun algemeenheid voor het gehele bestemmingsplan gelden. Vaak zijn ze van toepassing op meerdere bestemmingen. Uit praktische overwegingen zijn ze in een afzonderlijk hoofdstuk ondergebracht.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 geeft regels over hoe om te gaan met bouwwerken en het gebruik vallend onder het overgangsrecht en de benaming van het plan.

6.2 Nadere toelichting op de regels

Voor zover nodig worden regels en bestemmingen van een toelichting voorzien. Niet alle regels worden daarom toegelicht.

Agrarisch met waarden

Deze bestemming is conform het bestemmingsplan 'Kern Opheusden', vastgesteld 25 april 2013. In verband met de bescherming van cultuurhistorische waarden is voor 'Agrarisch met waarden' een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden.

Detailhandel

Deze bestemming is opgenomen voor de te realiseren winkel. Onder detailhandel wordt begrepen het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Met andere woorden: aan de eindgebruiker. Horeca is niet toegestaan.

De gronden die worden ingezet voor het laden en lossen zijn nader aangegeven.
In de bouwregels is bepaald dat de gebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en is de toegestane goot- en bouwhoogte nader aangeduid. In verband met het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op nabij gelegen agrarische gronden is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die inhoudt dat binnen 10 meter vanaf de bestemming 'Agrarisch met waarden' geen te openen delen aanwezig mogen zijn in een gebouw, behoudens wettelijk vereiste nooduitgangen. Dus binnen 10 meter vanaf de bestemming 'Agrarisch met waarden' mag wel een gebouw aanwezig zijn, maar daarin mogen geen deuren (met uitzondering van nooddeuren) of te openen ramen aanwezig zijn. Zie ook paragraaf 3.3.5. In dit kader is ook een bladhoudende, aaneengesloten windhaag verplicht voorgeschreven.

Om het pand als supermarkt te gebruiken is vereist dat 72 parkeerplaatsen worden aangelegd in de verkeersbestemming. Het gaat niet alleen om de verkeersbestemming van onderhavig plan, maar ook van het naastgelegen terrein. De bestaande parkeerplaats moet deels worden heringericht om de inrichting te laten aansluiten op het nieuw aan te leggen deel van het parkeerterrein.

Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" betreft het openbaar toegankelijk gebied. Het pad naar de Hamseweg is ten dienste van fiets/voetgangers. In verband met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een aanduiding opgenomen ('specifieke vorm van verkeer - geen gewasbeschermingsmiddelengevoelige functies'), waar geen functies zijn toegestaan die gevoelig zijn voor gewasbeschermingsmiddelen. Bij de opsomming is de volgorde aangehouden van de onderdelen in de bestemmingsomschrijving. Ter plaatse van de aanduiding 'groen' is een bladhoudende, aaneengesloten windhaag voorgeschreven. Zie paragraaf 3.3.5.

Waarde - Archeologie

Voor de gronden met een agrarische bestemming en de gronden met de waterbestemming zijn de dubbelbestemmingen archeologie opgenomen conform het bestemmingsplan 'Kern Opheusden'. Deze bepalingen dienen op dezelfde manier te worden uitgelegd als die van het plan 'Kern Opheusden'.

Waterstaat - Waterlopen

Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de A-watergang. De regels zijn conform de dubbelbestemming in het bestemmingsplan 'Kern Opheusden'. Onderhoud van de watergang kan plaatsvinden via de noordzijde.

Algemene aanduidingsregels

Om volksgezondheidsredenen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een zone van 10 meter vanaf de perceelgrens niet toegestaan. Zie hierover paragraaf 3.3.5.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal regels opgenomen, om het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Omdat één en ander zich niet beperkt tot één bestemming maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing.

Het verlenen van een omgevingsvergunning mag geen automatisme zijn. Het bevoegd gezag zal het verlenen van die vergunning zorgvuldig moeten afwegen en motiveren.

Overgangsregels

Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing wordt mogelijk gemaakt.

Het gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot.

Indien het strijdig gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

7.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan "Aldi Opheusden" heeft op basis van de gemeentelijke inspraakverordening (onder toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) van 30 april 2015 tot en met 10 juni 2015 ter inzage gelegen. Van de mogelijkheid om een inspraakreactie in te dienen is gebruik gemaakt. In het Eindverslag van inspraak en vooroverleg zijn de inspraakreacties vermeld en beantwoord. Tevens is daarbij vermeld of de reacties aanleiding gaven om het bestemmingsplan aan te passen. Het Eindverslag is opgenomen als Bijlage 7.

Verder heeft een ambtshalve aanpassing van het plan plaatsgevonden. In de bestemming Detailhandel is de maximale goothoogte komen te vervallen. Het bestemmingsplan is daarmee beter afgestemd op het bouwplan.

7.2 Overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan "Aldi Opheusden" is ter beoordeling aangeboden aan het waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland. Beiden hebben verklaard akkoord te zijn met de inhoud van het plan.

17 maart 2016.