direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Randweg Opheusden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Neder-Betuwe heeft het voornemen een randweg te realiseren tussen Kesteren en de zuidwestelijke zijde van Opheusden. Deze randweg moet zorgen voor een verbetering van de verkeersveiligheid in en rondom de kern Opheusden en de bereikbaarheid van het Agro Business Centre en Opheusden-West.

De gemeente Neder-Betuwe heeft de noodzaak om te komen tot een andere ontsluiting reeds benoemd in de Structuurvisie van 2018, het Neder-Betuws Verkeer- en vervoersplan (NBVVP) van 2018, de regionale Mobiliteitsagenda en het bijbehorende Uitvoeringsplan Mobiliteit.

Op 24 september 2020 heeft de raad van de gemeente Neder-Betuwe het voorkeurstracé voor de randweg vastgesteld. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan overwegend een agrarische bestemming. De randweg kan hierbinnen niet worden gerealiseerd. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling en maakt daarmee de ontwikkeling mogelijk.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt tussen de kernen Kesteren en Opheusden. Het plangebied bestaat uit het tracé van de toekomstige randweg en een aantal aanliggende percelen waarvan de bestemming moet worden gewijzigd, omdat deze worden doorsneden door de realisatie van de randweg en de huidige bestemming daardoor niet meer passend is.

De percelen in de omgeving van het plangebied zijn overwegend in agrarisch gebruik, ten behoeve van de laanboomteelt. Bij de aansluiting in Kesteren doorkruist het plangebied een bedrijventerrein en nabij Opheusden grenst het aan enkele woonpercelen aan de Hamsestraat. Het meest oostelijk deel van het plangebied doorkruist het Agro Business Centre Opheusden, dat ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan in ontwikkeling is. Verder grenst het plangebied deels aan de spoorlijn Tiel - Arnhem.

Op de navolgende topografische kaart en luchtfoto's is de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven. De exacte begrenzing is op de verbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0001.jpg"

Globale ligging plangebied (rode lijn), bron: pdokviewer.pdok.nl, bewerking SAB

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0002.jpg"

Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (rode lijn), bron: pdokviewer.pdok.nl

1.3 Geldende plannen

Op dit moment gelden voor het plangebied de bestemmingsplannen 'Buitengebied Kesteren', 'Buitengebied Dodewaard en Echteld', 'Bedrijventerrein', 'Opheusden, Reigerstraat', 'Infrastructuur ABC', 'Parapluplan 2020', 'Parapluregeling Archeologie', 'Parapluregeling Parkeren', 'Plattelandswoningen' en 'VAB-beleid'.

1.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied Kesteren

Het bestemmingsplan Buitengebied Kesteren is op 24 mei 2012 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen 'Wonen', 'Bedrijf - Agrarisch verwant', 'Verkeer - Rail', 'Verkeer', 'Water' en 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en 'Waterstaat - Beheerszone watergang'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0003.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0004.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3.2 Bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' is op 30 mei 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen 'Water' en 'Agrarisch met Waarden - 2' en de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Beheerszone watergang', Leiding - Riool' en 'Waarde - Archeologie 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0005.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3.3 Bestemmingsplan 'Bedrijventerrein'

Het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' is op 27 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer' en de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterlopen', Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0006.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3.4 Bestemmingsplan 'Opheusden, Reigerstraat'

Het bestemmingsplan 'Opheusden, Reigerstraat' is op 14 december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming 'Groen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0007.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Opheusden, Reigerstraat' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3.5 Bestemmingsplan 'Infrastructuur ABC'

Het bestemmingsplan 'Infrastructuur ABC' is op 2 juli 2015 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen 'Verkeer' en de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterlopen' en 'Waarde - Archeologie 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0008.jpg"

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Infrastuctuur ABC' met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.3.6 Bestemmingsplan Parapluregeling Archeologie

De gemeente Neder-Betuwe heeft op 27 september 2018 het bestemmingsplan 'parapluregeling Archeologie' vastgesteld. In de geldende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied zijn archeologische waarden aan de gronden toegekend. Het archeologiebeleid van de gemeente Neder-Betuwe is in 2016 geactualiseerd en vertaald in de Parapluregeling Archeologie. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'.

1.3.7 Overige bestemmingsplannen

Naast de bestemmingsplannen die bovenstaand specifiek zijn benoemd, gelden binnen het plangebied de bestemmingsplannen 'Parapluplan 2020', 'Parapluregeling Parkeren', 'Plattelandswoningen' en 'VAB-beleid'. Deze bestemmingsplannen bevatten geen specifieke regeling ter plaatse van het plangebied, maar algemene regels ten aanzien van onder andere parkeren, plattelandswoningen en het VAB-beleid.

1.3.8 Strijdigheden

De realisatie van de randweg bij Opheusden is op basis van de bouw- en gebruiksregels uit de geldende bestemmingsplannen niet mogelijk. Voor de realisatie van de randweg is een bestemming noodzakelijk die het gebruik ten behoeve van onder andere wegen, fietspaden, bermen en watergangen mogelijk maakt. Dit is binnen de huidige (overwegend agrarische) bestemmingen niet overal toegestaan. Een herziening van de geldende bestemmingsplannen is daarom noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan wordt getoetst. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (Hoofdstuk 5) en de uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Ruimtelijke structuur

Historie

De randweg wordt gerealiseerd in het landelijk gebied tussen de kernen Kesteren en Opheusden. In dit gebied zijn meerdere waardevolle linten met veel monumentale bebouwing aanwezig, zoals de Hamsestraat en de Tielsestraat. Daarnaast is de oorspronkelijke verkavelingsstructuur hier sinds circa 1850 grotendeels intact. De verkaveling is kleinschalig en ligt haaks op de linten.

Het plangebied kruist de Linge, een in de 13e eeuw gegraven watergang tussen Doornenburg en Tiel. Daarnaast is in de omgeving van het plangebied tussen het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw de Betuwelinie aangelegd als verdedigingslinie tussen de Waal en de Rijn. Deze linie is grotendeels verdwenen, maar in de omgeving van het plangebied zijn onder andere een aantal kazematten en de oude liniedijk zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0009.jpg"

Afbeelding Historie en identiteit, bron: landschappelijke analyse Opheusden, Sweco, 8 januari 2020

Verbindingen

In de omgeving van het plangebied worden de kernen Kesteren en Opheusden richting het noorden ontsloten door verschillende oude dorpswegen, zoals de Tielsestraat, In het Land en de Hamsestraat. Deze wegen komen uit op de Rijnbandijk. Aan de zuidzijde worden deze kernen ontsloten via een structuur van nieuwere wegen, welke meer gericht zijn op de ontsluiting richting de A15.

2.1.2 Functionele structuur

Omgeving plangebied

In de omgeving van het plangebied liggen de kernen Opheusden en Kesteren. Daarnaast is er veel bebouwing aanwezig langs de linten in het gebied tussen deze kernen, zoals de Tielsestraat, de Hamsestraat en In 't Land. Tussen deze kernen en bebouwingslinten liggen stroomruggen, welke overwegend in gebruik zijn voor de fruitteelt en boomkwekerijen. Ten zuiden van de spoorlijn Arnhem - Tiel liggen open komgronden.

Binnen plangebied

De gronden binnen het plangebied zijn overwegend agrarisch in gebruik voor de laanboomteelt of als weiland. Daarnaast liggen er verschillende watergangen in het plangebied. Het plangebied wordt doorkruist door meerdere wegen en de Linge. Binnen het plangebied liggen verder drie woningen, een kazemat en een bedrijfsgebouw.

2.1.3 Ontwikkelingen omgeving plangebied

Aangrenzend aan de Randweg heeft de gemeente Neder-Betuwe twee andere ontwikkelingen gepland: de realisatie van de nieuwe woonwijk Herenland-west en een Agro Business Centre (zie volgende afbeelding). De woonwijk Herenland-west betreft een nieuwe uitbreiding aan de westzijde van Opheusden. Het Agro Business Centre is een bedrijventerrein ten behoeve van bedrijven die gerelateerd zijn aan de laanboomteelt, dat momenteel in het gebied tussen de Linge en de A15 gerealiseerd wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0010.jpg"

Luchtfoto met globale aanduiding plangebied (rode lijn), toekomstige woonwijk Herenland-west (gele cirkel) en Agro Business Centre (groene cirkel).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat allereerst in op het nut en de noodzaak van de aanleg van de randweg. Daarna worden de diverse varianten van de randweg die zijn onderzocht beschreven en volgt een onderbouwing van de voorkeursvariant. In de paragraaf 2.2.4 'Omschrijving tracé' wordt het toekomstige tracé beschreven.

2.2.2 Nut en noodzaak
2.2.2.1 Probleembeschouwing

De leefbaarheid in kern van Opheusden staat sterk onder druk door toenemend (vracht)auto- en landbouwverkeer dat dóór de kern van het dorp heenrijdt. In het bijzonder tijdens het teeltseizoen is op de weg bovendien veel zwaar verkeer aanwezig vanwege de laanboomteelt. De drukke verkeersbewegingen in combinatie met het smalle wegprofiel van de Dorpsstraat - Burg. Lodderstraat - Dalwagenseweg en het ontbreken van fietsvoorzieningen, zorgen voor verkeersonveilige situaties en leefbaarheidsproblemen.

Ontsluitingsstructuur

De hoofdroutes richting de kern Opheusden lopen op dit moment (voor het gemotoriseerde verkeer) via de Tielsestraat / Rijnbandijk en de Dodewaardsestraat / Dalwagenseweg. Gezien deze verkeersstructuur wordt de doorgaande as door Opheusden namelijk de Dorpsstraat - Burg. Lodderstraat - Dalwagenseweg sterk belast voor de bereikbaarheid van woongebieden in Opheusden. Zonder een nieuwe ontsluitingsweg moeten ook toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen via deze as en toegangswegen bereikt worden. Dit zorgt in de toekomst voor extra druk op deze wegen, wat leidt tot meer verkeersonveiligheid en verkeersoverlast.

In het NBVVP van 2018 is op diverse plaatsen opgemerkt dat door een toenemende intensiteit van vooral fietsverkeer, de aangelegen winkelvoorzieningen en het gebruik van vrachtwagens naar bedrijventerrein het Panhuis (sluipverkeer), de Dalwagenseweg niet meer geschikt is om al deze verkeersstromen op een verantwoorde wijze te verwerken. Vanuit verkeersveiligheid en leefbaarheid in de kern Opheusden is een andere ontsluiting noodzakelijk.

De Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 geeft aan dat de ontsluiting via de Tielsestraat en Rijnbandijk als knelpunt wordt ervaren. De drukke verkeersbewegingen in combinatie met het smalle wegprofiel en het ontbreken van fietsvoorzieningen zorgen voor onveilige situaties en leefbaarheidsproblemen. Daarbij zijn ter plaatse van de interne ontsluitingsstructuur (Dorpsstraat-Burgemeester Lodderstraat en Dalwagenseweg) de verschillende functies van deze wegen (ontsluitingsweg, verblijfsgebied, winkelcentrum) moeilijk verenigbaar. Met de klimaatveranderingen en door de perioden van extreme droogte zorgt de verdroging van de bodem tot een toename van bodemtrilling door zwaar verkeer. Dit is bijvoorbeeld het geval in de Tielsestraat waar bewoners melding maken van trilschade als gevolg van zwaar vrachtverkeer. Ook om deze reden is het wenselijk om een alternatief voor zwaar verkeer richting bedrijventerrein Panhuis te realiseren.

Uit de verkenning van de ontsluitingsstructuur1 blijkt dat de intensiteit op de dorpen-as 'Dorpsstraat - Burg. Lodderstraat - Dalwagenseweg' varieert van (afgerond) 4.000 mvtg/etmaal op de Dorpsstraat tot bijna (afgerond) 10.000 mvtg/etmaal op de Dalwagenseweg. Aanvullend zijn verkeersmodelanalyses uitgevoerd om zo een scherp beeld te krijgen van de verkeerstromen en de herkomst en bestemmingsrelaties.

Landbouwverkeer en vrachtverkeer

De laanboomsector is economisch van grote betekenis voor Opheusden en de regio. In en rondom de kern bevinden zich diverse kwekers die zich bezighouden met de productie, handel en productontwikkeling van laanbomen. Dit levert met name in het teeltseizoen aanzienlijke vervoersstromen op, ook tussen kwekers onderling. Het transport vindt plaats met vrachtwagens, maar ook met grote landbouwvoertuigen (tractoren met aanhangwagens).

Het zijn voornamelijk deze grote landbouwvoertuigen en vrachtwagens die de overlast veroorzaken in de kern. Op de routes door de kern zijn geen gescheiden fietsvoorziening aanwezig, waardoor er grote verschillen zijn in snelheid en massa. Met name het fietsverkeer (o.a. schoolgaande kinderen) ondervindt veel hinder van de grote voertuigen. Bovendien staan in de kern (Rijnbandijk, Dorpsstraat, Burgemeester Lodderstraat en de Dalwagenseweg) de huizen dicht op de rijbaan, waardoor veel trillingshinder wordt ervaren door bewoners veroorzaakt door het grote, zware verkeer.

Fietsverkeer

Het fietsverkeer in Opheusden en omgeving wikkelt zich over het algemeen af op de erftoegangswegen, de 30km/h en 60km/h wegen. Langs de meer drukke wegenzijn voor een groot gedeelte fietsvoorzieningen aanwezig in de vorm van fietsstroken en/of vrijliggende fietspaden. Het fietsverkeer is voornamelijk gericht op Kesteren, daar bevinden zich de belangrijke functies als scholen en bedrijven. Deze stroom fietsers maakt gebruik van de Parallelweg, welke langs het spoor van Opheusden naar Kesteren loopt en een directe verbinding vormt tussen beide kernen. De Parallelweg kent éénrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer in de richting van Opheusden naar Kesteren. Fietsverkeer is in beide richtingen toegestaan. Een belangrijk knelpunt is dat de Parallelweg ook veel door gemotoriseerde voertuigen wordt gebruikt, en in combinatie met een drukke fietsroute zorgt dit voor zowel objectieve, als subjectieve verkeersonveiligheid.

De Parallelweg wordt door fietsers als gevaarlijk ervaren; de weg heeft als kenmerk lange rechtstanden waarbij de snelheden van het gemotoriseerde verkeer hoog op kunnen lopen. Bovendien is de verhardingsbreedte niet ruim gedimensioneerd. Er zijn wel maatregelen genomen.

2.2.2.2 Noodzaak voor een nieuwe ontsluitingsweg

De kern Opheusden is op dit moment voor het gemotoriseerde verkeer alleen via de Tielsestraat/Rijnbandijk en de Dodewaardsestraat/Dalwagenseweg bereikbaar. Een zuidelijke ontsluitingsweg is nodig om in de toekomst Opheusden goed te kunnen ontsluiten en te anticiperen op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Ook leidt de aanleg van een randweg tot een substantiële verbetering van het woon- en leefklimaat in een groot deel van de kern Opheusden.

Gezien de bestaande verkeersstructuur worden de assen Dorpsstraat - Burg. Lodderstraat – Dalwagenseweg en Tielsestraat - Rijnbandijk sterk belast voor de bereikbaarheid van woon-, werk- en recreatiegebieden in Opheusden. Zonder nieuwe ontsluitingsweg moeten ook toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen via deze as en toegangswegen bereikt worden. Dit zorgt in de toekomst voor extra (onacceptabele) druk op deze wegen, wat leidt tot meer verkeersonveiligheid, verkeersoverlast en toenemende leefbaarheidsproblemen.

Een nieuwe zuidelijke ontsluitingsweg draagt bij aan een verbeterde bereikbaarheid en leefbaarheid in Opheusden, zonder dat daarbij de druk op bestaande wegen verder onacceptabel toeneemt of elders het woon- en leefklimaat verslechtert. De intensiteit op de meeste wegen neemt zelfs af door een nieuwe ontsluitingsweg. Deze wegen kunnen verder afgewaardeerd worden. Zonder de nieuwe ontsluitingsweg wordt het in de toekomst qua verkeer steeds lastiger om de kern Opheusden verder uit te breiden.

Daarnaast zorgt een nieuwe weg ook voor extra robuustheid en verbeterde verkeersveiligheid: bij calamiteiten en wegwerkzaamheden is het verkeer van en naar de kern Opheusden beter om te leiden, waardoor de bereikbaarheid gegarandeerd blijft.

2.2.3 Oplossing; Het 'West-Herenland'-tracé is het meest optimale tracé voor de realisatie van een rondweg
2.2.3.1 Varianten

In 2019 is door Royal Haskoning DHV een varianten studie gedaan voor de ontsluitingsstructuur van Opheusden2. Er zijn hierin vijf varianten voor het tracé van de randweg onderzocht.

  • 1. Variant Markstraat
    Het tracé van de variant Markstraat gaat aan het einde van het Agro Business Centre d.m.v. een nieuwe brug de Linge over, ten oosten van het kassencomplex aan de Parallelweg, vervolgens kruist dit tracé het spoor met een nieuwe spoorwegovergang, loopt dit tracé langs het spoor en komt uiteindelijk bij de Markstraat op de Tielstraat. Er is een extra brug over de Linge nodig om de rondweg ook aan te sluiten op de Smachtkamp.

  • 2a. Variant Tielsestraat
    Het tracé van de variant Tielsestraat is aanvankelijk gelijk aan het bovengenoemde tracé. Deze variant buigt echter eerder af en sluit aan op de Tielsestraat, halverwege het wegvak Markstraat - Rijnbandijk. Er is een extra brug over de Linge nodig om de rondweg ook aan te sluiten op de Smachtkamp.

  • 2b. Variant West-Herenland
    Het tracé van deze nieuwe variant gaat ook aan het einde van het Agro Business Centre d.m.v. een nieuwe brug de Linge over, ten oosten van het kassencomplex aan de Parallelweg, vervolgens kruist dit tracé het spoor met een nieuwe spoorwegovergang. Herenland-West wordt directer verbonden met de rondweg d.m.v. een rotonde, die tevens het begin van de wijk markeert. Vervolgens loopt dit tracé langs het spoor en komt uiteindelijk bij de Markstraat uit op de Tielsestraat.
    Er is geen aansluiting met de Smachtkamp (dus ook daar geen brug over de Linge). De spoorwegovergang Smachtkamp wordt ook opgeheven in deze variant, evenals de spoorwegovergang met de Hamsestraat. De Parallelweg krijgt aansluitingen met de nieuwe rondweg en krijgt gedeeltelijk tweerichtingsverkeer. Dat is mogelijk omdat hier dan alleen nog bestemmingsverkeer rijdt.

  • 2c. Variant Smachtkamp
    In de nieuwe variant Smachtkamp buigt het tracé vanaf het Agro Business Centre in noordelijke richting, via een (nieuw) brug over de Linge naar de Smachtkamp. De bestaande spoorwegovergang wordt opgewaardeerd om het verkeer van de rondweg te verwerken. Vervolgens loopt deze variant parallel langs het spoor tot aan de Markstraat. Omdat het tracé over sportcomplex Herenland loopt, kan de weg alleen gerealiseerd worden bij verplaatsing van het sportcomplex.

  • 3. Variant zuid
    Deze nieuwe variant maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daarbij moeten de bestaande wegen opgewaardeerd worden. Vanaf het Agro Business Centre gaat deze variant over de Linge, parallel aan de Betuweroute, waarna het tracé de Varakker volgt tot aan de Markstraat. Er is wel een aansluiting met de Smachtkamp, om verkeer van en naar Opheusden af te kunnen wikkelen.

Deze vijf varianten zijn beoordeeld op een aantal criteria. Dit zijn (1) ontlasting van de kern, (2) effect op de Smachtkamp, (3) ontlasting Tielsestraat, (4) kansrijkheid i.v.m. eisen spoorwegveiligheid en (5) meekoppelkansen/ ontsluiting nieuwe wijk.

Uiteindelijk zijn er twee meest kansrijke varianten overgebleven: de variant "West-Herenland" en "Smachtkamp". Deze varianten hebben een groot oplossend vermogen voor zowel het verkeer op de centrum-as van Opheusden als voor het verkeer op de Tielsestraat.

Deze twee varianten zijn vervolgens na deze trechtering verder uitgewerkt en afgewogen. Uiteindelijk blijkt dat de variant "West-Herenland" het beste scoort qua leefbaarheid (effecten op bestaande wegen zoals Smachtkamp) en in de risicoanalyse van spoorwegveiligheid. Op basis hiervan is de variant West-Herenland de voorkeursvariant.

2.2.3.2 Ruimtelijke inpassing

Dit tracé is ook ruimtelijk gezien goed in te passen in de ontwikkeling van de woonwijk Herenland-west.

De uiteindelijke realisatie van een weg is een logische voorzetting van het gemeentelijk beleid. In het coalitieprogramma 2018-2022 is een goede ontsluiting van het Agro Business Centre in westelijke richting (ontsluitingsweg Opheusden) als actie opgenomen.

Eerder is in het gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan (2018) opgenomen dat de realisatie van nieuwe infrastructuur een belangrijke bijdrage levert bij het oplossen van de knelpunten in de kern van Opheusden (ontsluiting Agro Business Centre). Dit ontlast de huidige doorgaande routes van verkeer, en dan met name voor vracht-/landbouwverkeer. De nieuwe weg is dan ook opgenomen in het wensbeeld voor de verkeersstructuur. Ook in de Structuurvisie Neder-Betuwe 2015 is opgenomen dat een andere ontsluiting van de kern Opheusden zeer wenselijk is en in de Structuurvisie Agro Business Centrum (2014) is rekening gehouden met een ontsluitingsweg ten zuiden van Opheusden.

2.2.4 Omschrijving tracé
2.2.4.1 Aanpassingen

Ten opzichte van de studie van Royal HaskoningDHV zijn in het vervolg ontwerpproces een aantal optimalisaties en aanpassingen doorgevoerd op het voorkeurstracé:

  • het tracé door het terrein van het Agro Business Centre is aangepast om een betere verdeling van uit te geven kavels aan weerszijden van het tracé te krijgen;
  • de ligging van het tracé op het terrein van het Agro Business Centre is aangepast in afstemming met de grondeigenaar en om voldoende afstand tot de hoogspanningsmast te verkrijgen;
  • Herenland-west wordt met een T-kruising aangesloten in plaats van een rotonde. Dit vanwege de de soepele (onverstoorde) doorstroming van de randweg in relatie tot de spoorwegovergang.
  • in de lange rechtstand parallel aan het spoor is op één locatie een uitbuiging gemaakt om de snelheid van het verkeer te beperken;
  • de verbinding met de Tielsestraat loopt niet via de Markstraat maar de weg loopt langer door langs het spoor en komt ter hoogte van de Industrieweg met een rotonde op de Tielsestraat uit; deze oplossing biedt een grotere mate van verkeersveiligheid. Bovendien is het wenselijk verkeer vanaf Kesteren zo snel als mogelijk van de Tielsestraat af te leiden naar de nieuwe randweg, in plaats van over de Tielsestraat richting het dorp Opheusden. Tevens vormt het hier een veilige ontsluiting op de Industrieweg en de toegang tot het bedrijventerrein.
  • de in de variantenstudie opgenomen knip in het meest westelijke deel van de Parallelweg vervalt vanwege de bereikbaarheid voor bedrijven langs dit wegdeel.

2.2.4.2 Beschrijving tracé

Hieronder wordt het tracé puntsgewijs van west naar oost beschreven:

  • Het tracé sluit in Kesteren met een rotonde aan op de Tielsestraat ter hoogte van de huidige kruising met de Industrieweg;
  • Het tracé loopt vervolgens in zuidelijke richting tot aan het spoor Tiel - Arnhem, waar het een bocht maakt en parallel met het spoor in oostelijke richting loopt.
  • Ter hoogte van de Markstraat buigt het tracé kort van het spoor af, in verband met de spoorwegovergang die hier aanwezig is en loodrecht op het spoor benaderd moet worden.
  • De Hamsestraat wordt aangesloten op de randweg. De huidige spoorwegovergang wordt hier opgeheven;
  • Even na de Hamsestraat buigt het tracé even wat af van het spoor om vervolgens een boog te kunnen maken in zuidelijke richting om het spoor te kruisen. In deze bocht wordt tevens een aansluiting op de kern Opheusden gerealiseerd. Deze weg sluit aan op de Van Maanenstraat.
  • Het spoor wordt gekruist met een gelijkvloerse kruising. In de plannen wordt ruimte gereserveerd voor een eventuele ongelijkvloerse kruising met het spoor.
  • Daarna volgt de bestaande kruising met de Parallelweg. Het tracé wordt aan beide zijden aangesloten op de Parallelweg.
  • Het tracé volgt ten zuiden van het spoor de bestaande kavelrichting in zuidelijke richting en maakt een kleine buiging in verband met de naastgelegen hoogspanningsmast.
  • Het tracé kruist hier de Linge met een overspanning (brug) van circa 65 meter over de Linge inclusief oevers.
  • Dan volgt een bocht in oostelijke richting en doorkruist het tracé het Agro Business Centre.
  • Het tracé eindigt met een aansluiting op de Bomenlaan.

In navolgende afbeeldingen is het tracé van de Randweg weergegeven, in één overzichtstekening en een drietal uitsnedes ten behoeve van de leesbaarheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0011.png"

Tracé randweg, bron: inrichtingstekening Sweco.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0013.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0014.png"

Uitsnedes tracé randweg, bron: inrichtingstekening Sweco.

2.2.4.3 Inrichting randweg

De randweg wordt overal aan één zijde van de weg voorzien van een vrijliggend en in twee richtingen bereden fietspad. Daarnaast wordt langs beide zijden van de weg een watergang gerealiseerd, met uitzondering van een paar locaties waar met één watergang kan worden volstaan. De weg en het fietspad worden voorzien van de benodigde bermen. In de volgende afbeeldingen zijn vier dwarsprofielen weergegeven, van west naar oost geredeneerd:

  • Dwars-/principeprofiel ter hoogte van Markstraat - Tielsestraat;
  • Dwars-/principeprofiel ter hoogte van Hamsestraat - Markstraat;
  • Dwars-/principeprofiel ter hoogte van de Linge - spoor;
  • Dwars-/ principeprofiel ter hoogte van het ABC terrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0015.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0018.png"

Indicatie van de weg- en dwarsprofielen, met aanduiding weg, fietspad, watergangen en bermen, bron: inrichtingstekening Sweco.

Op enkele locaties waar de weg afbuigt van het spoor, is ruimte gereserveerd voor de realisatie van waterberging. Daarnaast wordt tussen het spoor en de Linge ten westen van het tracé waterberging gerealiseerd.

Bij de kruising van het tracé met het spoor Arnhem-Tiel wordt een nieuwe spoorwegovergang gerealiseerd. Met ProRail wordt nu nader onderzocht op welke wijze er compenserende maatregelen nodig en gewenst zijn om de gelijkvloerse overweg mogelijk te maken. Ingezet wordt op een gelijkvloerse overweg waarbij een maatregelenpakket wordt uitgewerkt om de gewenste compensatie ook daadwerkelijk mogelijk te maken voor een gelijkvloerse overweg. Daarmee wordt nu in het voorliggende bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor een gelijkvloerse overweg.

Tussen de aansluiting op de Tielsestraat en de Hamsestraat krijgt de randweg een snelheidsregime van 60 km/uur De aansluiting op de kern Opheusden tussen de randweg en Van Maanenstraat krijgt een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor het overige deel van het tracé wordt de maximale snelheid 50 km/uur.

2.2.4.4 Maatregelen buiten het plangebied

Buiten het plangebied worden verschillende maatregelen genomen welke direct samenhangen met de randweg. Deze maatregelen maken geen onderdeel uit van het voorliggende plan, omdat deze op basis van de geldende bestemmingsplannen al mogelijk zijn. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • de route Dorpsstraat – Burgemeester Lodderstraat – Dalwagensweg wordt afgewaardeerd tot erftoegangswegen (30km/h gebied). Hierdoor kan de leefbaarheid in het dorp (verkeersveiligheid/ overlast) sterk worden verbeterd en zal meer verkeer kiezen voor de route over de randweg;
  • de Markstraat wordt een belangrijke fietsroute en vanuit de Tielsestraat is de weg enkel bedoeld en bereikbaar voor bestemmingsverkeer. De Marktstraat is vanuit de Tielsestraat van noord naar zuid een doodlopende weg. De Markstraat wordt voor (vracht)autoverkeer niet aangesloten op de randweg, wel voor fietsers.;
  • de spoorwegovergangen bij de Hamsestraat, de Polsestraat en de Smachtkamp worden opgeheven, om een nieuwe kruising van het spoor voor de randweg mogelijk te maken zonder dat de spoorwegveiligheid verslechtert.

2.2.4.5 Landschappelijke inpassing

In verband met het voorliggende plan is voor het plangebied en de omgeving een landschappelijke analyse gemaakt. Op basis van de landschappelijke analyse3 wordt advies gegeven over de landschappelijke inpassing van de randweg. Hiervoor is het plangebied (en omgeving) opgedeeld in vier deelgebieden, aangezien ieder deelgebied zijn eigen kenmerken heeft. Voor ieder deelgebied is een inpassingsopgave geformuleerd, waar met de ligging van het tracé en de inrichting rekening mee is en zal worden gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0019.jpg"

Deelgebied 1

Inpassingsopgave:

  • verkavelingspatroon zoveel mogelijk behouden en de weg het verkavelingspatroon te laten volgen;
  • brug over de Linge is een belangrijke ontwerpopgave. Enerzijds dient de brug de karakteristieken van de Linge te behouden en, waar mogelijk, te versterken. Ook dient rekening te worden gehouden met eisen die gelden ten aanzien van vaarroutes en ecologische routes;
  • de weg ligt ten noorden van de Linge op de overgang van een open gebied en een kassencomplex. Rijsbeplanting kan de overgang van open gebied naar kas maskeren.

Het tracé volgt in dit deelgebied de bestaande kavelrichting. Bij de uitwerking van het ontwerp en het beplantingsplan zal rekening worden gehouden met de overige aanbevelingen.

Deelgebied 2

Inpassingsopgave:

  • het beoogde tracé gaat in dit gebied een nieuwe entree vormen vanuit het buitengebied naar Opheusden. De inpassingsopgave is het maken van één herkenbare entree, passend bij de karakteristieken van het gebied. Bijvoorbeeld het doorzetten van bestaande groenstructuur met bomenlanen;
  • het gebied vraagt om een over-all visie, waarbij verder wordt gekeken dan de ontsluiting;
  • aansluiting op de structuur parallelweg.

Het tracé grenst in dit deelgebied voor zover mogelijk aan het spoor en de parallelweg, waarmee aangesloten wordt op deze bestaande structuren.

Deelgebied 3

Inpassingsopgave:

  • openheid/ zicht op omliggende verkaveling behouden;
  • wilgen langs water behouden of nieuw aanplanten;
  • karakteristieke rechte lijnen (wegen, water, verkaveling) dienen gevolgd te worden.

Het tracé grenst in dit deelgebied aan het spoor en de parallelweg, waarmee aangesloten wordt op deze bestaande karakteristieke rechte lijnen. Bij de uitwerking van het beplantingsplan zal rekening worden gehouden met de overige aanbevelingen.

Deelgebied 4

Inpassingsopgave:

  • verkavelingspatroon zo veel mogelijk behouden en de weg het verkavelingspatroon te laten volgen;
  • bestaand groen zoveel mogelijk behouden en versterken;
  • behoud van karakteristieke rechte wegen, verkavelingspatroon en sloten.

Het tracé grenst in dit deelgebied grotendeels aan het spoor en de parallelweg, waarmee aangesloten wordt op deze bestaande structuren. Wanneer afgebogen wordt van deze structuur, om de aansluiting op de stationsstraat te maken, wordt de bestaande kavelrichting gevolgd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
3.1.1.1 Algemeen

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven.

Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties

Toetsing

Het rijk zet in de NOVI onder andere in op een duurzaam economisch groeipotentieel. Eén van de beleidskeuzes die hierbij hoort is dat overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en het bevorderen van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een randweg bij Opheusden, waardoor de verkeersveiligheid in en rondom de kern van Opheusden zal toenemen. Daarnaast draagt de randweg bij aan de bereikbaarheid van het Agro Business Centre en Opheusden-West en hiermee aan het vestigingsklimaat. Het plan sluit hiermee aan bij de ambities uit de NOVI.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
3.1.2.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).

De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk "concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig". Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. In de structuurvisie zijn dertien nationale belangen benoemd. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken, hierbuiten hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. In toelichting paragraaf 3.1.4 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.

3.1.2.2 Toetsing

Dit bestemmingsplan richt zich op de hoofddoelstelling bereikbaar uit de SVIR, doordat de bereikbaarheid van Agro Business Centre en Opheusden-West worden verbeterd. Daarnaast wordt bijgedragen aan de hoofddoelstelling Leefbaar een veilig door de verbetering van de verkeersveiligheid in en rond de kern Opheusden. Verder raakt het plan niet aan de nationale belangen waarvoor in het SVIR beleid is opgesteld.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
3.1.3.1 Algemeen

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

3.1.3.2 Toetsing

Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.4.1 Algemeen

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 herzien. Het Bro bepaalt dat voor ondermeer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen.

Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Overheden moeten nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio en de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit onder andere uitspraak 201400570/1/R6 (ECLI:NL:RVS:2015:448) blijkt dat de Afdeling de realisatie van infrastructuur niet beschouwt als een stedelijke ontwikkeling en dat het hiervoor niet noodzakelijk om de ladder te doorlopen.

3.1.4.2 Toetsing

Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een randweg bij Opheusden mogelijk gemaakt. De realisatie van infrastructuur wordt niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Gezien voorgaande is het niet nodig om de Ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen.

3.1.5 Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020 - 2025
3.1.5.1 Algemeen

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Beleidsagenda Spoorveiligheid opgesteld om de veiligheid op het spoor in Nederland, indien uitvoerbaar, voortdurend te verbeteren en minimaal te handhaven. Om dit doel te ondersteunen is het spoorveiligheidsbeleid ingedeeld in drie thema's:

  • 1. Veilig reizen en vervoeren: zorgen dat reizigers veilig per trein kunnen reizen en goederen veilig worden vervoerd;
  • 2. Veilig leven: zorgen dat omwonenden veilig kunnen leven langs het spoor;
  • 3. Veilig werken: zorgen dat het spoorpersoneel veilig kan werken op en om het spoor.

Voor elk van deze thema's worden in de beleidsagenda de aandachtspunten en acties voor de periode tot en met 2025 benoemd, zodat duidelijk is waar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen met de sector aan werkt.

In het hoofdstuk 'Veilig leven' is de visie van IenW op overwegveiligheid opgenomen. Het streven van IenW is om samen met ProRail, decentrale overheden, recreatieve belangenorganisaties en burgers te zorgen voor nul dodelijke slachtoffers en nul verstoringen op en rondom overwegen (trein- en wegverkeer) om een veilige, vlotte en duurzame mobiliteit te kunnen garanderen. De volgende uitgangspunten gelden als basis voor het overwegenbeleid:

  • Overwegveiligheid is de verantwoordelijkheid van spoor- en wegbeheerder samen. Bij het beheersen van de risico's op overwegen en het realiseren van een goede doorstroming is de samenwerking tussen beide partijen steeds belangrijker;
  • Bij het veiliger maken van overwegen geldt een risicogestuurde aanpak. Investeringen en capaciteitsinzet vinden plaats waar de risico's het grootst zijn;
  • Nieuwe overwegen zijn in principe niet toegestaan. De veiligheid op bestaande overwegen mag niet afnemen door bijvoorbeeld ontwikkelingen op het spoor (bv. frequentieverhoging) of wijzigingen in de omgeving die leiden tot toename of wijziging van het weggebruik op de overweg: het 'Nee, tenzij' principe uit de Derde Kadernota Railveiligheid blijf onverminderd van kracht. Dit houdt in dat de veroorzaker van toenemende onveiligheid op overwegen er voor verantwoordelijk is dat de veiligheid wordt beheerst. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het realiseren van nieuwe bebouwing of het wijzigen van de verkeersfunctie van een overweg. In de praktijk heef het 'nee, tenzij'-principe ertoe geleid dat er geen nieuwe overwegen bijkomen en dat overwegen in veel gevallen zijn gesaneerd;
  • 'De veroorzaker betaalt': de initiatiefnemer van ontwikkelingen die een negatief efect hebben op overwegveiligheid, is verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen om de afgenomen veiligheid te compenseren.

3.1.5.2 Toetsing

In het voorliggende plan wordt rekening gehouden met de uitgangspunten voor overwegveiligheid. Bij de kruising van het tracé met het spoor Arnhem - Tiel wordt een nieuwe spoorwegovergang gerealiseerd. De spoorwegovergangen bij de Hamsestraat, de Polsestraat en de Smachtkamp worden opgeheven, om deze nieuwe kruising van het spoor voor de randweg mogelijk te maken zonder dat de spoorwegveiligheid verslechterd. Een nadere analyse van deze spoorwegovergang wordt met ProRail momenteel nader uitgewerkt en uitgevoerd. Daarbij wordt ingezet op een gelijkvloerse overweg, maar een eventuele ongelijkvloerse kruising met het spoor wordt niet geheel uitgesloten. Daar wordt in het voorliggende plan al wel op geanticipeerd.

3.1.6 Conclusie rijksbeleid

Het voorliggende plan sluit aan op de ambities uit de Nationale Omgevingsvisie en de SVIR. Het raakt bovendien geen nationale belangen uit het Barro en de ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Vanuit rijksbeleid zijn er daarom geen specifieke voorwaarden voor het plan. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
3.2.1.1 Algemeen

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.

  • Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid;
  • Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's:

  • energietransitie: van fossiel naar duurzaam;
  • klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer;
  • circulaire economie: sluiten van kringlopen;
  • biodiversiteit: werken met de natuur;
  • bereikbaarheid: duurzaam verbonden;
  • vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio;
  • woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn.

3.2.1.2 Toetsing

Het voorliggende plan draagt bij aan de algemene doelstelling van provincie voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Het plan ziet op de realisatie van een randweg bij Opheusden, waardoor de verkeersveiligheid in en rondom de kern van Opheusden zal toenemen. Daarnaast draagt de randweg bij aan de bereikbaarheid van het Agro Business Centre en Opheusden-West.

Voor het plangebied is in de omgevingsvisie geen locatiespecifiek beleid opgenomen.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland
3.2.2.1 Algemeen

Op 24 september 2014 heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening is inmiddels verschillende keren geactualiseerd. Het ontwerp van de meest recente actualisatie (actualisatieplan 7) heeft in het najaar van 2020 ter inzage gelegen en zal naar verwachting in maart 2021 worden vastgesteld.

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

3.2.2.2 Toetsing

In de Provinciale Verordening is het plangebied aangewezen als Romeinse Limes. Op het voorliggende plan zijn daarom artikel 2.59 en 2.60 van toepassing.

Artikel 2.59 stelt dat de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes de forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden en de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken zijn.

In artikel 2.60 is opgenomen dat een bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die deze kernkwaliteiten van de Romeinse Limes aantasten. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waarden en kernkwaliteiten bevatten, het door de gemeente te voeren beleid en de onderbouwing hiervan. Een bestemmingsplan moet daarnaast regels bevatten over de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan.

In paragraaf 4.11.2 (cultuurhistorie) van voorliggend bestemmingsplan zijn alle bekende cultuurhistorisch waardevolle objecten in de omgeving van het plangebied benoemd. Hieronder vallen geen onderdelen van de Romeinse Limes. Eventuele aanwezige archeologische waarden die betrekking hebben op de Romeinse Limes worden met het voorliggende plan beschermd middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'.

In de verordening zijn verder geen regels opgenomen die op het voorliggende plan van toepassing zijn. Het project is daarom niet in strijd met de Omgevingsverordening.

3.2.3 Conclusie provinciaal beleid

Het voorliggende plan sluit aan op het beleid uit de Omgevingsvisie en is niet in strijd met de Omgevingsverordening. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Mobiliteitsagenda Regio Rivierenland
3.3.1.1 Algemeen

De centrale ligging van de regio Rivierenland en de aanwezigheid van wegen, waterwegen en spoorlijnen bieden kansen voor economische ontwikkeling. Een goede bereikbaarheid en verbinding naar de regio's steden en voorzieningen rondom de regio is hierbij essentieel. Aangezien deze niet stopt bij gemeente- of regiogrenzen, pakt de regio de bereikbaarheidsvraagstukken op samen met partners als de provincie, het Rijk en omliggende regio's. De mobiliteitsagenda geeft op regionale hoofdlijnen de acht mobiliteitsopgaven weer die gemeenten in gezamenlijkheid gaan uitwerken. Dit zijn:

  • 1. Verbeteren van (inter)nationale verbindingen;
  • 2. Robuust hoofdwegennet en leefbare kernen;
  • 3. Toekomstbestendig en veilig fietsnetwerk;
  • 4. Sterk en verbindend openbaar vervoer;
  • 5. Inspelen op nieuwe trends: slimme mobiliteit;
  • 6. Kwalitatieve spoorverbindingen voor bereikbaarheid van banen;
  • 7. Overstap naar schone mobiliteit;
  • 8. Slimme innovatieve logistiek.

De Mobiliteitsagenda Regio Rivierenland is opgesteld als voorbereiding op het Uitvoeringsplan Mobiliteit 2019-2022 voor de regio, waarin de opgaven zijn uitgewerkt in acties.

3.3.1.2 Toetsing

Het voorliggende plan, dat de realisatie van een randweg bij Opheusden mogelijk maakt, valt onder de tweede opgave 'robuust hoofdwegennet en leefbare kernen'. De opgave is ook specifiek weergegeven op de kaart bij de Mobiliteitsagenda (zie volgende afbeelding). De randweg wordt aangelegd om te zorgen voor een toekomstbestendige en robuustere ontsluiting van de kern Opheusden en een verbetering van de leefbaarheid en verkeersveiligheid in en om de kern Opheusden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0020.png"

Uitsnede kaart met hoofdopgaven uit Mobiliteitsagenda Regio Rivierenland

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018
3.4.1.1 Algemeen

Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe een herziening van de Structuurvisie Neder-Betuwe vastgesteld. In de Structuurvisie is beschreven dat de gemeente een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving biedt. Het beleid van de gemeente is erop gericht om de Green Valley van Europa te worden, door de bekendheid als laanboomcentrum verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Daarnaast wil de gemeente zich profileren als groene, landelijke gemeente, met een aantrekkelijke omgeving om in te wonen, werken en recreëren.

De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0021.jpg"

Uitsnede uit structuurvisiekaart met aanduiding plangebied (dunne rode lijn)

Infrastructuur

In de structuurvisiekaart is met een rode pijl globaal de aanleg van een ontsluitingsweg voor Opheusden tussen Kesteren en Opheusden aangegeven (zie voorgaande afbeelding). Deze weg moet zorgen voor een betere doorstroming van het verkeer tussen Opheusden en Kesteren, waardoor het ontsluitingscluster in Opheusden voor een belangrijk deel is ontlast (minder geluidsoverlast en trillingen en een betere veiligheid). Tevens zorgt de ontsluitingsweg voor een directe ontsluiting van het Agro Business Centre en van een betere ontsluiting van woningbouwlocatie Herenland.

Omgevingsvisie

De gemeente is in het kader van de Omgevingswet bezig met het opstellen van een Omgevingsvisie voor Neder-Betuwe. Deze visie beschrijft de gewenste toekomst van de woon, werk en leefomgeving van de dorpen en het buitengebied binnen de gemeente. Het gemeentebestuur wil deze visie samen maken met bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties.

3.4.1.2 Toetsing

Het voorliggende plan maakt de realisatie van een randweg bij Opheusden (tussen de kernen Kesteren en Opheusden) mogelijk. De realisatie van deze ontsluitingsweg bij Opheusden maakt onderdeel uit van de structuurvisie. Het voorliggende plan sluit daarom aan op de structuurvisie Neder-Betuwe.

3.4.2 Landschapsontwikkelingsplan Neder-Betuwe
3.4.2.1 Algemeen

Het landelijk karakter is een van de sterke punten van de gemeente Neder-Betuwe. Omdat de gemeente dit zo wil houden, moet bij alle (ruimtelijke) ontwikkelingen in het buitengebied goed worden nagedacht over de gevolgen voor het landschap. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) vormt hiervoor het vertrekpunt.

In het LOP is de gemeente Neder-Betuwe opgedeeld in verschillende deelgebieden. Het plangebied ligt binnen de deelgebieden 'boomteeltrijke oeverwallen' en 'dynamisch middengebied'.

Het plangebied ligt ten noorden van de spoorlijn in het deelgebied boomteeltrijke oeverwallen. Hiervoor is in het LOP de volgende visiekaart opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0022.jpg"

In de directe omgeving van het plangebied wordt ingezet op het behouden en versterken kleinschalig landschapsmozaïek van veel laanboomteelt ander agrarisch gebruik en ijle bebouwing, het bewaken van het landelijk karakter en het open houden van het uniek zicht over het karakteristieke rivierengebied (zicht vrijhouden van hoog opgaande elementen).

Bij eventuele ontwikkeling van nieuwe wegen op de oeverwallen moet ook het kleinschalige karakter van het gebied worden behouden. Het is daarom van belang bij de bepaling van het tracé aan te sluiten bij de plaatselijke verkaveling. Er worden studies verricht naar een nieuwe ontsluitingsweg voor het Agro Business Centre, tussen Opheusden en Kesteren, langs het spoor Kesteren - Opheusden - Elst. Vanuit landschappelijk oogpunt is het van belang dat langs deze weg het agrarische gebied als een buffer tussen Opheusden en Kesteren zichtbaar blijft. De ontwikkeling van bedrijvigheid of woningen langs deze nieuwe weg moet daarom worden tegengegaan (met uitzondering van het Agro Business Centre zelf).

Ten zuiden van de spoorlijn ligt het plangebied in het dynamisch middengebied. Hier is de visie het behouden van de grootschaligheid van het landschap waarin de functies, zoals melkveehouderij, landgoederen en boomteelt zich kunnen ontwikkelen.

3.4.2.2 Toetsing

In verband met het voorliggende plan is voor het plangebied en de omgeving een landschappelijke analyse gemaakt (zie paragraaf 2.2.4.5). In deze analyse zijn ook de belangrijke landschappelijke kenmerken in de omgeving van het plangebied benoemd en wordt een inpassingsopgave geformuleerd. Met de ligging van het tracé is rekening gehouden met deze inpassingsopgave. De weg volgt nagenoeg het gehele traject bestaande verkavelingsstructuren en andere structuren zoals het spoor. De overige elementen uit de inpassingsopgave zullen worden meegenomen bij het ontwerp en het beplantingsplan voor de nieuwe randweg. Verder zal (met uitzondering van het Agro Business Centre) geen nieuwe bebouwing aan de randweg worden gerealiseerd, waardoor het agrarisch gebied al buffer tussen de kernen Opheusden en Kesteren zichtbaar blijft. Het plan sluit hiermee aan bij het landschapsontwikkelingsplan.

3.4.3 Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan
3.4.3.1 Algemeen

De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit.

3.4.3.2 Toetsing

Het voorliggende plan maakt de realisatie van een randweg, tussen de kernen Kesteren en Opheusden mogelijk. Binnen het thema 'verkeer op de juiste plaats' heeft de gemeente de ambitie om gewenste routes te stimuleren en ongewenste routes te ontmoedigen, gericht op het gemotoriseerd verkeer. De basis hiervoor is de gemeentelijke wegcategorisering en de daarbij behorende gewenste inrichting. Daarnaast zet de gemeente in op het stimuleren van voorkeursroutes voor vracht- en landbouwverkeer. Overall wordt geconcludeerd dat een optimale wegcategorisering in Opheusden niet mogelijk is zonder realisatie van de rondweg zoals opgenomen in het wensbeeld wegcategorisering (zie onderstaande afbeelding). De randweg is opgenomen in het wensbeeld voor de verkeersstructuur, omdat er op het moment van vaststelling van het verkeer- en vervoerplan geen middelen voorhanden waren voor de realisatie ervan. Het voorliggende plan sluit gezien bovenstaande aan bij het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0023.png"

Uitsnede wensbeeld wegcategorisering met aanduiding randweg (groene onderbroken lijn), bron: Verkeer- en vervoersplan

3.4.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Met dit kleinschalige plan wordt aangesloten op het gemeentelijke beleid van de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid.

3.5 Conclusie

Het voorliggende plan sluit aan op het relevante rijks- provinciale en gemeentelijke beleid. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met het beleid op deze niveaus.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage

4.1.1 Algemeen

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r..

In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij, als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden, direct sprake is van een m.e.r.-plicht. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.

4.1.2 Toetsing

Onderhavig plan betreft de realisatie van een weg met 2 rijstroken. Deze activiteit wordt niet genoemd in bijlage C of D van het besluit m.e.r.. Dit betekent dat er voor het voorliggende plan geen sprake is van een m.e.r.- (beoordelings)plicht.

4.1.3 Conclusie

Voor het voorliggende plan is geen sprake van een m.e.r.- (beoordelings)plicht.

4.2 Verkeer en parkeren

4.2.1 Verkeer

De toekomstige verkeersintensiteiten en snelheden op de randweg verschillen per wegvak. In onderstaande afbeelding en tabel zijn de intensiteiten en snelheden weergegeven, zoals volgen uit het verkeersmodel dat voor de randweg is opgesteld. Tussen de aansluiting op de Tielsestraat en de Hamsestraat (wegvak 1 en 2) krijgt de randweg een snelheidsregime van 60 km/uur. Wegvak 6 (de aansluiting op de kern Opheusden) krijgt een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor het overige deel wordt de maximale snelheid 50 km/uur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0024.jpg"

Afbeelding Randweg opgedeeld in wegvakken

Weg(vak)   Etmaalintensiteit 2030 [mvt/etm]   Snelheid  
1   6266   60 km/uur  
2   5964   60 km/uur  
3   4056   50 km/uur  
4   3139   50 km/uur  
5   3115   50 km/uur  
6 (aftakking richting sportvelden)   3542   30 km/uur  

Tabel Wegvakken en gegevens

De realisatie van de randweg zorgt voor minder verkeer door de kern Opheusden en langs de Parallelweg. De weg zorgt hierdoor voor een toename van de verkeersveiligheid (zie paragraaf 2.2.2).

4.2.2 Parkeren

Met het voorliggende plan wordt de realisatie van een randweg bij Opheusden mogelijk gemaakt. De realisatie van een weg heeft geen gevolgen voor de parkeerbehoefte.

4.3 Bodem

4.3.1 Algemeen

Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.

4.3.2 Toetsing

Ter plaatse van het plangebied is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd4. Uit het historisch onderzoek volgen de volgende conclusies:

  • uit het historische kaartmateriaal blijkt dat op de locatie bomen- en plantenteelt en fruitteeltgebied (boomgaarden) aanwezig zijn geweest. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van overige bodembedreigende activiteiten ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg;
  • uit het historische kaartmateriaal blijkt dat op de locatie enkele sloten zijn gedempt;
  • op de locatie is eerder bodemonderzoek uitgevoerd, hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen in zowel grond, grondwater en waterbodem. Er zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen/aangetoond;
  • ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen (bijv. dakbedekking/wandbekleding);
  • ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg zullen een aantal woningen, bedrijfsgebouwen en overige opstallen gesloopt worden;
  • vanwege de nabijheid van de spoorlijn, is het gebied (in principe) verdacht op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Voorafgaand dient hierover met de gemeente te worden overlegd. Vooralsnog wordt ervanuit gegaan dat geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

Op basis van de beschikbare informatie is voor de onderzoekslocatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een (water)bodemverontreiniging. Voor asbest wordt vooralsnog uitgegaan van een onverdachte locatie.

4.3.3 Conclusie

Ter plaatse van het plangebied is het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk in de vorm van verkennend (water)bodemonderzoek. In dit plan is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat dit onderzoek uitgevoerd moet worden voordat gesloopt of gebouwd kan worden of dat werken of werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Geluid

4.4.1 Algemeen

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.

De Wgh heeft tot doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidsniveaus. In de Wgh zijn hiervoor twee soorten grenswaarden opgenomen:

  • Voorkeursgrenswaarde : Deze waarde garandeert een vrij goede woon- en leefsituatie binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorwegen, enz.);
  • Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: Deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor een hogere waarde kan worden aangevraagd.

De grenswaarden zijn onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer), de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buiten-stedelijk gebied) en het type geluidsgevoelige bebouwing. In de onderstaande tabel zijn voor woningen de voorkeursgrenswaarden en de meest voorkomende hoogste toelaatbare geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Bgh voor railverkeer weergegeven.

  Wegverkeer   Railverkeer  
Stedelijk gebied      
Voorkeursgrenswaarde   48 dB (art. 82)   55 dB (art. 4.9 lid 1)  
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting   63 dB (art. 83 lid 2)   68 dB (art. 4.10)  
Buiten-stedelijk gebied      
Voorkeursgrenswaarde   48 dB (art. 82)   55 dB (art. 4.9 lid 1)  
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting   53 dB (art. 83 lid 1)   68 dB (art. 4.10)  
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting bij een agrarische bedrijfswoning   58 dB (art. 83 lid 4)   n.v.t.  

De breedte van de zones waarbinnen akoestisch onderzoek noodzakelijk is, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buiten-stedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de volgende tabel.

Aantal rijstroken   Zones langs wegen  
  Stedelijk gebied   Buitenstedelijk gebied  
1 of 2 rijstroken   200 meter   250 meter  
3 of 4 rijstroken   350 meter   400 meter  
5 of meer rijstroken   350 meter   600 meter  

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig.

4.4.2 Onderzoek

Een weg is geen geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Toetsing aan de Wgh is daarom niet van toepassing.

Wel moet in het kader van dit bestemmingsplan worden onderzocht of de nieuwe ontsluiting akoestisch gezien inpasbaar is vanwege de ligging ten opzichte van hindergevoelige functies, zoals woningen. Hiertoe is een akoestisch onderzoek5 uitgevoerd. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

  • als gevolg van de Randweg met het SMA NL8G+ wegdek wordt op 19 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden, de hoogste geluidsbelasting bedraagt 51 dB;
  • als gevolg van de Randweg met ZOAB dubbele deklagen fijn wordt op 8 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden, de hoogste geluidsbelasting bedraagt 50 dB. In verband met civiele eisen is voor SMA NL8G+ gekozen;
  • op geen van de woningen in het onderzoeksgebied is er sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.
  • overdrachtsmaatregelen zijn om verkeerskundige, financiële en landschappelijke redenen niet acceptabel;
  • de binnenwaarde van 33 dB dient te worden geborgd;
  • er dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het bestemmingsplan verkregen te zijn.

In een afzonderlijke memo6 is een aanvullende maatregelenafweging opgenomen. Deze memo is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (zie bijlage 5).

Het ontwerpbesluit hogere geluidsgrenswaarden heeft gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Het definitieve besluit hogere geluidsgrenswaarden is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (zie bijlage 6).

4.4.3 Conclusie

Het voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB is in het voorliggende plan geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Het aspect geluid vormt, met het verlenen van hogere waarden en/of het treffen van maatregelen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Algemeen

Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

NSL en Besluit NIBM

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 µg/m3. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 1 december 2008 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Dit besluit beperkt de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Gevoelige bestemmingen zijn daarom scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. In het besluit zijn onderzoekszones vastgelegd waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is indien hier gevoelige bestemmingen worden toegevoegd.

Goede ruimtelijke ordening

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal.

4.5.2 Toetsing

Met het voorliggende plan wordt de realisatie van een nieuwe weg tussen Kesteren en Opheusden mogelijk gemaakt. Bij een verandering aan het wegennetwerk dient toetsing plaats te vinden aan hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. In het geval van de realisatie van een nieuwe weg wordt een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt door de mogelijke toename van verkeersbewegingen over de weg en de hierop aansluitende verkeersaders. In een onderzoek luchtkwaliteit7 is onderzocht of de luchtkwaliteit door de aanleg van de randweg zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden.

Alle relevante bronnen die aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied zijn in de berekening, dan wel in de achtergrondconcentratie meegenomen. De luchtkwaliteit wordt bepaald door de emissiebijdrage van de transportbewegingen en de lokale achtergrondconcentraties. Voor de bijdrage van het verkeer aan de luchtkwaliteit zijn de emissies van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bepalend.

Geconcludeerd wordt dat door de aanleg van de Randweg de luchtkwaliteit niet zal leiden tot een overschrijding of de nadering van een overschrijding van de grenswaarden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.

4.5.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

4.6.1 Algemeen

Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen:

  • 1. Past de nieuwe functie in de omgeving?
  • 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe?

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Een milieucategorie is een classificatie van de belasting die een (bedrijfs)activiteit kan leggen op het milieu. De classificatie is ontworpen door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Richtafstand   Milieucategorie  
10 m   1  
30 m   2  
50 m   3.1  
100 m   3.2  
200 m   4.1  
300 m   4.2  

De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging.

4.6.2 Toetsing

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden om het aantal gevoelige functies ten opzichte van huidige juridisch-planologische te vergroten. Een weg is immers geen milieugevoelige functie en zorgt er dan ook niet voor dat omliggende bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast. In dit kader kan een nadere beoordeling voor dit aspect achterwege blijven.

4.6.3 Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Algemeen

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen verschillende bronnen. Dit zijn stationaire bronnen (bijv. een chemische fabriek of een LPG-tankstation), mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen) en relevante buisleidingen (bijv. hoge druk aardgasleidingen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans om slachtoffer te worden op een bepaalde plaats (plaatsgebonden risico) en de kans op een groot ongeval met meerdere slachtoffers binnen een groot invloedsgebied (groepsrisico). Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.

In het Bevi, Bevb en het Bevt wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen (Bevi), hogedrukaardgasleidingen (Bevb) en transportrouten (Bevt - Basisnet) wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.

4.7.2 Toetsing

Onderzoek externe veiligheid

Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een randweg bij Opheusden. Vanuit het oogpunt externe veiligheid kan de geplande weg zelf worden aangemerkt tot een potentiele risicobron, wanneer deze zal worden gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De nabijheid van de snelweg A15 en de Provinciale weg N233 die beiden als transportroute voor gevaarlijke stoffen dienen maakt een dergelijk scenario aannemelijk. Alhoewel met deze bestemmingsplanprocedure het nieuwe wegvak niet wordt aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen en eveneens geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, waarmee het uitvoeren van een groepsrisicoberekening evenals het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico niet zijn vereist, is het in het kader van de bestemmingsplanprocedure en met oog op een goede ruimtelijke ordening wenselijk de beoogde ontwikkeling vanuit het aspect externe veiligheid nader te onderzoeken. In een onderzoek externe veiligheid8 is daarom ingegaan op het effect dat de realisatie van dit plan heeft voor (zeer/beperkt) kwetsbare objecten en gebouwen in de nabijheid van het te realiseren wegtraject.

Uit het onderzoek is gebleken dat het wegtraject geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen heeft gekregen, dat het geen plaatsgebonden risico kent en dat het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde is.

Ingevolge artikel 8 eerste lid Bevt kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven, wanneer het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Deze voorwaarde is uit het onderzoek als voldaan gebleken. In het onderzoek is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Het onderzoek is uitgevoerd om vanuit een worst-case benadering wel de mogelijke effecten van transporten met gevaarlijke stoffen in beeld te brengen. In de praktijk zal echter sprake zijn van een marginaal aantal transporten. Een advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid kan volledigheidshalve worden ingewonnen, maar is niet vereist.

Buisleiding

Het plangebied kruist ten zuiden van de Linge de buisleiding N-574-10 die conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is aangewezen als transportroute voor aardgas. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een wegvak mogelijk gemaakt, daarmee geldt geen aanleg, bouw of vestiging van een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten. Eveneens geldt het aanleggen van het wegvak niet als aanleg, bouw of vestiging van een risicoverhogend object. Er is derhalve vanuit het Bevb geen verplichting tot rekening houden met het plaatsgebonden risico en verantwoording van het groepsrisico. Blijkens de risicokaart betreft het een ondergrondse buisleiding met de bovenkant van de buisleiding liggend op 95 cm, daarmee geldt dat het nieuw aan te leggen wegvak ter plaatse niet onder maaiveld mag worden gerealiseerd. Tevens dient bij de (graaf)werkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de buisleiding en dienen vooraf in overleg met de leidingbeheerder afspraken te worden gemaakt over de beperking van mogelijke buisleidingincidenten.

Vanuit het hart van de leiding gemeten is aan weerszijden van de leiding een belemmeringenstrook van 4 meter aanwezig, waarin nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht en vergunning voor werkzaamheden dient te worden verkregen.

4.7.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.8 Explosieven

4.8.1 Algemeen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden, waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.

4.8.2 Toetsing

De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden, is weergegeven op een CE-bodembelastingkaart (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Bodembelastingkaart CE Conventionele Explosieven Gemeente Neder-Betuwe, 23 januari 2017). Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen in het plangebied zal detectieonderzoek naar explosieven moeten worden verricht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning.

4.8.3 Conclusie

Het aspect explosieven levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Waterhuishouding

4.9.1 Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd.

Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het "hydrologisch neutraal" bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden;
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden;
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren;
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding);
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.

Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Voor alle voorzieningen geldt dat er geen afvoer van grondwater/kwelwater mag plaatsvinden.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Gemeentelijk Rioleringsplan

Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren( 2014 tot en met 2018) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater.

Waterplan 2014-2018 (GRP)

Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Dit Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012).

Het Waterplan geeft streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen:

  • Een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem;
  • Een optimaal functionerende waterketen;
  • Een effectieve en efficiënte waterorganisatie.

Vanuit het waterplan hebben beide organisaties de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van 'overstort' uit de riolering). De nadruk van het waterbeleid in de komende periode ligt op de stedelijke wateropgave. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht. Daarnaast worden waterkwaliteitsmaatregelen getroffen in watergangen achter overstortlocaties.

4.9.2 Doorwerking plangebied

In het kader van het voorliggende plan, de aanleg van een randweg bij Opheusden, is een watertoets9 uitgevoerd. Hierin zijn de huidige situatie beschreven en vervolgens de gevolgen voor en eisen ten aanzien van het oppervlaktewater, ontwatering en drooglegging, de kruising met de Linge, beheer en onderhoud en de overdracht voor gegevens.

In de watertoets worden de volgende conclusies getrokken:

  • de toename van verharding als gevolg van de nieuwe weg wordt volledig gecompenseerd (door de realisatie van 6.969 m2 extra oppervlaktewater);
  • de demping van watergangen en bergingsvoorzieningen wordt volledig gecompenseerd, in de nieuwe situatie is sprake van een surplus in ieder peilvak;
  • voor de werkzaamheden moet op grond van de Keur een watervergunning worden aangevraagd bij waterschap Rivierenland, vanwege de werkzaamheden bij, op of aan watergangen die (als primair) zijn opgenomen op de Legger van het Waterschap, mogelijk dat ook andere werkzaamheden vergunningplichtig zijn (bronbemalingen en de lozingen daarvan);
  • bij de werkzaamheden aan de randweg dienen de functies van de (hoofd)watergangen te allen tijde intact te blijven;
  • het afstromende hemelwater van de weg dient door middel van diffuse berminfiltratie plaats te vinden, of via voorzieningen voorgezuiverd te worden;
  • de afmetingen van de duikers, kunstwerken en watergangen dienen voor de aanvraag van de watervergunning bepaald te worden.

Met betrekking tot de waterberging is ten opzichte van de watertoets een nieuwe berekening uitgevoerd. Uit deze berekening komt naar voren dat er voldoende waterbergingscompensatie gerealiseerd kan worden. Voor de randweg moet er 4.900 m2 water gecompenseerd worden en voor Herenland moet 2.500 m2. In totaal 7.400 m2. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is er ruimte voor 8.400 m2 waterberging. Er wordt voldoende m2 water gecompenseerd conform de eisen van het waterschap.

Het ontwerp van de randweg voldoet in de basis aan de uitgangspunten van het waterschap. Alle technisch en formele zaken worden in de vergunning geregeld.

4.9.3 Overleg waterschap

Bij het opstellen van de watertoets heeft uitgebreide afstemming plaatsgevonden met het waterschap.

4.9.4 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.10 Ecologie

4.10.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.

4.10.2 Toetsing

Soortenbescherming

Op voorhand is niet uit te sluiten dat het voorliggende plan negatieve effecten heeft op beschermde soorten. Dit betekent dat een natuuronderzoek in de vorm van een quick scan noodzakelijk is.

Gebiedsbescherming

Om te bepalen of er sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek10 uitgevoerd. Het plangebied ligt op ongeveer 1 kilometer van Natura 2000-gebied 'Rijntakken', op ongeveer 6 kilometer van Natura 2000-gebied 'Veluwe' en op ongeveer 8 kilometer van Natura 2000-gebied 'Binnenveld'. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is in de huidige situatie en tijdens de bouw- en gebruiksfase is een stikstofberekening uitgevoerd met het programma Aerius. Daarnaast zijn verschilberekeningen gemaakt. Hieruit volgen de volgende conclusies:

  • Huidige situatie
    Uit de uitgevoerde berekeningen voor de huidige situatie blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,56 mol stikstof/ha/j.

  • Aanlegfase
    Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,31 mol stikstof/ha/j. Het berekende tijdelijke resultaat vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.
    Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De berekende tijdelijke toename vormt derhalve onderdeel van de reeds aanwezige totale Nederlandse stikstofemissie door de bouwsector, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken.

  • Gebruiksfase
    Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 1,00 mol stikstof/ha/j. De berekende overschrijding vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.

  • Verschilberekening aanlegfase
    Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt een resultaat van 0,05 mol stikstof/ha/j op Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase blijkt een resultaat van 0,00 mol stikstof/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden 'Veluwe' en 'Binnenveld'. Het berekende tijdelijke resultaat voor de 'Rijntakken' vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.
    Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De berekende tijdelijke toename vormt derhalve onderdeel van de reeds aanwezige totale Nederlandse stikstofemissie door de bouwsector, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken.

  • Verschilberekening gebruiksfase
    Uit de uitgevoerde verschilberekeningen voor de gebruiksfase in zowel 2023 evenals in 2030 blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,01 mol stikstof/ha/j op Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.
    De berekende overschrijding vindt in 2023 plaats op 10 overbelaste hexagonen en in 2030 op 5 overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.

Geconcludeerd wordt dat milieueffecten op overbelaste hexagonen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Om die reden is een ecologische voortoets uitgevoerd.

Ecologische voortoets

Om te onderzoeken of de stikstofdepositie van de ontwikkeling significant negatieve gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied is een ecologische voortoets11 opgesteld. In de voortoets is op basis van objectieve gegevens beoordeeld of van de stikstofdeposities significant negatieve gevolgen mogelijk zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bij deze beoordeling werden ook de gevolgen van andere plannen en projecten betrokken. Onderstaande tabel vat de resultaten van het onderzoek samen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0025.png"

Uit de voortoets blijkt, dat bij de leefgebieden Lg08 en Lg11 en de zoekgebieden ZGLg08 en ZGLg11 de achtergronddepositie momenteel de KDW overschrijdt. Uit het onderzoek blijkt verder dat de vegetaties Lg08 en ZGLg08 gevoelig zijn voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie. LG11 en ZGLg11 zijn niet gevoelig voor een toename van stikstofdepositie. In de voortoets is vervolgens op basis van objectieve gegevens onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt in deze vegetaties voor merkbare of meetbare gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt zo gering zijn, dat meetbare of merkbare, dus significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen daarvan zijn uitgesloten. Tot slot is een cumulatietoets uitgevoerd, om te onderzoeken of de ontwikkeling samen met andere plannen of projecten tot een significant gevolg zou kunnen leiden. Uit deze toets blijkt dat door vaststaand beleid de stikstofdepositie in dit deel van het Natura 2000-gebied aanzienlijk zal dalen. Ook in cumulatie met andere ontwikkelingen zijn significant negatieve gevolgen daarom uitgesloten.

Nader natuuronderzoek

Uit de quick scan natuur blijkt dat de aanwezigheid van verschillende beschermde diersoorten niet kan worden uitgesloten en dat aanvullend onderzoek nodig is. Het gaat om onderzoek naar de ringslang, de poelkikker, rugstreeppad, de teunisbloempijlstaart, de grote modderkruiper, marters, vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Het aanvullende natuuronderzoek is inmiddels gedeeltelijk uitgevoerd12. Hieruit volgt dat leefgebied voor de rugstreeppad, poelkikker, huismus, ringslang en teunisbloempijlstaart niet aanwezig is binnen het plangebied.

Uit het onderzoek blijkt wel dat bij de woning aan de Hamsestraat 90 één broedplaats van gierzwaluwen aanwezig is. Verder blijkt in het centrale deel van het plangebied leefgebied aanwezig van de steenmarter en de wezel. Ook blijkt de Linge, waarvan een deel binnen het plangebied ligt, essentieel foerageergebied te zijn voor gewone dwergvleermuizen en meervleermuizen. Tot slot blijken slootjes binnen het zuidelijk deel van het plangebied leefgebied te zijn van de grote modderkruiper. Navolgende afbeelding geeft het leefgebied van deze beschermde soorten weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0026.png"

Met de geplande ontwikkeling zal het waarschijnlijk noodzakelijk zijn de woning aan de Hamsestraat 90 te slopen. Daarbij zal de nestplaats van de gierzwaluw verloren gaan. Ook bestaat dan de kans dat gierzwaluwen worden verwond of gedood. Ook zal met de ontwikkeling waarschijnlijk een deel van het leefgebied van de steenmarter en wezel verloren gaan. Daarbij worden met de wegaanleg mogelijk verblijfplaatsen voor deze soorten vernietigd en bestaat de kans dat marters worden gedood. Bij de aanleg van de brug over de Linge bestaat verder de kans dat het aanwezige foerageergebied van gewone dwergvleermuizen en meervleermuizen wordt doorsneden, waardoor het als foerageergebied ongeschikt of onbereikbaar wordt. Tot slot bestaat de kans dat bij de werkzaamheden grote modderkruipers worden gedood. Ook zal met de aanleg van de weg leefgebied van deze soort verloren gaan, wanneer bij de werkzaamheden sloten worden gedempt.

In al deze bovenstaande gevallen is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen.

Nog benodigd nader natuuronderzoek

Bij het gierzwaluwonderzoek konden in de periode half-juni tot half juli geen bezoeken worden gebracht aan de woning bij de Hamsestraat 90. Om het gierzwaluwonderzoek bij deze woning af te ronden, dienen hier aanvullend nog twee veldbezoeken te worden uitgevoerd. Daarnaast is voor de ruimtelijke ontwikkeling zelf, ook nog ander aanvullend onderzoek nodig, zoals volgt uit de eerder opgestelde quick scan. Dit betreft aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van leefgebied van de steenuil, naar verblijfplaatsen van vleermuizen bij de woningen Hamsestraat 90 en 92 en naar verblijfplaatsen van de huismus en vleermuizen bij de woning aan de Tielsestraat 99. In de quick scan werd nog geen aanvullend onderzoek geadviseerd naar de gierzwaluw bij de bebouwing. Dit omdat het hier lintbebouwing in landelijk gebied betreft die relatief laag is. Bij dergelijke bebouwing is de kans op aanwezigheid van gierzwaluwen niet groot (BIJ12, 217b). Echter, in de loop van het aanvullend onderzoek bleek in de woning van de Hamsestraat 90 toch een gierzwaluwverblijfplaats aanwezig. Daarom wordt nu ook bij de woning aan de Tielsestraat 99 geadviseerd om gierzwaluwonderzoek uit te voeren.

Overzicht stand van zaken van het lopende aanvullende natuuronderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0027.jpg"

Haalbaarheid ontheffing

Uit het 'Nader onderzoek Wet natuurbescherming' blijkt dat in alle redelijkheid te verwachten is dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming, bij het doorlopen van de juiste procedure, voor deze ontwikkeling verleend zal worden.

Aan de voorwaarden voor een ontheffing Wet natuurbescherming kan worden voldaan voor de aanleg van de randweg. Er heeft een alternatievenafweging plaatsgevonden waaruit blijkt dat er voor de ontwikkeling geen andere bevredigende oplossing is. Ook is er sprake van een groot openbaar belang van deze ontwikkeling. Er is daarnaast voldoende tijd, budget en ruimte om voldoende mitigerende maatregelen te treffen wanneer dat nodig mocht zijn, zodat in alle redelijkheid te verwachten is dat in deze situatie voldaan kan worden aan alle voorwaarden die gesteld worden. In het verleden zijn in vergelijkbare situaties hiervoor ook ontheffingen verstrekt.

4.10.3 Conclusie

Voordat uitvoering wordt gegeven aan het voorliggende plan dient het benodigde nader natuuronderzoek te worden afgerond. Voor de beschermde soorten waarvan inmiddels bekend is dat ze in het plangebied voorkomen en eventuele andere soorten die volgen uit het nog uit te voeren onderzoek, dient een ontheffing Wet Natuurbescherming bij de provincie Gelderland te worden aangevraagd.

Omdat significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Voor de stikstofberekening en de ecologische voortoets is echter wel gebruik gemaakt van de salderingsmethode (verschilberekening). Dit zorgt wel voor een vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Deze vergunning dient aangevraagd te worden.

Met het opnemen van een voorwaardelijke verplichting is juridisch-planologisch in dit bestemmingsplan vastgelegd dat niet eerder gesloopt of gebouwd mag worden en/of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, dan nadat aangetoond is dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming.

Met inachtneming van het voorgaande geldt dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Archeologie

Algemeen

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

Gemeentelijk/regionaal archeologiebeleid

De bescherming van de archeologische waarden is in de gemeente Neder-Betuwe geregeld in het bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie'. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke bestemmingen opgenomen: Waarde - Archeologie 1 voor de AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen, Waarde - Archeologie 2 voor de gronden met een hoge archeologische trefkans en Waarde - Archeologie 3 voor de gronden met een gemiddelde archeologische trefkans.

Voor onderhavig plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2. Dit betekent dat sprake is van AMK-terreinen en een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bouw- en graafwerkzaamheden die plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 100 m2 respectievelijk 1000 m2 of die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Archeologisch bureauonderzoek

Resultaten

Ter plaatse van het plangebied (en omgeving) is een archeologisch bureauonderzoek13 uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek ligt het westelijk deel van het plangebied in een zone waar zich mogelijk binnen 1-1,5 m beneden het maaiveld resten vanaf het Neolithicum, meer waarschijnlijk de Bronstijd/ Ijzertijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd kunnen bevinden. Het betreft dan met name de delen van het plangebied die liggen op de stroomrug en stroomrugglooiing van de Veedijk/ Westerveld stroomgordel, zoals het binnen het onderzoeksgebied gelegen AMK-terrein 3.968, en de wat verderop gelegen 3.969 en 12.634.

Daarnaast geldt voor het westelijke uiteinde van het plangebied een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten van de Betuwelinie, die vanaf 1796 is aangelegd. Het gaat dan om de resten van de ophoging van de voormalige dijk en gracht. Daarnaast kunnen op deze locatie ook resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht, zoals loopgraven, schuttersputten, en andere militaria. Vanwege de vele gevechtshandelingen geldt voor het gehele plangebied dat het verdacht is op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven. In het oostelijke deel van het plangebied, bij de kruising met de Linge, bevindt zich nog een smalle strook waar zich mogelijk resten van bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen bevinden; langs de Linge kunnen zich daarnaast nog resten bevinden van houten beschoeiingen, dammen en duikers, visgerei etc.

Advies

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in de delen van het plangebied die corresponderen met de stroomruggen en -glooiingen van de Veedijk/ Westerveld stroomgordel (Waarde - Archeologie 1 of 2 van het bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie'), een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. Geadviseerd wordt het verkennend booronderzoek uit te voeren met een grid van 30 x 40 meter (ca. 8 boringen per hectare). De delen van het plangebied die bestaan uit komgebieden met een lage archeologische verwachting (zonder bijbehorende dubbelbestemming) kunnen worden vrijgegeven. Indien bij de uitvoering van werkzaamheden binnen vrijgegeven delen toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid). Verder wordt geadviseerd de binnen het plangebied gelegen behoudenswaardige cultuurhistorische objecten (de Betuwelinie met bunker en een mogelijk waterstaatkundig object bij de kruising met de Linge) te beschermen en te versterken. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het opgestelde advies.

Conclusie

De archeologische waarden ter plaatse van het plangebied worden in het voorliggende plan beschermd middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.11.2 Cultuurhistorie

Algemeen

Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

De gemeente Neder-Betuwe heeft haar beleid geregeld in de Erfgoedverordening uit 2017.

Toetsing

In het kader van het archeologisch bureauonderzoek (Sweco 2020) zijn ook mogelijke cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied geïnventariseerd. Hieruit volgt dat zich binnen of nabij het plangebied zich geen gebouwde Rijksmonumenten bevinden. De Cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland bevat weinig objecten of vlakken binnen het plangebied. De zuidzijde van het spoor is aangegeven als inundatiegebied.

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan de westzijde van het plangebied de oude Betuwelinie als een behoudenswaardig cultuurhistorisch object aangegeven (dijk en gracht). Hier staan ook enkele bunkers/ kazematten langs het spoor aangegeven en een duiker onder het spoor. Bij de kruising met de Linge bevindt zich nog een cultuurhistorisch object, mogelijk waterstaatkundig. Overige boven- of ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied zijn niet bekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0028.jpg"

Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart met aanduiding bunker binnen het plangebied (binnen witte cirkel).

Langs het beoogde tracé van de Randweg Opheusden staan twee kazematten (zie volgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPrandweg-vst1_0029.png"

Tracé randweg met ligging kazematten (midden in rode cirkels)

Eén kazemat, de meest oostelijke, raakt het beoogde tracé van de randweg. Dat wil zeggen, de kazemat raakt de aangrenzende bermen en watergangen direct gelegen naast de feitelijke weg(verharding). In het kader van het voorliggende plan is een integrale afweging gemaakt over de toekomst van deze kazemat.

De kazemat staat circa een halve meter van de feitelijke kant-verharding zoals nu in het voorlopig ontwerp (VO) voor de randweg is ingetekend. Het VO is het vertrekpunt voor het voorliggende plan. Om een besluit te nemen over de toekomst van deze Kazemat is nader onderzoek verricht. Door RAAP is een cultuurhistorische quickscan en bouwhistorische opname uitgevoerd14 en tevens is er een kostenanalyse gemaakt15, bedoeld om tot een realistisch een integrale afweging te komen. Voor de analyse is de Kazemat precies ingemeten zodat goed valt te bezien hoe deze staat gepositioneerd t.o.v. het beoogde tracé.

Er zijn 3 opties onderzocht en beschreven:

  • 1. behoud van de Kazemat en welke maatregelen zijn er dan eventueel nodig;
  • 2. verplaatsen van de kazemat, of;
  • 3. sloop van de kazemat.

Raap concludeert dat vanuit de cultuurhistorische waarde behoud van de kazemat in de basis de voorkeur heeft. Ook concluderen zij dat verplaatsen of sloop aan de orde kan zijn als er een integrale afweging wordt gemaakt. Daarbij wordt aanbevolen dat bij sloop en of verplaatsen de cultuurhistorische waarde op een andere manier / wijze te versterken valt. Bijvoorbeeld door een uitgebreide biografie van de kazemat op te stellen. Daarnaast geldt als advies om waar mogelijk ruimte te zoeken voor versterking van andere nog aanwezige kazemat-waarden.

De kosten van 'sloop' en 'verplaatsen' zijn in beeld gebracht waarbij óók gekeken is wat eventueel nodig is aan het beoogde wegtracé als de kazemat blijft staan. Het behouden en laten staan en daarbij maatregelen nemen bij of aan de weg(bijvoorbeeld een geleiderail plaatsen of plaatselijk uitbuigen van de weg), kan immers ook een (kosten)effectieve maatregel en afweging zijn.

De kostenindicatie voor verwijderen / verplaatsen zijn als volgt:

  • Verplaatsen: € 170.000,- exclusief prepareren ondergrond en eventuele maatregelen nieuwe locatie;
  • Sloop/verwijderen: € 12.000,-.

Met dit gegeven is geconcludeerd dat de kazemat met het oog op de lopende procedure blijft staan. Hoewel de kazemat binnen de planologische beoogde plangrens ligt, is de feitelijke weg inclusief maatregelen inpasbaar.

In de verdere uitwerking van het plan, en nadat het bestemmingsplanproces is afgerond, kan nader worden beschouwd en/of onderzocht of er vanuit de cultuurhistorische waarde en opgaves binnen de gemeente kosten te rechtvaardigen zijn om de kazemat te verplaatsen dan wel waarde toe te voegen aan de bestaande kazemat die verder op (buiten het beoogde tracé) staat.

Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorliggende plan; formeel is de weg naast de kazemat te positioneren (zo blijkt uit de precieze inmeting in het veld) met in achtneming van eenvoudig te nemen maatregelen (het plaatsen van een geleiderail ter plaatse van de kazemat).

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.12 Leidingen

Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Toetsing

Het plangebied wordt doorkruist door drie leidingen met zones waarbinnen beperkingen gelden: een gasleiding, een hoogspanningsverbinding en een riool. Deze drie leidingen zijn in het geldende bestemmingsplan beschermd middels de dubbelbestemming 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' respectievelijk 'Leiding - Riool'. Deze dubbelbestemmingen zijn in het voorliggende plan overgenomen. De gasleiding, hoogspanningsverbinding en het riool vormen geen belemmering voor de aanleg van de weg.

Voor de gasleiding is er overleg geweest met de tracébeheerder over de mogelijke consequenties van de aanleg van de randweg en welke technische maatregelen genomen kunnen worden. In dit overleg is het volgende geconstateerd en afgesproken:

  • 1. De bestaande ligging van de gasleiding is goed inpasbaar binnen de beoogde en voorgenomen randweg.
  • 2. Vanwege de benodigde ophoging van de nieuw aan te leggen weg is het noodzakelijk met licht ophoogmateriaal te werken, bijvoorbeeld Yalibims zoals door Gasunie benoemd.
  • 3. De planvorming bevindt zich nu in een VO-fase. In de DO-fase dienen echter een aantal zaken nader te worden uitgewerkt zoals:
    • a. De richtlijnen van afstanden (veiligheidszones) dienen te worden gerespecteerd en aangehouden bij de verdere ontwerpuitwerking;
    • b. Er dienen ter zijnde tijd berekeningen te worden gedaan naar zetting en naar trillingen tijdens het werk;
    • c. Bij de DO-uitwerking zal opnieuw overleg plaats moeten vinden om verdere acties en uitwerking door te bespreken.

Conclusie

Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en is voorzien van een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Bestemmingsplan

5.2.1 Bestemmingen

'Agrarisch'

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, landschappelijke beplanting, watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen en extensief dagrecreatief medegebruik.

Op deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:

  • a. niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen:
    - hagelnetten (max. bouwhoogte 6 meter);
    - kunststoftunnels en -overkappingen (max. bouwhoogte 4 meter);
  • b. constructies ten behoeve van de gotenteelt (max. bouwhoogte 4 meter);
  • c. molens ten behoeve van de waterhuishouding (max. bouwhoogte 6 meter);
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming (max. oppervlakte 10 m2 en max. bouwhoogte 2,5 meter).

Verder zijn een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de overschrijding van bouwgrenzen voor de bouw van bedrijfsgebouwen, een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, de stalling van dieren en de huisvesting van seizoenarbeiders.

'Bedrijventerrein'

De gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn bedoeld voor, bedrijven, groothandel, detailhandel, kantoren, horeca, bedrijfswoningen, nutsvoorzieningen, (GSM-)antennemasten, geluidwerende voorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, paden e.d. toegestaan.

Hierbij geldt de volgende specificering:

  • als bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend detailhandel in volumineuze goederen en bestaande bedrijven in categorie 1 toegestaan;
  • detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, niet-zijnde detailhandel in textiel, schoeisel en lederwaren, voedings- en genotmiddelen en huishoudelijke artikelen, waarbij geldt dat de detailhandelsactiviteit niet groter mag zijn dan 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 150 m2. In afwijking hiervan is wel de volgende detailhandel toegestaan:
    -   detailhandel in de volumineuze goederen: automobielen, boten, caravans en grove bouwmaterialen;  
    -   detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen met dien verstande dat de opslag van meer dan 10.000 kilo consumentenvuurwerk niet is toegestaan;  
    -   detailhandel in de vorm van een internetwinkel (onder voorwaarden).  
  • er zijn uitsluitend niet-zelfstandige kantoren toegestaan;
  • er is uitsluitend ondersteunende horeca toegestaan;
  • ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan;
  • het gebruik van een deel van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is onder voorwaarden toegestaan;
  • buitenopslag is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en achter de voorgevel van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw en het verlengde daarvan. De hoogte van buitenopslag bedraagt niet meer dan 5 m;
  • er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' is alleen waterberging toegestaan;

Binnen deze bestemming gelden de volgende bouwregels:

  • Gebouwen: uitsluitend binnen een bouwvlak, maximum bouwhoogte is aangeduid met aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', afstand tot zijdelingse perceelgrens aan minimaal één zijde van het perceel 3 meter, afstand tot achterste perceelgrens minimaal 3 m, bebouwingspercentage maximaal 80%. Voor bedrijfswoningen en bijgebouwen gelden afwijkende maten: de inhoud van een bedrijfswoning mag max. 750 m3 bedragen en de bouw- en goothoogte max. 10 respectievelijk 6 meter. De oppervlakte aan bijgebouwen mag per woning maximaal 75 m2 bedragen, de bouw- en goothoogte van een bijgebouw max. 7 respectievelijk 3 meter.
  • Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan met een bouwhoogte van:
    -   max. 1 meter buiten het bouwvlak (met uitzondering van tanks en of drukhouders ten behoeve van de opslag van stoffen. Hiervoor is een bouwhoogte van 4 meter toegestaan);  
    -   maximaal 2 meter voor erf- of terreinafscheidingen;  
    -   maximaal 6 meter voor vlaggenmasten;  
    -   maximaal 40 meter voor (GSM-)-antennemasten;  
    -   maximaal 15 meter voor portaalkranen;  
    -   maximaal 4 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak.  
  • Zwembaden zijn uitsluitend toegestaan bij bedrijfswoningen en binnen het bouwvlak. De bouwhoogte mag niet meer dan 1,20 meter bedragen en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 3 meter bedragen.

In het voorliggende bestemmingsplan is de regeling voor de bestemming 'Bedrijventerrein' uit het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' overgenomen. Hierin is een regeling opgenomen die bepaalt dat bouwwerken die met vergunning zijn opgericht, ook al wijken deze af van de voorgeschreven situerings- en maatvoeringseisen, zijn toegestaan. Deze regeling is ook overgenomen. Legaal opgerichte bouwwerken blijven onder het regime van voorliggend bestemmingsplan dus legaal. Op deze wijze worden bestaande rechten gerespecteerd.

Verder is het om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels voor bedrijfsinstallaties, (GSM-)antennemasten, de hoogte van terreinafscheidingen buiten het bouwvlak, de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en ondergrondsegebouwen.

'Groen' 

De bestemming 'Groen' is opgenomen ter plaatse van de toekomstige waterbergingen. De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor, groenvoorziening, beplanting, voet- en fietspaden, beeldende kunstwerken, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, in- en uitritten (uitsluitend wanneer deze noodzakelijk zijn voor het bereiken van aangrenzende percelen) en water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen voor waterzuivering, infiltratie en waterberging, waaronder wadi's en infiltratiegebieden. Verder zijn de gronden bestemd voor de instandhouding dan wel herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden en buis- en kabelleidingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomende doeleinden.

Binnen deze bestemming is uitsluitend de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan:

  • 8 meter voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting;
  • 6 meter voor vlaggenmasten;
  • 4 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

'Verkeer' 

De bestemming 'Verkeer' is opgenomen ter plaatse van het toekomstige tracé van de randweg. De gronden zijn bestemd voor wegen, fiets- en voetpaden met bermen, bijbehorende voorzieningen (waaronder bruggen), buis- en kabelleidingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomende doeleinden, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan wegbermen, watergangen en bijbehorende oeverzones en extensief dagrecreatief medegebruik.

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • masten ten behoeve van verlichting en verkeers- en verwijsborden (maximale bouwhoogte 10 meter);
  • abri's en rijwielstallingen (maximale oppervlakte 15 m2, maximale bouwhoogte 3 meter);
  • kunstwerken (maximale bouwhoogte 20 m + NAP);
  • overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (maximale oppervlakte 10 m2, maximale bouwhoogte 2 meter).

5.2.2 Dubbelbestemmingen

'Leiding - Gas'

Met deze dubbelbestemming wordt de gasleiding die het plangebied kruist beschermd. Op deze gronden zijn alleen bij omgevingsvergunning mogelijkheden voor de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor andere voorkomende bestemmingen (dan de gasleiding). Verder geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van verschillende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden.

'Leiding - Hoogspanningsverbinding'

Met deze dubbelbestemming wordt de 150 kV hoogspanningleiding die het plangebied kruist beschermd. Op deze gronden zijn alleen bij omgevingsvergunning mogelijkheden voor de bouw van bouwwerken voor andere voorkomende bestemmingen (dan de hoogspanningsverbinding).

'Leiding - Riool'

Met deze dubbelbestemming wordt de rioolwaterpersleiding die het plangebied kruist beschermd. Op deze gronden zijn alleen bij omgevingsvergunning mogelijkheden voor de bouw van bouwwerken voor andere voorkomende bestemmingen (dan het riool). Verder geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van verschillende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden.

'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'

Deze dubbelbestemming beoogt eventuele archeologische relicten te beschermen en hoeft niet verder te worden toegelicht.

'Waterstaat - Beheerszone watergang'

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang' is opgenomen voor de bescherming, beheer en verbetering van een bestaande A-watergang. Daarnaast zijn de gronden ter plaatse van de dubbelbestemming mede bestemd voor voorzieningen voor de waterhuishouding.

'Waterstaat - Waterlopen'

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' is opgenomen om de afvoerfunctie van een A-watergang te beschermen welke op deze wijze ook beschermd wordt in het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein'.

5.2.3 Overige regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overgangsrecht en een slotregel. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro).

De gemeenteraad heeft in 2020 een krediet beschikbaar gesteld voor het uitvoeren van de nodige onderzoeken voor de randweg Opheusden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zal de raad een voorstel worden voorgelegd voor de realisatie en financiële onderbouwing c.q. consequenties voor de meerjarenbegroting van de gemeente.

6.2 Overleg

Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan ter advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.3 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van vier weken ter inzage gelegen. Van 1 april tot en met 28 april 2021 konden inspraakreacties op het plan worden ingediend. In bijlage 16 bij dit bestemmingsplan zijn de resultaten van het overleg en de inspraakreacties samengevat in een reactienota en van een antwoord voorzien16.

Op 15 april 2021 heeft een (digitale) informatieavond plaatsgevonden. Tijdens deze avond zijn belanghebbenden en belangstellenden geïnformeerd over de plannen voor de aanleg van de randweg en over de procedure. Tevens was de mogelijkheid voor het stellen van vragen.

Voor de realisatie van de randweg is een projectenwebsite gemaakt (projecten.nederbetuwe.nl). Via deze website konden belanghebbenden en belangstellenden vragen stellen en/of opmerkingen maken over de randweg. Dit zijn geen formeel ingediende reacties op het voorontwerp bestemmingsplan. De vragen en opmerkingen die via deze website zijn binnengekomen zijn samengevoegd en voorzien van een antwoord en als bijlage bij de reactienota gevoegd.

6.4 Zienswijzen

Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan van 30 september 2021 tot en met 10 november 2021 ter inzage gelegen. In bijlage 17 bij dit bestemmingsplan zijn de binnengekomen zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien17. Eén zienswijze heeft geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er ook ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. In de aanpassingennotitie18 (zie bijlage 18) is opgenomen welke aanpassingen er ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn doorgevoerd.