direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lakemondsestraat 5 Opheusden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Barten Buiteninrichting is een hoveniersbedrijf dat zich vooral bezighoudt met het aanleggen en onderhouden van tuinen en terreinen. Zij is voornemens om een voormalig agrarisch perceel met bedrijfspanden en bedrijfswoning te gebruiken voor de uitvoering van een hoveniersbedrijf. Vestiging van een hoveniersbedrijf is niet mogelijk binnen de huidige agrarische bestemming. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Lakemondsestraat 5 in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe ten noordoosten van Opheusden. Op het onderstaande kaartje is de globale ligging van het perceel aangeduid.


afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0001.jpg"  
bron: OpenTopo  

1.3 Aanpak

Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.


Toelichting

De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:

  • een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
  • een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
  • de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
  • een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.


Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:

  • een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden;
  • voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
  • een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.


Verbeelding

De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.


Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' vastgesteld op 7 augustus 2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch'. Tevens geldt het parapluplan 'Plattelandswoningen', vastgesteld op 1 oktober 2013. Ook geldt het bestemmingsplan 'Dijkverbetering Hagestein - Opheusden' die de bescherming van de dijk en waterwegen als belang heeft. Hierin heeft het plangebied de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - dijk 1' en 'vrijwaringszone - dijk 2' en de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0002.jpg"

Uitsnede vigerende plankaart "Buitengebied Kesteren"

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is gebruik van de gronden ten behoeve van een boomkwekerij mogelijk. Een realisatie van een hoveniersbedrijf met eigen kweekmogelijkheden is niet toegestaan. Realisatie van een nieuwe schuur ten behoeve van een hoveniersbedrijf is op basis van het geldend bestemmingsplan niet mogelijk. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie beschreven, gevolgd in hoofdstuk 3 door een beschrijving van het initiatief. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. Hoofdstuk 5 geeft een inhoudelijk verantwoording op de haalbaarheid van het plan en geeft een uiteenzetting van de toetsing van het initiatief aan geldend beleid en (milieu)wetgeving. De economische haalbaarheid van het plan wordt verantwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Karakteristiek van de omgeving

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Opheusden, in het buitengebied aan de Lakemondsestraat. Deze straat is een oude doorgaande route langs de Nederrijn en is één van de oude invalswegen van Opheusden. Het bebouwingsbeeld aan de Lakemondsestraat is typisch voor het buitengebied in de Betuwe: lintbebouwing in een lage dichtheid, op grote percelen aan weerszijden van de doorgaande weg. Het merendeel van de bebouwing en bijbehorende percelen kent een agrarische functie, veelal fruit- en boomteelt, maar ook weiden.

2.2 Het plangebied

Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Lakemondsestraat. Het betreft een agrarisch perceel met boomteelt functie. Op de luchtfoto is de grens van het plangebied te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0003.jpg"  
Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

Het plangebied bestaat uit een drietal kadastrale percelen. Op deze percelen zijn momenteel een woning en twee bedrijfsgebouwen aanwezig met oppervlaktes van 54m2 en 237m2 aanwezig. De goot- en nokhoogte van de grote schuur bedragen 4 respectievelijk 6 meter. De woning (met zadeldak, goothoogte ca. 3 meter, bouwhoogte ca. 9 meter) heeft een boerderij-achtige uitstraling en is bouwkundig nog in goede staat.

De gronden rondom de woning zijn ingericht als tuin. De rest van het perceel is in gebruik als kweekgrond voor bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0004.jpg"  
Nummer 5 gezien vanaf de Lakemondsestraat  

Het erf wordt ontsloten aan de zuidzijde op de Lakemondsestraat. Daarnaast is er een tweede (onverharde) ontsluiting aanwezig die het perceel ontsluit in de richting van de Rijnbandijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0005.jpg"  
bedrijfsgebouwen behorende bij Lakemondsestraat 5  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Opheusden is van oorsprong een rivierdorp. De Nederrijn heeft dan ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van Opheusden, maar zorgde tevens voor overstromingsrisico. De bebouwing was eind 19e eeuw - begin 20e eeuw in belangrijke mate geconcentreerd langs de Rijnbandijk, maar ook langs het lint van de Dorpsstraat, Burgemeester Lodderstraat, en Dalwagenseweg tot aan de Linge. Het hart van het dorp lag ter hoogte van het huidige gemeentehuis.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog (WO II) heeft Opheusden hoofdzakelijk een agrarische achtergrond gehad. Het dorp is bekend om zijn vele (laan)boomkwekerijen. Tijdens WO II werd Opheusden voor een groot deel verwoest en ging veel van het dorp verloren. Tijdens de wederopbouw ontstonden, in aansluiting op de oudere kern, de eerste uitbreidingen tussen de Rijnbandijk en de Burgemeester Lodderstraat. Bij hierop volgende uitbreidingen werd steeds verder naar het zuiden gebouwd. De landerijen ten westen en oosten bleven agrarisch van karakter. Het onderhavige plangebied bevindt zich in het agrarische gebied aan de oostkant van de dorpskern.

3.2 Ruimtelijke structuur

De Lakemondsestraat bevat aan weerszijden relatief grote kavels met daarop veelal ensembles van bedrijfsgebouwen met bijbehorende (agrarische) bedrijfswoningen. Zowel de bebouwingscomplexen als de landerijen zijn ontsloten op de hoofdweg.

Initiatief

Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden van de kavel voor het gebruik als hoveniersbedrijf en op welke wijze het perceel kan worden ingepast in het landschap is er een terreininrichtingsplan gemaakt. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • De bestaande schuren worden gesloopt (291 m2);
  • De bestaande woning blijft behouden;
  • Er wordt een nieuwe loods gerealiseerd achter de bestaande woning met een oppervlakte van tussen de 700m2 en de 850m2;
  • De loods heeft een maximale goothoogte van 5 meter en maximale bouwhoogte van 10 meter;
  • Beide erftoegangen blijven behouden;
  • Achter een groene tuinzone van ca. 14m diep grenzend aan de Lakemondsestraat is het parkeren voor bezoekers gepositioneerd. Verder op het terrein is nog een tweede parkeerplek voorzien (t.b.v. medewerkers) tegen de oostelijke perceelgrens aan;
  • Oostelijk van de nieuwe loods is een mogelijkheid gecreëerd voor het laden en lossen en wordt voldoende manoeuvreerruimte gecreëerd voor het keren van vrachtverkeer;
  • De gronden aan de achterzijde van het perceel blijven in gebruik als agrarische/teeltgronden. Onder andere een kweekhoek en een pottenveld zijn hier voorzien;
  • Westelijk en noordelijk van de loods wordt het perceel vrij gehouden van bebouwing en zullen beplanting en bomen het zicht op de loods beperken;
  • De voor- en zijtuin van de woning blijven de oorspronkelijke opzet houden;
  • Langs de inrit aan de zuidzijde, en langs de gehele oostzijde van het perceel (in de lengterichting van het landschap) worden hagen geplant. De hagen zijn ca. 0,7 meter breed en ca.1,5 meter hoog geplant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0006.png"

schets inrichtingsplan t.b.v. het hoveniersbedrijf

3.3 Functionele structuur

Het gebied is een multifunctioneel gebied waar wonen en werken naast elkaar bestaan. Ten aanzien van het aspect 'werken' ligt de nadruk hier vooral op de bomenteelt. Op het betreffende perceel is in de huidige situatie sprake van bomenteeltbedrijf. Een hoveniersbedrijf is nauw verwant aan bomenteeltbedrijven en bevindt zich één stap verder in het proces, de verwerking van de bomen. Vanuit dat perspectief bezien is het begrijpelijk dat een hovenier zich wil vestigen tussen de bomentelers. Beide functies versterken elkaar namelijk.


Het perceel biedt bovendien de mogelijkheid om een hoveniersbedrijf te realiseren op deze locatie. Het beschikbare perceelsoppervlak biedt voldoende ruimte voor de realisatie van de gewenste loods, een kweekhoek en een pottenveld. Waarmee kan worden voorzien in de eigen kweekbehoefte. Eveneens is er voldoende mogelijkheid voor laden en lossen en het parkeren van auto's van zowel werknemers als bezoekers. De bestaande in- en uitritten voldoen en ook de bestaande woning blijft gehandhaafd.

3.4 Afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan

Het plangebied heeft momenteel een agrarische bestemming. Door deze herziening van het bestemmingsplan zal het perceel de bestemming 'bedrijf - buitengebied gebonden' krijgen, waardoor het perceel in gebruik genomen kan worden ten behoeve van een hoveniersbedrijf.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.

In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten. Lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is de duurzame verstedelijking. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen en bestaat uit drie 'stappen' die doorlopen moeten worden. Dit zijn:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dient te voorzien in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit stap 1 volgt dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte moet beschreven worden in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit stap 2 blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Het Bro beschrijft wat stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder bestaand stedelijk gebied wordt het volgende verstaan: 'een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.

Planspecifiek

De SVIR richt zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend initiatief valt hier niet onder. Het Barro stelt in die zin geen regels voor het plangebied. Het project betreft het realiseren van een hoveniersbedrijf met kwekerij op een voormalige agrarische bestemming.

Stedelijke ontwikkeling

Voor de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zoals hierna ook wordt betoogd, heeft een hovenier met eigen kwekerij een verbondenheid met het buitengebied. Daarnaast is er ook geen sprake van een nieuw ruimtebeslag omdat ter plaatse ook bebouwing in een dergelijke omvang is toegestaan. Voor de volledigheid worden wel de treden van de ladder doorlopen, in het kader van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ladder duurzame verstedelijking

Trede 1:

Voor wat de betreft de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geldt dat het plan voorziet in de actuele behoefte (zie hiervoor ook Bijlage 1 Locatiescan). Het tweemansbedrijf is in de loop der jaren uitgegroeid tot een volwaardige onderneming die werk biedt aan ongeveer 10 personen. De huidige locatie aan de Dalwagensweg is niet langer geschikt voor het bedrijf. Om de groeiende ruimtevraag op te vangen wordt op dit moment al opslagruimte gehuurd aan 't Land, maar dit levert onnodige verkeersbewegingen door het dorp op. Werknemers verzamelen zich aan de Dalwagen, rijden vanaf daar naar de opslag aan 't Land om materialen op te laden en keren vervolgens via het dorp terug naar de A15, omdat de steile dijkopgang bij 't Land niet geschikt is voor bussen met aanhangers. Er is dan ook behoefte aan een locatie voor hervestiging van het bedrijf waar men een duurzame groei kan realiseren.

Trede 2:

De verbondenheid van een hoveniersbedrijf met het buitengebied is groot. Op enkele uitzonderingen na zijn hoveniers doorgaans gevestigd in het buitengebied. Gezien het ruimtebeslag wat een hovenier met een omvang van ca. 7.000m2 inneemt is vestiging op een bedrijventerrein niet haalbaar. Uitgaande van een uitgifteprijs van € 125,- /m² betekent dit een investering in de grond van ca. 875.000 euro. Een dergelijk investeringsbedrag is voor een hoveniersbedrijf niet op te brengen. Daarnaast heeft de hovenier ruimte voor eigen kweek en opslag van plantgoed nodig. Dit moet in de volle grond plaatsvinden en grond op een industrieterrein is hier niet zonder meer bruikbaar voor.

Als vestiging binnen stedelijk gebied niet realistisch is, dient onderzocht te worden of in de behoefte voorzien kan worden door benutting van bestaande beschikbare gronden in het buitengebied. Door een bestaand agrarisch perceel te transformeren en geschikt te maken voor gebruik als hoveniersbedrijf wordt er geen extra beslag op de open ruimte gelegd. Het aantal bedrijfspercelen en bijbehorende erfoppervlak zal niet toenemen. Hiermee is voldaan aan de ladder.

Onderhavig plan is niet strijdig met het beleid op nationaal niveau.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en verordening Gelderland

De Omgevingsvisie en –verordening zijn in 2014 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen en in de Omgevingsverordening de regels. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de Omgevingsvisie. De provincie zet daarbij in op het waarborgen en het verder ontwikkelen van de kwaliteiten van Gelderland waarbij recht wordt gedaan aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek.

De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

Planspecifiek

Onderhavig plangebied valt onder het deelgebied Rivierenland. Het Rivierenland wordt gekenmerkt door groen open gebied, omzoomd door rivieren. Er is ruimte voor dynamiek en ontwikkeling, met name logistiek, agrobusiness en vrijetijdseconomie. Van belang is daarbij de balans tussen koesteren, vernieuwen en benutten. Behouden wat de moeite waard is, de kwaliteiten van het gebied en tegelijkertijd actief en creatief werken aan het verder ontwikkelen van het gebied, met als pijlers:

  • Logistiek;
  • Agrobusiness;
  • Vrijetijdseconomie;
  • Vitaal Platteland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0007.jpg"

Het plangebied ligt in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk (Kaart Natuur)

Het plangebied valt net buiten het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In par. 5.5 wordt de invloed van het project in relatie tot de aanwezige natuurwaarden verder belicht. Het plangebied is binnen de contouren van het landschap m.b.t. de Romeinse Limes gelegen. De ambitie van de provincie is om de Romeinse Limes te beschermen tegen ongewenste ingrepen en verder te ontwikkelen en beleefbaar te maken. De verantwoording van cultuurhistorische en archeologische verwachtingen is verwoord in par. 5.3.

Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het provinciaal beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Neder-Betuwe 2015

Op navolgende afbeelding is de structuurvisiekaart Neder-Betuwe 2015 te zien. De locatie valt onder het gebied wat gekenmerkt wordt als 'teeltrijke oeverwallen'. Verder zijn voor deze locatie van belang het tracé van de voormalige verdedigingslinie, de ontwikkeling van de laanboomteelt en het behoud en beleving karakteristieke landschapstypen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0008.jpg"

Uitsnede Structuurvisie Neder-Betuwe 2015 (plangebied: gele cirkel)

Legenda

Groen: Teeltrijke oeverwallen

Rode lijn: Tracé voormalige verdedigingslinie

Groene arcering: Ontwikkeling laanboomteelt

Blauwe lijn: Behoud en beleving karakteristieke landschapstypen

Teeltrijke oeverwallen

Op de oeverwallen wordt het beeld nagestreefd van een informeel landschap met grillige bebouwings- en kavelpatronen. Dit informele beeld wordt bevorderd door de aanwezigheid van relatief veel beplanting langs de wegen en op de erven en in overhoekjes. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de kans worden benut om meteen de aanplant van erfbeplanting mee te nemen. Het beleid is hier vooral gericht op behoud en beheer van de aanwezige waarden.

Ontwikkeling laanboomteelt

De structuurvisie heeft als belangrijk doel de potenties van de gemeente als hèt laanboomcentrum van Europa verder te ontwikkelen. De gemeente wil deze bekendheid verder ontwikkelen en geeft boomkwekerijen de mogelijkheid om te groeien, waarbij ruimte is voor innovatie. Dit gebeurt doordat in de structuurvisie is aangegeven dat het gehele buitengebied ruimte moet bieden voor de laanboomteelt. Andere functies zijn daaraan ondergeschikt.

Tracé voormalige verdedigingslinie

De gemeente vindt het zeer belangrijk de cultuurhistorische waarden van de verdedigingslinies te behouden en waar mogelijk te verbeteren en versterken. De linies zijn nu zeer beperkt afleesbaar in het landschap. Herstel en verdere ontwikkeling van deze cultuurhistorische waarden is van groot belang voor de leesbaarheid van het landschap.

Behoud en beleving karakteristieke landschapstypen

Eén van de ambities is de versterking van bestaande landschappelijke structuren. Het beleid in de visie is erop gericht om het landschappelijke karakter tussen Opheusden en Kesteren te behouden. Dit om te voorkomen dat beide kernen aan elkaar vast zullen groeien.

Planspecifiek

Het voorgestelde plan gaat uit van de komst van een hoveniersbedrijf op een bestaand agrarisch perceel. Het bedrijf is gerelateerd aan de laanboomteelt. Met het initiatief verandert niet veel ten opzichte van de huidige situatie, er is al een erf gevestigd op de locatie. Belangrijkste wijziging is dat de bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt worden en een nieuwe grotere loods gebouwd zal worden. Tevens zal de hoeveelheid zichtbare beplanting (al dan niet in potten) afnemen aangezien een hovenier minder planten op voorraad heeft dan bij een kwekerij het geval is. Het voorgestelde plan sluit goed aan op de beschreven uitgangspunten uit de structuurvisie voor het plangebied. Er wordt veel erfbeplanting extra aangelegd en het bestaande bebouwingspatroon wordt gerespecteerd. De historische linie ligt op ruime afstand van de locatie, waardoor geen negatieve invloed te verwachten is.

Landschapsontwikkelingsplan 2009

In het landschapsontwikkelingsplan Neder-Betuwe heeft de gemeente aangegeven hoe de ontwikkeling van het landschap moet gaan plaatsvinden. Rekening houdend met de ontwikkeling van de verschillende functies in het landelijke gebied wordt beschreven hoe de landschappelijke waarden behouden en versterkt kunnen worden. Hierdoor worden de onderlinge verschillen aangezet en worden de karakteristieke opbouw van het rivierenlandschap beter beleefbaar. Nieuwe ontwikkelingen moeten zo worden vormgegeven dat de karakteristieke verschillen tussen de uiterwaarden, oeverwallen en komgebieden en dus de leesbaarheid van het landschap wordt vergroot. In het algemeen krijgt de grondgebonden landbouw ruim baan. Recreatie, natuur en cultuurhistorie hebben een vanzelfsprekende plaats binnen het agrarische landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0009.png"

uitsnede visiekaart landschapsontwikkelingsplan (locatie rood omcirckeld)

Boomteeltrijke oeverwallen

Op grond van het landschapsontwikkelingsplan ligt het plangebied binnen het kleinschalige oeverwallenlandschap. Het gebied waarbinnen het plangebied gelegen is, wordt gekenmerkt door het grote aanbod van boomkwekerijen. De boomteeltrijke oeverwallen worden gekenmerkt door een rijke en groene uitstraling die voortkomt uit de combinatie van grillige wegen-, kavel- en bebouwingspatronen en de afwisseling in het grondgebruik zoals weilanden, boomgaarden en teeltgronden. Met name op de oeverwallen nabij Opheusden is een versterking van de landschappelijke kwaliteit gewenst, door meer opgaande beplanting aan te brengen. Dit wordt voornamelijk gezocht in erfbeplanting en laanbeplanting. Bijzonder aandachtspunt is het behoud van aanwezige fruitbomen op de oeverwallen.

Planspecifiek

Op grond van het landschapsontwikkelingsplan ligt het plangebied binnen de boomteeltrijke oeverwallen. Landschappelijk gezien is een versterking van de erfbeplanting gewenst. Hiermee wordt het van oorsprong groene karakter van het gebied weer ontwikkeld en blijft het aantrekkelijk voor bewoners en recreanten. In bijlage 1 van de regels is een landschappelijk inrichtingsplan opgenomen, waarin een sterke toename van erfbeplanting is voorzien. Dit plan is voorwaardelijk verplicht, zodat uitvoering is verzekerd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelen van het landschapsontwikkelingsplan.

Beleidskader hergebruik VAB 2016

Door de gemeente Neder-Betuwe is in samenwerking met andere gemeenten in 2016 het beleidskader herzien. Doelstelling van het beleidskader is door hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied willen de samenwerkende gemeenten de vitaliteit en de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en vergroten, zonder daarbij de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven te beperken.

In het beleidskader zijn randvoorwaarden opgenomen waaronder nieuwe bedrijven zich kunnen vestigen op vrijkomende agrarische locaties.

Planspecifiek

De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de voorwaarden van het beleidskader. In Bijlage 1 is beschreven op welke punten de ontwikkeling niet aan deze voorwaarden kan voldoen en waarom een afwijking van het beleid op dit punt verantwoord is.

Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieu

5.1.1 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    - verzorgingstehuizen;
    - psychiatrische inrichtingen;
    - medisch centra;
    - poliklinieken;
    - medische kleuterdagverblijven.


Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor woningen geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor de etmaalwaarde van de geluidbelasting op de gevels van de woning t.g.v. een weg 48 dB bedraagt. De gemeente kan volgens art. 83, lid 1 en 2 van de Wet geluidhinder (Wgh) voor woningen een hogere waarde vaststellen, in principe tot:

  • 53 dB in buitenstedelijk gebied;
  • 63 dB in stedelijk gebied.

Een hogere waarde mag alleen worden vastgesteld als maatregelen om de geluidbelasting tot 48 dB te beperken onvoldoende doeltreffend zijn of als deze maatregelen ernstige bezwaren hebben van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Planspecifiek

De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Opheusden binnen de geluidzone van de Lakemondsestraat en de Rijnbanddijk. De bestaande bedrijfswoning ligt op een afstand van 6,5 meter uit de as van de Lakemondsestraat en op 95 meter uit de as van de Rijnbanddijk. Met het voorliggende plan wijzigt de situering van de geluidsgevoelige bedrijfswoning niet, de bestaande situatie wordt gehandhaafd. Er is wel een nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke geluidhinder van het hoveniersbedrijf naar de omgeving Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Onderstaand worden de resultaten uit het onderzoek genoemd. Voor aanvullende of gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de bijlage.

Voor de realisatie van het hoveniersbedrijf aan de Lakemondsestraat is akoestisch onderzoek verricht naar de optredende geluidshinder voor de omliggende woningen. De geluidsbelasting van deze woningen wordt getoetst aan de normen uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’, het Activiteitenbesluit en de Schrikkelcirculaire.


Toetsing in het kader van de bestemmingsplanprocedure

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorgenomen realisatie van het hoveniersbedrijf voldoet aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen. Daardoor is vanuit akoestisch oogpunt sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Toetsing in het kader van de Omgevingsvergunning

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorgenomen realisatie van het hoveniersbedrijf voldoet aan alle geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit en de Schrikkelcirculaire. Verlening van een Omgevingsvergunning is vanuit akoestisch oogpunt dan ook mogelijk op basis van de standaard geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.

5.1.2 Luchtkwaliteit

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005 en is ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de aanleg van bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek

Onderhavig plan betreft de vestiging van een hoveniersbedrijf ter plaatse van de Lakemondsestraat 5. Hiermee zal een kwekerij verdwijnen en een hovenier zich vestigen. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er geen grote veranderingen te verwachten die een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Onderhavig plan is uitvoerbaar op het gebied van luchtkwaliteit.

5.1.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.

Planspecifiek

Via de site www.risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een uitsnede van die risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0010.jpg"

uitsnede risicokaart

Op de risicokaart is te zien dat er zich in of in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen of transportroutes bevinden die gevaar opleveren voor de locatie. Het plangebied ligt op circa 1900m afstand van de Betuweroute en daarmee binnen het invloedsgebied (4 km), maar ruimschoots buiten de 200 meter evacuatie zone van de Betuweroute. Op ca. 470m afstand is een bedrijf gevestigd waar een propaantank aanwezig is. De plaatsgebonden risicocontour hiervan bedraagt 20m en levert derhalve geen beperkingen op voor het initiatief.

Op grond van art. 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de Betuweroute. De afstand tot de Betuweroute is dermate groot dat de risico's van het plangebied bij een ongeval zeer klein zijn. De doelgroep die hier zal komen betreft geen 'kwetsbare' groep, de zelfredzaamheid is goed.

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

5.1.4 Bodem

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

Onderhavig plan betreft de vestiging van een hoveniersbedrijf ter plaatse van de Lakemondsestraat 5 . Voor het initiatief is een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 3.

Door Milieutechnisch adviesbureau adviesburo de Bruin is een verkennend onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse uitgevoerd. Met uitzondering van de toplaag in de bestaande loods mag, gezien de aangetroffen gehaltes in de bodem en het grondwater, de veronderstelling van onverdacht terrein worden gehandhaafd. De toplaag van de loods valt met uitzondering van het overige onderzochte terrein in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Ter voorkoming van directe contactrisico's dient de huidige bodemlaag tot 50 cm onder de bestaande loods, bij de herinrichting van het terrein onder de nieuwe loods te worden hergebruikt.

 

De kwaliteit van de bodem en het grondwater is dusdanig dat milieuhygiënisch geen beletselen voor nieuwbouw/exploitatie op het plangebied aanwezig zijn. Voor aanvullende of gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de bijlage.

Het plan is uitvoerbaar aangaande bodemkwaliteit.

5.1.5 Bedrijven en Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in agrarisch gebied en is omringd door agrarische bedrijven. Om de vestiging van een hoveniersbedrijf mogelijk te maken moet aangetoond worden dat de nieuwe functie geen nadelig invloed ondervindt of veroorzaakt. Hiervoor is gekeken naar de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering. De dichtstbijzijnde woning is de bedrijfswoning van de Lakemondsestraat 5a op 20 meter. Een hoveniersbedrijf met een BVO van meer dan 500 m2 heeft als grootste afstand geluid (50 meter). Het bedrijf valt in deze categorie omdat veel opslag binnen plaatsvindt en daardoor veel m2 voor opslagdoeleinden wordt gebruikt. Binnen deze richtafstand bevinden zich woningen. Daarom is een specifiek geluidsonderzoek naar de te verwachten geluidsproductie opgesteld. Dit onderzoek is in paragraaf 5.1.1 verder uitgewerkt. Uit het onderzoek blijft dat voldaan wordt aan de desbetreffende normen.

Naast het geluidsaspect staat ook nog het aspect geur met als richtinggevende afstand 30 meter. Deze afstand is van toepassing indien opslag van vaste mest, gebruikt sub- straatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval plaatsvindt. Op de locatie vindt alleen opslag van kleine hoeveelheden potgrond (<10m3) plaats. Deze locatie bevindt zich op meer dan 30 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning. Eventuele geurhinder die kan optreden is door de afstand opgevangen.

Het plan is daarmee op het gebied van milieuzonering uitvoerbaar.

5.2 Watertoets

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.

Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één nieuwe integrale watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Planspecifiek

Onderhavig initiatief betreft de vestiging van een hoveniersbedrijf op de locatie. Hiertoe worden bestaande bedrijfsgebouwen (m.u.v. de bedrijfswoning) gesloopt en worden nieuwe bedrijfsgebouwen opgericht. Ook zal een deel van het perceel bestraat worden. Er is een berekening gemaakt van de benodigde bergingscapaciteit voor het hemelwater. Deze berekening is opgenomen in bijlage 2 bij de regels. Per saldo neemt het verhard oppervlak toe met ca. 2.898m². Volgens het beleid van Waterschap Rivierenland geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 1.500 m² voor landelijk gebied, waardoor er 1.398 m² overblijft waarvoor de compensatieplicht geldt. Dit leidt tot een benodigde compensatie van 61 m³. Hiertoe zal de bestaande B watergang in het zuidoosten van het plangebied worden verbreed. Op basis van de benodigde capaciteit is een oppervlakte van 203 m² nodig. In de watermemo is een tekening van de toekomstige waterberging opgenomen. Hemelwater zal afgekoppeld worden van het riool en via eigen terrein afgevoerd worden. Het plan heeft daarmee geen negatief effect op de waterhuishouding.

Verder ligt het plan gedeeltelijk binnen de beschermingszones van de dijk. Hiervoor is door het waterschap aangegeven dat vooraf overleg met het waterschap moet plaatsvinden ten aanzien van de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Dit wordt in het kader van het vooroverleg verder opgepakt.

De primaire waterkering kent ook een buitenbeschermingszone, waarop de keur van Waterschap Rivierenland van toepassing is. Het aangegeven plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. In deze buitenbeschermingszone zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning;

- afgravingen en seismische onderzoeken,

- werken met een overdruk van 10 bar

- explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen.

Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. In het voorliggende plan zijn geen diepe afgravingen voorzien of één van de andere aspecten.

5.3 Cultuurhistorie en archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente hanteert de archeologische beleidskaart 2009.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0011.png"  
Uitsnede Archeologische Beleidskaart met plangebied (plangebied nabij zwarte pijl)  

Planspecifiek

Archeologie

De archeologische beleidskaart is verwerkt in de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren'. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4’. De regels voor deze bestemming geven aan dat er sprake is van een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een verstoring dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Aangezien met het initiatief zowel de onderzoeksgrens voor de oppervlakte als de verstoringsdiepte worden overschreden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 4.

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er in het onderzochte gebied geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Nader onderzoek is voor dit gebied niet noodzakelijk. Het woonhuis met erf is geen onderdeel van het onderzochte gebied, omdat hier geen bodemingrepen zijn gepland. De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaafd voor dit deel van het plangebied. Voor aanvullende of gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de bijlage.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0012.png"

uitsnede topkaart 1925 (bron topotijdreis)

Cultuurhistorie

De locatie ligt op enige afstand van de Betuwelinie en naast een voormalige dijkdoorbraak (wiel). Het erf zelf is al op kaarten van 1850 zichtbaar en vormt een onderdeel van de bebouwing langs de Lakemondsestraat. Met het plan blijft deze historische structuur gehandhaafd en behouden.

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van archeologie en cultuurhistorie.

5.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

Planspecifiek

Aantallen

Voor het goed functioneren van een hoveniersbedrijf aan de Lakemondsestraat zal per week één vrachtwagen de locatie bezoeken in het kader van de nodige bevoorrading. Verder zijn er dagelijks een tiental medewerkers aanwezig die met de auto de locatie bereiken. Dit zorgt voor een tiental motorvoertuigbewegingen in de ochtend en een tiental in de namiddag. Verder zullen er ook motorvoertuigbewegingen plaatsvinden in het kader van de dagelijkse werkzaamheden. Naar schatting vertrekken er per dag 6 á 7 busjes voor werkzaamheden in de omgeving. Ook hier zal rekening gehouden moeten worden met tussen de 15 en 20 motorvoertuigbewegingen per dag. Wanneer ook rekening gehouden wordt met enkele bezoekers die de locatie aandoen zal het aantal motorvoertuigbewegingen naar verwachting niet meer bedragen dan 40 á 50 per dag. Bij deze berekening van het aantal motorvoertuigbewegingen is rekening gehouden met de maximale planologische invulling.

Ook in de huidige situatie (boomkwekerij) zijn verkeersbewegingen aanwezig. Deze komen te vervallen. Wanneer voor het bestaande boomteeltbedrijf uitgegaan wordt van een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf, dient per m2 bvo rekening gehouden te worden met tussen de 3,9 en 5,7 motorvoertuigbewegingen per dag voor het buitengebied. Het aantal vierkante meters bedraag in de huidige situatie 291m2 (237m2 + 54m2 ). Dit resulteert in een huidig aantal van circa 17 motorvoertuigbewegingen per dag. Het aantal motorvoertuigbewegingen zal dan ook tussen de 22 en 32 toenemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPlakemondstr5-vst1_0013.jpg"

In- en uitritten op het perceel (links) en de diversiteit aan uitvalswegen richting het omringende land (rechts)

De locatie en directe omgeving bieden voldoende mogelijkheden om de verkeersbewegingen te spreiden zodat het realiseren van een hoveniersbedrijf aan de Lakemondsestraat geen hinder ondervindt en veroorzaakt ten aanzien van het verkeer. Op het perceel zelf zijn twee in-/uitritten aanwezig. Eén aan de Lakemondsestraat en één richting de Rijnbandijk. Vanuit beide uitritten kan men twee kanten op zodat het in- en uitgaande verkeer over 4 wegen wordt verdeeld. Het hoveniersbedrijf richt zich op lokale en bovenlokale klanten, zowel in het rivierengebied als in in gemeenten ten noorden van de Rijn. De klantenkring is daarmee verspreid. Klanten ten noorden van de Rijn zullen voornamelijk via de Rijnbandijk rijden. Overige klanten zullen via de Lakemondsestraat en eventueel de A15 rijden. De klantenkring is bovendien aan verandering onderhevig. Om een passend beeld van de verdeling van verkeersbewegingen te geven, is er daarom voor gekozen om het verkeer gelijk over de 4 wegen te verdelen. Beide wegen kunnen een toename van 11 tot 16 motorvoertuigbewegingen per dag prima verwerken.


Parkeren

De locatie zelf biedt voldoende plaats om het parkeren ten aanzien van medewerkers en bezoekers te organiseren. In de plannen is rekening gehouden met een zestal bezoekersparkeerplaatsen en 10 parkeerplaatsen voor medewerkers. Deze parkeerplaatsen zijn op het landschappelijk inrichtingsplan (Bijlage 1 van de regels) aangegeven. Bij de bedrijfswoning zijn een tweetal parkeerplaatsen bij het huis aanwezig. In de nota Parkeernormen 2013 van de gemeente Neder-Betuwe zijn parkeernormen opgenomen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. Een hoveniersbedrijf valt te scharen onder een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf. Hiervoor geldt een norm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 BVO. Er wordt voorzien in een oppervlakte van 850 m2. Dat betekent dat minimaal voorzien moet worden in 11 parkeerplaatsen. In het plan worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. In de regels wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente Neder-Betuwe.

 

Gezien het aantal verwachte motorvoertuigbewegingen, de uitvalswegen die de omgeving biedt om het omringende land te bereiken en de voorziene parkeerplaatsen zijn er geen problemen te verwachten ten aanzien van het aspect verkeer.

5.5 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Vanwege de te slopen schuren is wel een Verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. Onderstaand worden de conclusies uit het onderzoek genoemd. Voor aanvullende of gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de bijlage.

In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Gedurende de ontwikkeling kan geschikt habitat ontstaan voor de rugstreeppad die overigens in zeer lage dichtheden voorkomt in de directe omgeving. Het braakliggende terrein, de plataan aan de voorzijde en overige beplanting zijn geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake.

Uitvoerbaarheid

De sloop van de garage en loods alsmede de realisatie van een bedrijfsruimte met kantoor leidt niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun algemene leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen

(vrijstellingsbesluit).

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

5.6 Leidingen

Binnen de grenzen van dit plan lopen geen kabels of (hoofd)transportleidingen, die planologisch bescherming behoeven.

5.7 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen en oorlogshandelingen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Voor de hele gemeente is een bureauonderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Ten behoeve van de ontwikkeling van dit plan is in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer vastgelegd dat de (plan)kosten voor diens rekening zijn. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn. Tevens is een planschadeovereenkomst getekend, die ervoor zorgt dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer is.

Hoofdstuk 7 Het juridisch plan

7.1 Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

7.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

7.3 Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

7.4 Toelichting afzonderlijke bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Bedrijf - buitengebied gebonden, met de functieaanduiding 'hovenier'. Hierin is ook een voorwaardelijke verplichting voor de inrichting en de parkeerplaatsen opgenomen.
  • Waarde - Archeologie, waarmee archeologische vondsten in de bodem worden beschermd.
  • a. Waterstaat - Waterkering, ten behoeve van het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering.

Voorts kent het plan een voorwaardelijk verplichting ten aanzien van de landschappelijke inpassing, een bouwvlak, een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' en twee gebiedsaanduidingen t.b.v. de dijkbescherming 'vrijwaringszone - dijk - 1' en 'vrijwaringszone - dijk - 2'.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 8 Overleg, inspraak en zienswijze

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.1 Overleg

Dit plan is voor vooroverleg toegezonden aan het Waterschap Rivierenland, dat heeft aangegeven akkoord te gaan met het plan.

8.2 Inspraak

Voor dit plan wordt afgezien van inspraak. Dit omdat het plan beperkt van omvang is en omdat de initiatiefnemer de omliggende buren heeft geïnformeerd.

8.3 Verslag zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 1 juni tot en met 12 juli 2017 ter inzage gelegen. In deze periode is geen zienswijze ingediend.