| Plan: | Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1740.bpOCwalenhwest-vst1 |
Op 25 april 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe bestemmingsplan ‘De Walenhoek’ vastgesteld. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan werd beoogd om op het voormalige veilingterrein in Ochten bedrijfsfuncties in bredere zin dan alleen gerelateerd aan veilingactiviteiten toe te staan. Het terrein werd op die manier bestemd als bedrijventerrein voor diverse typen (lokale) bedrijven. Hierdoor kon en kan de zich op het bedrijventerrein bevindende bebouwing worden aangewend voor activiteiten die passen binnen de bredere bedrijfsbestemming. De aanwezige bedrijven kregen ook uitbreidingsmogelijkheden. Op die manier kon lokale bedrijvigheid binnen de gemeente Neder-Betuwe worden gehouden.
Het voornemen bestaat om te komen tot een uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek. Hiermee wordt uitbreiding van bedrijven die zich reeds op het bedrijventerrein bevinden, namelijk Fruity Line (productie vruchtensappen en smoothies) en Ojah (productie vleesvervangers), mogelijk. Betreffende bedrijven hebben een bedrijfsplan opgesteld waarin wordt onderbouwd waarom zij een uitbreiding op de gronden ten westen van het huidige bedrijventerrein wenselijk en noodzakelijk achten. Hiermee is, conform de eis van de gemeente, geconcretiseerd ten behoeve van welke bedrijven de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt gerealiseerd.
Beoogd wordt om circa 28.000 m2 BVO aan nieuwe bedrijfsbebouwing te realiseren, ten behoeve van de twee genoemde bedrijven. Vanwege deze uitbreiding wordt tevens voorzien in nieuwe parkeerplaatsen ten behoeve van de nieuwe bedrijfsbebouwing. Het geheel zal worden ingepast in de omgeving. Ook zal er vanwege de toename in verhard oppervlak een waterberging worden gerealiseerd.
Het plangebied is gelegen ten westen van bedrijventerrein ‘De Walenhoek’ te Ochten. Ochten is een dorp binnen de gemeente Neder-Betuwe. Deze gemeente maakt onderdeel uit van de Regio Rivierenland. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1. Een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving is opgenomen in figuur 2.
|
| Figuur 1: Ligging plangebied (indicatief rood omlijnd; bron: PDOK/OpenTopo). |
|
| Figuur 2: Luchtfoto plangebied en omgeving (plangebied indicatief rood omlijnd; bron: PDOK). |
Het plangebied staat kadastraal bekend onder gemeente Ochten, sectie G, perceelnummers 11 (gedeeltelijk), 218, 229 (gedeeltelijk), 306 (gedeeltelijk), 366 (gedeeltelijk), 461 (gedeeltelijk) en 462 (gedeeltelijk) en gemeente Kesteren, sectie C, perceelnummers 246, 247, 683, 1023 (gedeeltelijk),1288 (gedeeltelijk) en 1290. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 14.825 m2.
Voor het plangebied vigeren op dit moment een aantal verschillende bestemmingsplannen. Aangezien voor het westelijke deel van het plangebied andere bestemmingsplannen vigeren dan voor het oostelijke deel, wordt per deelgebied aangegeven welke bestemmingsplannen er vigeren. Een overzicht van welke delen van het plangebied worden aangemerkt als westelijk deel en welke delen als oostelijk deel is weergegeven in navolgende figuur.
|
| Figuur 3: Weergave westelijk en oostelijk deel plangebied |
Westelijk deel plangebied
Ter plaatse van het westelijke deel van het plangebied vigeert op dit moment een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten:
Voor een deel van het westelijke deel van het plangebied vigeert verder nog bestemmingsplan ‘Witte Vlekken’, vastgesteld door de gemeenteraad van de Gemeente Neder-Betuwe op 12 september 2013. Dit betreft een strook ter plaatse van de bestaande watergang aan de zuidkant van het plangebied en op de grens tussen het oostelijk en westelijk deelgebied.
Op grond van bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' geldt voor het bijna gehele westelijk deel van plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden – 1'. Voor gronden met deze bestemming is de volgende doeleindenomschrijving opgenomen:
5.1.1 Algemeen
De voor Agrarisch met waarden - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met dien verstande dat de gronden tevens bestemd zijn voor:
Gelet op de doeleindenomschrijving voor de bestemming 'Agrarisch met waarden – 1' is het niet toegestaan om binnen het plangebied bedrijfsbebouwing op te richten. De voorgenomen uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek past daarom niet (geheel) binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld'. Het betreft een afwijking van zowel de bouw- als de gebruiksregels van deze bestemming.
Voor een deel van het plangebied geldt op dit moment de bestemming 'Water'. De doeleindenomschrijving voor gronden met deze bestemming als opgenomen in bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' is als volgt:
27.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Ook voor het plandeel dat binnen het bestemmingsplan 'Witte Vlekken' valt geldt de bestemming 'Water'. Binnen de bestemming 'Water' van beide vigerende bestemmingsplannen worden bedrijfskavels met bedrijfsbebouwing beoogd, wat in strijd is met de bouw- en gebruiksregels van deze bestemmingen. Ook wordt het terrein gedeeltelijk ingericht in strijd met deze bestemmingen vanwege de realisatie van infrastructuur, zoals wegen en parkeervoorzieningen.
Op grond van bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' geldt voor het noordelijke deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'. Voor het zuidelijke deel van het plangebied is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Met de vaststelling van de recentere 'Parapluregeling Archeologie' is hierin verandering gekomen. Op grond hiervan is het gehele plangebied namelijk bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Voor het overgrote deel van het plangebied, met uitzondering van het noordoostelijke deel, gaat het hierbij om de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Het noordoostelijke deel van het plangebied is bestemd met de bestemming 'Waarde – Archeologie 1'. Verder geldt op grond van de 'Parapluregeling Archeologie' voor bijna het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone – aangetast'. Op de betekenis van deze archeologische dubbelbestemmingen en de genoemde gebiedsaanduiding zal nader worden ingegaan in hoofdstuk 4.
Oostelijk deel plangebied
Ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied vigeert op dit moment een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten:
Voor een beperkt deel van het oostelijke gedeelte van het plangebied geldt tevens het bestemmingsplan 'Plattelandswoningen', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe op 31 oktober 2013.
De gronden in het oostelijke deel van het plangebied zijn op basis van bestemmingsplan 'De Walenhoek' bestemd met verschillende bestemmingen. Voor een gedeelte van de gronden binnen dit deel van het plangebied geldt op basis van dit bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijventerrein'. De doeleindenomschrijving hiervoor is als volgt:
3.1.1 Algemeen
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
één en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en overeenkomstig de
in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.
De gronden binnen deze bestemming zijn ook voorzien van een bouwvlak. Op de gronden binnen deze bestemming is het plan niet strijdig met de gebruiksregels. Daarnaast is het toegestaan op bedrijfsgebouwen op te richten. Wel wordt de maximale goothoogte (10,5 meter) losgelaten. De maximale bouwhoogte (15 meter) wordt gehandhaafd in het plan. Enkel met betrekking tot de maximale goothoogte is het plan in strijd met de bestemming 'Bedrijventerrein'.
Een andere bestemming die voorkomt binnen het oostelijke deel van het plangebied is 'Groen – Afgeschermd groen'. De doeleindenomschrijving voor gronden met deze bestemming luidt als volgt:
De voor 'Groen - Afschermend groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere
detaillering van de doeleinden.
Verder zijn kleinere delen van het oostelijke gedeelte van het plangebied bestemd met de bestemming 'Verkeer – Verblijfsgebied', 'Groen' of 'Water'. Voor de doeleindenomschrijvingen voor deze bestemmingen wordt verwezen naar respectievelijk artikel 6.1, artikel 4.1 en artikel 7.1 van bestemmingsplan 'De Walenhoek'.
Door de uitbreiding van het bedrijventerrein worden de watergang en de groene zone deels verplaatst en binnen de genoemde bestemmingen worden onder meer bedrijfskavels, bedrijfsgebouwen, verkeers- en parkeervoorzieningen beoogd. De toekomstige inrichting van het oostelijk plandeel is daarom gedeeltelijk in strijd met de bouw- en gebruiksregels van de genoemde bestemmingen.
Op grond van bestemmingsplan 'De Walenhoek' is een deel van het oostelijke gedeelte van het plangebied bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Met de vaststelling van de recentere 'Parapluregeling Archeologie' is hierin verandering gekomen. Op grond van dit bestemmingsplan is namelijk nog slechts een beperkt deel van het oostelijke gedeelte van het plangebied bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Het betreft hierbij de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1'. Op de betekenis van deze archeologische dubbelbestemming zal nader worden ingegaan in hoofdstuk 4.
Conclusie
Zowel in het westelijk als in het oostelijk deel van het plangebied is er sprake van strijdigheden met de bouw- en gebruiksregels van de verschillende opgenomen bestemmingen. Deze zijn in het westelijk deel wel groter, omdat voor een groot deel van het oostelijk deel al de bestemming 'Bedrijventerrein' van toepassing is, terwijl dit in het westelijk deel niet het geval is. Vanwege de geconstateerde strijdigheden wordt het bestemmingsplan herzien.
Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse omgevingsaspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op procedure.De onderzoeksrapporten van de uitgevoerde onderzoeken zijn als aparte bijlagen toegevoegd.
Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan bevindt zich ten westen van bedrijventerrein De Walenhoek te Ochten. De gronden binnen het plangebied worden, voor zover niet gelegen binnen de grenzen van bestemmingsplan 'De Walenhoek', op dit moment gebruikt voor grondgebonden agrarische productie. Concreet gezien gaat het hierbij om een boomgaard. Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing. Een impressie van het huidige gebruik van de gronden binnen het plangebied is weergegeven in onderstaande figuur.
|
| Figuur 4: Impressie huidige situatie plangebied (bron: Google Street View). |
Direct ten noorden van het plangebied bevinden zich een sloot en de Walenhoekseweg. Noordelijk hiervan bevinden zich de Rijksweg A15 en de Betuweroute (spoorlijn). Direct ten zuiden van het plangebied stroomt de Linge. Het grondgebruik van de percelen in de omgeving van het plangebied is met name agrarisch van aard. Er is op dit moment slechts in beperkte mate sprake van beperkte doorzichten in het landschap, onder andere vanwege de aanwezigheid van de haag rondom het plangebied en de aanwezigheid van een boomgaard binnen het plangebied, de grondwallen rondom de plas Walenhoek en de geluidswallen rondom die zich naast de Betuweroute bevinden. Een en ander is zichtbaar in onderstaande figuur 5.
|
| Figuur 5: Plangebied (links), bezien vanuit de Rijksweg A15 (bron: Google Street View). |
Aangezien onderhavig bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek, is ook de huidige situatie op het bestaande bedrijventerrein relevant. Zoals reeds aangegeven bevindt het huidige bedrijventerrein De Walenhoek zich ten oosten van het plangebied. Dit bedrijventerrein is volledig bebouwd, waarbij dient te worden opgemerkt dat op één plek op dit moment nog bebouwing in aanbouw is ten behoeve van het bedrijf Fruity Line. Er is daarom op het bestaande bedrijventerrein De Walenhoek geen ruimte voor de bedrijfsuitbreidingen waarin onderhavig bestemmingsplan voorziet.
Het huidige en uit te breiden bedrijventerrein De Walenhoek wordt ontsloten via de Cuneraweg. In zuidelijke richting loopt deze weg langs het dorp Ochten af. Vanuit het bedrijventerrein sluit de Cuneraweg in oostelijke richting daarnaast aan op de A15. Deze rijksweg loopt vanuit de Maasvlakte tot in Bemmel.
|
| Figuur 6: Huidige ontsluiting van bedrijventerrein De Walenhoek op de Cuneraweg (bron: Google Street View). |
Het voornemen bestaat om het huidige bedrijventerrein De Walenhoek ter plaatse van het plangebied uit te breiden. Beoogd wordt om circa 28.189 m2 BVO aan nieuwe bedrijfsbebouwing te realiseren, verdeeld over 3 gebouwen met oppervlakten van circa 11.874 m2 BVO, 9.721 m2 BVO en 6.594 m2 BVO. Deze nieuwe bedrijfsbebouwing zal, conform hetgeen is opgenomen in het advies van de gemeentelijke regiekamer, worden gerealiseerd ten behoeve van bedrijven die zich reeds op bedrijventerrein De Walenhoek bevinden. Het gaat hierbij concreet gezien om de bedrijven Fruity Line en Ojah.
Ten behoeve van een kwalitatieve stedenbouwkundige opzet is het stedenbouwkundig plan opgesteld aan de hand van een onderliggende stedenbouwkundige visie. In deze visie zijn meerdere uitgangspunten opgenomen welke de basis vormen voor onder andere een kwalitatieve overgang naar de omgeving, logische ontsluitingsstructuur, voldoende waterberging en gewenste beeldkwaliteit. In de navolgende figuur is een stedenbouwkundige visiekaart voor bedrijventerrein De Walenhoek opgenomen.
|
| Figuur 7: Stedenbouwkundige visiekaart (bron: BRO). |
De visie bestaat uit de volgende uitgangspunten:
Het bedrijventerrein beschikt over een representatieve zone langs de A15, dit houdt in dat aan deze zijde van het bedrijventerrein de gevels en inrichting van de openbare ruimte met extra aandacht zijn ingericht. Dit wordt onder andere gedaan door de gebouwen op een groen voetstuk te plaatsen en dit te combineren met oppervlaktewater. Deze waterplassen fungeren tevens voor benodigde waterberging. In deze zone wordt op één van de gebouwen een accent geplaatst, welke over het water hangt. Deze eyecatcher markeert één van de hoeken van het bedrijventerrein. Het accent krijgt een uitnodigende en transparante uitstraling. De zuid- en oostzijde van het terrein wordt omzoomd door een groen talud met opgaande begroeiing, zodoende worden de bedrijfspanden op kwalitatieve wijze ingepast. Hiermee wordt het zicht op de panden vanuit de omgeving onttrokken. De bestaande watergang aan de oostzijde wordt verbreed tot een A-watergang in combinatie met een B-watergang. Langs alle watergangen wordt een onderhoudspad voorzien. De panden worden ontsloten via een interne ontsluitingsweg welke is geënt op de Cuneraweg. Dit is een private weg. Tussen de twee noordelijke nieuwe panden wordt een calamiteitenroute voorzien, welke aantakt op de Walenhoekseweg. Deze wordt benut voor één van de parkeerkoffers tussen de gebouwen, maar mag niet worden benut als reguliere ontsluitingsweg, wat geborgd is in het bestemmingsplan. De parkeerkoffers bieden tevens ruimte voor hulpdiensten in geval van nood. Rondom ieder pand is voldoende ruimte en infrastructuur voorzien, zodat hulpdiensten elke zijde van een pand kunnen bereiken.
|
| Figuur 8: Stedenbouwkundig plan (bron: BRO). |
Vanwege de uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing dienen er extra parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het betreft hierbij 189 parkeerplaatsen. Al deze parkeerplaatsen zullen op het maaiveld worden aangelegd. Hiermee wordt voorzien in de verwachte parkeerbehoefte voor de bedrijfsuitbreidingen van Fruity Line en Ojah.
Ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via een aansluiting op de bestaande (privé)weg op bedrijventerrein De Walenhoek. Deze (privé)weg is aangesloten op de Cuneraweg. Via de Cuneraweg kunnen zowel de Rijksweg A15 als de kern Ochten bereikt worden.
In 2016 is er op het bestaande bedrijventerrein, in overleg met de welstandscommissie, gekozen om toe te werken naar een eenduidige kleurstelling. Deze kleurstelling is tevens de basis geworden voor de nieuwbouw. Het gaat hierbij om de gekozen en afgestemde kleur Ral 9007. De gewenste nieuwbouw op het uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek moet onderdak gaan bieden aan veel geconditioneerde ruimten. Bij dit soort koel- en vrieshuizen is het energetisch gewenst om de buitenschil zo licht mogelijk te maken. Echter witte gebouwen zijn op deze locatie niet wenselijk. De gekozen kleur biedt een goede balans tussen licht en donker.
Landschappelijke inpassing
De landschappelijke inpassing van de locatie aan de zuid- en westzijde is er vooral op gericht om het terrein aan het zicht te onttrekken vanuit de omgeving en aan te sluiten op het landschap van de Linge. Het reeds bestaande beplante talud (oostzijde) wordt aangevuld/opnieuw ingeplant. Ter plaatse van de uitbreiding wordt zowel aan de zuid- als de oostzijde vanuit het landschap een nieuw grondlichaam gerealiseerd bestaande uit een flauw talud 1:4 of flauwer vanuit het landschap opgezet en aan de bedrijvenkant beëindigt met grondkering. Op deze wijze wordt een hoogte bereikt van 5.00m1 boven het maaiveld aan de bedrijvenkant. Het grondlichaam wordt beplant met een streekeigen beplanting bestaande uit opgaande bomen van de 1e grootte, in combinatie met een onderbeplanting met gemengde inheems heesterassortiment aansluitend op een in te zaaien kruidachtig grasland en oevervegetatie. De beplanting bestaat uit een streekeigen assortiment.
| Bomen | ||
| Populus canescens | Grauwe abeel | |
| Quercus cerris | Mos eik | |
| Tilia x europaea | Hollandse Linde | |
| Ulmus laevis | Fladderiep | |
| Populus tremula Ratel | Populier | |
| Heesters (bosplantsoen) | ||
| Acer campestre | Spaanse aak | |
| Cornus sanguinea | Kornoelje | |
| Corylus avellana | Hazelaar | |
| Ligustrum vulgare | Liguster | |
| Prunus spinosa | Sleedoorn | |
| Viburnum opulus | Gelderse roos |
Aansluitend op de Linge wordt een vissteiger aangebracht in overleg met het Waterschap Rivierenland en wordt extra ruimte gecreëerd voor de Linge. Langs de nieuw te graven watergang (de noord-zuidgrens) van het perceel is ruimte voor een natuurvriendelijke oever. Aan de noordzijde van de locatie aansluitend op A15 is het ontwerp gericht op de presentatie van het bedrijventerrein. De architectonische uitwerking wordt versterkt door het realiseren van een waterpartij. Samen met de nieuw te graven watergang wordt hiermee ook in de gevraagde watercompensatie voorzien. De aan te brengen beplanting bestaat uit de combinatie van enkele solitairbomen bijvoorbeeld Quercus palustris (Moeraseik), Tilia x europaea (Hollandse Linde) en Prunus avium (Boskriek) in combinatie met natuurvriendelijke oevers.
|
|
|
|
| Figuur 9: Landschappelijke inpassing (bron: JCVANKESSEL). |
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen:
Doorwerking plangebied
Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau. Er bestaat hiermee geen strijdigheid met hetgeen is neergelegd in de NOVI.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1.1.1 Bro “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijnECLI:NL:RVS:2016:1503.
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Doorwerking plangebied
De beoogde uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek dient, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), te worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden heeft BRO een laddertoets (Ladder voor duurzame verstedelijking) uitgevoerd. De onderzoeksopzet van en de belangrijkste overwegingen en conclusies uit deze laddertoets zijn beschreven in de onderstaande alinea's. Voor de volledige laddertoets (inclusief bronverwijzingen) wordt verwezen naar de bijlagen.
Onderzocht is of en op welke manier de uitbreiding van bedrijventerrein de Walenhoek in de gemeente Neder-Betuwe met maximaal 3,3 hectare netto bedrijventerrein te verantwoorden is vanuit de methodiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De hoofdvraag van de laddertoets luidt:
Voldoet het initiatief van de planologische toevoeging van maximaal 3,3 hectare netto bedrijventerrein
op bedrijventerrein de Walenhoek in Ochten (gemeente Neder-Betuwe) aan een (kwantitatieve en
kwalitatieve) behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied en is er sprake van duurzaam
ruimtegebruik?
Het antwoord op de hoofdvraag uit dit onderzoek is verkregen door middel van ruimtelijk-functioneel onderzoek, waarbij zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling wordt onderzocht binnen het verzorgingsgebied. Ook is gekeken naar de locatieafweging binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. Verder zijn door middel van het onderzoek de te verwachten effecten van de beoogde ontwikkeling in beeld gebracht. Met de resultaten van het onderzoek is de Ladder voor duurzame verstedelijking ('Ladder') doorlopen.
Passend binnen behoefte van het ruimtelijke verzorgingsgebied
In de laddertoets is de behoefte aan de uitbreiding van bedrijventerrein de Walenhoek bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied. Om het verzorgingsgebied te bepalen zijn de aard en omvang van de ontwikkeling leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. In de laddertoets bestaat het ruimtelijk verzorgingsgebied uit de gemeente Neder-Betuwe. Dit is bepaald aan de hand van de volgende argumenten:
Het programma wordt passend geacht binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied.
Kwantitatieve behoefte
Er is in theorie sprake van een kwantitatieve vraag aan bedrijventerrein in het ruimtelijk verzorgingsgebied. De verwachte ruimtevraag (in ha) is in 2030 naar verwachting groter dan het huidige harde planaanbod (in ha). Hierbij is het volgende van belang:
Kwalitatieve behoefte
Aanvaardbare ruimtelijk-functionele effecten bedrijventerrein
De conclusie is dat de effecten van het plan ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Hierbij is het volgende van belang:
Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied
De ontwikkeling van de uitbreiding van bedrijventerrein de Walenhoek ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom moet worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De bedrijfsruimtemarkt is krap in het ruimtelijk verzorgingsgebied, alsook in de regio Rivierenland. Er is weinig geschikte plancapaciteit en de leegstand van bedrijfsgebouwen en uitgegeven kavels is ook zeer beperkt. Deze locaties zijn hoofdzakelijk binnen bestaand stedelijk gebied. De omvang van het harde planaanbod is onvoldoende om in de vraag te kunnen voorzien. Daarnaast gaat het expliciet om de uitbreiding van twee reeds gevestigde bedrijven, waardoor het ruimtebeslag aan nieuw bedrijventerreinen lager is dan bij volledige verplaatsing en nieuwbouw van de bedrijven. Mede hierdoor is het redelijkerwijs geen logisch alternatief om de complete bedrijfsvoering te verplaatsen naar een locatie elders binnen bestaand stedelijk gebied. Gelet op de kwantitatieve behoefte kan worden gesteld dat het niet mogelijk is om circa 3,3 hectare netto bedrijfsruimte binnen bestaand stedelijk gebied te ontwikkelen.
Gelet op het hiervoor beschrevene is de Ladder voor duurzame verstedelijking succesvol doorlopen.
Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van de provincie Gelderland de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld ('Omgevingsvisie'). Deze Omgevingsvisie is op 1 maart 2019 in werking getreden. Met het oog op de toekomst worden een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig is daarbij als volgt geformuleerd:
“Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem,
voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op
klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben
voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid”.
Ook de termen schoon en welvarend zijn gedefinieerd, namelijk op de volgende manier:
“Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed
bereikbaar en meteen goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar
dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het
investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie”.
In de omgevingsvisie Gaaf Gelderland is vastgelegd dat de provincie Gelderland bij haar taakinvulling de focus legt op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie als werkende bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Bij een krachtige economie gaat het erom dat de Gelderse economie in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving.
Concrete ambities worden benoemd met betrekking tot zeven verschillende thema's:
Binnen het thema vestigingsklimaat heeft de provincie Gelderland de voorkeur uitgesproken voor het concentreren en combineren van activiteiten in plaats van voor versnippering door de hele provincie. Op die manier wordt niet alleen de (economische) dynamiek binnen de provincie bevorderd maar wordt Gelderland ook open, groen en gezond gehouden. Sterke troeven, namelijk Health, Energy, Tech, Food, Logistiek en een sterk midden- en kleinbedrijf, krijgen volop de ruimte, maar dat gebeurt wel onder de voorwaarde dat ook bijgedragen wordt aan het duurzaamheidsvraagstuk.
Doorwerking plangebied
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels waaraan het initiatief wordt getoetst. Wel kan worden gesteld dat het initiatief in lijn met de doelstellingen van de Omgevingsvisie is. Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek. Hierdoor kunnen twee bedrijven die reeds gevestigd zijn op bedrijventerrein De Walenhoek uitbreiden. Het betreft hier bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie. Geconcludeerd kan worden dat hiermee de zogenoemde sterke troeven van Gelderland worden versterkt.
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2023. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Doorwerking plangebied
Het plangebied wordt op basis van Omgevingsverordening Gelderland niet aangemerkt als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Wel is het plangebied aangemerkt als 'Intrekgebied'. In artikel 1.1 van deze omgevingsverordening wordt het begrip 'Intrekgebied' gedefinieerd als “beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn”. Ingevolge artikel 2.38 van de omgevingsverordening maakt een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied de winning van fossiele energie niet mogelijk. In onderhavig geval wordt niet voorzien in de winning van fossiele energie binnen het plangebied. Ten aanzien hiervan bestaat dan ook geen strijdigheid met de regels als opgenomen in de omgevingsverordening.
Voor het plangebied geldt op basis van de omgevingsverordening de regels met betrekking tot klimaatadapatatie (artikel 2.65b). De uitbreiding gaat gepaard met een landschappelijke inpassing door middel van het toevoegen van bomen en plantenstructuren en de herinrichting van de watergangenstelsel. Deze voorzieningen dragen bij aan klimaatadaptatie.
Ook op andere vlakken is geen sprake van strijdigheid met hetgeen is neergelegd in de omgevingsverordening Gelderland. Dit is bevestigd door de Provincie, de brief is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
De regiogemeenten hebben het Regionaal Programma Werklocaties Rivierenland 2020-2024 (RPW) vastgesteld. De regio maakt daarnaast een aantal nieuwe afspraken die aansluiten bij de huidige economische ontwikkelingen die houdbaar zijn voor de toekomst. De regiogemeenten willen aansluiten bij de economische dynamiek en specifieke context van Regio Rivierenland. In 2022 wordt een nieuwe (tussentijdse) behoefte prognose uitgevoerd. Er zijn afspraken gemaakt over bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel (PDV). Doel van deze afspraken is om het huidige overaanbod aan werklocaties in de regio terug te dringen om zo weer balans te brengen in vraag en aanbod. Dit is een voorwaarde voor nieuwe uitgifte op meer geschikte locaties.
De regio Rivierenland heeft zich ontwikkeld tot logistieke hotspot, vooral voor nationaal/op de Benelux georiënteerde distributieactiviteiten. Hiermee profiteert de regio van een centrale ligging, goede bereikbaarheid en moderne bedrijfslocaties (met name in Culemborg, Geldermalsen, Tiel en Zaltbommel).
Bedrijven worden passend binnen de ruimtelijke structuur van de bedrijventerreinen in de regio gevestigd. Zo hoort grootschalige logistiek op een regionaal terrein dat hier qua ruimtelijke structuur, ontsluiting en korrelgrootte daadwerkelijk voor is geschikt. Dit betekent ook dat een grootschalig bedrijf niet in een dorpskern wordt gevestigd maar op een passende locatie op bijvoorbeeld een regionaal bedrijventerrein. Lokale bedrijventerreinen bieden ruimte aan (lokale) relatief kleinschalige bedrijven, passend binnen de lokale ruimtelijke structuur. Hierbij is maatwerk en meer flexibiliteit, (vooruitlopend op de omgevingswet) het regionale uitgangspunt.
Doorwerking plangebied
In het kader van de laddertoets (Ladder voor duurzame verstedelijking) is onderzocht in hoeverre voorzien wordt in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied en of sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Hierbij is ook getoetst aan het RPW. Voor deze toetsing wordt verwezen naar de ladderonderbouwing die is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe de Omgevingsvisie ('Omgevingsvisie') Neder-Betuwe vastgesteld. Met de vaststelling is de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 ingetrokken. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft dit document de status van gemeentelijke structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro. Qua format is gekozen voor een website in plaats van voor een regulier document.
In de Omgevingsvisie is opgenomen wat de gemeente belangrijk vindt voor de omgeving waarin gewoond, gewerkt en geleefd wordt. De Omgevingsvisie bestaat uit 10 speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. Met de 10 speerpunten wil de gemeente laten zien waar ze zich de komende jaren op wil richten. Het gaat hierbij om de volgende speerpunten:
Bij het werken aan de toekomst van Neder-Betuwe worden een aantal uitgangspunten gehanteerd. Zodoende wordt bijgedragen aan de identiteit van de gemeente. Het betreft de volgende uitgangspunten:
Ten aanzien van de ontwikkeling en vestiging van bedrijven is het volgende opgenomen:
Doorwerking plangebied
Op de waardenkaart die onderdeel is van de Omgevingsvisie is het plangebied aangemerkt als 'landelijk en groen'. De bijbehorende waarden zijn als volgt:
Op de richtinggevende kaart die onderdeel is van de Omgevingsvisie is het plangebied aangemerkt als 'buitengebied' met een aanduiding bedrijventerrein. Uit de Omgevingsvisie volgt dat de gemeente ruimte wil geven aan lokale bedrijvigheid en dat bedrijventerreinen worden geconcentreerd langs de Rijksweg A15. Aangezien uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek plaatsvindt ten behoeve van lokale bedrijvigheid die reeds gevestigd is op het bestaande bedrijventerrein De Walenhoek en deze uitbreiding direct ten zuiden van de Rijksweg A15 wordt gerealiseerd, worden in de Omgevingsvisie voor dit concrete geval openingen geboden om te komen tot uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek. Middels het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan en een stedenbouwkundig plan wordt een goede inpassing in de omgeving gewaarborgd. Derhalve vormt hetgeen opgenomen is in de Omgevingsvisie geen belemmering voor de uitbreiding van bedrijventerrein De Walenhoek.
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. De gemeenteraad heeft op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vastgesteld. Deze geeft de gemeentelijke verkeersvisie tot 2025. Het bestemmingsplan 'Parapluregeling Parkeren' (26-04-2018) en de beleidsregels Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017 (11-05-2017) zijn van toepassing.
Verkeer
De onderbouwing van het aspect verkeersgeneratie is opgenomen in de notitie 'Verkeersonderbouwing bestemmingsplan uitbreiding Walenhoek'. Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar de bijlagen. In de navolgende alinea's worden de belangrijkste elementen uit deze onderbouwing uitgelicht.
De ontwikkeling zorgt voor ongeveer 500 extra voertuigbewegingen per werkdag (zie tabel). Ongeveer 95 van deze voertuigbewegingen betreft vrachtverkeer.
Volgens de beleidsregels Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017 (11-05-2017) vereist het bepalen van de verkeersgeneratie voor een groot bedrijventerrein (groter dan 5.000 m2 bruto vloeroppervlak - BVO) maatwerk. De verkeersgeneratie is daarom bepaald aan de hand van de huidige verkeersgeneratie van het bedrijventerrein. Dit is mogelijk, omdat het een uitbreiding van bestaande bedrijven betreft. Hiermee ontstaat een realistisch beeld van de toekomstige situatie.
De verkeersgeneratie van de uitbreiding van het terrein is bepaald op basis van de toename van het bouwvolume. In totaal neemt het bouwvolume van het bedrijventerrein toe met ongeveer 69%. De verkeersgeneratie neemt vergelijkbaar toe.
Tabel 1: toekomstige verkeersgeneratie (werkdag)
Het bedrijventerrein sluit aan op het wegennet via de rotonde Cuneraweg-Walenhoekseweg. Daarnaast staat er op ongeveer 200 meter een verkeersregelinstallatie op het kruispunt Cuneraweg-N233. Beide kunnen het extra verkeer als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein aan. Daarbij is rekening gehouden met het extra verkeer vanuit de gebiedsontwikkeling 'Poort van Ochten'.
De rotonde Cuneraweg heeft ruim voldoende restcapaciteit om het extra verkeer te verwerken. Dit blijkt uit een doorrekening met de meerstrooksrotondeverkenner. Daarnaast is de verwachting dat de uitbreiding van het bedrijventerrein geen negatief effect heeft op de doorstroming van de Cuneraweg richting de verkeersregelinstallatie. De bepalende wachtrij (linksaf) wordt niet langer dan de beschikbare linksaf-strook. Daardoor zal deze wachtrij de doorstroming op de rechtdoor gaande richting niet hinderen.
Laden en lossen vindt plaats op het bedrijventerrein. Voor het vrachtauto's worden geen specifieke parkeerplaatsen aangebracht. Zij parkeren op het terrein bij de laad- en losdokken. Bij binnenkomst is ruimte voor vrachtauto's om kort stil te staan, zodat zij zich kunnen melden.
Parkeren
De onderbouwing van het aspect parkeren is opgenomen in de notitie 'Verkeersonderbouwing bestemmingsplan uitbreiding Walenhoek'. Daarin wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017'. Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar de bijlagen. In de navolgende alinea's worden de belangrijkste elementen uit deze onderbouwing uitgelicht.
Volgens de beleidsregels Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017 (11-05-2017) vereist het bepalen van de parkeervraag voor een groot bedrijventerrein (groter dan 5.000 m2 bruto vloeroppervlak - BVO) maatwerk. De parkeervraag is daarom bepaald aan de hand van de huidige parkeervraag van het bedrijventerrein. Dit is mogelijk, omdat het een uitbreiding van bestaande bedrijven betreft. Hiermee ontstaat een realistisch beeld van de toekomstige situatie.
De parkeervraag en -aanbod blijft door de uitbreiding van het bedrijventerrein Walenhoek ruim in balans. De parkeervraag stijgt met de uitbreiding voor het gehele terrein tot 393 parkeerplaatsen, terwijl het aanbod stijgt tot 622 parkeerplaatsen. Het overschot binnen het vigerende bestemmingsplan van 164 parkeerplaatsen neemt met de realisatie van het nieuwe bestemmingsplan toe tot 229 parkeerplaatsen. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Voor het vrachtauto's worden geen specifieke parkeerplaatsen aangebracht. Zij parkeren op het terrein bij de laad- en losdokken.
Tabel 2: Parkeerbalans
Het voorzien in de parkeerbehoefte is geborgd in voorliggend bestemmingsplan.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Ingenieursbureau Land heeft een verkennend bodemonderzoek, een waterbodemonderzoek en een verhardingsonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (onderzoeksrapport d.d. 11 maart 2022). Allereerst is hiertoe een vooronderzoek uitgevoerd. De belangrijkste elementen uit betreffende onderzoeken worden beschreven in onderstaande alinea's.
Vooronderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5725:2017 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend- en nader onderzoek) en de NEN 5717:2017 (Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Het vooronderzoek omvat de terreindelen binnen de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende percelen binnen een afstand van 25 meter. Voor het grondwater is een afstand van 100 meter aangehouden stroomopwaarts van de onderzoekslocatie. In relatie tot de voorziene werkzaamheden zal het vooronderzoek gericht zijn tot op een diepte van 1,0 m-mv.
Uit de beschikbare voorinformatie blijkt dat onderzoekslocatie onverdacht is op aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wel worden enkele licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater verwacht. Omdat de locatie als boomgaard in gebruik is geweest zal het analysepakket van de grond uitgebreid worden met OCB's.
Omdat uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen asbest verdachte activiteiten hebben plaats gevonden, het onderzoek niet uitgebreid zal worden met de parameter asbest. Indien tijdens de veldwerkzaamheden ongedefinieerd puin wordt aangetroffen, wordt eventueel na overleg met de opdrachtgever het onderzoek alsnog uitgebreid met de parameter asbest.
De milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is onbekend. De locatie wordt volgens een normale onderzoeksinspanning onderzocht.
Verhardingsonderzoek
Omdat er bodemvreemde materialen zijn aangetroffen, zijn deze apart onderzocht. Het materiaal is chemisch uitsluitend geanalyseerd op de aanwezigheid van PAK, vanwege de grote hoeveelheid asfalt in het aangetroffen materiaal. Aanvullend is een onderzoek conform NEN 5897+C2:2017 naar asbest uitgevoerd.
De conclusies die kunnen worden getrokken naar aanleiding van het uitgevoerde verhardingsonderzoek zijn als volgt:
Verkennend bodemonderzoek
Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie voor het verkennend bodemonderzoek is de NEN 5740/A1 als richtlijn gehanteerd. De onderzoekstrategie is gebaseerd op de doelstellingen van het onderzoek en de resultaten van het vooronderzoek. Hierbij is de onderzoeksstrategie onverdacht (ONV-GR-NL) gehanteerd.
De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 47.500 m2. In totaal zijn er 21 boringen tot 0,5 m-mv en 4 boringen tot 2,0 m-mv geplaatst. Tevens is gebruikgemaakt van 6 peilbuizen. De conclusies die kunnen worden getrokken naar aanleiding van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek zijn als volgt:
Waterbodemonderzoek
Overeenkomstig de NEN 5720:2017 en op basis van het vooronderzoek is voor het te onderzoeken gebied de strategie opgesteld. De te volgen strategie is: “lintvormig water, normale onderzoeksinspanning (LN)”, Voor de lintvormige watergangen zoals sloten, beken en kanalen, worden voor monstervakken tot een lengte van 500 m 10 boringen gezet. Van de afzonderlijke monsters wordt per 1,0 m dikte in het laboratorium een mengmonster van de sliblaag samengesteld.
De conclusies die kunnen worden getrokken naar aanleiding van het uitgevoerde waterbodemonderzoek zijn als volgt:
Algemene aanbevelingen
Naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot het aspect bodem kunnen de volgende algemene aanbevelingen worden gegeven:
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem.
Wegverkeer
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.
Tabel 3: Breedte geluidszones langs wegen
| Aantal rijstroken | Zone breedte | |
| Stedelijk gebied | 1 of 2 | 200 meter |
| 3 of meer | 350 meter | |
| Buiten stedelijk gebied | 1 of 2 | 250 meter |
| 3 of 4 | 400 meter | |
| 5 of meer | 600 meter |
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Tabel 4: Maximale ontheffingswaarden
| Situatie | Maximale ontheffingswaarde | Artikel |
| Stedelijk gebied | ||
| Nieuwe woningen | 63 dB | Artikel 83, lid 2 Wgh |
| Vervangende nieuwbouw | 68 dB | Artikel 83, lid 5 Wgh |
| Buiten stedelijk gebied | ||
| Nieuwe woningen | 53 dB | Artikel 83, lid 1 Wgh |
| Agrarische bedrijfsbebouwing | 58 dB | Artikel 83, lid 4 Wgh |
| Vervangende nieuwbouw | 58 dB | Artikel 83, lid 7 Wgh |
| Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van een autoweg of autosnelweg | 63 dB | Artikel 83, lid 6 Wgh |
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
De te realiseren bedrijfsgebouwen kunnen niet worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten in de zin van artikel 1 Wgh. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers-, railverkeers- of industrielawaai vanuit de omgeving op de beoogde bebouwing is derhalve niet noodzakelijk.
Bedrijven kunnen worden aangemerkt als milieubelastende functies. Het is daarom noodzakelijk om te onderzoeken in hoeverre sprake is van milieuhinder met betrekking tot industrielawaai op omliggende geluidsgevoelige objecten. Hieraan zal aandacht worden besteed in paragraaf 4.4 ('Bedrijven en milieuzonering').
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid.
Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Richtafstanden
Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
Effecten plangebied op omgeving
Binnen het plangebied worden bedrijven mogelijk gemaakt van ten hoogste milieucategorie 3.2. In een rustig woongebied of rustig buitengebied dient hiervoor een richtafstand van 100 meter ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies te worden aangehouden. Gelet op de aanwezigheid van het bestaande deel van bedrijventerrein De Walenhoek en de Rijksweg A15 is echter sprake van gemengd gebied. Aangezien aangenomen wordt dat een gemengd gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustig woongebied worden de richtafstanden van de VNG met één afstandsstap verlaagd. Uit navolgende tabel volgt wat het gevolg hiervan is voor de aan te houden richtafstanden.
Tabel 5: Richtafstanden rustig woongebied en gemengd gebied
| Milieucategorie | Richtafstand rustig woongebied (m) | Richtafstand gemengd gebied (m) |
| 1 | 10 | 0 |
| 2 | 30 | 10 |
| 3.1 | 50 | 30 |
| 3.2 | 100 | 50 |
| 4.1 | 200 | 100 |
| 4.2 | 300 | 200 |
| 5.1 | 500 | 300 |
| 5.2 | 700 | 500 |
| 5.3 | 1.000 | 700 |
| 6 | 1.500 | 1.000 |
Zoals blijkt uit onderstaande tabel is de aan te houden richtafstand voor bedrijven van milieucategorie 3.2 in gemengd gebied 50 meter. De in acht te nemen richtafstanden worden gerespecteerd.
Industrielawaai
Om vast te stellen of sprake is van mogelijke milieueffecten ten aanzien van het aspect geluid op milieugevoelige functies in de omgeving is door Ingenieursbureau Ulehake een onderzoek milieuzonering uitgevoerd (d.d. 10 februari 2022). Hierin is het stappenplan als beschreven in paragraaf 4.3 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering doorlopen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
In het onderzoek milieuzonering is allereerst de indeling van het plangebied bepaald. Uitgegaan is van bedrijven van milieucategorie 3.2 (stap 1). Vervolgens is in beeld gebracht waar in de omgeving van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die geluidgevoelige objecten toelaten het gaat hierbij om een woonbestemming ten zuidwesten van het plangebied en een woonbestemming ten zuiden van het plangebied. In navolgende afbeelding is aangegeven om welke bestemmingen het hierbij gaat.
|
| Figuur 10: Geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied (in geel; bron: Ingenieursbureau Ulehake/J.C. van Kessel Architectuur B.V). |
De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen op een afstand van circa 350 meter van de A15 en zijn daarmee gelegen binnen de geluidzone van een weg. Het geluidproductieplafond (GPP) bedraagt 68,9 dB. Ter plaatse van de beschouwde geluidgevoelige bestemmingen zal de geluidbelasting ten gevolge van de A15 circa 9 dB lager zijn (4 afstandsverdubbelingen) en circa 60 dB bedragen. Op de beoordeelde locaties kan daarom gesteld worden dat er sprake is van het omgevingstype gemengd gebied (stap 2).
In onderhavig geval bedraagt de aan te houden richtafstand 50 meter. Ingenieursbureau Ulehake heeft onderzocht in hoeverre voldaan wordt aan deze richtafstand. Hierbij is gevisualiseerd (figuur 10) welke gronden binnen een afstand van 50 meter van de bestemmingen liggen die geluidsgevoelige functies mogelijk maken. De richtafstand tussen de geluidgevoelige bestemmingen en het bedrijventerrein dient ten minste 50 meter te bedragen. Bij de indeling van het beoogde bedrijventerrein is hier rekening mee gehouden. Figuur 10 geeft de ligging van deze zone weer. Binnen 50 meter van de geluidgevoelige objecten vinden geen akoestisch relevante activiteiten plaats. De ontsluiting van het nieuw te realiseren bedrijventerrein zal lopen via het bestaande bedrijventerrein. Een nadere beoordeling van de verkeersaantrekkende werking is niet noodzakelijk.
Geur en stof
De bedrijven die de binnen het plangebied op te richten bebouwing willen betrekken zijn Fruity Line en Ojah. Fruity Line produceert vruchtensappen en smoothies. Ojah houdt zich bezig met de productie van vleesvervangende producten. Beide kunnen gezien worden als bedrijven van milieucategorie 3.2. Op grond van onderhavig bestemmingsplan zijn ook maximaal bedrijven van milieucategorie 3.2 toegestaan. In gemengd gebied geldt voor bedrijven van deze milieucategorie een maximale richtafstand geldt van 50 meter.Hoewel voor het deelaspect geur in veel gevallen een kleine richtafstand dient te worden aangehouden dan de maximale richtafstand, wordt zorgvuldigheidshalve ook ten aanzien van geur uitgegaan van een maximale richtafstand van 50 meter. Gelet op het type bedrijven dat zich binnen het plangebied wil vestigen kan ten aanzien van het deelaspect stof redelijkerwijs worden uitgegaan van een afstand van 0 meter. Zoals verwoord onder 'industrielawaai' ligt de bestemming 'Bedrijventerrein' beoogd wordt niet binnen een straal van 50 meter van de bestemmingen in de omgeving van het plangebied die milieugevoelige functies toelaat en wordt voldaan aan de richtafstand.
Effecten omgeving op plangebied
De reden om milieuzonering toe te passen is om een voldoende grote ruimtelijke scheiding aan te houden tussen functies die zich niet verdragen. Aangezien er geen milieugevoelige functie wordt toegevoegd, hoeft geen rekening te worden gehouden met richtafstanden die gelden voor eventuele milieugevoelige functies tot milieubelastende functies binnen en in de omgeving van het plangebied.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering. De in acht te nemen richtafstanden worden gerespecteerd.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging:
NIBM
Bepaald dient te worden of projecten die mogelijk worden gemaakt op basis van onderhavig bestemminsplan in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Aangezien er geen sprake is van een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM, is de NIBM-tool toegepast om de effecten van het plan op de luchtkwaliteit te bepalen. Hierbij is uitgegaan van het de toename in verkeersbewegingen als berekend in paragraaf 4.1.2.
Voor het jaar van planrealisatie is uitgegaan van het jaar 2023. Aangezien in de systematiek van de NIBM-tool wordt uitgegaan van een 'maximale bijdrage extra verkeer' die elk navolgend 'Jaar van planrealisatie' steeds lager wordt in vergelijking met de voorgaande jaren van planrealisatie, is realisatie in een later jaar niet problematisch. Voor het aandeel vrachtverkeer is uitgegaan van 20%. Dit percentage is gebaseerd op het gegeven dat sprake is van een toename in de verkeersgeneratie van 500 mvt/etmaal werkdag (376 mvt/etmaal weekdag), waarvan 94 mvt/etmaal werkdag (71 mvt/etmaal weekdag) aan vrachtverkeer. De toename vrachtverkeer bedraagt 16% van de toename in de totale hoeveelheid verkeer.
|
Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer mogelijk niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Om meer inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voor en na realisatie van onderhavig plan is onderzocht of er mogelijkerwijs sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Daarbij is gekeken naar zowel NO2 als naar PM10. De achtergrondwaarden voor onder andere NO2 en PM10 kunnen worden achterhaald aan de hand van de NSL-monitoringstool. Deze waarden zijn vermeld onder 'Aanvaardbaar woon- en leefklimaat'.
De achtergrondwaarden voor NO2 en PM10 in bevinden zich ver onder de gestelde grenswaarden/normen. Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld blijven de totale concentraties voor NO2 en PM10 met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor deze stoffen. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied zowel voor als na realisatie van het plan aanvaardbaar is.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die kunnen bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. Hierbij zijn de waarden van de dichtstbijzijnde rekenpunten als uitgangspunt genomen. Betreffende waarden (voor het jaar 2020) zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 6: waarden
| Id | NO2 ìg/m3 | PM10 ìg/m3 | PM10 overschrijdingsdagen | PM2.5 ìg/m3 |
| 685583 | 19.1 | 16.6 | 6.0 | 9.3 |
| 691294 | 19.1 | 16.8 | 6.0 | 9.4 |
| 720525 | 19.8 | 16.7 | 6.0 | 9.3 |
| 736455 | 18.4 | 16.7 | 6.0 | 9.3 |
| Norm | 40 | 40 | 35 | 25 |
Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit in het plangebied. Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het tevens onwaarschijnlijk dat de gestelde normen voor NO2, PM10 en PM2.5 zullen worden overschreden na realisatie van de ontwikkelingen waarin voorzien wordt middels onderhavig bestemmingsplan.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond:
Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Oisterwijk heeft echter geen eigen geurverordening. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv.
Een object is pas een geurgevoelig object indien aan alle eisen uit artikel 1 Wgv wordt voldaan. Het gaat bij een dergelijk geurgevoelig object om “een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en
inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor
permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 februari 2013 “dat uit de
wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, (…) volgt
dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt
aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen”.
Gelet op het voorgaande zijn de te realiseren bedrijfsgebouwen aan te merken als geurgevoelige objecten, aangezien werknemers hier langdurig in deze bedrijfsgebouwen verblijven.
De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich, blijkens de kaart 'Veehouderijen in Gelderland' van de Informatievoorziening Gezamenlijke Omgevingsdiensten (I-GO), op circa 600 meter van het plangebied. Het is daarom onaannemelijk dat de geurcontouren van veehouderijen in de omgeving tot over het plangebied reiken.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
| Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. |
| Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. |
Volgens de risicokaart en de Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Neder-Betuwe zijn er in de directe omgeving van het plangebied de volgende risico's aanwezig:
De afstand van het plangebied tot de aardastransportleiding is ruim 275 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 en het invloedsgebied van deze aardgastransportleiding.
Over de A15 en de Betuweroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het volledige plangebied is gelegen binnen zowel het invloedsgebied van de A15 (325 meter op basis van stofcategorie GF3) als het invloedsgebied van de Betuweroute (> 4.000 meter op basis van stofcategorie D4). Het plangebied ligt wel volledig buiten de PR 10-6 risicocontouren van de A15 en de Betuweroute (beide 30 meter conform Regeling basisnet).
Rijksweg A15
Plaatsgebonden risico
Het plangebied is gelegen aan wegvak G16 met naam A15: afrit 34 (Echteld) – knp. Valburg.
Plasbrandaandachtsgebied
Bij dit wegvak is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied betreft een zone van 30 meter vanaf de buitenste kantstrepen. Het plangebied ligt buiten dit plasbrandaandachtsgebied. Er zijn geen bijzonderheden voor dit wegvak.
Groepsrisico
Bij nieuwe ontwikkelingen binnen 200 meter van de A15 moet het groepsrisico onder bepaalde omstandigheden verantwoord worden, als het groepsrisico toeneemt en/of boven een bepaalde waarde uitkomt. Het groepsrisico van de A15 wordt bepaald door het transport van stofcategorie GF3 (brandbaar gas). Het voor de gemeente Neder-Betuwe relevante deel van de A15 loopt grotendeels door landelijk dunbevolkt gebied. Binnen een afstand van 200 meter van de buitenrand van de A15 (het voor groepsrisicoberekeningen meest relevante gebied) zijn slechts enkele (geprojecteerde) objecten gelegen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico vanwege dit deel van de A15 relatief gering of verwaarloosbaar klein is. Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In de beleidsvisie externe veiligheid gemeente Neder-Betuwe is opgenomen dat wanneer ontwikkelingen plaatsvinden binnen de toetsingszone van 200 meter van de A15 verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden en dat (steden)bouwkundige maatregelen in overweging worden genomen. In de subparagraaf Verantwoording groepsrisico zal deze verantwoording plaatsvinden.
Betuweroute
Plaatsgebonden risico
De betreffende route ter hoogte van het plangebied betreft route 202 (Betuweroute, Meteren – Emmerich (Duitsland)). Het gaat om trajectnummer M met begincoördinaten 149263 : 430240 en eindcoördinaten 169821 : 437332. Er geldt voor dit stuk spoorweg een plaatsgebonden risico van 30 meter. Het plangebied ligt niet binnen deze 30 meter.
Plasbrandaandachtsgebied
Bij dit traject is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied betreft een zone van 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel. Het plangebied ligt buiten dit plasbrandaandachtsgebied. Er zijn geen bijzonderheden voor dit traject.
Groepsrisico
In de huidige situatie wordt voor de Rijksweg A15 het maximale groepsrisico gevonden bij 83 slachtoffers met een frequentie van 1,1 x 10-7. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Rapportage kwantitatieve risicoanalyse (QRA). In de beoogde situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 43 slachtoffers met een frequentie van 1,6 x 10-6. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden, maar het groepsrisico ligt wel boven 0,1 keer de oriëntatiewaarde.Het groepsrisico neemt toe met meer dan 10% (0,00008 naar 0,00294).
Het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe ligt bijna in zijn geheel binnen het zeer grote invloedsgebied van de Betuweroute. In de huidige situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 83 slachtoffers met een frequentie van 1,1 x 10-9. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. In de beoogde situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 93 slachtoffers met een frequentie van 3,3 x 10-8. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt toe met meer dan 10% (0,00001 naar 0,00028). Het groepsrisico neemt in de nieuwe situatie toe ten opzichte van het groepsrisico in de bestaande situatie. Op basis van artikel 8 van het Bevt is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig, omdat het groepsrisico ten gevolge van zowel de Rijksweg A15 als de Betuweroute door het plan toeneemt met meer dan 10%. Voor de Rijksweg A15 komt het groepsrisico daarbij boven 0,1 maal de oriëntatiewaarde te liggen.
Er is door Adromi B.V. een handreiking opgesteld tot verantwoording van het groepsrisico (d.d. 7 december 2022). Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. In de navolgende alinea's worden de belangrijkste elementen uit de verantwoording uitgelicht.
De volgende conclusies zijn getrokken over het groepsrisico:
Op basis van de genoemde maatregelen kan de geplande ontwikkeling als planologisch verantwoord worden beoordeeld. De Brandweer Gelderland-Zuid heeft op 21 februari 2023 advies uitgebracht over het bestemmingsplan. In dit advies wordt ingegaan op de maatgevende scenario's voor de Rijksweg A15 en de Betuweroute, de bestrijdbaarheid, maatregelen ter beperking van de gevolgen van toxische scenario's en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. De Brandweer Gelderland-Zuid concludeert dat het aspect externe veiligheid relevant is. Verder wordt geconcludeerd dat het aan het bevoegd gezag is om een afweging te maken over van het aanwezige (rest)risico of anderzijds maatregelen te treffen waardoor het groepsrisico afneemt. Mochten er (ruimtelijke)maatregelen worden doorgevoerd, dan dient er wel een nieuwe berekening te worden opgesteld om deze maatregelen te toetsen. Voor het volledig advies wordt verwezen naar de bijlagen.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf.
Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst.
Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water stelt waterkwaliteitseisen die door EU-lidstaten moeten worden geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving. De Kaderrichtlijn water verplicht tot het garanderen, het beschermen en, waar noodzakelijk, verbeteren van waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. Hierbij wordt een onderscheid aangebracht tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand.
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Op 26 november 2022 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' goedgekeurd. Hierin staat beschreven wat het Waterschap Rivierenland binnen de planperiode (2022-2027) wil bereiken. Ook wordt ingegaan op met wie, hoe en waarom het waterschap deze doelstellingen wil bereiken.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
BOOT heeft in het kader van onderhavig bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste elementen uit de waterparagraaf zijn opgenomen in onderstaande alinea's.
Toename verhard oppervlak en wateropgave
BOOT heeft inzichtelijk gemaakt hoeveel verhard oppervlak er op dit moment binnen het plangebied aanwezig is en hoe groot de hoeveelheid verhard oppervlak is in de toekomstige situatie. Een overzicht van de huidige verhardingen binnen het plangebied is opgenomen in de navolgende tabel.
Tabel 7: Overzicht oppervlakken huidige situatie
Een overzicht van de toekomstige verhardingen is opgenomen in de navolgende tabel.
Tabel 8: Overzichte oppervlakken toekomstige situatie
In de huidige situatie is binnen het plangebied 8.473 m2 aan verharding aanwezig. In de toekomstige situatie zal de totale hoeveelheid verharding 39.061 m2 bedragen. Dit betekent dat sprake is van een toename in verhard oppervlak van in totaal 30.588 m2. Daarnaast is een deel van huidige verharde oppervlak nog niet vergund. De verharding is aangebracht in 2011 en in 4.128 m2. Totaal te compenseren verhard oppervlak komt daarmee op 34.716 m2.
Om de huidige afvoersituatie ter plaatse van het plangebied niet te verslechteren wordt voor de toename van verhard oppervlak watercompensatie gerealiseerd. Met een toename van 34.716 m² aan verhard oppervlak is de compensatieopgave als volgt:
Naast de compensatie voor de toename van verharding dient ook het water dat gedempt wordt 1 op 1 gecompenseerd te worden. Dit water mag dan ook niet benut worden voor de compensatie van toename van verharding.
De bestaande A-watergang (214804) centraal door het plangebied wordt gedempt en verlegd naar de westzijde van het plangebied. Een voorwaarde voor het verleggen van de A-watergang is dat er voldoende capaciteit is om het achterliggend gebied te kunnen bedienen. Om dit te bepalen is een modelstudie uitgevoerd. Voor de volledige modelstudie wordt verwezen naar de bijlagen.
Deze watergang heeft op de waterlijn een oppervlak van 615 m². Daarnaast wordt een gedeelte van watergang 220036, welke aan de noordelijke zijde van het plangebied gelegen is, overkluisd ten behoeve van een nieuwe toegangsweg met nieuwe duiker. Hierdoor zal op de waterlijn 26 m² gedempt worden.
Tot slot wordt ten behoeve van de ontwikkeling van Fruity Line (ten noordoosten van het plangebied) een ontwikkeling gedaan. Hierbij wordt een deel van het oppervlaktewater gedempt, wat ook meegenomen dient te worden in deze berekening. Dit betreft een oppervlak van 152 m² op de waterlijn. De wateroppervlakken die gedempt worden zijn weergegeven in de figuur. Een toelichting op de waterbergingsopgave die hiermee verdwijnt, is opgenomen in navolgende tabel:
Tabel 9: Overzicht te dempen oppervlaktewater
De compensatie van het verhard oppervlak, samen met de compensatie van de demping van het oppervlaktewater, betekent dat onderstaande berging benodigd is:
Waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van de realisatie van (de uitbreiding van) oppervlaktewater. Hierbij wordt A-watergang (214804) gedempt en naar de westelijke zijde verplaatst. De westelijke B-watergang (102914) wordt hierbij uitgebreid en krijgt zowel een A- als een B-status. Dit betekent dat de watergang gedeeltelijk door het waterschap wordt onderhouden, maar dat ook de grondeigenaar aan de andere zijde onderhoud dient te plegen. Om te voorkomen dat een doodlopend watersysteem ontstaat wordt aan de zuidelijke zijde van het plangebied een A-watergang gerealiseerd waar het hemelwater vanaf het noorden op de Linge (verder naar het westen) af kan wateren. Hier blijft de bestaande stuw op de Linge gehandhaafd.
|
| Figuur 11: Overzicht statussen toekomstige watergangen |
Er is een overzicht gemaakt van de waterbalans ten aanzien van de compensatieopgave en de voorziene toekomstige wateroppervlakken. Dit overzicht is weergegeven in de navolgende tabel:
Tabel 10: Overzicht te realiseren waterberging
Op basis van de benodigde en aanwezige waterberging in het oppervlaktewater betekent dit dat bij een T=10+10% (1.780 m³ - 1.754 m³ =) 26 m³ berging over is. Bij een T=100+10% is dit (5.755 m³ - 3.075 m³ =) 2.680 m³. Dit betekent dat met de uitbreiding van het oppervlaktewater in het plangebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd voor de toename van verhard oppervlak door de ontwikkeling en voor het verhard oppervlak wat na 2011 nog niet gecompenseerd is. Ook wordt het dempen van de watergang ter hoogte van Fruity Line ten noordoosten van het plangebied gecompenseerd in de toename van wateroppervlak.
Natuurvriendelijke oevers
Vanuit het waterschap Rivierenland is vereist dat 35% van de oevers van het nieuw te graven wateroppervlak als natuurvriendelijke oever uitgevoerd dienen te worden. Dit zijn oevers met een talud van minimaal 1:4. Met het waterschap is afgestemd dat de natuurvriendelijke oevers binnen dit project ook natuurvriendelijke onderwatertaluds mogen zijn. Boven de waterlijn mogen de taluds van de watergang 1:2 zijn. Daarnaast heeft het waterschap aangegeven dat ook de oevers welke ter plaatse van Fruity Line gerealiseerd zullen worden gecompenseerd dienen te worden. Ter plaatse van Fruity Line betreft de hoeveelheid natuur(vriendelijke) oevers welke gedempt danwel steiler gemaakt worden 72 meter. Ter plaatse van de uitbreiding van het watersysteem van voorliggende ontwikkeling wordt in totaal circa 810 meter aan nieuwe oevers gerealiseerd. Uitgegaan wordt dat de compensatie van het wijzigen van de taludverhouding ter plaatse van Fruity Line een-op-een gecompenseerd dient te worden. Van de te realiseren oevers ter plaatse van het bedrijventerrein Walenhoek dient 35% natuurvriendelijk uitgevoerd te worden. In totaal resulteert dit in een te realiseren hoeveelheid natuurvriendelijke oevers van 72 meter (72*100%) + 285 meter (810*35%) = 357 meter. In totaal is binnen het plan voor circa 400 meter aan natuurvriendelijke onder water oevers voorzien. De aanleg en de instandhoudig van de natuurvriendelijke oevers zijn geborgd in de regels van het bestemmingsplan.
Wijze van afwatering
Hemelwater vanaf het verharde oppervlak wordt door middel van kolken opgevangen en met een hemelwaterstelsel naar het oppervlaktewater geleid. Aan de hand van de in de rapportage 'Samen door één buis' van het waterschap opgenomen standaarden dient eventuele voorzuivering plaats te vinden alvorens op het oppervlaktewater geloosd mag worden.
Het oppervlaktewater watert, via een stuw, af naar de Linge welke in westelijke richting afwatert. Daarnaast kan het oppervlaktewater via de noordwestelijk gelegen watergang (220036) afwateren op de Linge.
De stuw blijft, met het oog op mogelijke geluidshinder van het vallende geluid van water, op de bestaande locatie gehandhaafd.
Door de voorziene (hoge) grondwallen, om de uitbreiding uit het zicht van direct omwonenden te houden, is gekozen voor een zo westelijk gelegen watergang met een hoge grondwal in plaats van een watergang welke meer in lijn ligt met de nieuwbouw met twee lagere grondwallen. In verband met het beheer en onderhoud is een bochtstraal van 8 meter aangehouden.
Vuilwater
Het vuilwater dient onder vrijverval aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering rondom het plangebied. Aan de oostelijke zijde van het plangebied is een vuilwaterstelsel gelegen waarop aangesloten wordt. Op basis van de hoogteligging van de bestaande riolering en de toekomstige (toename van) de afvalwaterproductie dient bepaald te worden of afwatering onder vrijverval mogelijk en of in het ontvangende vuilwaterstelsel voldoende ruimte beschikbaar is.
Grondwater
Op basis van de grondwaterstand is onvoldoende ontwatering aanwezig voor de nieuwbouw. Geadviseerd wordt de aanleghoogte van de nieuwbouw af te stemmen met de reeds aanwezige bedrijfshallen, de bouwwijze hierop aan te passen en eventueel drainage toe te passen.
Met de toekomstige situatie is de verwachting dat de realisatie niet voor een verandering van de grondwaterstand gaat zorgen. De locaties bevinden zich niet binnen een grondwaterfluctuatiezone en dus is de verwachting dat er geen sprake zal zijn van grondwateroverlast.
Oppervlaktewater
In verband met het toepassen van compensatiemaatregelen is geen sprake van negatieve effecten op oppervlaktewateren.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect water.
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Wettelijke gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn 'Rijntakken' en 'Veluwe'. Deze gebieden bevinden zich op respectievelijk 1,3 kilometer en 10,2 kilometer van het plangebied. Indien sprake zou zijn van een extern effect op betreffende gebieden, dan betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen met AERIUS worden uitgesloten.
Voor de stikstofberekeningen en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea is een beschrijving gegeven van de conclusies uit deze toelichting. Voor dit plan wordt gebruik gemaakt van intern salderen. Intern salderen is, na de uitspraak van de Raad van State inzake de Logtsebaan, vergunningsvrij. De berekening van de beoogde gebruiks- en aanlegfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Het projecteffect van de aanleg- en gebruiksfase bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Voor de gebruiksfase geldt dat de bedrijfsbebouwing niet mag worden aangesloten op een gastransportnet of een andere aansluiting waardoor (aard)gas kan worden toegepast. Daarnaast geldt dat de verkeersaantrekkende werking van de bedrijfsactiviteiten binnen de bestemming Bedrijventerrein ten hoogste 1.207 verkeersbewegingen per etmaal, waarvan ten hoogste 233 vrachtautobewegingen per etmaal mogen bedragen en mobiele werktuigen en installaties uitsluitend elektrisch mogen worden voortgedreven. Derhalve kan worden gesteld dat significant negatieve effecten binnen omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten.
Planologische gebiedsbescherming
Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten van de provincie Gelderland hebben in dat kader het Gelders Natuurnetwerk (GNN) aangewezen in de Omgevingsverordening Gelderland. Gelet op artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingsverordening Gelderland gaat er geen externe werking uit van het GNN.
Uit de kaart 'Regels Natuur – kaart 1', behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland, volgt dat het plangebied niet gelegen is binnen het GNN. Een uitsnede van betreffende kaart is opgenomen in onderstaande figuur. De afstand tot het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN is circa 1.250 meter.
|
| Figuur 12: Uitsnede kaart 'Regels Natuur – kaart 1', behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland (ligging plangebied aangegeven met rode marker; bron: ruimtelijkeplannen.nl). |
Soortenbescherming
Vos Natuurbeheer heeft in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen een natuurtoets uitgevoerd (d.d. 13 september 2022). Voor de volledige natuurtoets wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste elementen uit de natuurtoets zijn opgenomen in de navolgende alinea's.
Het doel van de natuurtoets was inzichtelijk te maken of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk negatieve effecten hebben op beschermde natuurwaarden. In het kader van dit onderzoek is het onderzoeksgebied op vrijdag 28 januari 2022 bezocht door een ecoloog van Vos Natuurbeheer. Tijdens dit bezoek is er gekeken naar het mogelijk voorkomen van beschermde soorten. Naast de quickscan is er naar aanleiding van het bezoek van 28 januari een aanvullend onderzoek uitgevoerd op donderdag 3 maart 2022 naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper. Er heeft tevens een bureaustudie plaatsgevonden.
In 2019 is er in het kader van een eerdere uitbreiding een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar kleine marterachtigen, steenmarter en sperwer. Nadat bleek dat zowel de steenmarter als de wezel en de sperwer binnen het plangebied aanwezig waren, is een ontheffing aangevraagd en verleend met betrekking tot deze soorten. Er zijn destijds mitigerende maatregelen genomen teneinde en vaste rust- en verblijfplaats te garanderen voor de wezel en de steenmarter. In het kader van de in 2022 uitgevoerd natuurtoets zijn deze mitigerende maatregelen gemonitord. Vervolgens is bepaald of er op grond van de Wet natuurbescherming nog een aanvullende (natuur)toestemming nodig is.
Uit de natuurtoets is naar voren gekomen dat er geen negatieve effecten op beschermde soorten optreden. De mitigerende maatregelen die zijn getroffen in het kader van de ontheffing uit 2019 zijn echter niet meer aangetroffen. Uitvoering van het plan staat de realisatie van deze mitigerende maatregelen in de weg. Om die reden wordt er een (nieuw) mitigatieplan opgesteld. Het voorstel van Vos Natuurbeheer is om de mitigerende maatregelen te realiseren ter plaatse van de nog aan te leggen groenstrook rondom de nieuwe bebouwing. Er zal tevens een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. De aanleg van de groenstrook zal ecologisch worden begeleid door Vos Natuurbeheer.
Er is een verlenging en een wijziging van de huidige ontheffing (zaaknummer 2019-010107) aangevraagd. De wijziging van de ontheffing heeft betrekking op de mitigerende maatregelen. De provincie Gelderland zal naar aanleiding van deze aanvraag een besluit nemen. Hierbij zal de provincie tevens moeten bepalen of nader onderzoek naar de sperwer noodzakelijk is. Voor de sperwer zijn namelijk geen alternatieve nestgelegenheden toegepast. Wel zijn er gebieden aangewezen die ter mitigatie dienden als nestgelegenheid voor de sperwer. Eén van deze gebieden wordt bij de nieuwe ingreep vernietigd. De overige gebieden zullen blijven voortbestaan. De provincie zal moeten oordelen of deze overige gebieden zullen onderzocht moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van sperwernesten.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologi
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen.
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Op grond van de 'Parapluregeling Archeologie' is het gehele plangebied bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Voor het overgrote deel van het plangebied, met uitzondering van het noordoostelijke deel, gaat het hierbij om de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Het noordoostelijke deel van het plangebied is bestemd met de bestemming 'Waarde – Archeologie 1'. Verder geldt op grond van de 'Parapluregeling Archeologie' voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone – aangetast'.
Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Voor gronden met deze bestemming gelden de volgende bouwregels:
4.2 Bouwregels
Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:
met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.
Ook gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Hiervoor gelden de volgende bouwregels:
3.2 Bouwregels
Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:
met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.
Bij de bestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2' kan blijkens de leden 3.4.1 en 4.4.1 worden afgeweken van de bouwregels indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
Daarnaast geldt voor een groot deel van het plangebied de aanduiding 'overige zone – aangetast'. Deze aanduiding is relevant in het kader van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden. Het uitvoeren van betreffende werkzaamheden is verboden. Voor een overzicht van om welke werken en werkzaamheden het hierbij gaat wordt verwezen naar lid 3.5.1 en lid 4.5.1 van de 'Parapluregeling Archeologie'. Indien de gebiedsaanduiding 'overige zone – aangetast' van toepassing is, geldt dit verbod ingevolge lid 4.5.2 van deze parapluregeling niet voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld.
In verband met de archeologische dubbelbestemmingen die van toepassing zijn op het plangebied en de hoge archeologische verwachtingswaarde die voor bijna het gehele plangebied is opgenomen op de 'Archeologische beleidskaart Neder-Betuwe, gebied West' is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie uitgevoerd voor het plangebied. Voor het volledige onderzoeksrapport (d.d. 18-03-2022) wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste aspecten uit dit onderzoek worden beschreven in onderstaande alinea's.
Het bureauonderzoek wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4002. Tijdens het bureauonderzoek is door de bestudering van de beschikbare bronnen kennis vergaard omtrent de bodem en geologie van het onderzoeksgebied en de in en rondom het plangebied aanwezige bekende en te verwachten archeologische waarden. Op basis hiervan is op het schaalniveau van het plangebied een locatie specifiek verwachtingsmodel geformuleerd.
Uit de bureaustudie volgt dat op vanwege de vormingsgeschiedenis van de stroomgordel van Westerveld binnen het plangebied rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van resten van bewoning vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Ook op basis van bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het onderzoeksgebied (cirkel van een straal van 1 kilometer rond het plangebied) moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Voor bewoningsresten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt een lage verwachting omdat het plangebied in deze perioden uit landbouwpercelen bestond.
Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 32 boringen gezet in een dichtheid van tien boringen per hectare. Deze aanpak voldoet als karterend booronderzoek om door een archeologische laag gekenmerkte vindplaatsen uit de periode bronstijd tot middeleeuwen met een grootte van 500 tot 2000 vierkante meter, in klei op te sporen en bij gebruik van een megaboor tevens om door een vondststrooiing van overwegend aardewerk gekenmerkte vindplaatsen met de omvang van een dorp op te sporen.
Binnen het plangebied zijn geen archeologische resten aangetroffen die op bewoningsactiviteiten binnen het plangebied wijzen. Wel is in enkele boringen een zeer zwak ontwikkelde vegetatiehorizont aangetroffen. Ondanks de zorgvuldige inspectie hiervan, zijn hierin geen archeologische indicatoren aangetroffen. Zelfs houtskooldeeltjes, die gewoonlijk in een ruime spreiding op en rond archeologische vindplaatsen voorkomen, ontbreken volledig.
Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Niettemin geldt dat indien tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische vondsten worden gedaan, deze moeten worden gemeld conform de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect archeologie.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Aan de hand van de verbeeldingen van de vigerende bestemmingsplannen en de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' is bepaald of binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een voor het plangebied relevante uitsnede van deze kaart is opgenomen in de navolgende figuur.
|
|
| Figuur 13: Uitsnede kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' (plangebied indicatief rood omlijnd; bron: provincie Gelderland). |
Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. Derhalve zal geen sprake van aantasting van dergelijke waarden binnen het plangebied. Gelet op de afstand tot cultuurhistorische waardevolle objecten en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen is ook een negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied uitgesloten.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.
Aan de hand van de Netkaart van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van hoogspanningslijnen. Uit de Netkaart kan worden opgemaakt dat er geen planologisch gezien relevante hoogspanningslijnen door het plangebied lopen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich echter wel twee relevante hoogspanningslijnen. Een uitsnede van het voor het plangebied relevante deel van de Netkaart is weergegeven in navolgende figuur.
|
| Figuur 14: Uitsnede 'Netkaart' (ligging besluitgebied indicatief aangegeven middels rode ovaal; bron: RIVM). |
Ten noorden van het plangebied, op een afstand van ongeveer 300 meter, bevindt zich een 150 kV-hoogspanningslijn. Het betreft hierbij de lijn met de lijnnaam 'Dodewaard – Tiel'. Uit de Netkaart volgt dat ten aanzien hiervan kan worden uitgegaan van een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het plangebied ligt ruim buiten deze indicatieve magneetveldzone.
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen. De eventuele aanwezigheid van aardgasleidingen zal worden beschouwd in paragraaf 4.7 (externe veiligheid).
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport dan nodig.
Doorwerking plangebied
De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Wel is de activiteit opgenomen in onderdeel D (categorie D 11.3) van bijlage II van het Besluit m.e.r. In onderhavig geval wordt circa 28.000 m2 BVO aan bedrijfsbebouwing gerealiseerd. De activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, maar de drempelwaarden als genoemde onder D 11.3. Dat sprake is van een uitbreiding van een industrieterrein betekent dat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe aan de hand van een aanmeldingsnotitie heeft beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.
Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen milieueffectrapport behoeft te worden vastgesteld.
In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
Dit bestemmingsplan is opgesteld om de beoogde uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Walenhoek, in westelijke richting, mogelijk te maken. De plangrens sluit aan op de grens van de huidige bouwvlakken van de bestemming 'Bedrijventerrein' in het bestemmingsplan 'De Walenhoek'. Aan de overige zijden is de plangrens bepaald op basis van eigendomsgrenzen.
In het bestemmingsplan is gewerkt met directe bestemmingen. Dit betekent bestemmingen dat de gemeente op basis de bestemmingen direct omgevingsvergunningen ten behoeve van het bouwen kan verlenen en de gronden mogen worden gebruikt voor de aangewezen doeleinden. Het bestemmingsplan is dus direct uitvoerbaar. Er zijn geen nadere besluiten nodig. De basis voor de gekozen bestemmingen en de begrenzingen daarvan vormt het stedenbouwkundig plan. De hoofdstructuren van de toekomstige inrichting zijn doorvertaald middels bestemmingen op de verbeelding. Er is deels wel gebruik gemaakt van relatief globale bestemmingen qua gebruiks- en inrichtingsmogelijkheden, zoals 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Dit wordt in par. 5.3 per bestemming nader toegelicht.
Inhoudelijk is voor de opgenomen bestemmingen en overige regels zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'De Walenhoek'. Dit bevordert een eenduidige juridische regeling voor het totale bedrijventerrein. Waar nodig/wenselijk is echter maatwerk geleverd.
In de regels is, conform de SVBP2012, de volgende opbouw gebruikt:
Hoofdstuk 1: 'Inleidende regels' omvat twee artikelen:
Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels' geeft per bestemming aan voor welke doeleinden de in het plan
gelegen gronden mogen worden bebouwd. Het artikel kan bestaan uit de volgende elementen volgens de navolgende indeling:
In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Bedrijventerrein
Deze bestemming vormt de voornaamste bestemming binnen het plangebied, omdat deze bestemming faciliterend is voor het planvoornemen tot uitbreiding van het bedrijventerrein De Walenhoek. Binnen de bestemming zijn bedrijfsmatige activiteiten toegestaan volgens de milieuzonering, die in de regels en op de verbeelding is opgenomen. Hierbij is een koppeling gemaakt met de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bijlagen bij de regels. Verder zijn binnen de bestemming ondergeschikte detailhandel, niet-zelfstandige kantoren, parkeervoorzieningen, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen en water toegestaan.
Voor wat betreft de bouwmogelijkheden is het stedenbouwkundig plan leidend geweest. Er zijn in totaal drie bouwvlakken opgenomen. Gebouwen mogen enkel binnen deze bouwvlakken worden gebouwd. De maximale bouwhoogten zijn aangegeven op de verbeelding. Verder zijn er separate regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze mogen in beginsel binnen de gehele bestemming worden opgericht.
Binnen de bestemming zijn tot slot nadere regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gronden en een voorwaardelijke verplichting om gasloos te bouwen. Deze regels dienen ter waarborging van het voorkomen van een sginificant negatief effect op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie.
Groen
Aan de noordzijde is de bestemming 'Groen' opgenomen ter plaatse van een zone die voor groenvoorzieningen wordt beoogd, maar niet zozeer als afschermende groenvoorziening. Deze gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenvoorziening, beplanting, (voet- en fiets)paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, e.d..
Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede nutsvoorzieningen. Parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan.
Groen - Afschermend groen
Aan de zuid- en westkanten van de bedrijfskavels is een robuuste groene inpassing wenselijk. Voor deze gronden is daarom de bestemming 'Groen - Afschermend groen' opgenomen, aansluitend op de bestaande afschermende groenvoorzieningen. Deze gronden zijn primair bestemd voor hoogopgaande groenvoorzieningen en beplanting. Daarmee onderscheidt de bestemming zich van de bestemming 'Groen'.
Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede nutsvoorzieningen. Parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan.
Verkeer - Verblijfsgebied
De ontsluiting van de toekomstige bedrijfskavels heeft de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en paden met een verkeersfunctie, voet- en fietspaden, verblijfs- en parkeervoorzieningen.
Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede nutsvoorzieningen.
Water en Waterstaat - Beheerszone watergang
De bestaande B-watergang aan de westkant van het plangebied wordt opgewaardeerd tot A-watergang. De watergangen binnen het plangebied worden bestemd als 'Water'. Deze gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterafvoer, waterberging, waterstaatkundige kunstwerken, waterstaatswerken, kunstwerken, vijvers en waterlopen.
Deze gronden binnen 5 meter van de A-watergangen hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang' gekregen. Deze bestemming dient ter waarborging van het functioneren en onderhouden van de A-wateren en stelt beperkingen aan het bebouwen van de betreffende gronden. Ook is een omgevingsvergunningplicht voor bepaalde werken en werkzaamheden, die strijdig met deze belangen zouden kunnen zijn, opgenomen.
Waarde - Archeologie 1 en 2
Conform het geldende bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie' zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1 en 2' vooralsnog opgenomen binnen het plangebied. Deze dubbelbestemmingen waarborgen dat er tijdig archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, wanneer (bouw)werkzaamheden worden uitgevoerd, die een nader aangegeven verstoring van de bodem veroorzaken. Indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de gronden geen archeologische waarden bevatten, kunnen de bestemmingen geheel of gedeeltelijk worden verwijderd. Aan een eventuele omgevingsvergunning kunnen ook nadere voorwaarden gesteld met het oog op het veiligstellen van archeologische waarden.
Hoofdstuk 3: 'Algemene regels', bevat bepalingen betrekking hebbend op:
Hoofdstuk 4: 'Overgangs- en slotregels', bevat bepalingen betrekking hebbend op:
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro.
De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Er is een vooroverlegreactie ontvangen van de Provincie Gelderland en Waterschap Rivierenland. Beide reacties zijn als bijlagen bij het bestemmingsplan opgenomen.
Er is op diverse manieren contact geweest met de directe omgeving en omwonenden om deze op de hoogte te stellen van de beoogde ontwikkeling. Op woensdag 16 februari 2022 is er een separaat bezoek gebracht aan de directe bewoners van de ontwikkeling. De omwonenden hebben tevens het (destijds) recentste ontwerp ontvangen. In april 2023 is de laatste versie van het ontwerpboekje (d.d. 8 februari 2023) aan deze directe omwonenden ter hand gesteld.
Bewoners geven aan het jammer te vinden dat de huidige boomgaard komt te vervallen. Met name de hoogte van de gewenste bedrijfsbebouwing wordt als fors ervaren. Er is aangegeven dat in het plan een stevige groenblijvende wal met hoog opgaand groen als overgangszone is voorzien. Met een bewoner zijn afspraken gemaakt met betrekking tot de bestemmingsplanuitbreiding. Een van deze afspraken is dat de “kantooroptopping” boven op het gebouw gelegen aan de A15 van een westelijke positie naar een meer oostelijke positie zal worden verschoven. Een andere bewoner is beloofd dat straks bij de realisatie van de nieuwe groenwal de huidige groenwal ook onder handen genomen zal worden. Daarnaast is aandacht gevraagd voor het zo veel mogelijk voorkomen van “lichtvervuiling” en geluid van koelmotoren etc.
Op dinsdagavond 9 mei 2023 is een informatieavond georganiseerd over de bestemmingsplanwijziging. De omwonenden zijn uitgenodigd door middel van een flyer welke huis aan huis is verstrekt (zoals opgenomen in de bijlagen). Door JCVANKESSEL Architectuur is tekst en uitleg gegeven over de bestemmingsplanwijziging. Dit aan de hand van de uitgestalde informatie, waaronder:
Voor aanvullende vragen en opmerkingen is een adres ter beschikking gesteld. De informatieavond is door circa 300 personen bezocht (inschatting op basis van steekproef telling). Er zijn geen noemenswaardige opmerkingen, opmerkingen dan wel klachten geuit die aanleiding zijn geweest het ontwerpbestemmingsplan aan te passen.
Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De eventuele aanpassingen die volgen uit de inspraak- en vooroverlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er diverse ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.
Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking.