| Plan: | Bestemmingsplan De Dreef ong, Dodewaard |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1740.bpDOdedreef-vst1 |
De gebroeders Verwoert, hierna initiatiefnemer, hebben sinds 1994 een boomkwekerijbedrijf aan de Lakemondsestraat 15 in Opheusden. Hier bevindt zich sinds 2001 ook de bomenloods. Op dit perceel worden geen gronden gebruikt als boomkwekerij. Gezien de excentrische ligging van de loods in relatie tot de overige percelen waarop gekweekt wordt, vinden er veel onnodige verkeersbewegingen over grote afstand plaats. Daarnaast is door de sterk toegenomen activiteiten, zowel het terrein als de bomenloods aan de Lakemondsestraat, niet meer toereikend om een logistiek efficiënt bedrijf uit te kunnen oefenen.
De initiatiefnemer is daarom voornemens op een perceel aan De Dreef in Dodewaard een bomenloods met bedrijfswoning te realiseren. De twee locaties zullen in de toekomst als twee zelfstandige bedrijven verder gaan.
Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan De Dreef in het buitengebied ten westen van de kern Dodewaard. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
|
|
| bron: Google Maps |
Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan. Voor het plan is voorliggend bestemmingsplan opgesteld dat hiermee planologisch-juridisch de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. In dit document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het nieuwe bouwvlak, inclusief de bouw- en gebruiksmogelijkheden, zijn vastgelegd in de regels en aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Toelichting
De toelichting is opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:
Verbeelding
De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. De verbeelding is opgesteld conform de laatste afspraken over het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
Planregels
De planregels geeft de omschrijving van de functie van de gronden. Daarnaast worden regels gegeven voor de wijze de gronden bebouwd mogen worden. De planregels sluiten aan bij de SVBP2012.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld" vastgesteld op 30 mei 2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch'.
Voor de gehele gemeente Neder-Betuwe is ook een 'Parapluregeling Archeologie' van toepassing, welke door de raad is vastgesteld op 27 september 2018. Daarin is opgenomen dat ter plaatse van de planlocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing is. Ook ligt er op de westelijke gronden een gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast'.
Tevens gelden het Parapluplan 'Plattelandswoningen' (vastgesteld op 1 oktober 2013) en het Bestemmingsplan VAB beleid (vastgesteld 9 maart 2017), die op deze locatie echter geen aanduiding hebben.
Uitsnede vigerende plankaart "Buitengebied Dodewaard en Echteld" (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie beschreven, gevolgd in hoofdstuk 3 door een beschrijving van het initiatief. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. Hoofdstuk 5 geeft een inhoudelijk verantwoording op de haalbaarheid van het plan en geeft een uiteenzetting van de toetsing van het initiatief aan geldend beleid en (milieu)wetgeving. De economische haalbaarheid van het plan wordt verantwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de overlegmomenten zijn opgenomen.
Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Dodewaard, in het buitengebied aan De Dreef. De Dreef is een korte weg van slechts ca. 900 meter in het buitengebied die enkel tot functie heeft om de percelen langs de weg te ontsluiten. Aan de weg bevinden zich zeven woningen en drie agrarische bedrijven in een lage dichtheid en op grote percelen. Het overgrote deel van gronden in de omgeving wordt gebruikt voor de agrarische functie, veelal fruit- en sierteelt.
Het plangebied ligt aan de zuidzijde van De Dreef. Op de luchtfoto is de grens van het plangebied te zien. Op de locatie is geen (agrarische) bedrijfsbebouwing aanwezig. De gronden worden door de initiatiefnemer gebruikt als boomkwekerij.
Het perceel in kwestie gezien vanaf De Dreef (bron: Google Street View)
De ligging van het perceel vanuit de lucht (bron: PDOK)
Het perceel aan De Dreef in Dodewaard (kadastraal bekend gemeente Dodewaard sectie C nr. 1362) is in eigendom van het bedrijf. In totaal is ca 4,6 ha grond op deze locatie in gebruik als boomkwekerij.
Dodewaard is van oorsprong een rivierdorp. De Waal heeft dan ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het gebied, maar zorgde tevens voor overstromingsrisico.
Het landschap in het rivierengebied kent een grote variatie, die tot uiting komt in de aanwezigheid van patronen van verschillende soorten rivierafzettingen in de ondergrond tot aan de oppervlakte van het gebied. Van oudsher zijn drie landschapsbeelden te onderscheiden: uiterwaarden, oeverwallen/stroomruggen en kommen. De hoofdopbouw van het landschap is op vele plekken verbijzonderd door de grilligheden van de natuur en de ontwikkeling van de cultuur: dijken, wielen, wegen en waterlopen. De komgebieden waren van oudsher nattere gebieden die alleen als hooiland konden worden gebruikt. Deze hooilanden waren deels omzoomd met opgaande beplantingen. De stroomruggen en oeverwallen, die wat hoger gelegen en droger waren, werden al vroeg bewoond. Deze gronden leenden zich ook goed voor fruitteelt. Hier ontstond een meer besloten landschap. Van oudsher lagen de wegen parallel aan de dijken. Na de eerste wegen achter de dijken, de Voorstraten, ontstonden de Achterstraten. Ook ontwikkelden zich de wegen op de dijken. De onderlinge verbinding tussen de dorpen verliep bijna steeds via de dijk. Noord-zuid verbindingen ontstonden als karrensporen en werden in de loop van de 20e eeuw verhard en met bruggen ontsloten. Het transport vond tot die tijd voornamelijk over water plaats. De verbeterde afwatering van de kommen heeft ertoe geleid, dat ook in de kommen fruitteelt en later ook boomteelt konden ontstaan. Het open karakter is hiermee deels verdwenen.
In het landschap zijn de drie landschapsbeelden nog steeds te herkennen. De stroomruggen zijn gefragmenteerd door intensieve gebruiksvormen die sterk zijn gebonden aan de afwisselende onderliggende bodemkwaliteit. De kommen zijn opgedeeld door elementen, zoals infrastructuur, die niet bodemgebonden zijn. De landschappelijk minst gefragmenteerde maar ook kwetsbaarste gebieden zijn de uiterwaarden met sommige, daarmee samenhangende, gedeelten direct binnendijks op de hoge stroomruggronden.
Het resultaat van de sterke fragmentatie is een rijk geschakeerd landschap, waarin vele waarden en ontwikkelingsmogelijkheden voor cultuur en natuur kort naast elkaar aanwezig zijn. Zoals overal in het rivierenlandschap speelt de dijk in het landschap een grote rol. Deze vormt een kronkelend schaalelement, vanaf waar men de mooiste uitzichten over het landschap heeft. Op de dijk beleeft men sterk het contrast tussen het weidse uiterwaardengebied en het binnendijkse, veelal gesloten landschap met boomgaarden en boomkwekerijen.
De Dreef heeft aan weerszijden grote kavels met daarop een aantal ensembles van (voormalige) bedrijfsgebouwen met bijbehorende (agrarische) bedrijfswoningen. Zowel de bebouwingscomplexen als de landerijen zijn ontsloten op De Dreef. De Dreef heeft een laanbeplanting van middelgrote bomen. Het landschap is functioneel ingericht ten behoeve van de overheersende boomkwekerijfunctie.
Onderhavig plan sluit aan bij de karakteristiek van de omgeving. Op het perceel worden een bedrijfswoning en bomenloods gebouwd, georiënteerd op De Dreef. De nieuwe bebouwing ligt aan de westzijde van de kavel, daarmee past het in de verspringende structuur van de andere erven langs De Dreef en de nabijgelegen wegen.
Het erf wordt grotendeels ingericht als functioneel, verhard erf ten behoeve van een praktische bedrijfsvoering. Op bijgevoegde uitsnede van de inrichtingsschets is dit weergegeven, zie bijlage 1 van de regels voor het gehele schetsontwerp. De bedrijfswoning met tuin is in de westelijke hoek van het bouwvlak geplaatst. De bomenloods met een afmeting van 20 x 30 m ligt meer naar achteren op het terrein.
Het terrein zal landschappelijk worden ingepast door aan de westzijde van het verharde erf een haag aan te planten. Het achterste deel is een losse struweelhaag, het voorste deel bij de woning is een geschoren haag. Aan de wegzijde van het plangebied is een klein deel als gazon ingericht met een markante boom met een geschoren haag daaromheen. De haag is dezelfde soort als die rondom de woning staat, zodat eenheid ontstaat.
Uitsnede van de inrichtingsschets (Buro SRO).
De Dreef heeft een agrarisch functieprofiel. Het merendeel van de terreinen heeft een agrarische bestemming; voornamelijk bomenkwekerijen. Een aantal van de percelen langs De Dreef heeft een woonbestemming. Het perceel is grotendeels al in gebruik als boomkwekerij. De toevoeging van een bomenloods en een bedrijfswoningen passen binnen de reeds aanwezige functionele structuur van het gebied.
Het plangebied heeft een agrarische bestemming. Er is echter geen bouwvlak opgenomen. De gronden mogen gebruikt worden ten behoeve van grondgebonden agrarische productie. Omdat er geen bedrijfsbebouwing op het perceel wordt toegestaan, kan niet zondermeer een agrarisch bedrijfsgebouw gebouwd worden ter plaatse. Ook een bedrijfswoning is niet toegestaan. Om toch agrarische bedrijfsbebouwing toe te staan, dient een bouwvlak opgenomen te worden.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten. Lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is duurzame verstedelijking. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). Het Bro beschrijft wat stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
De SVIR richt zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend initiatief valt hier niet onder. Het Barro stelt in die zin geen regels voor het plangebied.
Ladder duurzame verstedelijking
In voorliggend plan wordt ter plaatse van een bestaande boomkwekerij een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning gerealiseerd. Dit valt echter niet onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.
Het initiatief is niet strijdig met geldend rijksbeleid.
Algemeen
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Gelderland. Deze zijn in 2014 vastgesteld en sindsdien een aantal keren geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe wetgeving of nieuwe initiatieven. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
Omgevingsvisie Gelderland
De omgevingsvisie heeft een tweetal doelen geformuleerd, te weten:
Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Deze versterking van de economie gebeurt in een andere context dan een aantal jaar geleden. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van 'groei' en meer in termen van 'beheer en ontwikkeling van het bestaande'. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. Dat betekent vooral:
De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent vooral:
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Dit vereist een denk- en cultuuromslag. Als leidend principe hanteren de provincie en partners de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen, staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik is in onderhavig plan van toepassing, de ladder bestaat uit de volgende stappen.
Indien uit bovenstaande blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre kan worden voorzien in de behoefte op locaties die niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Met de verordening worden de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie verantwoordelijk is juridisch gewaarborgd.
Omgevingsverordening Gelderland
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Gebiedsgericht
De regio Rivierenland staat traditioneel bekend als de fruitregio van Nederland. Het economisch beleid van de regio is erop gericht fruit en andere teelten zoals paddenstoelen- en laanboomteelt te versterken. De ambitie van de regio Rivierenland is om tot de top-5 van Europese tuinbouwregio´s voor fruit te behoren, door voortdurende innovaties, productontwikkeling en het vergroten van concurrentiekracht door kwaliteit en efficiëntie in de hele keten van het cluster.
Het gebied is aangeduid als intrekgebied voor water. Bescherming van het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening is hier van belang.
Er zijn in de Verordening geen specifieke aanduidingen voor natuur en landschap. Ruim buiten het plangebied zijn een aantal gebieden nader geduid, zoals het Gelders natuurnetwerk en weidevogelgebied in het Komgebied en in de uiterwaarden ganzenfourageergebied en Groene ontwikkelingzone. De uiterwaarden van de Waal zijn Natura 2000-gebied.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in of in de directe omgeving van het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
De ontwikkeling in het plangebied sluit aan bij de ambitie om de laanboomteelt verder te ontwikkelen. De ligging in intrekgebied heeft geen directe gevolgen voor de uitvoering van dit plan. Op basis van het bovenstaande past het plan binnen het provinciaal beleid.
Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik
In paragraaf 4.1 is in gegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij is aangeven dat met onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is daarom niet noodzakelijk.
Op 16 maart 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Neder-Betuwe 2015 vastgesteld. In de Structuurvisie is beschreven dat de gemeente een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving biedt. Alle kernen hebben een eigen karakteristiek woonmilieu, met een hechte sociale samenhang. De gemeente streeft nog steeds naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees kwaliteit) van de kern niet verloren gaat. De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied. Daar waar nodig zijn bij de kernen en/ of ontwikkelingslocaties waterbergingsvoorzieningen gerealiseerd.
Voor Neder-Betuwe geldt dat behoud van het bestaande buitengebied van belang is. Er gaat aandacht uit naar het verbeteren van de relatie met het omringende landschap en het verbeteren van de entrees van de dorpen.
Uitsnede uit structuurvisie
Bovenstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart die behoort bij de structuurvisie. Het plangebied is hierin rood omcirkeld. De gronden zijn gekenmerkt als 'teeltrijke oeverwallen'. Op de oeverwallen wordt het beeld nagestreefd van een informeel landschap met grillige bebouwings- en kavelpatronen. Dit informele beeld wordt bevorderd door de aanwezigheid van relatief veel beplanting langs de wegen en op de erven en in overhoekjes. Ook de grote afwisseling in grondgebruik draagt bij aan de kleinschaligheid. Dit streven wordt concreet gemaakt door de aanleg van streekeigen erfbeplanting bijvoorbeeld met hoogstamfruit van harte te ondersteunen. Laanboomteelt en fruitteelt creëren een zekere mate van beslotenheid en kleinschaligheid en dragen hierdoor in belangrijke mate bij aan het specifieke beeld van de oeverwallen. Het is van belang dat beide sectoren op de oeverwallen duurzame ontwikkelingsmogelijkheden behouden.
In de overige komgebieden richt de gemeente zich op het behouden van een verschil in schaalgrootte ten opzichte van de oeverwallen langs de Rijn en de Waal en de oeverwal van Gesperden. Bij de vormgeving van (geleidelijke) ontwikkelingen in dit gebied is het van belang de schaalgrootte te behouden. Concreet betekent dit dat terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van nieuwe erven voor agrarische bedrijven of burgerwoningen. Dergelijke initiatieven worden nader getoetst volgens de "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen".
Planspecifiek
De gemeente staat duurzame landbouw toe en wil dit ook vasthouden. Desalniettemin wordt in het kader van behoud van het landschap kritisch gekeken naar nieuwe initiatieven in het buitengebied. Om deze reden is extra beleid opgesteld, waaraan getoetst wordt om nieuwe agrarische bouwpercelen in het buitengebied te realiseren. Deze toetsing is voor dit plan ook gedaan en is opgenomen in paragraaf 4.3.3.
In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt.
De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.
De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.
De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.
In de gemeente Neder-Betuwe is gekozen het accent voor het behoud van de openheid te leggen op het door de provincie aangewezen weidevogelgebied, het Eldikse en Dodewaardse Veld. Het weidevogelgebied in het Eldikse en Dodewaardse Veld vormt het hart van het komgebied langs de A15 in contrast met de beslotenheid en kleinschaligheid van de oeverwal bij Ochten en Eldik in het zuiden en de oeverwal van Kesteren - Opheusden in het noorden. Uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing is vanuit een landschappelijke visie hier niet wenselijk.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in bestaand boomteeltgebied. Het perceel is al in gebruik voor de boomteelt. Het toevoegen van een bouwvlak past in het beleid van de Structuurvisie.
In de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" (2008) is de wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe agrarische bouwpercelen op plaatsen waar nog geen bebouwing aanwezig is, geschrapt uit het bestemmingsplan Buitengebied. Hierdoor is de aanwijzing van een nieuw bouwperceel alleen nog mogelijk met een planherziening. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar verder geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er zullen geen bouwpercelen in het komgebied worden aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn.
Deze criteria zijn de volgende:
Beschikbaarheid hergebruikslocatie
Criterium a: Er is aantoonbaar geen hergebruikslocatie voorhanden binnen het zoekgebied. Het zoekgebied wordt gedefinieerd als de zone binnen 1 kilometer van alle in eigendom zijnde, en voor de vestiging geschikte, percelen van de aanvrager. Met "geschikt" wordt bedoeld dat de omvang minimaal 1,5 ha dient te bedragen. Het aantoonbaar betekent dat het op de weg van aanvrager ligt om e.e.a. te onderbouwen, maar in elk geval dient de aanvrager minimaal 1 jaar actief te hebben gezocht naar een bestaande locatie (bijv. via inschrijvingen bij makelaars). Een hergebruikslocatie met uitsluitend een woning en/of totaal ongeschikte bebouwing danwel te weinig grond voor de benodigde bebouwing en/of in al deze gevallen met een aankoopprijs boven de € 400.000; wordt op voorhand beschouwd als ongeschikt.
Er is op basis van bovengenoemde criteria een concrete zoekopdracht gedaan naar geschikte percelen in de omgeving die in aanmerking zouden komen voor hergebruik ten behoeve van het agrarisch bedrijf van initiatiefnemers. Hiervan is echter geen sprake. Met een makelaar is sinds 10-01-2010 het aanbod van agrarische percelen gemonitord, echter zonder resultaat.
Volwaardig bedrijf
Criterium b: Het dient een volwaardig bedrijf te betreffen dat ook reeds minimaal drie jaar als volwaardig bedrijf operationeel is, hetgeen middels accountantsverklaringen hard kan worden gemaakt. De advisering over de volwaardigheid wordt in handen gesteld van de provincie of een andere onafhankelijke agrarische instantie.
Het betreft een volwaardig bedrijf en dat kan aan de hand van de gevraagde gegevens worden aangetoond.
Geen vestiging in agrarisch komgebied
Criterium: c. Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming "agrarisch gebied", dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. In het bestemmingsplan buitengebied Kesteren (1978) zijn deze gebieden globaal bestemd tot "agrarisch gebied met (hoge) landschappelijke waarden". Bij de herziening van dit bestemmingsplan worden deze gebieden opnieuw begrensd, waarbij de vigerende bestemming een belangrijk vertrekpunt is.
Vigerend bestemmingsplan
De locatie van het gewenste agrarische bouwvlak valt binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld. De vigerende bestemming is 'Agrarisch'. Op gronden met deze bestemming zijn landschappelijke waarden niet of zeer beperkt aanwezig. Het is dan ook niet aannemelijk dat landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden aangetast worden.
Landschapsontwikkelingsplan
Volgens het Landschapsontwikkelingsplan ligt de locatie van het gewenste bouwvlak op de Boomteeltrijke oeverwallen. Er wordt in dit gebied een geleiding van de uitbreidingsdruk van de boomteelt nagestreefd. Het beleid is erop gericht de landschappelijke zonering uiterwaard-oeverwal-kom te behouden. Dit gebied is van oudsher tamelijk besloten, met weinig beplanting in openbaar gebied, op kavelgrenzen en op erven. De voorgestelde perceelsinrichting met relatief weinig erfbeplanting past bij dit karakter. De nieuwe bebouwing is georiënteerd op de weg en de kenmerkende strokenverkaveling van oeverwal naar kom blijft in takt. De ontwikkeling van het boomteeltbedrijf op deze locatie past in het LOP.
Overwegend grondgebonden bedrijf
Criterium d: Het dient een overwegend grondgebonden bedrijf te betreffen (geen intensieve veehouderijen). Een uitzondering hierop wordt gevormd door containerteelt, welke formeel gezien niet grondgebonden is, maar wel als een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector wordt beschouwd. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie. Een overwegend handelsbedrijf (zowel in dieren als in planten) wordt niet beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ondergeschikte handelsactiviteiten passen uiteraard wel binnen een agrarische bestemming.
Het bedrijf, waarvoor een agrarisch bouwvlak is gewenst, teelt bomen. Het is daarom een bedrijf dat gekenmerkt wordt door een volledig grondgebonden bedrijfsvoering.
Bouwperceel van maximaal 1 ha
Criterium e: De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha, via wijziging onder de gebruikelijke voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha.
In dit plan is rekening gehouden met punt 5 door op de verbeelding een bouwvlak van 0,5 ha op te nemen. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waar onder voorwaarden dit bouwvlak vergroot mag worden naar maximaal 1,0 ha.
Bedrijfswoning
Criterium f: Indien een bedrijfswoning, met name voor gezinsbedrijven (niet voor het personeel), aantoonbaar noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (op advies van een onafhankelijk agrarische adviesinstantie), kan deze worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening.
De bedrijfswoning wordt noodzakelijk geacht voor de bedrijfsvoering. De woning is bedoeld voor de eigenaar van het bedrijf.
Gesitueerd aan verharde openbare weg
Criterium g: Een agrarisch bouwperceel wordt uitsluitend gesitueerd aan een verharde openbare weg en is bij voorkeur goed ontsloten.
Het gewenste bouwvlak wordt gerealiseerd aan De Dreef ong. te Dodewaard. Dit is een verharde weg die van diverse richtingen bereikbaar is. Om deze locatie vanuit de doorgaande wegen te bereiken is het niet noodzakelijk het landelijke gebied over grote afstanden te doorkruisen. Daarnaast is het in de nabijheid van de bestaande teeltgronden.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen het boomteeltconcentratiegebied. Dit is het gebied waar de laanboomteeltsector de ruimte krijgt. Realisatie van een nieuw bouwperceel past hiermee binnen de ambitie van de structuurvisie. Het plangebied is niet gelegen binnen weidevogelgebied. Uitbreiding van boomteelt op de planlocatie is vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt passend binnen de structuurvisie. Het plan voldoet aan de criteria zoals deze in de beleidsnotitie Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen zijn verwoord.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld", vastgesteld op 30 mei 2013. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, het weiden van dieren en hierbij behorende voorzieningen zoals gaarden en opslag. Omdat er geen bouwvlak van toepassing is mag geen bedrijfsbebouwing worden opgericht. Er mogen wel niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen worden opgericht, alsmede constructies voor gotenteelt met een hoogte van 4 meter. Ook mogen molens voor de waterhuishouding worden gebouwd en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet groter dan 10 m2 en niet hoger dan 2,50 m1.
Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Archeologie 4' voor het noordelijk deel van het perceel en 'Archeologie 5' voor het zuidelijk deel van het perceel. Voor een zone langs de watergang geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang', waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Ook is de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - weg' van toepassing voor een zone langs De Dreef.
Planspecifiek
Dit plan voorziet in de bouw van een bomenloods en een bedrijfswoning. Omdat het bestemmingsplan buitengebied op dit perceel geen bouwvlak kent zal het plan op dit punt gewijzigd worden.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In ruimtelijke procedures is het van belang om mogelijke hinder of overlast voor mensen voor het aspect geluid te beoordelen. Voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen is de Wet geluidhinder het wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
In de Wet geluidhinder staat beschreven dat alle wegen een zone hebben. Een uitzondering hierop zijn wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. De zone is een gebied waarbinnen een akoestisch onderzoek verplicht is als er een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de omgeving binnenstedelijk of buitenstedelijk is. In de onderstaande tabel staan de zonebreedtes gegeven.
| Aantal rijstroken | Zone-breedte [m¹] | |
| Zone langs wegen | binnenstedelijk | buitenstedelijk |
| 1 of 2 rijstroken | 200 meter | 250 meter |
| 3 of 4 rijstroken | 350 meter | 400 meter |
| 5 of meer rijstroken | 350 meter | 600 meter |
Tabel1: Zonebreedtes
In de Wet geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg binnen en buiten de bebouwde kom. In artikel 82 ,lid 1 staat dat voor deze woningen de geluidbelasting van het verkeerslawaai op de gevel maximaal 48 dB mag zijn. Dit wordt de voorkeurswaarde genoemd.
Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd:
Voor de bepaling van de geluidwering van de gevels (bij de bouwvergunning) mogen deze reducties niet worden toegepast.
Er wordt 10 jaar vooruit gerekend wat betreft de verkeersbelasting en de bijbehorende gevelbelasting.
Planspecifiek
Aan het plangebied wordt één geluidgevoelig object toegevoegd, namelijk de bedrijfswoning. Hierdoor is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van industrie-, wegverkeer- en spoorweglawaai.
Van industrie- en of spoorweglawaai is bij voorliggend plan geen sprake. De weg waaraan het plangebied ligt (De Dreef) is een 60 km/u weg. Het plangebied ligt daarmee binnen de geluidzone van 250 m van deze weg. Om het effect van het wegverkeerlawaai op de toekomstige woning te bepalen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 toegevoegd. De conclusie van het onderzoek is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek
De nieuwbouw van een bomenloods en een bedrijfswoning zal naar verwachting het aantal verkeersbewegingen doen toenemen. De toename is echter niet onevenredig veel, de gronden worden al gebruikt ten behoeve agrarische activiteiten. Verkeersbewegingen ten behoeve van deze activiteiten zullen niet toenemen. Het gaat dus enkel om extra verkeersbewegingen door het oprichten van een nieuwe loods en de bedrijfswoning. Overschrijding van de norm ten gevolge van verkeerstoename is echter niet aan de orde.
De verwachte toename van verkeer is, in een worst-case scenario, 50 verkeersbewegingen per weekdaggemiddelde, waarvan 10 procent bestaat uit vrachtverkeer. Uit berekening blijkt dat een toename van 45 verkeersbewegingen per weekgemiddelde en een toename van het vrachtverkeer van 5 per weekdaggemiddelde ruim onder de grens voor Niet in betekende mate valt.
Door realisatie van dit plan is er geen sprake van een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit aspect vormt geen belemmering voor realisatie van dit plan.
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart, waarbij de ligging van het plangebied is aangegeven met de gele stip (bron: risicokaart.nl)
Hieruit is op te maken dat in het plangebied geen risicovolle inrichting en/of leidingen aanwezig zijn. Ook in de nabije omgeving zijn er geen gevaarlijke instellingen of routes.
Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van 4 km. van de Betuweroute, welke gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Volgens de ''Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Neder-Betuwe 2015-2018'' is het risico van het spoor beperkt. Daar komt bij dat het aantal mensen binnen het plangebied (zeer) gering toeneemt. Er is geen negatief effect op de externe veiligheid te verwachten.
Dit plan is vanuit het aspect 'Externe Veiligheid' goed uitvoerbaar.
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 1.
Het perceel waar het bouwvlak op is geprojecteerd, is vanaf ca. 2005 gebruikt voor de bomenteelt. Daarvoor is het als weiland in gebruik geweest. Het terrein is onverdacht.
Uit de bodemmonsters blijkt dat in één van de 4 monsters wat resten puin en kolengruis in de toplaag aanwezig zijn, maar verder zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op een mogelijke afwijkingen. In het toplaagmonster en het onderlaagmonster liggen de gemeten waarden onder de achtergrondwaarde. Het perceel is onverdacht m.b.t. OCB’s. Desondanks zijn abusievelijk toch OCB’s geanalyseerd in beide mengmonsters. Er zijn in het mengmonster van de top- en
onderlaag geen verhoogde gehaltes aan OCB’s gemeten.
In het grondwatermonster ligt het bariumgehalte (61 ug/l) iets boven de streefwaarde (50 ug/l).
Gezien de aangetroffen gehaltes in de bodem en het grondwater mag de veronderstelling van onverdacht terrein worden gehandhaafd.
Geconcludeerd kan worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater dusdanig is, dat bodemkundig milieu-hygiënisch geen beletselen voor verdere ontwikkeling op de onderzoekslocatie aanwezig zijn.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 25 respectievelijk 50 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een gemeentelijke verordening af te wijken van de wettelijke normen. De gemeenteraad heeft een geurverordening vastgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. De vaststelling van de geurverordening is onderbouwd in de herziening van de Gebiedsvisie, behorende bij de geurverordening N-B 2011, vastgesteld 15 september 2011.
In de gebiedsvisie zijn kaarten opgenomen met achtergrondbelasting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de veehouderijen. Uit deze kaart (maximale geursituatie) is af te leiden dat ter plaatse van het plangebied de leefsituatie 'goed' is.
De bestaande veehouderijen in de gemeente Neder-Betuwe zijn op een ruime afstand (meer dan 600m ) van het nieuwe bouwvlak gelegen. Door deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen voor gevoelige functies te verwachten met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan. Ook worden geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door het initiatief. Verder onderzoek naar het aspect 'geur' is dan ook niet nodig.
Ten aanzien van het aspect geur is het plan uitvoerbaar.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
Op een afstand van 265 m van de locatie is een aannemersbedrijf gevestigd. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die milieuhinder kunnen veroorzaken. Geconcludeerd kan worden dat voor het te ontwikkelen bedrijf en de bedrijfswoning sprake is van een goede leefomgeving. Tevens worden de omliggende bedrijven niet (extra) in hun bedrijfsvoering belemmerd door de realisatie van het initiatief.
De meest nabij gelegen woningen liggen op 40 en 73 m afstand en vallen daarmee buiten de minimale afstand van 30 m die voor dit type bedrijf moet worden gehanteerd.
In het kader van bedrijven en milieuzonering is het plan uitvoerbaar.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan beschrijft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland, ook voor toekomstige generaties, veilig en leefbaar te houden. Daarnaast richt het plan zich op de kansen die water biedt beter te benutten.
Waterbeleid Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 (WBP) van Waterschap Rivierenland heeft als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om de lange termijn doelen te bereiken voor waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap. Het WBP beschrijft wat het waterschap in de planperiode 2016-2021 willen bereiken en hoe ze dat willen doen.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied is de Watertoets een belangrijk instrument. De watertoets blijft een belangrijk instrument om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangen van goed waterbeheer mee te wegen. Er mag in de toekomst geen nieuwe overlast (door bijvoorbeeld toename van verharding) ontstaan. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.
Bij de watertoets hebben we ook oog voor drinkwater, grondwater en beleving van water.
De watertoets is ook een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de voorliggende waterparagraaf worden de resultaten van de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg te zijner tijd opgenomen.
Waterplan Neder-Betuwe
Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Het Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012).
Het Waterplan kan gezien worden als het samenvattend gemeentelijk Waterhuishoudingsplan op hoofdlijnen, waarin de gemeente haar beleid ten aanzien van het waterbeheer en -gebruik vastlegt. Dit beleid geeft enerzijds een visie op de ruimtelijke inpassing van watertaken en de organisatie van het waterbeheer en anderzijds een programma van activiteiten waarmee de wateropgave voor de toekomst wordt afgedekt. Het waterplan geeft hierdoor een samenhang aan andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt, zoals het baggerplan, waterhuishoudingsplannen, rioleringsplannen en afkoppelplannen. Bovendien schept het waterplan randvoorwaarden en uitgangspunten voor milieu- en RO-plannen binnen de gemeente.
Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming als een mede ordenende factor worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Op deze manier wordt vroegtijdig zicht verkregen op de gevolgen voor het watersysteem en de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder is het nodig dat nieuwe ontwikkelingen hydrologisch neutraal worden aangelegd. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in bestemmingsplannen planologisch veilig gesteld.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat een voornemen geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatieve zin als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat:
1. De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie;
2. De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
3. De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren;
4. De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
5. Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied.
Planspecifiek
Voor het plan is de digitale watertoets ingevuld (zie bijlage ).
De voorgenomen bedrijfsverplaatsing gaat gepaard met de bouw van een nieuwe bomenloods en een bedrijfswoning. In de huidige situatie is het terrein onverhard. In de nieuwe situatie zal 2.900 m2 worden verhard (woning en bomenloods ca. 700 m2 en erfverharding ca. 2.200 m2). Dit betreft het plangebied exclusief de gronden voor groen.
Ten noorden en westen van het plangebied liggen een A- en een B-watergang.
Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.
Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht. Dit is bij de voorliggende situatie het geval. Van de toename verhard oppervlak van 2.900 m² is vanwege de ligging in landelijk gebied eenmalig 1.500 m³ vrijgesteld. Dit zorgt ervoor dat de overige 1.400 m² moet worden gecompenseerd
De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke
afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met een ontwerpbui T=10+10% neerslag; vuistregel hierbij is 436 m³ berging per hectare verhard oppervlak.
De vereiste compensatie wordt aan de hand van de vuistregels berekend. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De berekening is dan als volgt:
Bij T=10+10% neerslag:
Benodigde compensatie = (Toename verhard opp. - vrijstelling) / 10.000 * 436
Dit resulteert in een benodigde compensatie van 1.400 / 10.000 * 436 = 61 m3
Te treffen voorziening
Er moeten voorzieningen worden getroffen om de benodigde compensatie te realiseren. Bij berging op het oppervlaktewater, mag gerekend worden met 30 cm berging capaciteit. Op basis van de benodigde capaciteit is een oppervlakte van 203 m² noodzakelijk. Aan de noord- en westkant van de planlocatie worden de bestaande watergangen verbreed. In totaal bedraagt de omvang van de watercompensatie op het eigen terrein 240 m², waardoor ruim wordt voldaan aan de te compenseren norm. Voor het verbreden van de watergangen zullen de benodigde verguningen te zijner tijd worden aangevraagd.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Archeologie
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.
Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
Planspecifiek
Archeologie
Het deel van het perceel van De Dreef - ong, waarop de bedrijfswoning en de bomenloods worden gebouwd, heeft een hoge archeologische trefkans (in oranje). Het archeologisch beleid voor de locatie, laat ook zien dat dit deel het perceel reeds verstoord is door boomteelt. Voor deze gronden geldt een vrijstelling tot max. 1000 m² en een diepte tot 50 cm -mv. Meer naar achteren op het perceel is een lage archeologische trefkans (groen).
De oppervlakte van de bedrijfswoning en de bomenloods samen blijft onder de 1000 m² en nader archeologisch onderzoek is daarmee niet nodig.
In het bestemmingsplan krijgt de locatie bescherming door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast', overeenkomstig het bestemmingsplan Archeologie dat in voorbereiding is.
Uitsnede archeologisch beleidskaart
Cultuurhistorie
In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Dit is een criterium dat daarbij ook voortvloeit uit de criteria die gesteld worden vanuit de "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen".
Planspecifiek
Het perceel ligt aan De Dreef. Dit is een verharde weg die dient om de aangelegen percelen te ontsluiten. De weg heeft verder geen verbindende functie. Het perceel in casu is reeds in gebruik als kwekerij. Door het opnemen van een bouwvlak op dit perceel, waarbij een bedrijfswoning en een bomenloods worden toegestaan, zal het aantal verkeersbewegingen licht stijgen, naar schatting maximaal 50 verkeersbewegingen per dag. Omdat het echter een bestaande kwekerij betreft is er geen sprake van een onevenredige toename.
Vanuit parkeren zal het plan voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid (Parapluregeling Parkeren). In dit beleid wordt een parkeernorm gehanteerd van 2,8 parkeerplaatsen per woning en 1,3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. (categorie arbeidsextensief / bezoekersextensief). De toekomstige schuur heeft een omvang van 600 m². Voor het bedrijf is een norm van (1,3*6) 7,8 van toepassing. Gezamenlijk geldt voor dit plan een parkeerbehoefte van afgerond 11 parkeerplaatsen. Gelet op de toekomstige bedrijfsactiviteit (het gebruik van één schuur als opslaglocatie) zal de behoefte in de praktijk echter (ruim) onder de 11 liggen. Op het eigen terrein is desalniettemin voldoende ruimte aanwezig voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. De aanleg van de parkeerplaatsen conform het gemeentelijk beleid zal worden geborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Ten aanzien van het aspect verkeer is het plan uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is het Gelders Natuurnetwerk (GNN, voorheen EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Het GNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het GNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Op de locatie De Dreef ong. is in de huidige situatie sprake van het gebruik van de agrarische gronden voor boomteelt. Er is hiermee sprake van een (reeds langere tijd) intensief agrarisch gebruik. Er is geen bebouwing aanwezig. Om deze reden is de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied niet waarschijnlijk.
Om hierover zekerheid te krijgen is een quick scan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 4. Hierin wordt geconcludeerd dat er geen beschermde natuurwaarden of beschermde gebieden zullen worden aangetast en dat het plan uitvoerbaar is. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels en met mogelijke kolonisatie van rugstreeppadden. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden genomen om effecten te voorkomen. De te treffen maatregelen zijn opgenomen in het onderzoeksrapport.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is daarmee aangetoond.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Kostenverhaal
Er is sprake van een bouwplan volgens artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waar op basis van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan voor dient te worden vastgesteld. Voor dit plan hebben gemeente en initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afgesloten waarin het kostenverhaal is geregeld. Hierin is onder andere opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer.
Het initiatief is daarmee economisch uitvoerbaar.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Dit plan kent geen noemenswaardige bijzonderheden.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er voor belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, de mogelijkheid in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de provincie en het waterschap.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 11 april 2019 tot en met 22 mei 2019 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen tegen het plan ingediend.