direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hengevelde, wijzigingsplan Haaksbergerstraat 2
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

De initiatiefnemer heeft bij de gemeente het verzoek ingediend voor het realiseren van een woning op het perceel aan de Haaksbergerstraat 2 in Hengevelde. De gemeente is in principe bereid aan het verzoek medewerking te verlenen.

1.1 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan Hengevelde. Dit plan is vastgesteld op 27 maart 2012. De locatie heeft de bestemming "Groen - Groene ruimte", de dubbelbestemming "Waterstaat - Bebouwingsvrij" en is voorzien van een gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 3'. Het plangebied ligt geheel binnen deze aanduiding. Op grond van deze aanduiding is het mogelijk het bestemmingsplan "Hengevelde" te wijzigen en ter plaatse van het plangebied een woning toe te staan.

Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding weer. Het plangebied is rood omcirkeld weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: Uitsnede vigerende verbeelding (bron: bestemmingsplan "Hengevelde")

1.2 Het plangebied

Het plangebied grenst aan de westzijde aan de Needsestraat, waar ook de ontsluiting plaatsvindt. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan bedrijfsbebouwing op het perceel Haaksbergerstraat 2. Ten oosten en zuiden grenst het plangebied aan groen gebied.

Navolgende afbeeldingen geveb de globale ligging van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0002.jpg"

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0003.jpg"
Afbeelding 1.3: Ligging plangebied ten opzichte van de kern Hengevelde

1.3 Leeswijzer

De toelichting van het wijzigingsplan is als volgt opgesteld. In het volgende hoofdstuk komt de beschrijving van het plangebied aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante beleid. De resultaten van diverse onderzoeken komen in hoofdstuk 4 aan bod. De planbeschrijving wordt in hoofdstuk 5 uiteengezet, in hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de regels. Ten slotte gaan hoofdstuk 7 en 8 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plangebied/de huidige situatie

Hengevelde ligt in de gemeente Hof van Twente en heeft circa 2000 inwoners (2013). Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Hengevelde aan de provinciale weg van Hengevelde naar Neede. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal bedrijven en woningen.

Navolgende afbeelding geeft de topografische ligging van het plangebied weer. Het plangebied is rood omcirkeld weergegeven. Voor een exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij voorliggend wijzigingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0004.jpg"

Afbeelding 2.1: Ligging plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied is een deel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Ambt Delden, sectie K, nummer 738. Het plangebied krijgt in het voorliggende wijzigingsplan een woonbestemming. Het plangebied komt overeen met het deel dat op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan "Hengevelde" is aangeduid met een wijzigingsbevoegdheid.

Het plangebied grenst aan de westzijde aan de Needsestraat, waar ook de ontsluiting plaatsvindt. Aan de noordkant ligt bedrijfsbebouwing en aan de oost en zuidzijde een groen gebied. Ten westen van het plangebied loopt een watergang.

Navolgende afbeelding geeft het plangebied en de directe omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0005.jpg"

Afbeelding 2.2: Foto bebouwing Haaksbergerstraat 2 Afbeelding 2.3: Foto plangebied vanaf Needseweg

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0006.jpg"

Afbeelding 2.4: Foto aangrenzende perceel (Rotink Ijzerwaren) Afbeelding 2.5: Foto plangebied

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van relevant beleid

3.1 Algemeen

Dit hoofdstuk beschrijft het relevante rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit hoofdstuk verwoord en afgewogen en indien noodzakelijk op de verbeelding en in de regels vertaald.

Het volgende beleidsstuk is wel bekeken voor het plangebied, maar heeft, gelet op het schaalniveau van het beleidsstuk en de geringe omvang en impact van het plan, geen invloed op de ontwikkeling:

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, d.d. 13 maart 2012.

Deze visie is daarom ook niet verder toegelicht in deze toelichting.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciale ruimtelijke ordeningsbeleid is weergegeven in de Omgevingsvisie Overijssel. De omgevingsvisie is vastgesteld op 1 juli 2009. De omgevingsvisie presenteert het provinciaal belang en beleid in de fysieke leefomgeving. Tijdshorizon van de visie is 2030. De omgevingsvisie heeft de status van structuurvisie onder de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening.

Gelijktijdig met de Omgevingsvisie Overijssel is de Omgevingsverordening Overijssel 2009 vastgesteld. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waaraan de provincie waarde hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch is geborgd. De thema's die in de omgevingsvisie aan bod komen, zijn op zich niet nieuw; het zijn thema's waar de provincie zich mee bezig hoort te houden. Er zijn echter twee elementen aan toegevoegd die leidend zijn voor alle beleidskeuzes: duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke kwaliteit is de goede functie op de goede plek op de goede manier ingepast in de omgeving. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

In de omgevingsvisie schetst de provincie een ontwikkelingsvisie voor Overijssel. De ontwikkelingsvisie bestaat uit een aantal ontwikkelingsperspectieven. Met deze ontwikkelingsperspectieven schept de provincie de ruimtelijke ontwikkelingsvisie om de beleids- en kwaliteitsambities te realiseren. De provincie heeft de ontwikkelingsperspectieven ingedeeld in de Groene en de Stedelijke Omgeving.

Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief ‘Buitengebied, accent veelzijdige gebruiksruimte: mixlandschap'. Dit betekent dat er ruimte wordt geboden voor zowel landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, vrije tijd, wonen alsmede overige bedrijvigheid. Gelet op de ligging van het plangebied aan de rand van de kern Hengevelde, grenzend aan een bedrijfsperceel, kan gesteld worden de realisatie van een woning passend is binnen het ontwikkelperspectief.

Naast de ontwikkelingsperspectieven stelt de provincie middels het vaststellen van gebiedskenmerken voorwaarden aan de uitvoering van een ontwikkeling. De gebiedskenmerken zijn onderverdeeld in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuur-landschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag).

Natuurlijke laag

In de Natuurlijk laag is het plangebied opgenomen in het gebiedstype 'beekdalen en natte laagtes'. De beekdalen en natte laagtes zijn belangrijke ruimtelijke en functionele dragers van de zandgebieden. De beken voeren het water af naar lager gelegen delen, maar vormen ook belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Samenhang en dynamiek zijn belangrijk voor het functioneren van het watersysteem. Aan het plangebied grenst een watergang. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op het functioneren van de watergang. De bebouwingsvrije zone rondom de watergang wordt in acht genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0007.jpg"

Afbeelding 3.1: Uitsnede kaart 'Natuurlijke laag' (plangebied rood omcirkeld)

Laag van het agrarisch-cultuur-landschap

In de laag van het agrarisch cultuurlandschap maakt het plangebied onderdeel uit van het gebiedstype 'jonge heide- en broekontginningslandschap'. Veel heidegebieden en nattere delen van het landschap zijn ontgonnen en/of vergaand ontwaterd. Daarmee is een nieuw landschap ontstaan. De dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende grote ruimtematen bepalen nu het beeld. De voorgenomen realisatie van een woning ter plaatse van het plangebied heeft geen negatieve effecten op de kenmerkende waarden van het ontginningslandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0008.jpg"

Afbeelding 3.2: Uitsnede kaart 'Agrarisch cultuurlandschap' (plangebied rood omcirkeld)

Voor de 'stedelijke laag' en de 'lust en leisure laag' zijn ter plaatse van het plangebied geen specifieke gebiedskenmerken opgenomen. Het plangebied grenst aan het gebiedstype 'woonwijken 1955 - nu'.

Voor woningbouw buiten het bestaande stedelijke gebied geldt op grond van het provinciale beleid dat dit mogelijk is wanneer dit zorgvuldig wordt ingepast en de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de geldende gebiedskenmerken en ontwikkelingsperspectieven.

Conclusie 

Aangezien onderhavig wijzigingsplan voorziet in de herontwikkeling van een gebied direct grenzend aan de bestaande kern van Hengevelde en ruimtelijk gezien onderdeel uitmaakt van deze kern, kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid. De gebiedskenmerken die voor het plangebied gelden vormen geen belemmering voor de realisatie van een woning.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan "Hengevelde"

Het plangebied heeft de bestemming "Groen - Groene Ruimte" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Bebouwingsvrij". Op het plangebied rust een wijzigingsbevoegdheid (Gebiedsaanduiding wro-zone - wijzigingsgebied 3). Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid is het college van burgemeester en wethouders bevoegd medewerking te verlenen aan de realisatie van één woning onder de volgende voorwaarden:

  • a. uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor vestiging van de woning;
  • b. de woning vormt geen belemmering voor bedrijfsactiviteiten in de omgeving;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

In hoofdstuk 4 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de verschillende wet- en regelgeving. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft de omgeving en dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. de voorgenomen realisatie van één woning in aansluiting op de aanwezig dorpsbebouwing zorgt daarnaast niet een aantasting van de stedebouwkundige kwaliteit.

Geconcludeerd wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling voldaan wordt aan de voorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan.

3.3.2 Structuurvisie Hengevelde

In 2009 is in opdracht van de gemeente de Structuurvisie Hengevelde opgesteld. De gemeenteraad heeft de structuurvisie vastgesteld op 10 maart 2009. De structuurvisie bevat hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen en hoofdzaken van uit te voeren beleid. In de visie is een kaart opgenomen met daarop aangegeven welke ruimtelijke activiteiten in welke gebieden gewenst zijn en zijn voorzien in de periode tot 2020.

De ruimtevraag voor wonen en werken is in Hengevelde van dusdanige omvang, dat deze niet binnen de bestaande bebouwde kom kan worden opgevangen. Daarom is ruimte nodig voor uitbreiding.

Het plangebied ligt aan de rand van de kern Hengevelde. Het realiseren van een woning op deze locatie is niet in strijd met de visie.

3.3.3 Structuurvisie Landelijk gebied

In de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Dit integratiekader schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood voor rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt.

Daarnaast beschrijft de visie de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden.

De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

Op basis van de structuurvisiekaart ligt het plangebied in een kampenlandschap. In het kampenlandschap dient het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen te worden onderhouden en waar mogelijk hersteld.

De te realiseren woning is gelegen op een locatie grenzend aan de kern Hengevelde. De nieuwbouw doet geen afbreuk aan het kampenlandschap het kleinschalige patroon wordt behouden.

3.4 Toekomstvisie 'Hof van Twente Zicht op 2030'

De gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente heeft op 1 juni 2010 de toekomstvisie ‘Hof van Twente Zicht op 2030’ definitief vastgesteld.

Het doel van de toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente Hof van Twente nu en straks. Daarnaast geeft de visie ook een mogelijk toekomstperspectief specifiek voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. Dit toekomstperspectief is geschreven in de vorm van een twintigtal streefbeelden voor 2030. Deze beelden gaan over mens, ruimte en economie.

Voor het voorliggende wijzigingsplan is onder andere het volgende streefbeeld relevant:

"Kwaliteit woningbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven"

De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie: de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In 2030 bestaat op het gebied van de volkshuisvesting de grootste opgave uit het vervangen van in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gebouwde wijken/woningen. Dit gaat gepaard met verduurzaming. Wooncomplexen met een diversiteit van wooneenheden zijn in de grotere kernen ontstaan. De traditionele twee-onder-een-kap-woningen zijn geleidelijk wat teruggelopen in aandeel.

Het plangebied betreft een locatie aan de rand van de kern Hengevelde. Realisatie van een woning op een dergelijke aan bebouwing grenzende locatie, past binnen de toekomstvisie van de gemeente.

3.5 Welstandsnota

De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij is zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen.

Het plan valt binnen het gebied "Kampen en Essen". Voor bebouwing in dergelijke gebieden zijn in de welstandsnota criteria opgenomen. Deze criteria hebben betrekking op plaatsing, hoofdvorm, gevel, detaillering en erf. Het bouwplan zal nader uitgewerkt worden conform deze criteria. In het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' zal de welstandscommissie ten aanzien hiervan een advies uitbrengen.

3.6 Gemeentelijk mobiliteitsplan

De gemeente heeft in december 2007 een mobiliteitsplan vastgesteld. Dit plan biedt een overzicht van maatregelen op verkeersgebied die erop gericht zijn om de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de veiligheid van de woningen en de bedrijven te verbeteren. Dit plan biedt tevens een kader waaraan ruimtelijke plannen met betrekking tot deze aspecten kunnen worden getoetst. In het bijbehorende maatregelenpakket wordt het beleid naar de praktijk vertaald.

Relevante doelstellingen zijn de volgende:

  • het wegen- en stratennet wordt duurzaam veilig ingericht en heringericht;
  • het fietsverkeer wordt gestimuleerd, het fietsroutenetwerk wordt verbeterd;
  • bij nieuwbouwplannen wordt een parkeertoets en een mobiliteitstoets uitgevoerd.

Met deze doelstellingen wordt bij het beheer, de inrichting en de eventuele ontwikkelingen in het plangebied rekening gehouden.

Verder gelden voor het vrachtwagenverkeer van en naar bedrijventerreinen de volgende specifieke doelstellingen:

  • de bereikbaarheid van bedrijventerreinen moet gewaarborgd blijven en, waar mogelijk en noodzakelijk, worden verbeterd. Het gaat daarbij om een goede directe ontsluiting van verkeer en vrachtverkeer naar het hoofdwegennet, zodat dit (vracht)verkeer niet (meer) door de woonwijken rijdt als het daar niet thuis hoort;
  • vanwege de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de verkeersveiligheid moet het parkeren en laden en lossen op eigen terrein plaatsvinden en niet op de openbare weg.

Ten slotte streeft de gemeente ernaar om op het gemeentelijke grondgebied geen reguliere routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vast te stellen.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is het onderdeel 'parkeren' uit het gemeentelijk mobiliteitsplan van belang. Uitgangspunt in het mobiliteitsplan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende ruimte gereserveerd moet zijn voor de aanleg van parkeerplaatsen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden de algemeen aanvaarde kengetallen van het CROW gehanteerd.

Onderhavige ontwikkeling houdt rekening met de beleidsuitgangspunten ten aanzien van parkeren, in paragraaf 4.9 wordt hier nader op ingegaan.

3.7 Water

Het gemeentelijk waterbeleid is vastgelegd in het Waterplan Hof van Twente (2004) en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2008-2012 (2009). Hieronder wordt een samenvatting gegeven van deze plannen.

Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders - de waterschappen Regge en Dinkel en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap

Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.

  • Ruimte voor water

De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

  • Beleving van water

In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2008-2012 (GRP)

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater;
  • grondwater(maatregelen).

De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het GRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:

De trits "vasthouden - bergen - afvoeren" houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.

De trits "schoonhouden - scheiden - schoonmaken" omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement te worden verhoogd.

In het GRP zijn de gemeentelijke zorgplichten nader gedefinieerd. Maatregelen in particulier gebied behoren tot de zorgplichten van de eigenaar.

3.8 Monumentale bomenlijst

Het college van B&W heeft een lijst met monumentale bomen in Hof van Twente vastgesteld. De status van een monumentale boom is sterk en is vastgelegd in de Bomenverordening. Voor een monumentale boom wordt in beginsel geen kapvergunning afgegeven. De bomenlijst is dynamisch. Nieuwe bomen en boomgroepen kunnen aan de lijst toegevoegd worden en ook kunnen houtopstanden eraf worden gehaald. De lijst bestaat nu uit ongeveer 320 monumentale houtopstanden. Ten behoeve van deskundige advisering omtrent de monumentale bomen heeft het college een Bomencommissie aangesteld.

In de toelichting op de Bomenverordening wordt een bepaalde wijze van bestemmen van de monumentale bomen voorgeschreven. In het plangebied van het voorliggende wijzigingsplan staan geen beschermenswaardige bomen.

3.9 Bodembeleid

De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico's opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

3.10 Archeologiebeleid

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht. In paragraaf 4.4 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid.

3.11 Nota externe veiligheid

De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.

3.12 Groenstructuurplan

Het gemeentelijke groenstructuurplan bevat een lange termijn visie op de inrichting en het beheer van het groen in de openbare ruimte. Groene elementen in de openbare ruimte hebben veelal een onderlinge samenhang en vormen zo een groenstructuur. Deze structuur hangt nauw samen met de stedenbouwkundige en ruimtelijke opbouw van een stad of dorp. Vaak is de aanwezigheid van groen gekoppeld aan rode functies (gebouwen) doordat het deze aankleedt of accent geeft. De relatie tussen groen en rood is dan ook een belangrijk aspect binnen een Groenstructuurplan.

Binnen de groenstructuur speelt de bomenstructuur een overheersende rol. Bomen zijn door hun ruimtelijke werking de meest beeldbepalende groenelementen en daarom sterk sfeerbepalend. Om die reden heeft de gemeente ook een aparte Bomenverordening waarin voorgeschreven wordt hoe moet worden omgegaan met het 'Bewaren van houtopstanden'.

Verder zijn ook vakbeplantingen, gazons en waterelementen van betekenis binnen de groenstructuur. Een belangrijke opgave van het Groenstructuurplan is om alle groene en blauwe onderdelen te integreren tot een samenhangend geheel dat op basis van één visie wordt beheerd en ontwikkeld.

Ten aanzien van onderhavig plangebied is in het groenstructuurplan aangegeven dat het gewenst is om de verschillende kenmerken van het gebied rondom Hengevelde meer herkenbaar te maken. Dit geldt ondermeer voor de entree vanaf de Needestraat: het is gewenst de openheid van de heideontginning te behouden.

Hoewel de voorgenomen ontwikkeling de openheid van het landschap ter plaatse beperkt, doet dit - gelet op de beperkte aard en omvang - aan de gehele entree geen afbreuk.

3.13 Geluidbeleid

Op 22 maart 2011 is de nota gemeentelijk geluidsbeleid vastgesteld. Deze nota bevat in hoofdlijnen het gemeentelijk geluidbeleid met betrekking tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en bouwlawaai.

De nota zorgt ervoor dat geluidsaspecten in te nemen milieu, ruimtelijke en bouw- en woningtoezichtbesluiten zorgvuldig worden afgewogen en meegewogen. Uitgangspunt daarbij is dat gezondheidseffecten door geluidsoverlast zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel worden beperkt door het stellen van geluidnormen. Tegelijkertijd worden bedrijfsmatige activiteiten niet onnodig beperkt.

Op grond van de nota is het gemeentelijk grondgebied in gebiedstypen ingedeeld. De nota bevat uitspraken met betrekking tot het gewenste ambitieniveau (voorkeurswaarde) en het maximale toelaatbare geluidniveau ten gevolge van industrielawaai en wegverkeerslawaai voor nieuwe situaties in die gebieden. Aanscherping van geluidnormen voor bestaande situaties vindt in beginsel niet plaats tenzij lokale vraagstukken daarom vragen.

Het plangebied valt onder het gebiedstype 'buurten'. Hiervoor geldt volgens het gemeentelijk beleid voor wegverkeerslawaai een ambitieniveau van 39 dB en een plafondwaarde van 48 dB. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek, zie paragraaf 4.2, blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai voor de Needseweg maximaal 52 dB bedraagt. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder en het gemeentelijke ambitieniveau, is de voorgenomen ontwikkeling tevens getoetst aan de gemeentelijke Beleidsregel hogere waarde. Hieruit blijkt dat enkel ter plaatse van de voorgevel de waarden overschreden worden en dat ter plaatse van de zijgevels en achtergevel sprake is van een geluidluwe gevel. Tevens is er aan de achterzijde vand e woning sprake van een geluidluwe buitenruimte. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat waarbij voldaan wordt aan de eisen in de Beleidsregel hogere waarden.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten/onderzoek

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en overige aspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties.

4.1 Bodem

Bij een wijzigingsplan moet worden bepaald dat de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Door Kruse Milieu BV. is een verkennend bodemonderzoek, d.d. september 2016, uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat ter plaatse van het plangebied de bodem licht verontreinigd is lood en barium. Deze gehalten zijn dermate laag dat geconcludeerd kan worden dat de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen en tuin).

Conclusie

De bodem wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het aspect 'bodem' vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig wijzigingsplan.

Het gehele bodemonderzoek is als bijlage 1 bij toelichting toegevoegd.

4.2 Akoestiek

Kader

De woning ondervindt een geluidbelasting ten gevolge van de Needseweg, de Goorsestraat en de Haaksbergerstraat. In de Wet geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels voor woningen binnen een zone vanwege de weg. De voorkeursgrenswaarde (ondergrens) bedraagt 48 dB. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente op basis van het Besluit geluidhinder een hogere toelaatbare waarde vaststellen. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde bedraagt 63 dB.

Aangezien de toekomstige woning in de geluidzone van wegen is gelegen, is door Aveco de Bondt akoestisch onderzoek verricht naar de toekomstige geluidbelasting op de gevels van de woning.

Toetsing

Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen:

  • Ten gevolge van de Needsestraat bedraagt de hoogste geluidbelasting 52 dB (incl. aftrek 5 dB ex artikel 110g Wgh). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden;
  • Ten gevolge van de Haaksbergerstraat bedraagt de hoogste geluidbelasting 38 dB (incl. aftrek 5 dB ex artikel 110g Wgh). Hiermee wordt op alle beoordelingspunten voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB;
  • Ten gevolge van de Goorsestraat bedraagt de hoogste geluidbelasting 37 dB (incl. aftrek 5 dB ex artikel 110g Wgh). Hiermee wordt op alle beoordelingspunten voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB;
  • De gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh bedraagt ten hoogste 57 dB. In het kader van de omgevingsvergunning is aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels derhalve noodzakelijk;
  • Aangezien de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Needsestraat overschreden wordt zijn bron- en overdrachtmaatregelen bepaald. Geconcludeerd is dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig en toepasbaar zijn. Er wordt wel voldaan aan de maatregelen bij de ontvanger conform het gemeentelijk beleid, waaronder het beschikken over een geluidluwe gevel;
  • Ten gevolge van de optredende geluidbelasting vanwege de Needsestraat worden Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hof van Twente verzocht om hogere grenswaarden vast te stellen.

Conclusie

Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat niet voor alle geveldelen voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder. Voor de geluidbelasting ter plaatse van de voorgevel zal een hogere waarde verleend moeten worden. Aan de gemeentelijke voorwaarden voor het verlenen van een hogere waarden wordt voldaan.

Het akoestisch onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting toegevoegd.

4.3 Flora en fauna

Kader

De Flora- en faunawet is per 1 april 2002 van kracht. In die wet is de zorgplicht, artikel 2, opgenomen. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Naast de zorgplicht voor álle dieren en planten zijn in de Wijziging Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet van 25 januari 2005 (Staatscourant, 2 februari 2005), drie tabellen opgenomen met een overzicht van beschermde inheemse dieren en planten. Ter voorkoming van verontrusting, verstoring, doden, vernieling van vaste rust- of verblijfplaatsen e.d. van beschermde soorten dient voorafgaand aan plan- en visievorming, uitvoering, verstrekken van vergunningen en aanleg- of reconstructiewerken een inventarisatie plaats te vinden van de beschermde flora- en faunasoorten, met daaraan gekoppeld een beschrijving van de effecten en eventuele mitigerende (maatregelen om het fysische effect van barrières te verminderen) en compenserende maatregelen om de eventuele negatieve effecten te beperken of te voorkomen. Op basis van de aangetroffen soorten dient er een afweging plaats vinden voor de instandhouding van de biodiversiteit en hun ecotoop.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het wijzigingsplan, dienen de verbodsbepalingen artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet in acht te worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek dient te worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Flora- en faunawet bescherming genieten. Met name binnen de stedelijke omgeving dient aandacht te worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen. Tevens dient te worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Indien inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Flora- en faunawet zijn vastgesteld, kan een vrijstelling gelden of een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd.

Toetsing

Soorten

Het plangebied wordt omsloten door een weg, bedrijfsbebouwing en weilanden en is in gebruik als tuin en weiland. De begroeiing bestaat uit gras en wordt intensief beheerd.

Door de bestaande inrichting en het bestaande gebruik kenmerkt het plangebied zich door contrasten tussen beweging en rust, donker en licht, lawaai en stilte. Daarmee is het plangebied en zijn omgeving alleen geschikt voor soorten die zich makkelijk aanpassen aan wisselende omstandigheden. Dit zijn de soorten die het meest verspreidt zijn en waarvoor het lichtste beschermingsregime geldt: de algemene soorten. Voor de mogelijke verstoring van dergelijke soorten door ruimtelijke ingrepen wordt in de Ffw vrijstelling verleend.

Die vrijstelling wordt verleend zonder expliciete voorwaarden te stellen. Wel geldt de algehele zorglicht om beschermde dier- en plantensoorten niet te verstoren. Dit houdt onder andere in dat maatregelen dienen te worden genomen om te voorkomen dat de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van vogels worden verstoord.

Gebieden

Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Het meest nabijgelegen gebied uit de Natuurbeschermingswet 1998 betreft het Natura 2000-gebied Boddenbroek, dat is gelegen op een afstand van ruim 3,5 km. Op ongeveer 1,5 km ten zuiden en noordwesten van het plangebied liggen de meest nabijgelegen gebieden uit de Ecologische Hoofdstructuur. Het betreft hier een bosgebied. Er liggen in de wijde omgeving van Hengevelde geen aangewezen weidevogel- of ganzengebieden.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voor de uitvoering van het wijzigingsplan geen vrijstelling of ontheffing van de flora –en faunawet benodigd is. Tevens is het beschermingsregime voor natuurgebieden niet relevant voor dit wijzigingsplan. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de uitvoering van het wijzigingsplan niet wordt belemmerd door de van toepassing zijnde natuurwetgeving.

4.4 Archeologie

Kader

Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.

Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Het belangrijkste doel van deze wet is het behoud van het archeologisch erfgoed ter plekke. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt ruimte voor de overweging om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Wie dan ondanks de aanwezigheid van archeologische waarden toch de grond in wil, moet archeologisch (voor)onderzoek doen en de kosten daarvan op zich nemen. Ook als het onderzoek uiteindelijk tot een opgraving leidt.

De gemeente Hof van Twente heeft het Rijksbeleid uitgewerkt in gemeentelijk archeologiebeleid. Zie hiervoor paragraaf 3.10.

Toetsing

De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Conform het gemeentelijk beleid geldt voor gronden met een dergelijke verwachting een onderzoeksnoodzaak bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan 10 hectare. Aangezien het plangebied ruim kleiner is dan 10 hectare geldt voor onderhavige ontwikkeling geen onderzoeksnoodzaak.

Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0009.jpg"

Afbeelding 4.2: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: Archeologische verwachtingskaart Hof van Twente)

Conclusie

Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart kan worden geconcludeerd dat erin het plangebied geen te beschermen archeologische waarden voorkomen welke door de voorgenomen ontwikkeling geschaad kunnen worden.

Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) in verband met de mogelijkheid tot toevalsvondsten.

4.5 Water

Kader

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is dat de ‘watertoets’ wettelijk verplicht is gesteld. De watertoets kan vooral worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen.

Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Vechtstromen. Het waterschap Vechtstromen maakt voor de watertoets gebruik van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl).

Toetsing

Door Aveco de Bondt is op 1 november 2016 ten behoeve van onderhavige ontwikkeling de digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat er met het waterschap in overleg getreden moet worden. Navolgend per aspect aangegeven op welke wijze met de waterhuishouding wordt omgegaan.

Toename verhard oppervlak

Vanwege de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied toenemen met ca. 500 m2. Bij een dergelijke geringe toename van het verharde oppervlak stelt het waterschap geen voorwaarden ten aanzien van compensatie in de vorm van bijvoorbeeld waterberging.

Hemelwaterafvoer

De afvoer van het hemelwater zal afgekoppeld worden van het rioolstelsel. In principe zal het hemelwater op het eigen terrein in de bodem infiltreren. Indien vanwege de grondeigenschappen dit niet mogelijk is, zal (na instemming van het waterschap) het hemelwater op het oppervlaktewater (sloot grenzend aan het plangebied) afgevoerd worden.

Vuilwaterafvoer

Voor de afvoer van het vuilwater bestaan twee mogelijkheden. Ten eerste kan aangesloten worden op het gemengde rioolstelsel onder de Goorsestraat. Ten tweede zou aangesloten kunnen worden op een in de omgeving aanwezig drukriool.

Aanleghoogte van de bebouwing

Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.

Keur waterschap Vechtstromen

Het plangebied grenst aan een watergang die in beheer is bij het waterschap. Deze watergang heeft op grond van de Legger in combinatie met de Keur van het waterschap een vrijwaringszone ten behoeve van het beheer en onderhoud. Binnen deze zone is het oprichten van bebouwing, anders dan bouwwerken geen gebouwen zijn ten behoeve van de waterschapsbelangen, niet toegestaan. Binnen deze zone is geen bebouwing voorzien. In onderhavig wijzigingsplan is de vrijwaringszone juridisch geborgd middels het overnemen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Bebouwingsvrij".

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in onderhavige ontwikkeling in voldoende mate rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige belangen.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Kader

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Het hinderonderzoek richt zich op hinder in de vorm van geur, geluid, stof en gevaar vanwege bedrijven in de omgeving. De mogelijke hinder vanwege omliggende bedrijven wordt inzichtelijk gemaakt door gebruik te maken van de aanbevolen richtafstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009). In deze uitgave is de minimum afstand van woningen tot bedrijven aangegeven, gebaseerd op milieuhinder in de vorm van geluid, geur, stof en gevaar

In de publicatie wordt onderscheid gemaakt in de richtafstanden voor een rustige woonwijk en een gemengd gebied.

Een rustige woonwijk wordt in de publicatie omschreven als:

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

Een gemengd gebied wordt omschreven als:

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Gekeken moet worden of in de omgeving geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van het onderhavige wijzigingsplan. Eveneens moet duidelijk zijn of bestaande functies in de omgeving de ontwikkeling al dan niet belemmeren.

Toetsing

Gelet op de ligging van het plangebied aan een provinciale weg en de verschillende bedrijfsmatige functies in de directe nabijheid van het plangebied, kan het plangebied aangemerkt worden als een zogenaamd 'gemengd gebied'.

In het plangebied worden geen milieubelemmerende functies mogelijk gemaakt waardoor van een belemmering voor omliggende woning geen sprake is.

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal functies aanwezig welke mogelijk belemmerend kunnen werken voor de in het plangebied op te richten woning, te weten:

  • Haaksbergerstraat 2 (Rotink ijzerwaren): bedrijfsperceel grenzend aan het plangebied;
  • Haaksbergerstraat 4 (Rotink landbouwmechanisatie): bedrijfsperceel grenzend aan Haaksbergerstraat 2
  • Haaksbergerstraat 4b: agrarisch bedrijf.

Haaksbergerstraat 2

Op grond van het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het perceel Haaksbergerstraat 2 detailhandel, dienstverlening en kantoren toegestaan. Het huidige gebruik is hiermee in overeenstemming. De richtafstand tussen een gevoelige functie en dergelijke functies bedraagt 10 meter tot een rustige woonwijk en 0 meter tot een gemengd gebied. Aan deze afstand wordt voldaan waardoor geconcludeerd wordt dat beide functies elkaar niet belemmeren.

Haaksbergerstraat 4

Op grond van het vigerende bestemmingsplan bedraagt de maximaal toegestane bedrijfscategorie op dit perceel categorie 2. De geldende richtafstand bedraagt 30 meter. De afstand tussen het perceel Haaksbergerstraat 4 en het plangebied bedraagt meer dan 30 meter. Hierdoor is geen sprake van een belemmering.

Haaksbergerstraat 4b

Ter plaatse van het perceel Haaksbergerstraat 4b is een intensieve veehouderij, gevestigd. Een dergelijk bedrijf valt op grond van de VNG-publicatie in categorie 4.1. Voor bedrijven uit deze categorie geldt een richtafstand van 200 meter (aspect geur) ten opzichte van een gevoelige functie. Het plangebied is op ca. 180 meter tot het agrarisch bedrijf gelegen. Gelet hierop dient het aspect 'geur' nader onderzocht te worden. Uit gemeentelijk onderzoek is gebleken dat de voorgrondbelasting op de beoogde woning vanwege het agrarisch bedrijf 3,6 Odeur bedraagt. Hiermee wordt de grens van 3,0 Odeur op grond van de Wet geurhinder en veehouderij overschreden. De gemeente heeft middels een geurgebiedsvisie (vastgesteld op 31 mei 2016) onderzoek verricht naar welke geurbelasting in het plangebied en de omgeving daarvan aanvaardbaar is. Hieruit is gebleken dat een geurbelasting tot 4,0 Odeur in de omgeving aanvaardbaar is en geen beperkingen oplevert voor in de omgeving aanwezige functies. Dit is in een geurverordening die op 9 juni 2016 in werking is getreden juridisch vastgelegd.

Hiermee wordt geconcludeerd dat de geurhinder ten gevolge van het agrarische bedrijf levert geen beperking op voor de beoogde planwijziging.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen oplevert ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en dat de nieuwe woonbestemming niet belemmerd wordt door omliggende milieubelemmerende functies.

4.7 Externe veiligheid

Kader

Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.

Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit (bijv. ruimtelijk besluit of milieuvergunningsbesluit). Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer.

Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen, (Bevi)' van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'.

Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is.

Toetsing

De volgende aspecten spelen een rol ten aanzien van het externe veiligheid bij ruimtelijke projecten:

  • vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en/of spoor;
  • inrichtingen.

Om inzicht te krijgen in risico's in de omgeving, kan de provinciale risicokaart worden geraadpleegd. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van deze risicokaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0010.jpg"

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Buisleidingen

Op basis van de risicokaart van Nederland kan worden geconcludeerd dat er in de omgeving geen buisleidingen aanwezig zijn welke gevaarlijke stoffen vervoeren.

Transport over weg, water en/of spoor

In de omgeving van het plangebied zijn geen weg- en spoorwegen aanwezig welke zijn opgenomen in respectievelijk het Basisnet Weg en het Basisnet Spoor. Tevens zijn er geen wegen in de omgeving van het plangebied aangewezen als routering van gevaarlijke stoffen.

Het transport van significante hoeveelheden gevaarlijke stoffen over in de omgeving van het plangebied gelegen wegen kan dan ook worden uitgesloten.

Inrichtingen

Op grond van de risicokaart en de toetsing aan 'bedrijven en milieuzonering' kan worden geconcludeerd dat erin de omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig zijn met een risicocontour welke belemmerend kan werken voor onderhavige ontwikkeling.

Conclusie

Op basis van bovenstaande toetsing kan worden geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling

4.8 Luchtkwaliteit

Kader

De luchtkwaliteitseisen staan gegeven in de Wet luchtkwaliteit (Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2). Als kan worden aangetoond dat aan één of een combinatie van voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid. Deze voorwaarden zijn:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide;
  • d. een project is genoemd of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Besluiten en Regelingen welke gekoppeld zijn aan de Wet luchtkwaliteit zijn ondermeer de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Deze algemene maatregel van bestuur, verder te noemen het “Besluit nibm”, geeft aan wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dat is het geval als de toename van fijn stof of stikstof niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie (maximaal 1,2 µg/m3). Concreet betekent dit dat de toevoeging van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte aan een enkele ontsluitingsweg) als niet relevant wordt bestempeld.

Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Toetsing

Het wijzigingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een vrijstaande woning. De gemiddelde ritproductie van de woning wordt bepaald op acht ritten per etmaal.

NIBM

Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in samenwerking met InfoMil de nibm-tool ontwikkeld (mei 2010). Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0011.jpg"

Afbeelding 4.3: Berekening bijdrage extra verkeer (bron: NIBM-tool)

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project moet daarom worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarmee achterwege blijven.

Goed woon- en leefklimaat

Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Hiervoor is de "Grootschalige concentratie- en depositiekaart Nederland" van het RIVM geraadpleegd.

Maatgevend voor het beoordelen van de luchtkwaliteit zijn de stikstof en fijnstof gehalten in de lucht. Het RIVM heeft de luchtkwaliteit in Nederland in inzichtelijk gemaakt en de achtergrond concentraties in een kaart opgenomen. Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2025 de volgende waarden:

  • Stikstof 10-15 µg/m3 2025 grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde
  • Fijnstof 18-20 µg/m3 2025 grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde

Navolgende afbeeldingen geven een uitsnede van de achtergrond concentraties van stikstof en fijnstof in het jaar 2025 ter plaatse van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0012.jpg"

Afbeelding 4.4: Achtergrond concentratie stikstof (bron: Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0013.jpg"

Afbeelding 4.5: Achtergrond concentratie fijnstof (bron: Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM).

Uit vorenstaande blijkt dat de grenswaarden niet overschreden dreigen te worden. Een gedetailleerd onderzoek is voor de beoogde ontwikkeling dan ook niet van toepassing.

Doordat de achtergrondwaarden in een grof grid zijn ingedeeld, kan op lokaal niveau, door de aanwezigheid van puntbronnen, de werkelijke luchtkwaliteit mogelijk afwijken. Overschrijding ten gevolge hiervan, wordt niet verwacht.

Conclusie

Op basis van de toetsing van de voorgenomen ontwikkeling en de situatie ter plaatse van het plangebied kan geconcludeerd worden dat:

  • ten aanzien van luchtkwaliteit het Besluit 'niet in betekende mate' van toepassing is. Daarnaast is er geen sprake van een feitelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het te realiseren plan;
  • de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots onder de gestelde grenswaarden uit de Wet milieubeheer blijft. Hiermee wordt voldaan aan een goede leef/luchtkwaliteit voor huidige en toekomstige bewoners rondom en in het plangebied.

4.9 Verkeer en parkeren

De ontsluiting van het plangebied zal via het naastgelegen bedrijfsperceel plaatsvinden. Ten aanzien van 'verkeer' zijn er gelet op de geringe omvang van de voorgenomen ontwikkeling verder geen aspecten welke van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. Daarnaast heeft de realisatie van een woning, gelet op de geringe omvang, ook geen significante verkeerkundige consequenties.

Ten aanzien van parkeren bepaalt het gemeentelijk mobiliteitsbeleid, zie paragraaf 3.6, dat waar mogelijk het parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden. Het plangebied is afdoende groot om te voorzien in de parkeerbehoefte.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

Ter plaatse van het plangebied wordt een vrijstaande woning, inclusief aangebouwde garage, gerealiseerd. De woning wordt uitgevoerd in een bouwlaag met kap en is georiënteerd op de Needsestraat. Navolgende afbeeldingen geven de ligging en het vooraanzicht van de woning weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0014.png"

Afbeelding 5.1: Vooraanzicht te bouwen woning (bron: Building Design Architectuur)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HExHaaksbergerstr-VS10_0015.png"
Afbeelding 5.2: Ligging te bouwen woning (bron: Building Design Architectuur)

Het plan zal nader worden uitgewerkt binnen de kaders van voorliggend wijzigingsplan alsmede het gemeentelijke welstandsbeleid (zie paragraaf 3.5).

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Inleiding

In dit onderdeel van de toelichting wordt nader ingegaan op de wijze waarop de voor het plangebied gewenste ontwikkeling juridisch is vastgelegd.

Van groot belang is dat bestemmingsplannen goed afleesbaar zijn voor zowel de gemeente zelf als voor de burgers. Dit is des te belangrijker nu de bestemmingsplannen digitaal beschikbaar worden gesteld. Verder hecht de gemeente aan rechtszekerheid voor de burgers, maar wil men tegelijk af van de vele procedures voor het afwijken van de bouw- en gebruiksregels middels een omgevingsvergunning.

De regels van het onderhavige wijzigingsplan zijn opgesteld conform het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Het doel van deze afspraken is het brengen van meer eenheid in de opbouw en presentatie van bestemmingsplannen. De opzet van de regels in het Handboek digitale bestemmingsplannen is zodanig dat is aangesloten op de wettelijke regelingen, namelijk de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening.

De Wet ruimtelijke ordening bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.

Het wijzigingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening vervat in een beschrijving van die bestemmingen, waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden aangegeven.

Tevens sluiten de regels aan bij de eisen conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen en aanduidingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel analoog als digitaal.

6.2 Bestemmingsregels

In het plan van wijziging zijn de bestemmingen Woongebied - 1 en de dubbelbestemming Waterstaat - Bebouwingsvrij, conform de regels van bestemmingsplan "Hengevelde" opgenomen.

Woongebied - 1

Conform het gemeentelijk handboek heeft het plangebied, de bestemming Woongebied - 1. Binnen deze bestemming is één vrijstaande woning, erfontsluiting, parkeervoorzieningen en kleinere groenelementen toegestaan. Er is in het bestemmingsvlak één groot bouwvlak opgenomen, waardoor de achtertuin kan worden benut voor uitbreiding van de woning of de bouw van aanbouwen en bijgebouwen. Wel is hier een oppervlakte aan gekoppeld van maximaal 150 m2. Aan de voorzijde dient de woning in de ter plaatse aangegeven 'gevellijn' te worden gebouwd. Aan de voorgevel is de bouw van een erker toegestaan, zij het dat een dergelijke aanbouw aan maximale afmetingen is gekoppeld. Ook de bouw- en goothoogte en dakhelling zijn vastgelegd en in de verbeelding nader aangegeven. Daarbij zijn de toegestane hoogten uit het bestemmingsplan "Hengevelde" overgenomen. Naast de woonfunctie worden, onder bepaalde voorwaarden, binnen de bestemming aan huis verbonden beroepen mogelijk gemaakt.

Waterstaat - Bebouwingsvrij 

Voor de bescherming van de op de verbeelding aangegeven watergangen, is de dubbelbestemming Waterstaat – Bebouwingsvrij opgenomen. Binnen gronden met deze dubbelbestemming mag niet gebouwd worden. Met goedkeuring van het waterschap kan hier middels een omgevingsvergunning van afgeweken worden.

6.3 Overige regels

In de inleidende regels zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Zie hiervoor de artikelen 1 en 2.

In de algemene regels zijn de bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het plan als geheel. Dit betreft onder meer de anti-dubbeltelbepaling, de algemene gebruiks- en afwijkingsregels en de overige regels. In de overgangs- en slotregels volgen het overgangsrecht en de slotregel.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

De gemeente Hof van Twente heeft ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarbij overeengekomen is dat alle gemeentelijke kosten voor rekening komen van de initiatiefnemer. Derhalve kan gesteld worden dat voor de gemeente de uitvoering van dit wijzigingsplan economisch haalbaar is. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Algemeen

Dit wijzigingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2a van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook zal ten aanzien van het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening overlegd worden met de besturen van waterschap, provincie en Rijk. In dit hoofdstuk zullen de resultaten van deze procedure en overleggen worden behandeld. De resultaten van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan zullen worden toegevoegd aan dit hoofdstuk.

8.2 Zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 29 december 2016 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.