direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Oude Goorseweg en Borculoseweg 53-55 Diepenheim
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor een perceel aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6 in Diepenheim is een plan ontwikkeld voor de realisatie van een zogenoemde eswoning. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe woning te realiseren die opgaat in de es (landschap). De gewenste locatie van de nieuw te realiseren woning is momenteel in agrarisch gebruik waarop diverse landschapselementen staan die kenmerkend zijn voor de omgeving. Dit zijn een houtwal op een steilrand, houtsingel, knotbomenrij, elzensingel en kikkerpoel. Op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' is deze ontwikkeling niet mogelijk.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt, in het kader van de gemeentelijke rood voor rood regeling, aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim circa 3.000 m2 aan landschapsontsierende bedrijfsbebouwing gesloopt waarvan 1.000 m2 aan sloopoppervlak wordt ingezet ter compensatie van de woning aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6. Om verdere groeimogelijkheden van het voormalig agrarisch bedrijf tegen te gaan behoudt het perceel een klein beperkt agrarisch bouwvlak.

Om deze ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken dient het bestemmingsplan herzien te worden. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling aan Oude Goorseweg nabij nummer 6 mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit twee deelgebieden, namelijk het perceel aan de Oude Goorseweg te Diepenheim nabij nummer 6 en het perceel aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim.

Oude Goorseweg nabij nummer 6 te Diepenheim

Het perceel Oude Goorseweg nabij nummer 6 is gelegen in het buitengebied van Diepenheim op een afstand van circa 200 meter ten noorden van de bebouwde kom van het dorp. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Diepenheim, sectie B, nummers 3476 en 3477 en heeft een oppervlakte van circa 2,73 hectare. Het plangebied wordt aan de oost-, zuid-, en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de noordzijde van het plangebied is de woning Oude Goorseweg 6 gelegen. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aan de Oude Goorseweg weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van kern Diepenheim (bron: Atlas van Overijssel)

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Het perceel aan de Borculoseweg 53-55 is gelegen in het buitengebied van Diepenheim op een afstand van circa 1,96 kilometer van de bebouwde kom van het dorp. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Diepenheim, sectie B, nummers 3550 en 3551 en heeft een grootte van circa 11 hectare. Het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 wordt aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Schipbeek. In figuur 1.2 is de ligging van het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0002.png"

Figuur 1.2: Ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Begrenzing

In onderstaande figuren wordt de exacte begrenzing van beide plangebieden weergegeven. De begrenzing is rood omkaderd. In figuur 1.3 is de exacte begrenzing voor de Oude Goorseweg nabij nummer 6 te Diepenheim weergegeven. In figuur 1.4 is de exacte begrenzing voor de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0003.png"

Figuur 1.3: begrenzing plangebied Oude Goorseweg te Diepenheim (bron: Atlas van Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0004.png"

Figuur 1.4: Begrenzing plangebied Borculoseweg 53-55 Diepenheim (bron: Atlas van Overijssel)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Beide locaties zijn gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Buitengebied hof van Twente, Veegplan 2018'. Met dit veegplan is het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld op 16 december 2014) inclusief herziening 2015 (vastgesteld op 9 december 2015) gedeeltelijk herzien. Niet alle gronden zijn voorzien van bestemmingen en aanduidingen: op deze gronden wijzigen de bestemmingen en aanduidingen uit het moederplan en/of het reparatieplan niet. Alleen de gewijzigde aanduidingen of bestemmingen zijn in dit veegplan opnieuw vastgesteld.

Oude Goorseweg te Diepenheim

Het plangebied aan de Oude Goorseweg is voorzien van de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - archeologische verwachting 1' en 'Waarde - EHS'. Daarnaast gelden de gebiedsaanduidingen reconstructiewetzone - verwevingsgebied en gebiedsaanduiding vrijwaringszone - radar. In figuur 1.5 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0005.png"

Figuur 1.5: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente.' (bron: ruimtelijkeplannen)

Binnen de gemeente Hof van Twente is het agrarisch gebied in de vigerende bestemmingsplannen in verschillende 'soorten' agrarisch gebied onderverdeeld. Dit onderscheid houdt verband met de voorkomende landschaps- en natuurwaarden in de verschillende gebieden. De voorkomende waarden hebben betrekking op de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden. De gebiedsbestemming 'Agrarisch met waarden' is gelegen in de open en reliëfrijke delen van het essenlandschap, het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen in het kampenlandschap, de uitgestrekte langwerpige velden met zichtbare ontginningsgrenzen in het veldontginningslandschap en de openheid en grootschaligheid in het broekontginningslandschap. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het behoud van de aanwezige landschapswaarden. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - EHS' zijn de gronden tevens bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de natuur- en landschapswaarden.

Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk om in het plangebied aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6 een woning te realiseren. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de realisatie van de woning mogelijk te maken. Ter compensatie van de woning wordt aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim landschapsontsierende bebouwing gesloopt.

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Het perceel aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim is eveneens gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Hof van Twente en voorzien van de enkelbestemming 'Agrarisch' met dubbelbestemming 'waarde – archeologische verwachting 1', voor een klein deel de bestemming 'waarde – archeologische verwachting 2', de gebiedsaanduidingen reconstructiewetzone – verwevingsgebied en vrijwaringszone – radar en tevens van de functieaanduidingen specifieke vorm van agrarisch – sterlocatie en specifieke vorm van bedrijf – loonbedrijf. In onderstaande figuur 1.6 is een uitsnede van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0006.png"

Figuur 1.6: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden- en niet grondgebonden agrarisch bedrijf en een loonbedrijf ter plaatse van de aanduiding. Als gevolg van de sloop van de landschap ontsierende bedrijfsbebouwing worden de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf beperkt. Het perceel behoudt het agrarische bouwvlak maar zonder verdere groeimogelijkheden. Dit dient middels een herziening van het bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd te worden.

Op basis van bovenstaande is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een woning in het plangebied aan de Oude Goorseweg mogelijk. Daarnaast wordt het agrarisch bedrijf aan de Borculoseweg 53-55 opgeheven en vervangen door een woonbestemming. Binnen het plangebied is het derhalve niet meer mogelijk om een agrarisch bedrijf te exploiteren.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, herziening Oude Goorseweg en Borculoseweg 53-55 Diepenheim' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

Zoals reeds is beschreven bestaat het plangebied uit twee locaties; de Oude Goorseweg te Diepenheim en de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim.

Oude Goorseweg te Diepenheim

Het plangebied aan de Oude Goorseweg is gelegen in het overgangsgebied van de kern Diepenheim naar het buitengebied. In de nabije omgeving van het plangebied zijn veel woonerven aanwezig.

Het plangebied aan de Oude Goorseweg is momenteel in agrarisch gebruik waarop diverse landschapselementen staan die kenmerkend zijn voor de omgeving. Dit zijn onder andere een houtwal op een steilrand, een houtsingel, een knotbomenrij, een elzensingel en een kikkerpoel. Kenmerkend aan het gebied is de aanwezigheid van een enk die begroeid is met een hakhoutsingel. In figuur 2.1 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0007.png"

Figuur 2.1: huidige situatie Oude Goorseweg (bron: Atlas van Overijssel)

Het landschap waar de toekomstige woning is geprojecteerd in het plangebied is door de jaren heen nauwelijks veranderd. De steilrand is door de initiatiefnemers hersteld conform de oorspronkelijke situatie. De houtsingel aan de zuidzijde van het plangebied was in 1900 prominent aanwezig. Door de jaren heen is de knotbomenrij in stand gebleven. Gelet op de huidige toestand lijkt het erop dat de knotbomen circa 10 á 12 jaar geleden nieuw zijn aangeplant. In onderstaande figuur 2.2 is een topgrafische kaart anno 1970 weergegeven. Nieuw ten opzichte van de topografische kaart is de poel ten zuidoosten van de steilrand.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0008.png"

Figuur 2.2: Topografische kaart anno 1970 (bron: Topotijdreis.nl)

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Het perceel aan de Borculoseweg 53-55 betreft een voormalig agrarisch bedrijf (vleesveehouderij) en loonbedrijf dat voornemens is om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Op het erf staat circa 3.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing. Het erf wordt omgeven door agrarische gronden. Het plangebied wordt ontsloten via twee erftoegangswegen die aansluiten op de Borculoseweg en de Deventerdijk. Beide wegen kennen een maximumsnelheid van 60 km/u. In figuur 2.3 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0009.png"

Figuur 2.3: Luchtfoto huidige situatie plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

2.2 Toekomstige situatie

Het voornemen bestaat om in het plangebied aan de Oude Goorseweg één woning te realiseren. Het plan behelst de bouw van een nieuwe woning in de aanwezige es op het terrein.

Voor het realiseren van deze woning dient elders in de gemeente Hof van Twente voormalige agrarische bebouwing gesloopt te worden. De locatie waar dit plaatsvindt betreft de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim. Dit betreft een agrarisch bedrijf met ook activiteiten ten behoeve van een agrarisch loonbedrijf. Het agrarisch loonbedrijf stopt in zijn geheel. Op het erf staat circa 3.000 m2 aan te slopen bedrijfsbebouwing waarvan 1.000 m2 wordt ingezet voor de nieuwe woning aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt de bestemming van het agrarisch bedrijf aan de Borculoseweg 53-55 gewijzigd in een woonbestemming waardoor het in de toekomst niet mogelijk is om agrarische bedrijfsactiviteiten te exploiteren op het perceel.

De nieuw te bouwen woning aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6 dient landschappelijk ingepast te worden in de omgeving. Het nieuwe erf dient 'opgehangen' te worden in het omringende landschap. Het plangebied ligt in het kampenlandschap. De grillige lijnen van het plangebied benadrukken dit. Het toekomstige erf dient hierop aan te sluiten.

Door Het Ruiterpad is een landschapsplan opgesteld, zie figuur 2.3 en Bijlage 1. Uitgangspunt van het landschapsplan is onder andere het handhaven van de aanwezige landschapselementen en waar mogelijk deze versterken. Tevens biedt het plangebied aan de Oude Goorseweg de mogelijkheid tot versterking ervan met nieuwe landschapselementen die passend zijn in het landschapstype. De aanleg hiervan maakt het gebied intiemer. De voorziene nieuwe beplanting accentueert de contouren van de es en sluit aan bij het landschappelijke beeld van het kampenlandschap.

In onderstaande figuur 2.4 is een impressie van het landschapsplan weergegeven. De nummering verwijst naar onderstaande uitwerking.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0010.png"

Figuur 2.3: Landschapsplan (bron: Het Ruiterpad)

Ter plaatse van de nummers '1' en '2' worden de bestaande singels grotere eiken met daaronder struikvormers verbreed door de aanplant van bosplantsoen. De breedte wordt daarmee circa 6 tot 8 meter breed. Ter plaatse van '2' wordt de houtsingel circa 9 tot 10 meter breed. Ter plaatse van '3' wordt op de bestaande steilrand een deel van de houtopstand verwijderd ten behoeve van de nieuwe woning. De overblijvende delen zullen plaatselijk versterkt worden. De knotbomenrij ter plaatse van '4' en de elzensingel ter plaatse van '5' blijven gehandhaafd. Hierin wordt geen verandering aangebracht. Langs de perceelsgrens met perceel Oude Goorseweg 6 wordt een struweelhaag aangeplant. Inplant zal plaatsvinden met bosplantsoen met de volgende soorten: meidoorn, gelderse roos, hazelaar en lijsterbes. Langs de noord- en westzijde van het plangebied vindt ter plaatse van '7' de aanplant van laanbomen paats. Deze bomen accentueren de es. De onderlinge afstand tussen de bomen is circa 10 meter. De bestaande poel blijft onveranderd. In onderstaande figuur 2.4 is een impressie van de nieuwe woning (eswoning) weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0011.png"

Figuur 2.4: Impressie eswoning (Henry Betting architect)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (inmiddels NNN), inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Als gevolg van de sloop van 1.000 m2 aan landschap ontsierende bedrijfsbebouwing wordt één compensatiewoning gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling ziet dan ook toe op de toevoeging van één woning. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) geldt dat de realisatie van 11 woningen niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is dan ook niet van toepassing.

Wel geldt op op de grond van de uitspraak van de ABRvS van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) dat wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0012.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkelig nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde artikelen uit de Omgevingsverordening.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Doorwerking voor voorliggend plan:

In het voorliggende geval wordt aan de Borculoseweg 53-55 1.000 m2 aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Als gevolg van deze sloop wordt er in het plangebied één compensatiewoning gerealiseerd. Per saldo is er geen extra ruimtebeslag door bouwen en verharden op de groene omgeving, maar juist een afname. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1)

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Als gevolg van onderhavig plan wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Daarbij wordt rekening gehouden met de geldende gebiedskenmerken. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de principes van ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1)

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen -met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Onderhavig plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de Groene Omgeving van de gemeente Hof van Twente. Dit vertaalt zich onder andere in:

  • de sloop van 1.000 m2 aan landschap ontsierende bebouwing in het kader van de Rood voor Rood regeling;
  • versterking van de ruimtelijke kwaliteit door het gewenste voornemen landschappelijk in te passen.

Gesteld kan worden dat het plan voldoet aan de principes van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen (lid 1)

Bestemmingsplannen en omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Doorwerking voor voorliggend plan:

In pragraaf 3.3 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid, waaronder de Woonvisie. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de principes voor de realisatie van nieuwe woningen.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang.

Oude Goorseweg te Diepenheim
In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven voor het plangebied aan de Oude Goorseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0013.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Voor het plangebied gelden de ontwikkelingsperspectieven 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' en 'Zone ondernemen met Natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland'.

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Het ontwikkelingsperspectief Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) richt zich op het realiseren van een robuust en samenhangend netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. Het accent ligt op natuur die, naast biodiversiteit, betekenis heeft voor mensen en bijdraagt aan hun welzijn en welvaart. Om dit mogelijk te maken, bieden we ruimte aan de groeiende groep betrokken ondernemers en bewoners die zelf willen ondernemen met natuur en water.

Binnen de Zone ONW buiten het natuurnetwerk is ruimte voor economische dragers die in harmonie met de natuur-, water- en landschappelijke kwaliteiten plaats kunnen vinden. We zien kansen voor bijzondere functiecombinaties zoals landbouw en natuur, specifieke vormen van verblijfsrecreatie, nieuwe landgoederen en wonen en werken met versterking van natuur- en/of waterkwaliteit.

De realisatie van de woning vindt plaats in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap. Wel grenst de woning aan de Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland. Als gevolg van deze ontwikkeling wordt er geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. De ontwikkeling aan de Oude Goorseweg doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de aanwezige waarden en functies in de omgeving.

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

In figuur 3.3 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven voor het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0014.png"

Figuur 3.3: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Voor het plangebied geldt het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Aan de Borculoseweg 53-55 wordt circa 3.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt waarvan 1.000 m2 wordt ingezet om de realisatie van de woning aan de Oude Goorseweg mogelijk te maken. De sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de aanwezige waarden en functies in de omgeving.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

Oude Goorseweg te Diepenheim

Voor het plangebied aan de Oude Goorseweg geeft de natuurlijke laag aan het gebied de kenmerken beekdalen en natte laagtes en dekzandvlakte en ruggen. In figuur 3.4 is een fragment van de natuurlijke laag uit de Omgevingsvisie Overijssel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0015.png"

Figuur 3.4: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De woning wordt gerealiseerd in de dekzandvlakte en ruggen. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

Bij het ontwerp van de woning is rekening gehouden met de (strekkings)richting van het landschap. De wijze waarop is beschreven in het landschapsplan uit Bijlage 2. Ten behoeve van de realisatie van de woning is de steilrand hersteld en zijn nieuwe landschapselementen aangelegd en onderhouden. De woning gaat op in het landschap en er wordt verder geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de realisatie van de woning geen afbreuk doet aan de natuurlijke laag.

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Voor het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim geeft de natuurlijke laag aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen'. In figuur 3.5 is een fragment van de natuurlijke laag uit de Omgevingsvisie Overijssel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0016.png"

Figuur 3.5: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Aan de Borculoseweg 53-55 wordt circa 3.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast in de omgeving waarbij rekening wordt gehouden met de geldende gebiedskenmerken. Derhalve kan gesteld worden dat het gewenste voornemen, de sloop van 3.000 m2 aan agrarische bebouwing, geen afbreuk doet aan de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Oude Goorseweg te Diepenheim

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'oude hoevenlandschap' aan het plangebied aan de Oude Goorseweg toe. In figuur 3.6 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0017.png"

Figuur 3.6: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het oude hoevenlandschap kenmerkt zich door de verspreide erven in het landschap. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.

De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.

Bij de realisatie van de woning (eswoning) wordt rekening gehouden met de kenmerken van het oude hoevenlandschap. De eswoning, die deels in het landschap opgaat, draagt bij aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren en de landschapselementen. Middels de landschappelijke inpassing wordt geborgd dat de kenmerken van de es en het omliggende landschap geborgd zijn. Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van de eswoning en de investering in het landschap geen afbreuk doet aan de kenmerken van het oude hoevenlandschap.

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'oude hoevenlandschap' aan het plangebied aan de Oude Goorseweg toe. In figuur 3.7 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0018.png"

Figuur 3.7: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Hierboven zijn de kenmerken van het oude hoevenlandschap beschreven. Aan de Borculoseweg 53-55 wordt 3.000 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt. De sloop van agrarische bedrijfsgebouwen doet geen afbreuk aan de kenmerken van het oude hoevenlandschap.

Laag van de beleving

Voor het plangebied aan de Oude Goorseweg gelden geen specifieke kenmerken voor de Laag van de beleving.

Voor het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 geldt voor de Laag van beleving het kenmerk 'donkerte'. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden.De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.

Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten.

Onderhavig plan heeft enkel betrekking op de sloop van 3.000 m2 aan agrarische bebouwing aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim. Daarnaast wordt de agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming. Er wordt geen nieuwe woning of een andere nieuwe functie opgericht die een negatieve invloed kan hebben op de 'donkerte'. De verlichting op en rond het erf dient zoveel mogelijk beperkt te worden om de kwaliteit van de donkerte te koesteren.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie 'zicht op 2030'

In 2010 heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is om de grote lijnen te schetsen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks? Daarnaast geeft de toekomstvisie een mogelijk toekomstperspectief, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. De politiek en de burgers zullen de toekomstvisie een verdere concrete invulling geven. Dit kan in de komende jaren gestalte krijgen door de visie te gebruiken als toetsingskader voor sectorale beleidsontwikkeling (beleidsplannen) en meerjarige planvorming (programmabegrotingen).

Voor de gemeente Hof van Twente is het van belang voor meerdere sectoren het veelzijdige landschap te behouden, te herstellen en te ontwikkelen.

Eén van de streefbeelden van de toekomstvisie is om de kwaliteit van het woningenbestand hoog en divers te houden, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar blijven. Voor het buitengebied geldt dat het wonen zorgvuldig geïntegreerd moet worden in het landschap.

Toets

Met dit initiatief is sprake van een ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt 3.000 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt waarvan 1.000 m2 wordt ingezet voor de realisatie van een woning aan de Oude Goorseweg. De nieuwe woning wordt zorgvuldig ingepast in het landschap en er wordt tevens extra geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het voornemen niet in strijd is met het toekomstperspectief van de gemeente Hof van Twente.

3.3.2 Structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente

In de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Dit integratiekader schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood voor rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt.
Daarnaast beschrijft de visie de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden.Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in dit bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.


De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden en geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Dit hangt ook samen met het beschermen van agrarische bedrijvigheid tegen beperkingen die uit de nabijheid van woningen voortkomen.

Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Dit beleid is uitgewerkt in de beleidsregel Rood voor Rood met gesloten beurs. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende voormalige bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing.

Toets

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van 3.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing, waarvan 1.000 m2 wordt ingezet voor de realisatie van de woning aan de Oude Goorseweg te Diepenheim (compensatiewoning). Daarnaast wordt er zowel op de compensatiekavel als op de slooplocatie geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen de Structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente.

3.3.3 Beleidsnota Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst

De raad heeft op 6 juli 2010 de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente vastgesteld en op 15 december 2015 de beleidsnota 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) ‘Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst’. De structuurvisie bevat het beleidskader voor het bestemmingsplan Buitengebied, dat op 18 december 2012 is vastgesteld en sindsdien enkele malen is herzien. Op basis van de structuurvisie is in het bestemmingsplan een aantal regelingen opgenomen die ontwikkelingen in het buitengebied eenvoudig mogelijk maken en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit als doel hebben (rood voor rood, vab-instrumentarium, vergroting van bijgebouwen, vergroting van inhoud van woningen, herbouw karakteristieke boerderijen, deelruimte van de boerderij benutten voor bewoning). Daarnaast zijn in de structuurvisie landelijk gebied enkele beleidskaders ontwikkeld voor bijvoorbeeld niet agrarische bedrijvigheid, nieuwe landgoederen en andere woon/zorgvormen. Met de vaststelling van de beleidsnota KGO blijven deze beleidskaders onverminderd van kracht. De beleidsnota KGO past wel de volgende regelingen aan: vab-beleid, rood voor rood, veldschuren, niet-agrarische bedrijven in het buitengebied en sloopvoucherregeling. Dit in verband met het snel teruglopende aantal agrarische bedrijven en de daarbij vrijkomende hoeveelheid agrarische bebouwing. In de beleidsnota KGO wordt onderbouwd hoe een evenwicht wordt bereikt tussen de ontwikkeling van de bebouwing en de investering in ruimtelijke kwaliteit die daar tegenover moet staan.

Bij de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied op 16 december 2014 is de rood voor rood regeling versimpeld. De belangrijkste aanpassing die de beleidsnota KGO met zich meebrengt is de mogelijkheid om ook in landbouwontwikkelingsgebieden compensatiewoningen te realiseren. Wel moet worden getoetst aan de woonvisie om te bepalen of een extra compensatiewoning gewenst is. Daarnaast wordt aangepast dat wanneer op een slooplocatie meer dan 1.000 m2 wordt gesloopt de extra te slopen oppervlakte ingezet kan worden voor het realiseren van een groter bijgebouw en/of het vergroten van een bestaande woning.

Het rood voor rood beleid is als volgt afgebakend. Ter compensatie van de sloop van minimaal 1.000 m2 landschapsontsierende bedrijfsgebouwen kan onder voorwaarden één bouwkavel voor een woning worden toegekend (compensatiekavels). De maximale inhoud van de woning bedraagt 750 m3. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing te bewerkstelligen. Bij uitzondering kan rood voor rood worden gebruikt om erven en bebouwingsstructuren zoals lintbebouwing te versterken. Eventueel kan de gemeente nieuwe geclusterde erven (knooperven) initiëren of een locatie bij een kern aanwijzen voor clustering van compensatiekavels. De realisatie van woningen op solitaire compensatiekavels is uitgesloten, omdat daardoor ongewenste versnippering ontstaat.

De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw is 150 m2.

Toets

Hoewel het gemeentelijk Rood voor Rood beleid (KGO) de realisatie van nieuwe woningen mogelijk maakt, dient de compensatiewoning volgens het Rood voor Rood beleid in beginsel te worden teruggebouwd op de slooplocatie. Als dat om wat voor reden niet kan, dan kan aansluiting worden gezocht bij een kern of buurtschap.

Gesteld moet worden dat de nieuwe bouwlocatie aan de Oude Goorseweg niet direct aansluit bij de kern Diepenheim. De kern ligt namelijk op een afstand van 200 meter van de beoogde bouwlocatie. Wel zijn er in de nabije omgeving van de beoogde bouwlocatie woningen aanwezig.

De initiatiefnemers hebben de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in het landschap van de beoogde bouwlocatie (circa 2,5 hectare groot). Met behulp van landschap Overijssel hebben zij de es weer teruggebracht en hebben zij daar diverse streekeigen landschapselementen aangelegd en onderhouden. Juist op deze locatie willen zij een verdere versterking van het landschap doorvoeren in combinatie met het bouwen van een woning. Het beoogde concept is niet passend op een locatie aansluitend aan een kern of onderdeel uitmakend van een bestaand erf.

Door de koppeling tussen het landschap en het wonen is een locatie nodig waar ruimte is voor de beleving van het landschap. Het voornemen betreft derhalve een uniek project die een bijdrage levert aan de duurzaamheidsdoelstellingen, de opgaves in het landelijk gebied (sloop en investering in het landschap) en aan de biodiversiteit van het landschap. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de Beleidsnota Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst.

3.3.4 Woonagenda Hof van Twente 2016 - 2020

Op 1 juli 2015 is de nieuwe Woningwet in werking getreden. Daaruit volgt dat gemeenten dienen te beschikken over actueel woonbeleid. In december 2014 is de Regionale Woonvisie Twente 2015-2025 “Natuurlijk…Wonen in Twente!” vastgesteld. in 2015 is het nieuwe woonbeleid voor Hof van Twente ontwikkeld. Hierin zijn onder andere de uitgangspunten uit de Regionale Woonvisie vertaald naar lokaal beleid. Het nieuwe woonbeleid is een compact document waarin de speerpunten op het gebied van “wonen” staan met daaraan gekoppeld de beleidsrichtingen. Zo wordt flexibiliteit behouden en kan er optimaal maatwerk worden geleverd in de snel veranderende woningmarkt. Dit nieuwe woonbeleid noemen we dan ook “Woonagenda Hof van Twente”. Op 22 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Woonagenda vastgesteld.

De Woonagenda verwoordt de visie van de gemeente Hof van Twente op haar woonbeleid. In deze Woonagenda komt naar voren welke speerpunten de gemeente Hof van Twente heeft voor de periode van 2016-2020. De speerpunten zijn vertaald in beleidsrichtingen voor de komende jaren. De algemene hoofddoelstelling van de Woonagenda is het zorgen voor voldoende en kwalitatief goede woonruimte voor alle doelgroepen. Dit door de komende jaren de volgende vier speerpunten uit te werken:

  • Kwaliteit; inzet op de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en de kernen.
  • Nieuwbouw; optimaal en via maatwerk benutten van de ruimte voor uitbreiding van de woningvoorraad.
  • Aandacht hebben voor goede woonmogelijkheden voor groepen die zorg nodig hebben.
  • Het huisvesten van urgente groepen woningzoekenden (waaronder statushouders).

Voor dit bestemmingsplan zijn de speerpunten 'kwaliteit' en 'nieuwbouw' van belang. Binnen de kernen en het buitengebied zijn er locaties die hun (bedrijfs)functie verloren hebben en om een nieuwe invulling vragen. Het gaat onder andere om agrarische bebouwing in het buitengebied. De gemeente wil transformatie van erven in het buitengebied faciliteren door onder andere (creatieve vormen van) wonen toe te laten. De gemeente zal zich inspannen voor initiatieven die de sociale cohesie versterken. Herstructurering en transformatie van gebieden die hun functie hbeben verloren is één van die mogelijkheden. De gemeente wil een bijdrage leveren aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het platteland.

Voor het buitengebied dient een keuze gemaakt te worden tussen het bouwen van woningen in de kernen of in het buitengebied. Het is van belang om flexibiliteit te behouden en om de concrete vraag te kunnen bedienen in het buitengebied. Er is hierbij sprake van een erventransitieprobleem; naar verwachting komt er in de komende jaren zo’n 300.000 m² agrarische bebouwing vrij. Verloedering daarvan ligt op de loer. Wonen (bijvoorbeeld in combinatie met werken) is een functie waarmee dit kan worden ingevuld. Ook sloop is een optie.

Toets

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één woning aan de Oude Goorseweg te Diepenheim. Ter compensatie van de nieuwe woning wordt 1.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt in het kader van de Rood voor Rood regeling zoals is opgenomen in het beleidsdocument 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst'. De ontwikkeling is dan ook passend binnen de Woonagenda. Tevens is de voorgenomen ontwikkeling in het woningbouwprogramma opgenomen.

Conclusie gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid vormt het kader waarbinnen de ontwikkeling plaats kan vinden. Het voornemen is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Er wordt middels dit bestemmingsplan één nieuwe woning mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch.

In voorliggend geval is er sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of;
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Als het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer of een oppervlakte van 100 hectare of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het onderhavige project, de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0019.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-brochure geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Beide plangebieden bevinden zich in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het plangebied aan de Oude Goorseweg ligt op een afstand van circa 150 meter buiten de bebouwde kom van Diepenheim. Woningen liggen verspreid in de omgeving van het plangebied en de gronden worden overwegend agrarisch gebruikt. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied aan de Oude Goorseweg aangemerkt kan worden als omgevingstype 'rustig buitengebied'.

De gronden rond het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim zijn overwegend in agrarisch gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim aangemerkt kan worden als omgevingstype 'rustig buitengebied'.

Bij het realiseren van nieuwe functies dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Daarbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Bij de externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Bij de interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Hieronder worden de resultaten van de interne- en externe werking voor beide plangebieden beschreven.

Plangebied Oude Goorseweg te Diepenheim

In het plangebied aan de Oude Goorseweg te Diepenheim wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden (interne werking).

De nieuwe woning wordt wel aangemerkt als een milieugevoelige functie. De nieuwe woning mag geen hinder ondervinden van milieubelastende functies.

Aan de Raadhuisstraat 34 te Diepenheim en de Oude Goorseweg 8 te Diepenheim zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan grondgebonden agrarische bedrijven gelegen. Dit betreffen beide (biologisch) agrarische bedrijven waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig is gericht op het gebruik maken van grond als productiemiddel zoals melkrundvee, schapen en paarden. Op grond van artikel 4 Wgv geldt een afstand van ten minste 50 meter voor diercategorieën waarvan geen geuremissie is vastgesteld mits het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen (zie paragraaf 4.3).

De afstand van de nieuwe woning tot aan het bouwvlak van de agrarische bedrijven aan de Raadhuisstraat 34 en Oude Goorseweg 8 bedraagt respectievelijk minimaal 220 meter en 180 meter. In paragraaf 4.3 is aangetoond dat de nieuwe woning geen hinder ondervindt van de agrarische bedrijven. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de nieuwe woning geen belemmering vormt voor de agrarische bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied.

Plangebied Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt enkel de aanduiding 'loon- en grondverzetbedrijf' verwijderd en worden de bouwmogelijkheden beperkt. Onderhavig plan maakt geen nieuwe milieugevoelige of milieubelastende functie aan de Borculoseweg 53-55 mogelijk. Derhalve leidt het plan niet tot negatieve effecten voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Aan de Oude Goorseweg wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij dient buiten de bebouwde kom voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object een afstand van ten minste 50 meter aangehouden te worden. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op een afstand van ten minste 220 meter van het agrarisch bouwvlak (waarbinnen dierenverblijven gerealiseerd kunnen worden) van het agrarisch bedrijf aan de Raadhuisstraat 34 te Diepenheim en op ten minste 180 meter afstand van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de Oude Goorseweg 8 te Diepenheim. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Ter plaatse van het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt er circa 3.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en de werkzaamheden van het loon- en grondverzetbedrijf worden gestaakt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Door Kruse Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om ter plaatse van het plangebied aan de Oude Goorseweg de milieu-hygienische kwaliteit van de bodem vast te stellen (projectcode 19035010, d.d. 1 juli 2019). Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten van het onderzoek weergegeven.

Door Kruse Milieu is in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 980 m2 ten zuiden van de Oude Goorseweg 6 in Diepenheim. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard (landbouwgrond). Het onderzochte terreindeel is beschouwd als niet verdacht.

Resultaten veldwerk

In totaal zijn er 6 boringen verricht. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal tot 0.5 meter diepte zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijs bruin zand. Tot 1.5 meter diepte is het zand matig fijn en tot 3.6 meter matig grof, zwak siltig, licht beige. Tot 3.8 meter diepte is uiterst fijn zand, sterk siltig, donker grijs zand aangetroffen. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen, die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 2.40 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden

geconcludeerd:

  • de bovengrond is niet verontreinigd;
  • de ondergrond is niet verontreinigd;
  • het grondwater in peilbuis 1 is licht verontreinigd met nikkel en matig verontreinigd met

barium.

Hypothese

De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien een overschrijding van de tussenwaarde is aangetoond.

Conclusies en aanbevelingen

In het grondwater zijn enkele verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd. Het matig verhoogde bariumgehalte in het grondwater is toe te schrijven aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. Naar onze mening is het dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek.

Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen).

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 kan buiten beschouwing worden gelaten.

Aan de Oude Goorseweg te Diepenheim wordt wel een geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Het plan heeft betrekking op de realisatie van een nieuwe woning in het kader van de Rood voor Rood regeling. Op grond van de Wet geluidhinder wordt een woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. De realisatie van de nieuwe woning wordt aangemerkt als een nieuw geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidzone, die aan weerszijde een breedte heeft van 250 meter voor een weg bestaande uit één strook in het buitengebied.

De nieuwe woning aan de Oude Goorseweg te Diepenheim wordt gerealiseerd op een afstand van ten minste 100 meter van de Oude Goorseweg. Gezien de afstand van de nieuwe woning tot de weg, in combinatie met de lage verkeersintensiteit, kan geconcludeerd worden dat er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Tevens wordt de woning, aan de zijde van de oude Goorseweg, verdiept in het landschap gerealiseerd waardoor er geen sprake is van direct geluid van de weg op de gevel van de woning. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van een woning aan de Oude Goorseweg te Diepenheim en de sloop van 3.000 m2 landschapsontsierende bebouwing aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim, waarvan 1.000 m2 wordt ingezet ter compensatie van de te realiseren woning aan de Oude Goorseweg.

Gelet op de aard van de voorliggende ontwikkeling kan deze ontwikkeling worden aangemerkt als een project welke "niet in betekende mate" bijdraagt aan luchtverontreinigingen. Tot slot wordt opgemerkt dat een woning op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt de agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd in een woonbestemming. Daarnaast wordt er 3.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt, waarvan 1.000 m2 wordt ingezet ter compensatie van de nieuw te bouwen woning aan de Oude Goorseweg. Voor het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim neemt het groepsrisico en plaatsgebonden risico dan ook niet toe. Daarnaast zijn er binnen een afstand van 2,35 kilometer van het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim geen risicobronnen aanwezig. De dichtsbijzijnde risicobron is gelegen aan de Wilsonweg 35 en betreft een autoherstelbedrijf met een verkooppunt van LPG met een vergunde jaardoorzet kleiner dan 500 m3. De afstand tot de grens van het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico is gelegen op een afstand van 150 meter. Deze afstand wordt ruimschoots behaald. In onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart voor de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0020.png"

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart Borculoseweg 53-55 Diepenheim (bron: risicokaart.nl).

Aan de Oude Goorseweg nabij nummer 6 te Diepenheim wordt in het kader van de Rood voor Rood regeling een compensatiewoning gerealiseerd. Op een afstand van 850 meter van de nieuw te realiseren woning is een risicobron gelegen. Het betreft tevens het Autoherstelbedrijf met verkooppunt voor LPG met een vergunde doorzet van minder dan 500 m3 per jaar. De woning is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de verantwoording van het groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0021.png"

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart Oude Goorseweg Diepenheim, plangebied is rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl).

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van respectievelijk 2,35 kilometer en 850 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 13 augustus 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlagen 4 en 5. Voor het plangebied aan de Oude Goorseweg geldt de normale procedure en voor het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 de korte procedure. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim ligt op minimaal 270 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande figuur 4.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0022.png"

Figuur 4.4: Ligging plangebied Borculoseweg 53-55 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel).

Het plangebied aan de Oude Goorseweg ligt niet in maar wel in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel behoort een deel van het plangebied tot de 'zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN. In onderstaande figuur 4.5 is de ligging van het plangebied aan de Oude Goorseweg ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0023.png"

Figuur 4.5: Ligging plangebied Oude Goorseweg t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel).

Natura 2000-gebied

De plangebieden behoren niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied aan de Oude Goorseweg is gelegen op een afstand van ten minste 6,8 kilometer van het Natura 2000-gebied Borkeld. Het plangebied aan de Borculoseweg 53-55 is gelegen op een afstand van ten minste 8 kilometer afstand van gronden die tot het Natura 2000-gebied Stelkampsveld behoren.

Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Soortenbescherming

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen (projectnummer 1936, versie 1.0, d.d. 1 juli 2019). De volledige rapportage is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven.

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen.

Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen mogelijk aangetast. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogel-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Omdat het plangebied geen essentieel foerageergebied van vleermuizen is, leidt aantasting van de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vleermuizen, niet tot wettelijke consequenties.

Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Wel ligt deelgebied Oude Goorseweg gedeeltelijk in de 'zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN'. Mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel, is de bouw van de woning mogelijk. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied.

Conclusie

Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel, is de bouw van de woning toegestaan in de 'zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN'.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie
De gemeente Hof van Twente heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In onderstaande figuren is voor beide plangebieden een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0024.png"
Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Oude Goorseweg (bron: BAAC)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.DPxOGRSEWEGENBRCWG-VS10_0025.png"

Figuur 4.7: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Borculoseweg 53-55 (bron: BAAC)g

Toets

Aan de Oude Goorseweg wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Het plangebied van de nieuw te bouwen woning is gelegen in een zone met 'hoge verwachting in zone om historisch element'. Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Hoewel de nieuwe woning deels in de es gerealiseerd wordt vinden er geen ingrepen dieper dan 40 cm met een oppervlakte groter of gelijk aan 2.500 m2 plaats. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Aan de Borculoseweg 53-55 te Diepenheim wordt 3.000 m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt, waarvan 1.000 m2 wordt ingezet ter compensatie van de woning aan de Oude Goorseweg. Het plangebied kent grotendeels een hoge archeologische verwachting. Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Hoewel er 3.000 m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt wordt vinden er geen ingrepen dieper dan 40 cm plaats. Archelogisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er in het plangebied geen Rijks-, provinciale- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer / parkeren

Oude Goorseweg te Diepenheim

De nieuwe woning aan de Oude Goorseweg wordt ontsloten via de Oude Goorseweg waarvoor een maximumsnelheid van 60 km/u geldt. De Oude Goorseweg wordt via de Raadhuisstraat met de kern van Diepenheim verbonden. Daarnaast verbindt de Oude Goorseweg het plangebied via de Diepenheimseweg met Goor. De Oude Goorseweg betreft met name een toegangsweg voor de aan deze weg gelegen percelen.

Op grond van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' kan het plangebied aan de Oude Goorseweg worden aangemerkt als woonmilieutype 'Landelijk wonen'. Het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal bedraagt voor landelijk wonen gemiddeld 7,4 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Deze beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen kan eenvoudig via de Oude Goorseweg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Borculoseweg 53-55 te Diepenheim

Aan de Borculoseweg 53-55 worden de agrarische bedrijfsactiviteiten gestaakt en wordt de agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd in een woonbestemming. De bestaande schuren (3.000 m2) worden gesloopt. Het plangebied wordt onsloten via de Borculoseweg en de Deventerdijk. Voor beide wegen geldt een maximumsnelheid van 60 km/u. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt het loonbedrijf opgeheven. Op grond van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' kan een loonbedrijf worden aangemerkt als bedrijfstype arbeidsextensief/bezoekersextensief (onder andere loods, opslag transportbedrijf) aangezien het relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers heeft. Het gemiddeld aantal verkeersbewegingen bedraagt voor dit bedrijfstype in het buitengebied gemiddeld 4,8 verkeersbewegingen.

Aangezien de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd worden (vleesveehouderij en loonbedrijf) nemen de verkeersbewegingen als gevolg van deze bedrijfsactiviteiten tevens af. Als gevolg van de bestemmingswijziging is enkel nog sprake van de bewoning van de voormalige bedrijfswoning. Het aantal verkeersbewegingen kan eenvoudig via de Borculoseweg en de Deventerdijk worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Zoals hierboven is aangegeven worden de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd. De parkeerbehoefte als gevolg van deze bedrijfactiviteiten neemt dan ook af. Het parkeren ten behoeve van het wonen kan op eigen terrein plaatsvinden, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het wijzigingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Enkelbestemmingen

Agrarische gebiedsbestemmingen

Binnen de gemeente Hof van Twente is het agrarisch gebied onderverdeeld in verschillende 'soorten' agrarisch gebied. Dit onderscheid houdt verband met de voorkomende landschaps- en natuurwaarden in de verschillende gebieden. De voorkomende waarden hebben betrekking op landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden als vastgelegd in kaderstellende stukken. De gebiedsbestemmingen betreffen:

  • 'Agrarisch';
  • 'Agrarisch met waarden'.

De gebiedsbestemming 'Agrarisch met waarden' is gelegen in de open en reliëfrijke delen van het essenlandschap, het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen in het kampenlandschap, de uitgestrekte langwerpige velden met zichtbare ontginningsgrenzen in het voldontginningslandschap en de openheid en grootschaligheid in het broekontginningslandschap.

De aanwezige waarden in het agrarisch gebied worden beschermd door middel van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, waarin is opgenomen dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning diverse andere werken en werkzaamheden uit te voeren. Hiermee worden bijzondere waarden beschermd, zoals openheid, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, de waterhuishouding en de natuur. Dit verbod is echter niet van toepassing op het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op de uitvoering van het in Bijlage 1 opgenomen landschapsplan.

Om ervoor te zorgen dat het plangebied aan de Oude Goorseweg wordt ingericht conform het in Bijlage 1 opgenomen landschapsplan, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De gronden mogen pas voor de woonfunctie worden gebruikt onder voorwaarde dat binnen één jaar na de vaststelling van het wijzigingsplan, het landschapsplan moet zijn uitgevoerd. Dat betekent concreet dat de nieuwe bomen en beplanting die zijn opgenomen in het erfinrichtingsplan daadwerkelijk na één jaar zijn aangeplant.

Bos

De gronden binnen de bestemming 'Bos' zijn bedoeld voor bos en houtopstanden en zijn tevens bestemd voor multifunctionele bosbouw, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden, voor water en voorzieningen, voor de waterhuishouding en voor recreatief medegebruik.

Onder multifunctionele bosbouw wordt verstaan: ”Het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap milieu of recreatie”.

Ten aanzien van het natuurbeheer geldt dat voor werken geen gebouw zijnde of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen geen omgevingsvergunning vereist is. Werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van bos en natuur betreffen zijn bij recht toegestaan aangezien deze maatregelen bijdragen aan de instandhouding van het bestemde gebruik. De aanwezige houtopstanden worden verder beschermd vanuit de bomenverordening. Deze verwijst voor de landschappelijke afweging onder meer terug naar het behoud van het kleinschalig landschap. Bestemmingsplan en bomenverordening dienen dan ook in samenhang te worden gebruikt.

Water

De hoofdwatergangen in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente vallen onder het beheer van waterschap Vechtstromen. In de keur van het waterschap zijn reeds vele regels over de omgang met water en waterlopen opgenomen. De keur blijft onverkort van kracht naast hetgeen in dit wijzigingsplan met betrekking tot water wordt vermeld.

Het watersysteem van het gebied is veiliggesteld door de hoofdwatergangen (volgens de Keur van het waterschap) en grotere oppervlaktewateren te bestemmen als 'Water'. Binnen de bestemming water is extensieve dagrecreatie toegestaan.

Wonen

Voor de burgerwoningen in het buitengebied is uitgegaan van één bestemming 'Wonen' waarbinnen alle burgerwoningen vallen. De woningen staan met een bestemmingsvlak op de verbeelding aangegeven. Binenn het bestemmingsvlak mogen de woning en bijbehorende bijgebouwen gerealiseerd worden.

De (bestaande) woningen in het buitengebied zijn verschillend van grootte. Als uitgangspunt wordt gehanteerd 750 m3 bij recht. Vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen bij de woning mogen worden opgericht achter het verlengde van de voorgevel van de woning. Aangebouwde bijgebouwen dienen een ondergeschikt tussenlid te hebben. De gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 bedragen. De goothoogte mag maximaal 3 m en de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen. In de algemene bepalingen van het bestemmingsplan is geregeld dat de bestaande grotere inhoud, hoogte en goothoogte gerespecteerd blijven.

Het kan voorkomen dat een woning gesloopt wordt en nieuw wordt opgebouwd waarbij de woning ook verplaatst wordt. Het betreft hier dus geen nieuwbouw van een extra woning. Ten behoeve van deze mogelijkheid is een afwijking van de bouwregels opgenomen om de verplaatsing van de woning mogelijk te maken. Hierbij geldt dat de woning maximaal 10 m van de plek van de bestaande woning herbouwd mag worden en dat het woonklimaat aanvaardbaar blijft (in verband met geluid van verkeer over aangrenzende wegen). In verband met deze laatste voorwaarde is in de regels opgenomen dat een woning op minimaal 50 m van een (ander) agrarisch bedrijf dient te worden gebouwd (danwel op dezelfde plek, als dit minder dan 50 m is). Bovendien mag de woning alleen met een afwijkingsbevoegdheid dichterbij een nabijgelegen weg worden gebouwd.

Een woning die wordt teruggebouwd mag een maximale inhoudsmaat van 750 m3 hebben. Deze mogelijkheid geldt niet voor gesplitste woningen.

Wonen - Eswoning

De voor 'Wonen - Eswoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een eswoning met inwoning met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. per bestemmingsvlak is maximaal één woning met inwoning toegestaan. Voor de woningen geldt dat de goot- en bouwhoogte maximaal 3,5 meter mag bedragen en dat ondergronds bouwen binnen het bouwvlak is toegestaan. De inhoud van de woning mag maximaal 750 m3 bedragen.

Vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen bij de woning mogen worden opgericht achter het verlengde van de voorgevel van de woning. Aangebouwde bijgebouwen dienen een ondergeschikt tussenlid te hebben. De gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 bedragen. De goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter.

Dubbelbestemmingen

Waarde - Archeologische verwachting 1

Gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde voor archeologische vondsten hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen. Deze gebieden worden beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en omgevingsvergunningenstelsel van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2.

Waarde - Archeologische verwachting 2

Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische vondsten hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen. Deze gebieden worden beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en omgevingsvergunningenstelsel van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2.

Waarde - Archeologische verwachting 3

Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische vondsten hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen. Deze gebieden worden beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en omgevingsvergunningenstelsel van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 ha.

Algemene aanduidingsregels

Reconstructiewetzones

Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', gelden de regels zoals opgenomen in de bestemming 'Agrarisch' voor dit gebied. In verwevingsgebieden geldt dat op locaties waar nu geen intensieve veehouderij aanwezig is, deze ook niet ontwikkeld kan worden. Op locaties waar wel intensieve veehouderij aanwezig is kan een uitbreiding plaatsvinden tot maximaal 1,5 ha.

Vrijwaringszone - radar

Het plangebied is gelegen binnen het verstoringsgebied van de radar op de voormalige vliegbasis Twente. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing op de bouw en overige bouwwerken die hoger zijn dan 45 m. Voorkomen dient te worden dat regelingen worden opgenomen die leiden tot een onaanvaardbare verstoring van de radar.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen
Op [datum] is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 7 november 2019 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is een zienswijzen binnengekomen. De zienswijze is inhoudelijk behandeld in de zienswijzennotitie die aan het raadsbesluit is toegevoegd.