| Plan: | Delden-Noord, herziening Nieuwstraat 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BPSDxNieuwstraat2-VS10 |
Voor de locatie Nieuwstraat 2 in Delden is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en op het perceel drie rijwoningen te bouwen. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het perceel Nieuwstraat 2 in Delden bestaat uit een gebouw bestaande uit twee bouwlagen met een winkelfunctie op de begane grond en een woonfunctie op de verdieping. Het plangebied ligt in de kern Delden. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Stad-Delden, sectie A, perceelsnummers 6744 (gedeeltelijk), 5205 (gedeeltelijk), 4481 (gedeeltelijk). In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Delden weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: www.topotijdreis.nl)
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop Nieuwstraat 2 te zien is. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de woonbebouwing aan de Langestraat, aan de oostzijde door de Nieuwstraat, aan de westzijde door de bebouwing aan de Peperkampweg en aan de westzijde door de bebouwing aan de Wethouder Bloemenstraat. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: PDOKviewer)
Voor de Nieuwstraat 2 in Delden geldt het bestemmingsplan 'Delden-Noord' (vastgesteld op 30 mei 2013). In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Delden-Noord' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Aan het plangebied is de bestemming 'Woongebied' toegekend met een bouwvlak en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 3" en een gedeelte heeft de functieaanduiding 'detailhandel'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor wonen. Voor het gedeelte dat de functieaanduiding 'detailhandel' heeft, geldt dat de bestaande detailhandel is toegestaan. Een klein gedeelte van het plangebied (perceel sectie G nr. 4481) heeft de functieaanduiding 'dienstverlening' en daar is dienstverlening toegestaan.
De beoogde herontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het geldende bestemmingsplan, vanwege het toegestane aantal woningen, hoogtes die vallen buiten het bouwvlak van Nieuwstraat 2 en maximale bebouwingspercentages.
Het bestemmingsplan kent geen afwijkingsregels noch een wijzigingsbevoegdheid die het realiseren van de voorgenomen drie woningen mogelijk maakt.
Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de voorziene ontwikkeling (drie aaneengebouwde woningen) mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Delden-Noord, herziening Nieuwstraat 2' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
Het plangebied betreft het perceel Nieuwstraat 2 in Delden. De locatie bevindt zich in de directe omgeving van het centrum van de kern Delden. De bestaande bebouwing betreft een pand dat gedeeltelijk bestaat uit twee bouwlagen. Op de begane grond bevindt zich een winkelfunctie en op de verdieping een woonfunctie. Aan de noordzijde behoorde een gedeelte van het plangebied bij het achtererf van de woning aan de Langestraat. In figuur 2.1 is een het aanzicht vanaf de Nieuwstraat te zien.
Figuur 2.1: Huidig straatbeeld vanaf Nieuwstraat (bron: GoogleStreetView)
Het pand grenst met de voorgevel direct aan de straat (troittoir). Het winkelgedeelte van het pand staat leeg. De Nieuwstraat is een klinkerstraat en kent een maximumsnelheid van 30 km/uur. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig woningen en enkele maatschappelijke voorzieningen aanwezig.
Het voornemen is om drie woningen te realiseren in het plangebied. Het betreft drie woningen die aaneen worden gebouwd. De twee woningen aan de zijkanten worden levensloopbestendig uitgevoerd. Beide woningen hebben een slaapkamer met badkamer op de begane grond. Op de verdieping zijn drie slaapkamers en een badkamer gepland.
Voor de middelste woning geldt dat de woon-/leefruimte wordt gerealiseerd op de begane grond en het slaapgedeelte (drie slaapkamers) en badkamer op de verdieping. In figuur 2.2 is een situatietekening van de de toekomstige situatie weergegeven.
Figuur 2.2: Toekomstige situatie (bron: Ton Kuipers architectuur)
De voorgevel aan de Nieuwstraat kent een lage goothoogte (circa 2,60 m) met een accent (kopgevel) ter plekke van de middelste woning. De twee woningen aan de buitenzijde zijn voorzien van een dakkapel.
De lage goot sluit bij de linkerzijde aan op de naastgelegen woning aan de Peperkampweg en aan de rechterzijde bij de bebouwing op het achtererf van de woning aan de Langestraat.
De twee woningen aan de buitenzijde hebben aan de achterzijde een hoge goot (ruim 9 meter), waardoor ruimte op de verdieping wordt gecreëerd. De middelste woning is dieper en heeft een lagere goot aan de achterzijde.
In figuur 2.3 zijn de gevelbeelden van de drie woningen weergegeven en in figuur 2.4 zijn de zijgevels weergegeven.
Figuur 2.3: gevelbeeld drie woningen Nieuwstraat
Figuur 2.4: zijgevels woningen Nieuwstraat
De woningen worden uitgevoerd in rode baksteen en antraciet kleur voor de lage gedeeltes aan de zijkanten. Bij de rechterwoning aan de buitenzijde wordt voorzien in twee parkeerplaatsen )oprit) op eigen terrein. De meest linkerwoning is voorzien van één parkeerplaats (oprit).
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse
leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De
NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van drie rijwoningen binnen de bebouwde kom van Delden. Daarbij zal de huidige bebouwing worden gesloopt en in plaats daarvan worden drie rijwoningen gebouwd. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de navolgende paragrafen wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het provinciale beleid. Daarin wordt aangetoond dat de woningen passen binnen het provinciale beleid. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van drie rijwoningen op het perceel aan de Nieuwstraat 2 in Delden mogelijk. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit ruimtelijke ordening. Derhalve is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro ook niet van toepassing.
Wel geldt op grond van deze uitspraak dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel.
artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1: Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Onderhavig plan heeft betrekking op het mogelijk maken van drie rijwoningen aan de Nieuwstraat 2 in Delden. Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied (inbreidingslocatie). Er is sprake van een inbreiding en herstructurering van bestaand bebouwd gebied en derhalve wordt geen beslag gedaan op de groene omgeving. Derhalve kan gesteld worden dat het voornemen voldoet aan de uitgangspunten van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
In voorliggend plan worden drie rijwoningen binnen bestaand bebouwd gebied mogelijk gemaakt. De bestaande bebouwing (ten behoeve van wonen en detailhandel) wordt hiervoor gesloopt. Hiervoor worden drie nieuwe rijwoningen teruggebouwd. De nieuwe woningen worden goed ingepast in het straatbeeld. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voornemen een positieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Artikel 2.2.2. Realisatie nieuwe woningen (lid 1 en 4)
Lid 1: Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.
Lid 4: De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.
Doorwerking voorliggend plan:
Met de voorgenomen ontwikkeling is aansluiting gezocht op de regionale en lokale behoefte. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de behoefte genoemd in de Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 en Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten van artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, locatie globaal bij rode + (bron: provincie Overijssel)
Het plangebied behoort binnen de Omgevingsvisie Overijssel tot de 'woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieu versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Doorwerking voorliggend plan
Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van drie rijwoning na sloop van bestaande bebouwing. Deze ontwikkeling draagt bij aan het ontwikkelingsperspectief voor woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken. De woningen worden gasloos gebouwd en zullen voldoen aan de BENG-normen. Daarmee wordt er een bijdrage geleverd aan de energietransitie.
De uitstraling van de nieuwbouw is passend in de directe omgeving vanwege het feit dat het om drie woningen gaat en deze in een bestaande woonomgeving worden gerealiseerd. De hoogte van de nieuwbouw sluit aan bij de naastgelegen panden.
Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen het ontwikkelingsperspectie 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
Het plangebied is gelegen op binnen de natuurlijke laag 'Stuwwallen'. Echter is deze natuurlijke laag ter plaatse van het plangebied niet meer waarneembaar doordat het plangebied en de omgeving (Delden) bebouwd is.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is gelegen binnen de agrarische laag 'Essenlandschap'. Deze laag blijft buiten beschouwing, omdat het plangebied gelegen is in stedelijk gebied en geen agrarische eigenschappen heeft.
Stedelijke laag
Het plangebied is gelegen binnen de stedelijke laag 'Bebouwingsschil 1900-1955'. De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten.
Als herstructurering, inbreiding en toevoeging van bebouwing plaats vinden in de individueel ontwikkelde stadswijken van de bebouwingsschil 1900 - 1955, dan dragen deze bij aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ontwikkelingen voegen zich in maat, schaal en ritme naar de omliggende bebouwing.
In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Met het realiseren van de drie nieuwe woningen wordt rekening gehouden met de omliggende woningen en de bebouwingsstructuren hiervan. Daarmee wordt er rekening gehouden met de omliggende bebouwing. Het voornemen wordt gerealiseerd binnen de bestaande wegenstructuur. De invulling van het plangebied is daarmee in overeenstemming met het ter plekke geldende gebiedskenmerk 'Stedelijke laag'.
Figuur 3.3: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks.
Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk.
Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en nieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen.
De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Voor het plangebied, is het streefbeeld 14 van belang: 'kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners maar toch betaalbaar gebleven. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad.
Toets
Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van drie rijwoningen op een bestaande bebouwde locatie. De bestaande bebouwing (ten behoeve van wonen en detailhandel) wordt gesloopt. De nieuwbouw is passend in de omgeving. Het plan geeft invulling aan de doelstellingen van de toekomstvisie.
In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden.
De woonvisie 2021-2025 behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:
Versnellen van de woningbouw
Om daadwerkelijk versnelling van de woningbouw te realiseren zet de gemeente een aantal stappen:
Toets
Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van drie rijwoningen (twee levensloopbestendige en één starterswoning) in de koopsector. Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in Hof van Twente is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. Er is een tekort aan woningen in alle kernen.
Tot en met 2030 is er in de gemeente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag.
Ruimtelijk wordt er vanuit de gemeente eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van inbreiding, de bestaande functie (detailhandel en wonen) maakt plaats voor woningbouw waar vraag naar is. Met deze ontwikkeling wordt er ingespeeld op een concrete behoefte in de gemeente Hof van Twente, het bouwen van starters- en levensloopbestendige woningen. In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de Woonvisie van de gemeente Hof van Twente.
De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij is zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen.
In onderstaande figuur 3.4 is een uitsnede van de verbeelding van de Welstandnota Delden-Goor opgenomen, waarin het plangebied globaal rood is omcirkeld.
Figuur 3.4: Uitsnede kaart Welstandsnota Delden-Goor (bron: gemeente Hof van Twente)
Zoals in bovenstaande figuur te zien ligt het plangebied binnen de begrenzing van het Welstandsregime ''Linten aan de weg'.
Linten aan de weg
Kenmerken
Op Bentelo na zijn in alle kernen in de Hof van Twente langs oude wegen lintbebouwingen ontstaan. Aanvankelijk stonden de panden gespreid langs de wegen, later is er verdicht en werden de panden kavel voor kavel gebouwd. Hierdoor ontstonden de levendige straatwanden zoals we die nu op veel plaatsen kunnen waarnemen. Grofweg kunnen we zeggen rond het centrum van de kernen de panden in de linten met hun gevel 'aan de weg' staan, terwijl ze als we verder naar buiten komen 'los op de kavel! zijn geplaatst. In sommige kernen zien we linten waar aan de ene kant van de straat de panden aan de weg staan en aan de overkant los op de kavel. Goor kent de meeste linten met panden aan de weg, al dan niet met tussenruimtes in de vorm van een oprit of een steegje. De uiteenlopende architectuur van de panden geeft de linten een afwisselend beeld, tegelijk zorgt de overeenkomst in grootte van de bouwwerken voor een rustige opbouw. Er zijn nog meer overeenkomsten tussen de panden: de meeste nokken staan loodrecht op de straat, ook is er bijna altijd sprake van 'harmonisch kleurgebruik.
Beleid
De 'linten aan de weg' geven sfeer aan de kernen. In deze voor de kernen zo belangrijke straten is het van belang de samenhang in het ritme en de korrelmaat te behouden. Tegelijk staan de linten voor levendigheid: dit wordt vooral bereikt door de verschillen tussen de panden.
Criteria
Om de continuïteit in het lint te waarborgen ligt de nadruk bij dit deelgebied op de plaatsing en oriëntatie van het gebouw. Een individuele uitstraling en het doortrekken van het gevelmateriaal tot aan het maaiveld doen de rest.
Toets
De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd op een locatie waar al bebouwing aanwezig is. De nieuwe woningen worden aan de weg op de rooilijn gebouwd en zijn georiënteerd op de weg. De woningen sluiten qua korrelmaat en ritme aan op de omgeving. De woningen worden uitgevoerd in donkere kleuren. In paragraaf 2.2 zijn de beoogde woningen en de positie op de kavel weergegeven.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets
Middels het voorliggende bestemmingsplan worden drie rijwoningen mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is. Hetgeen dit plan mogelijk maakt wordt niet expliciet benoemd in het Besluit milieueffectrapportage, maar de meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij:
De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.
Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.
Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Op grond van het vigerende bestemmingsplan ligt er op het grootste deel van het plangebied een bouwvlak zonder bebouwingspercentage. Op een klein gedeelte ligt een bouwvlak met een bebouwingspercentage van 20%. De geldende bestemming is "Woongebied". Binnen het plangebied zijn ook nog gedeeltelijk de aanduidingen "detailhandel"en "dienstverlening" aanwezig. Er is ter plekke nu één woning aanwezig. Het vigerende bestemmingsplan gaat uit van het maximaal het bestaande aantal woningen (in dit geval dus 1). Qua bestemming past wonen hierbinnen. Het vigerende plan laat alleen geen uitbreiding van woningen toe. Het voorliggende plan voorziet niet in een nieuwe bestemming maar maakt alleen de de realisatie van drie rijwoningen mogelijk. Gelet op de bouwmogelijklheden in het geldende plan zal er niet of nauwelijks sprake zijn van de uitbreiding van bouwmogelijkheden. Daar komt bij dat de mogelijkheden voor detailhandel en dienstverlening met de daarbijkomende "milieueffecten" komen te vervallen.
Het plan voorziet niet in een andere bestemming (functie wonen blijft en functies detailhandel en dienstverlening vervallen) en de te realiseren bebouwde oppervlakte zal niet of nauwelijks afwijken van de mogelijkheden in het vigerende bestemmingsplan. Bovendien komen de "milieueffecten"van de functies detailhandel en dienstverlening te vervallen. Deze milieueffecten zullen groter zijn dan de "milieueffecten" van de toevoeging van de woningen.
Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering
Toets
Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking).
Het plangebied is gelegen nabij de doorgaande Langestraat, een belangrijke verbindingsweg tussen de provinciale N741 en het historische centrum van Delden. Daarnaast liggen in de omgeving van het plangebied een aantal maatschappelijke- en detailhandelspercelen. Tevens bevindt zich op een afstand van circa 200 meter een spoorlijn. Aangezien er in de omgeving van het plangebied diverse functies en infastructuur (spoorlijn) bevindt, kan gelet op de uitspraak van de Raad van State van 17 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1408) worden geconcludeerd dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Externe werking
Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De functie 'wonen', die overigens ook al in het vigerende plan is toegestaan, betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving.
De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft maatschappelijke percelen aan de Nieuwstraat 6 en Langestraat 84 en een detailhandelsbestemming aan de Langestraat 83.
Perceel Nieuwstad 6 is in gebruik als kinderopvang. Deze activiteit wordt aangemerkt als categorie 2 bedrijf met een richtafstand van 10 meter (geluid) in gemengd gebied. Op perceel Langestraat 84 is een uitvaartcentrum gevestigd. Deze activiteit wordt aangemerkt als categorie 1 bedrijf met een richtafstand van 0 meter (geluid) in gemengd gebied. Het perceel Langestraat 83 is in gebruik voor detailhandel (Electro World). Deze activiteit wordt aangemerkt als categorie 1 bedrijf met een richtafstand van 0 meter (geluid) in gemengd gebied. Aan de richtafstanden wordt voldaan.
De overige bedrijfs-, maatschappelijke en detailhandelbestemmingen liggen op een grotere afstand. Geconcludeerd wordt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan waardoor geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets
In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten/functies aanwezig die moeten worden beoordeeld op geurhinder. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor het plan.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets
Verkennend bodemonderzoek
Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 (d.d. oktober 2023, projectcode 23055410) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (Bijlage 1 Bodemonderzoek).
Hieronder zijn de resultaten en conclusies uit het bodemonderzoek weergegeven.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op
basis
van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten
behoeve
van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is
gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht voor chemische componenten uit
het NEN5740-standaardpakket en asbest kan worden beschouwd.
Resultaten veldwerk
In totaal zijn er 9 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere
ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis (PB 1). De bodemopbouw
bestaat tot circa 0.50 mmv globaal uit zeer grof tot matig fijn, zwak siltig, zwak grindig
zand met zwak oer. Vanaf circa 0.50 m-mv tot circa 1.50 m-mv bestaat de grond uit
uiterst fijn tot matig grof, matig siltig, matig humeus donker bruin zand. Hieronder
bestaat de grond tot einde boordiepte uit leemlagen. Er zijn geen bodemvreemde
materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte
materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen.
Resultaten chemische analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
- de bovengrond uit (BG I) is (licht) verontreinigd met lood, koper, kwik, zink en PAK;
- de bovengrond uit (BG II) is zeer licht verontreinigd met lood, zink en PAK;
- de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd;
- het grondwater uit PB 1 is licht verontreinigd met barium.
Hypothese
De hypothese "onverdacht" kan met betrekking tot de ondergrond worden
aangenomen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn
aangetoond.
De hypothese "onverdacht" dient met betrekking tot de bovengrond en het grondwater te worden verworpen, aangezien er lokaal enkele overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond.
Conclusies en aanbevelingen
In de bovengrond (BG I en BG II) en het grondwater (PB1) zijn (licht) verhoogde
gehalten gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen
naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de ondergrond (OG I en OG II) is geen verontreiniging
gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van
een nader onderzoek niet noodzakelijk.
Slotconclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de aankoop en
bestemmingsplanwijzing, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's
voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige
en toekomstige gebruik.
Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor het realiseren van de woningbouw.
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Toets
Wegverkeerslawaai
Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
Deze zonering geldt niet:
De Nieuwstraat, Peperkampweg en Langestraat zijn wegen met en maximum snelheid van 30 km/uur en vallen daardoor niet in de wettelijke geluidzone. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daardoor niet van toepassing.
Echter, in het kader van een goed woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting te bepalen. Dit onderzoek is door Geluid Plus (26 september 2023, projectnummer 23.194) uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bijgevoegd. Hieronder worden de conclusies uit het akoestisch onderzoek weergegeven:
De aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai vormen geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets
Op basis van deze ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd. Dit valt ruim onder de genoemde aantallen. Daarnaast verdwijnt de mogelijkheid van detailhandel en dienstverlening met bijbehorende verkeersbewegingen. De aantal verkeersbewegingen van de drie woningen zal minder zijn dan de verkeersbewegingen die het vigerende plan mogelijk maakte: één woning, detailhandel en dienstverlening. Per saldo zal er sprake zal zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot hetgeen er nu aanwezig is en mag, kan worden gesteld dat dit plan (realisatie drie rijwoningen) 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tevens kan de realisatie van woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid:
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Risicokaart
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Toets
Op ongeveer 190 meter afstand van het plangebied ligt de spoorlijn Zutphen-Hengelo. Hier kunnen gevaarlijke stoffen over vervoert worden. Deze transportroute is onderdeel van het Basisnet. Het plangebied is gelegen binnen de 200 meter waar het groepsrisico verantwoord dient te worden. In navolgende tabel is weergegeven welke stoffen er over het spoor worden vervoerd en wat de maximale effectafstand (1% overlijdenskans) is.
Het plangebied is gelegen binnen de invloedszone van diverse stoffen. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied dient aandacht te worden besteed aan het groepsrisico en de beperkte verantwoording daarvan. Bij de beperkte verantwoordingsplicht (artikel 7 van het Bevt) dient tenminste aandacht te worden besteed aan:
Bestrijdbaarheid
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels het bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.
De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.
Zelfredzaamheid
Voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid, ofwel het vermogen voor mensen om zich zelfstandig in veiligheid te kunnen brengen, is een belangrijke voorwaarde voor de beperking van slachtoffers. Het plangebied bestaat uit de realisatie van drie rijwoningen. In basis wordt ervan uitgegaan dat mensen zelfredzaam zijn of in staat zijn elkaar in veiligheid te brengen.
Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van de juiste zelfreddende gedrag.
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een ramp met brandbaar gas of vloeistof bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. Het plangebied wordt goed ontsloten en de ontsluiting kan plaatsvinden door van het spoor af te keren.
Voor blootstelling aan een ramp met toxische vloeistof of gas is schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de enige juiste methode. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken af te sluiten zijn tegen de indringing van toxische gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij de parameters.
Er dient gebruik te worden gemaakt van een mechanische ventilatiesysteem dat handmatig kan worden uitgeschakeld. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Tot slot wordt opgemerkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om van de risicobron (spoorweg) weg te vluchten. Immers, het plan ontsluit via de Nieuwstraat die in noordelijke richting ontsluit op de Langestraat. Daarmee kan eenvoudig van de risicobron worden gevlucht indien dit noodzakelijk wordt geacht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.
In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.
Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Watertoetsproces
Op 26 september 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4. Op basis van deze toets volgt de korte procedure. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toepast, deze is in Bijlage 4 opgenomen. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Toetsing
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (d.d. 6-10-2023, projectnr. 5871) zie Bijlage 2 Quickscan natuurwaarden. De resultaten zijn in de voglende alinea's opgenomen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))
Het plangebied ligt op minimaal 620 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In figuur 4.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 4.4: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van
Overijssel)
De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied.
Natura 2000-gebied
Het plangebied ligt op circa 9 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Lonnekermeer. In figuur 4.5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 4.5: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel)
De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied (zie ook hieronder). Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied
Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog.
De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen.
Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 13 januari 2022 is de huidige AERIUS Calculator geactualiseerd. De belangrijkste verandering is de 'afkapgrens' van 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten.
De omgevingsdienst Twente heeft op 25 november 2022 de 'advieslijn opvragen onderzoek stikstofdepositie bouwprojecten bestemmingsplannen' (kenmerk 20221125, d.d. 25 november 2022) opgesteld. De advieslijn is opgesteld als handvat bij de beoordeling of bij een bouwproject stikstofdepositie onderzoek voor de bouwfase noodzakelijk is.
Uitgangspunt van de stikstofdepositieberekening is dat een realistische/ representatieve inschatting wordt gegeven van de werkmethode en materieelinzet die in de aanlegfase benodigd zal zijn. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de inzet van het materieel “voldoende reëel en aannemelijk” moet zijn (vgl. AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 17.1). Er zijn door de Omgevingsdienst Twente meerdere fictieve situaties doorgerekend waarbij de emissie is bepaald op basis van reële uitgangspunten, zoals ook gehanteerd in onderzoeken voor de bouwvrijstelling van kracht werd. Deze berekeningen zijn ook uitgevoerd voor sloopwerkzaamheden, heien en ontsluiting van een kleine woonwijk.
Het bouwplan wordt gerealiseerd op een afstand van circa 9 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Op grond van de advieslijn van de ODT blijkt dat voor het bouwen van:
Het bouwplan aan de Nieuwstraat 2 voorziet in de bouw van drie aaneengebouwde woningen en de sloop van het bestaande gebouw. Gelet op de advieslijn van de ODT kan geconcludeerd worden dat het plan niet leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarrond beschermde vogels en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren benutten het plangebied alleen als foerageergebied. Amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied.
Er nestelen mogelijk vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is (huismus en gierzwaluw). Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van deze vogelnesten. Om vast te kunnen stellen of er huismussen en gierzwaluwen in het plangebied nestelen, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de bebouwing vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
In de regels is opgenomen dat er nader onderzoek dient plaats te vinden naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis voordat wordt begonnen met de sloop zoals omschreven in hoofdstuk 7 van de Quickscan natuurwaarden (bijlage 1 toelichting) en indien noodzakelijk, een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te zijn verleend.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
De gemeenteraad heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Dit beleid (Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart, november 2009) is met ingang van 1 januari 2010 in werking getreden. Op de bij het beleid behorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart staan archeologische rijksmonumenten vermeld en worden gebieden aangegeven waar de kans op archeologische vondsten groot of klein is. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die aan een gebied is toegewezen, zal bij bouwplannen archeologisch onderzoek moeten plaatsvinden. De onderzoeksverplichtingen bij de verschillende verwachtingswaarden zijn opgenomen in de onderstaande tabel.
| Verwachtingswaarde | Onderzoeksverplichting |
| Archeologisch monument | Er zijn geen bodemverstorende activiteiten toegestaan, tenzij er een vergunning is verkregen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed |
| Overige AMK-terreinen en historische kernen | Bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m² of meer |
| Hoge verwachting | Bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m² of meer |
| Middelhoge verwachting | Bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m² |
| Lage verwachting | Bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer |
Hieronder is een uitsnede opgenomen van de verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Hof van Twente.
Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Hof van
Twente en BAAC)
Toets
Het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge verwachting. Dat betekent dat er bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het plangebied is globaal 600 m². Dat is aanzienlijk minder dan de aangegeven 5.000 m². Een archeologisch onderzoek is daarom niet vereist. In dit bestemmingsplan wordt de archeologische verwachtingswaarde conform het geldende bestemmingsplan wel weer opgenomen als dubbelbestemming. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
De gemeente heeft een Erfgoednotitie 2018-2022 van de Erfgoedcommissie Hof van Twente. Hierin wordt onder andere het beleid en de visie van erfgoed binnen de gemeente uiteengezet. Om te bepalen of het aspect cultuurhistorie van belang is voor het ontwikkelingsinitiatief is gebruik gemaakt van de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst.
Toets
Op basis van de erfgoedlijsten kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen monumenten omvat. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling.
De nieuwe woningen worden ontsloten via de Nieuwstraat. De huidige functies detailhandel, dienstverlening en wonen (één woning) leveren meer verkeersbewegingen op dan het nieuwe plan (drie woningen) en kunnen zonder problemen via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
In het Gemeentelijk Mobiliteitsplan 2016-2020 is aangegeven dat een nieuwe ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen. Daarom wordt voor het bepalen van de benodigde parkeercapaciteit, de parkeerkencijfers gehanteerd zoals die door het CROW in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" zijn gepubliceerd. Daarbij wordt het midden van de bandbreedte aangehouden en de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk.
Er is bekeken welke parkeerbehoefte er is in de nieuwe situatie. Daarbij is voor de drie rijwoningen uitgegaan van een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning (centrumschil norm woning koop tussen/hoek). De totale toekomstige parkeerbehoefte voor de drie rijwoningen bedraagt dan 5,4 (afgerond 6) parkeerplaatsen. In het nieuwbouwplan is rekening gehouden met de realisatie van drie parkeerplaatsen op eigen terrein. De parkeerdruk op de openbare ruimte bedraagt 2,4 (afgerond 3) parkeerplaatsen.
Conform uitspraken van de Raad van State wordt bij de berekening van de parkeernormen bij functiewijzigingen als uitgangspunt gehanteerd dat het verschil in parkeerplaatsen tussen de huidige bestemming en de nieuwe ontwikkeling op een theoretische manier berekend wordt. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is de parkeernorm in de huidige situatie minus de parkeerplaatsen in de nieuwe situatie. In de bestaande situatie is er sprake van detailhandel) van circa 290 m² met bovenwoning. Vergelijkbare detailhandel wordt niet concreet vermeld in de gemeentelijke parkeernormen. Daarom is voor de bestaande situatie aansluiting gezocht bij de parkeernorm van 3,3 parkeerplaats per 100 m² bvo voor detailhandel in buurt- en dorpscentrum (centrum schil norm). De totale huidige parkeerbehoefte (detailhandel en 1 woning) bedraagt 11,4 (afgerond 12) parkeerplaatsen. In de huidige situatie is er plek voor circa twee parkeerplaatsen op eigen terrein. De parkeerdruk op de openbare ruimte bedraagt 8,4 (afgerond 9) parkeerplaatsen. Veelal wordt geparkeerd langs de straat.
Per saldo betekent dit dat de nieuwe ontwikkeling niet leidt tot een toename van de parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het wijzigingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Overgangs- en slotregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Enkelbestemmingen
De bestemming 'Woongebied - 1' is bedoeld als eindbestemming voor nieuwbouwlocaties in Delden en geldt derhalve voor onderhavig plangebied. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfast-voorziening. De woningen dienen aaneen gebouwd te worden, waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het ter plaatse aangegeven aantal. De maximale goot- en bouwhoogte is middels een bouwaanduiding vastgelegd op de verbeelding.
De bescherming van eventuele archeologische waarden is geregeld in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Bij ingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm moet aangetoond worden dat er geen archeologische resten worden verstoord.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. De provincie heeft voor woningbouw bepaald dat tot en met elf woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de Regionale Woonagenda Twente vrijstelling geldt van het vooroverleg. Derhalve is vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk.
Waterschap Vechtstromen
Op 26 september 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
Gezien de relatief geringe planologische betekenis wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerp bestemmingsplan. Na overleg met de initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente is direct een ontwerp van dit bestemmingsplan, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening, ter inzage gelegd. Eén ieder wordt, door middel van deze ter inzage legging, in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze over het plan in te dienen.
Binnen de termijn is één zienswijze ingediend. Deze vormde geen aanleiding tot aanpassing van het plan.