direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de gronden aan de Spenkelinksweg 4 te Ambt Delden. De wens is om het erf te (her)ontwikkelen. Reden hiervoor is het besluit om de aanwezige varkenshouderij op deze plek volledig te beëindigen in het kader van de LBV-regeling. Er worden vijf voormalig agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt (met een oppervlakte van 6.081 m2). Hiervoor worden de volgende ontwikkelingen mogelijk gemaakt:

  • Het ontmengen van het agrarische bedrijf, waarbij akkerbouw wordt voortgezet, in combinatie met het houden van hobbymatig vee en recreatie;
  • Het realiseren van zes luxe, aaneengesloten boerderijappartementen;
  • Het realiseren van een luxe camping met 25 standplaatsen en 2 trekkershutten;
  • Het herbouwen van een schuur van 1.575 m2 voor hobbymatig vee, een wasplaats, sanitair van de camping en opslag voor het akkerbouwbedrijf;
  • Het realiseren van een multifunctioneel gebouw voor recreatie van 170 m2;
  • Landschappelijke inpassing van het voornemen.

Het KGO-beleid van de gemeente Hof van Twente biedt hiervoor kaders. Voor een tweede bedrijfswoning is reeds een vergunning verleend. Het voorliggende TAM-omgevingsplan legt deze ontwikkeling vast in het omgevingsplan. Tevens wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren op deze locatie niet langer is toegestaan. De omliggende gronden blijven gehandhaafd als akkerbouwgrond. De overige sloopmeters worden aangevraagd als sloopvouchers.

Daarnaast worden twee omissies uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023' herstelt. In dit veegplan zijn de locaties van de reeds vergunde schuur en de tweede bedrijfswoning per ongeluk buiten het bouwvlak gelaten.

Het voornemen is op verschillende onderdelen strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. De gemeente Hof van Twente heeft middels een 2 positieve principebesluiten (21 november 2024 & 15 januari 2025) laten weten onder voorwaarden mee te willen werken aan het initiatief. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kader en toont aan de het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de Spenkelinksweg 4 te Ambt Delden, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het perceel staat kadastraal bekend als Ambt Delden, sectie G, perceelnummer 2961.

In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Goor (links) en de directe omgeving (rechts) met respectievelijk een rode ster en rode omlijning aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0001.png" Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Openstreetmap.org, bewerkt)
 

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen)

Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:

  • Bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' (vastgesteld op 9 december 2015);
  • Omgevingsplan gemeente Hof van Twente (in werking vanaf 1 januari 2024);
  • Bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020' (vastgesteld 26 maart 2024);
  • Bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023' (vastgesteld op 4 juni 2024).

Voor de duiding van het planologische regime zijn met name de bestemmingsplannen “Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020” en “Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023” van belang. In deze plannen zijn namelijk enkele planologische wijzigingen doorgevoerd waarbij eveneens de bestemmingen vanuit het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' zijn opgenomen.

1.4.1.1 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020

Omdat dit bestemmingsplan is opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan wordt er nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'. Op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020" is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden' met bouwvlak. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Leiding - Water'. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' en 'vrijwaringszone - radar'. Ook gelden de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - bedrijfswoning 1' & 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 5'.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende planologische situatie weergegeven. Hierop is het plangebied indicatief aangegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0002.png" Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.1.2 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023' heeft enkele aanduidingen aan de bestaande functies uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020' toegevoegd. Het gaat hierbij om de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandsappartementen' en 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 10'.

In afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende planologische situatie weergegeven. Hierop is het plangebied indicatief aangegeven met de rode omlijning.

Zoals is weergeven in deze afbeelding is te zien dat door een omissie de locaties van de reeds vergunde schuur en de tweede bedrijfswoning buiten het bouwvlak zijn geraakt. Met dit TAM-omgevingsplan zal deze omissie worden hersteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0003.png" Afbeelding 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4.2 Beschrijving bestemmingen
1.4.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020

Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, het bestaande en legale aantal bedrijfswoningen, hobbymatig agrarisch gebruik en ontsluitingswegen en -voorzieningen voor naastgelegen bestemmingen. Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'

Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er is archeologisch onderzoek nodig bij voor het bouwen benodigde grondbewerkingen een diepte van meer dan 0,40 meter en een oppervlakte van meer dan 2.500 m2.

Dubbelbestemming 'Leiding - Water'

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een ondergrondse hoofdwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water' en het beheer en onderhoud van de leiding met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'

Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied, gelden de regels zoals opgenomen in de bestemming 'Agrarisch met waarden'.

'vrijwaringszone - radar'

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een radarverstoringsgebied.

Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - bedrijfswoning 1' & 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 5'

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - bedrijfswoning 1' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het realiseren van een bedrijfswoning. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 5' verbindt aan de realisatie van deze woning landschapsmaatregelen.

1.4.2.2 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023

Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandsappartementen' & 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 10'

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandsappartementen' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het realiseren van zes plattelandsappartementen met een maximale bouwhoogte van 7 meter en een maximale goothoogte van 3,5 meter. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting 10' verbindt aan de realisatie van deze woning landschapsmaatregelen.

1.4.3 Strijdigheid

Het voornemen is op verschillende onderdelen strijdig met het geldende omgevingsplan:

  • Het is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet rechtstreeks toegestaan om een kleinschalig kampeerterrein te realiseren binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden';
  • Het is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet toegestaan om een multifunctioneel gebouw binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' te realiseren;
  • Het is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet toegestaan om plattelandsappartementen met een gebruiksoppervlak van 90 m2 te realiseren. Voor deze strijdigheid is echter reeds sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hoewel deze ontwikkeling in dit TAM-omgevingsplan planologisch wordt meegenomen, wordt verdere toetsing van dit specifieke deel van het voornemen in dit plan achterwegen gelaten.

Daarnaast dient er in het omgevingsplan te worden geborgd dat er op de locatie geen landbouwhuisdieren meer mogen worden gehouden. Voorliggend plan voorziet in het gewenste juridische planologisch kader om de voorgenomen ontwikkelingen te kunnen realiseren.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 8 nader op ingegaan.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 gaat achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 6 de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 7 gaat in op het wateraspect. Hoofdstuk 8 gaat in op de juridische planopzet en regels. Hoofdstuk 9 en 10 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving plangebied en omgeving

Het plangebied ligt aan de Spenkelinksweg 4 te Ambt Delden, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. In de huidige situatie bevindt zich op de locatie een varkenshouderij met verschillende stallen. Daarnaast staan er twee wagenbergingen en een bedrijfswoning met bijgebouw op het erf. De overige ruimte is in gebruik als manoeuvreerruimte, tuin, verharding of grasland. Het plangebied heeft aan de noordwestzijde twee ontsluitingen op de Spenkelinksweg. Tussen deze ontsluitingswegen ligt een agrarisch perceel met een vijver. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een ander agrarisch bedrijfsperceel. Aan de overige zijden wordt het plangebied begrensd door agrarische cultuurgronden.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0004.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto van het plangebied (Bron: PDOKviewer, bewerkt)  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op de voorgenomen ontwikkeling.

3.1 Gewenste situatie

3.1.1 Algemeen

Op het erf worden de volgende vervolgfuncties mogelijk gemaakt:

  • Het realiseren van en tweede bedrijfswoning aan de zuidwestzijde van het plangebied: Reeds planologisch mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020'.
  • Het realiseren van zes luxe plattelandsappartementen: Reeds planologisch mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023'. Echter wordt de voorgeschreven maatvoering overschreden. De plattelandsappartementen worden aan de noordzijde van de bestaande bedrijfswoning gesitueerd. Hierbij wordt een nieuwe onderkelder geraliseerd voor de instalaties van de appartementen. De appartementen krijgen elk een oppervlak van 90 m2 met twee bouwlagen. Op deze wijze kan er luxe worden geboden, waardoor er een onderscheidend recreatie aanbod ontstaat. Voor dit deel van het voornemen is reeds een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) in voorbereiding.
  • Kleinschalig kampeerterrein: Aan de zuid- en oostzijde van het erf wordt een kleinschalig kampeerterrein aangelegd. Het kleinschalige kampeerterrein bestaat uit 25 kampeerplaatsen. Hierbij zal het gaan om ruime plaatsen, waarbij er ook ruimte is voor campers. Hiermee is beoogd om het seizoen te verlengen en het kampeerterrein jaarrond te gebruiken. Ten behoeve van deze camping, en ten behoeve van de boerderijkamers, is het wenselijk om wellness toe te voegen op het erf. Het concept is immers een luxe recreatie, waarmee onderscheiding kan worden gezocht ten opzichte van 'reguliere' minicampings. Dit wil met bereiken door op de locatie van een te verwijderen mestkelder een natuurlijk zwembad te realiseren. Naast dit zwembad wil men sauna's plaatsen. Dit wordt gerealiseerd in een multifunctioneel gebouw ten behoeve van de camping met een oppervlak van 170 m2. Ook zal het gaan om ruime kampeerplekken met privésanitair en groene afscheiding. Naast het zwembad maakt de huidige mantelzorgwoning van 78 m2 plaats voor twee trekkershutten met een oppervlak van 39 m2. Centraal op het kampeerterrein komt een natuurlijk vormgegeven ontmoetingsplek. Het gehele kampeerterrein wordt groen aangelegd met bomen en struiken.
  • Realiseren van een grote schuur: Voor een stal voor het hobbymatig houden van vee, een overdekte wasplaats en opslag voor het akkerbouwbedrijf wordt een schuur van 1.575 m2 gerealiseerd. Voor de realisatie van deze schuur worden 2.150 m2 aan sloopmeters ingezet. De schuur wordt tussen de bestaande wagenbergingen en het kampeerterrein gerealiseerd.

Met het voornemen wordt de bestaande tweede ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied verwijdert. Hierdoor wordt de bestaande en verwachte overlast van deze ontsluitingsweg op het perceel ten noorden van het plangebied verminderd.

Tevens wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren op deze locatie niet langer is toegestaan. Op de gronden die bij het agrarisch bedrijf horen, blijft de akkerbouw gehandhaafd. De overige vierkante meters die hierdoor vrijkomen, worden aangevraagd als sloopvouchers.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 1 bijgevoegd. Hierna is een uitsnede opgenomen van het inrichtingsplan uit het ruimtelijk kwaliteitsplan, vervolgens wordt in de volgende paragraaf ingegaan op de uitgangspunten van het ruimtelijk kwaliteitsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0005.png"  
Afbeelding 3.1: Toekomstige situatie, erfinrichtingstekening (Bron: De Erfontwikkelaar)  

3.1.2 Ruimtelijk kwaliteitsplan

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt zorgvuldig aangesloten bij de karakteristieke indeling van het erf, passend binnen het bestaande kampenlandschap. Hierna wordt ingegaan op de inpassing van het nieuwe woonerf evenals het kampeerterrein.

Agrarisch bedrijf

De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door het slopen van landschapsontsierende bebouwing. Hierdoor is het mogelijk om een toekomstbestendig bedrijf en erf te realiseren. Hierbij wordt ingezet op akkerbouw, in combinatie met het hobbymatig houden van vee en recreatie. Ten behoeve van het bedrijf worden een grote schuur voor opslag, hobbymatig vee en wasplaats gerealiseerd. Daarnaast wordt er een reeds vergunde tweede bedrijfswoning opgericht. Er is gekozen voor een sobere uitstraling, die eenheid geeft tussen de kenmerken van het gebied en van het erf. De voortuin van de bestaande bedrijfswoning wordt versterkt door de aanplant van noten- en fruitbomen. Daarnaast worde de woning van het kampeerterrein gescheiden door de aanplant van struweel dat aansluit op bestaande bomen. Aan de noordzijde van de bestaande wagenbergingen wordt het bestaande erfbosje uitgebreid. Hierdoor ontstaat er een natuurlijke buffer richting het aan de noordzijde grenzende agrarische bedrijf. Ten zuiden van het gebouw met de zes luxe boerderijkamers wordt een parkeerplaats voor deze boerderijkamers gerealiseerd. Deze parkeerplaats wordt aan drie zijden omringd door een wilde liguster haag. Ten noorden van deze boerderijkamers worden eveneens enkele (fruit)bomen geplaatst.

Kampeerterrein

Het kampeerterrein wordt gesitueerd ten oosten van de bedrijfswoningen. Het terrein wordt groen ingericht met verschillende bomen en struiken. De kampeerplaatsen aan de noord- en oostzijde worden van de grote schuur gescheiden door middel van de aanplant van struweel. Tegenover elkaar liggende kampeerplaatsen worden gescheiden door de aanplant van een bomenrij, bestaande uit zwarte els, veldesdoorn en enkele Hollandse lindes. In lijn met deze rij wordt tevens een kleinschalige hooimijt aangelegd als overdekt ontmoetingsplek. Aan de buitengrenzen wordt het kampeerterrein eveneens afgeschermd door een gelijksoortige bomenrij. Tussen het natuurlijke zwembad en de aan de oostzijde grenzende kampeerplaatsen wordt struweel aangeplant om het zwembad afteschermen.

Waar mogelijk wordt de bestaande beplanting behouden. Door de toepassing van streekeigen beplanting en een zorgvuldige inrichting wordt het projectgebied op een natuurinclusieve en landschappelijk verantwoorde wijze ingepast. Dit draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, versterkt de landschappelijke identiteit en bevordert de biodiversiteit in het gebied.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren, waaronder kencijfers voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens.

Bij de berekening van de parkeernormen zal er een gemiddelde worden genomen. De gemeente Hof van Twente heeft in 2016 een 'Gemeentelijk Mobiliteitsplan' vastgesteld. De gemeente Hof van Twente heeft de parkeernormen gebaseerd op de hiervoor genoemde CROW publicatie.

Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (Bron: CBS Statline)
  • Stedelijke zone: buitengebied.
3.2.2 Parkeren

Voor de zes plattelandsappartementen en de twee trekkershutten wordt aangegeven dat deze functie niet is opgenomen in de CROW-publicatie. Daarom wordt aangesloten bij de kencijfers voor de functie ‘Bungalowpark (huisjescomplex)’.

Het plan betreft daarnaast de realisatie van 25 camperplaatsen. Campers worden beschouwd als verplaatsbare verblijfsobjecten en mogen uitsluitend voor eigen gebruik op de daarvoor aangewezen camperplaatsen worden geplaatst. Hierdoor is het niet noodzakelijk om aanvullende parkeerruimte voor de camperplaatsen te realiseren.

Op basis van de uitgangspunten bedraagt de parkeerbehoefte:

Functie   Aantal/ aantal standplaatsen   Parkeernorm   Parkeerbehoefte totaal  
Bungalowpark (huisjes complex)   8   2,1   16,8  
Camping (kampeerterrein)   25   1,2   30  

Het voornemen gaat gepaard met een extra parkeerbehoefte van afgerond 47 parkeerplaatsen. 25 parkeerplaatsen zijn onderdeel van de standplaatsen op het kampeerterrein. De overige 22 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op een parkeerterrein op het erf. In afbeelding 3.1 is zichtbaar dat er ten zuiden van de plattelandswoningen een parkeerterrein mee 22 plaatsen wordt aangelegd voor de verschillende recreatiefuncties op het erf.

In de regels is daarnaast bepaald dat bij vergunningverlening in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien. Dit is met name van belang voor nieuwe ontwikkelingen en het kampeerterrein. Het aspect parkeren is hiermee voldoende geborgd.

3.2.3 Verkeer

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de kampeerplekken wordt aangesloten bij de kengetallen van een camping (kampeerterrein). Op basis van de uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie:

Functie   Aantal   Verkeersgeneratie   Verkeersgeneratie totaal  
Bungalowpark (huisjes complex)   8   2,7   21,6  
Camping (kampeerterrein)   25   0,4   10  

Op basis van bovenstaande bedraagt de verkeersgeneratie van de ontwikkeling in totaal 31,6 (afgerond 32) verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Hierbij is echter geen sprake van een volledige absolute toename, aangezien de verkeersgeneratie behorend bij de intensieve veehouderij komt te vervallen. Desondanks is een deel van deze verkeersbewegingen aantemerken als extra verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied wordt ontsloten via de Spenkelinksweg. De Spenkelinksweg is ruim voldoende van capaciteit om deze extra verkeersbewegingen te verwerken.

3.2.4 Conclusie

Met voorliggend omgevingsplan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect verkeer en parkeren.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit TAM-omgevingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
    Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
    Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
    Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
    Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
4.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing aan de NOVI

In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Het plan kan daarbij een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied door invulling te geven aan een VAB-locatie met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen ontwikkeling.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.2.1 Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:

  • de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling;
  • bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.

Stedelijk gebied: Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen;

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

4.1.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Dit geldt onder andere voor wijzigingen waarbij de agrarische functie behouden blijft en het planologisch beslag van de nieuwe ontwikkeling niet aanzienlijk groter is dan de bestaande situatie. Uitgangspunten hiervoor zijn de rechtsuitspraak 'ABRvS 29 mei 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1763' en 'ABRvS 25 oktober 2023; ECLI:NL:RVS:2023:3877'. Voorliggende ontwikkeling voorziet in het ontmengen van het bedrijf naar akkerbouw met hobbymatig vee en recreatie. Hierbij is het planologische ruimtebeslag niet van een grotere omvang dan de huidige situatie. Deze ontwikkeling is kleinschaliger dan de ondergrens die in jurisprudentie gehanteerd wordt en zodoende is een nadere laddertoetsing hiervoor niet noodzakelijk.

Wat betreft het kampeerterrein en de trekkershutten blijkt uit een overzichtsuitspraak omtrent de ladder (ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat een kampeerterrein met een omvang van 3 hectare en waar ruimte wordt geboden aan uitsluitend tenten, kampeerauto’s, (sta)caravans, dan wel andere daarmee vergelijkbare voertuigen of onderkomens niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. De ruimte die de beoogde camperplaatsen inclusief bijbehorende voorzieningen innemen, bedraagt aanzienlijk minder dan 3 hectare. Dit betekent dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.3 Conclusie toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Onderstaand wordt het provinciale beleid nader uitgewerkt.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
  • Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
  • Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes;
  • 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken.
4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheidt zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0006.png"  
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  
4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn met name artikelen 4.5, 4.8, 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen wordt hierna ingegaan.

Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel

De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied, op een bestaand erf. In zijn totaliteit neemt de hoeveelheid bebouwing fors af in het plangebied, gezien de sloop van de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Hierdoor wordt optimaal gebruikgemaakt van een reeds bestaand agrarisch erf, zonder dat er sprake is van nieuwe bebouwing in de groene omgeving. De nieuwe functie, met bijbehorende bebouwing, is passend in het buitengebied. Het zijn immers gebouwen die inherent zijn aan de agrarische functie en aan de recreatieve functie. Bovendien zijn deze functies (hobbymatig houden van vee, akkerbouw en recreatie) functies die gelieerd zijn aan het buitengebied. De gebouwen en functies worden allemaal binnen het bestaande bebouwde bouwvlak gerealiseerd. Daarnaast wordt er in het gehele plangebied een inpassing geleverd ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Er is dan ook sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.8: Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Artikel 4.9: Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

  • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
  • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
  • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing van het initiatief aan artikelen 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel

Zoals blijkt uit de beschrijving in paragraaf 3.1 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken en het ontwikkelingsperspectief (zie verderop in deze paragraaf). De hoeveelheid verharding in het buitengebied neemt als gevolg van de ontwikkeling af. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met deze artikelen.

Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:

  • a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;
  • b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;

Toetsing van het voornemen aan artikel 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel

Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hof van Twente. De meerwaarde vertaalt zich in:

  • Sloop van 6.081 m2 aan landschapsontsierende bebouwing;
  • de verwijdering van overtollige erfverharding en agrarische voorzieningen;
  • het landschappelijke inpassen van de nieuwe erfsituatie.

De basis hiervoor is het ruimtelijk kwaliteitsplan dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze motivering. In hoofdstuk 5 van dit Ruimtelijk Kwaliteitsplan is aangetoond dat de ruimtelijke ingrepen, waaronder de sloop van verouderde en ontsierende bebouwing en de landschappelijke inpassing van nieuwbouw en erfbeplanting, de karakteristieke structuur van Oude hoevenlandschap versterken. De ontwikkeling draagt bij aan een duurzame en landschappelijk ingepaste inrichting van het gebied. Het plan draagt bij aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

4.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie Overijssel vorm gegeven. Hiervoor gelden de gebiedskenmerken als onderligger.

In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kort door de bocht - om het behoud en de versterking van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap.

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin het plangebied indicatief met rode contour is omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0007.png"  
Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'

Het voornemen maakt diverse functies mogelijk, waaronder akkerbouw, luxe plattelandsappartementen en een kleinschalig kampeerterrein. Door zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en het inzetten van sloopcompensaties wordt het behoud van landschappelijke kwaliteit gewaarborgd. Daarnaast draagt het plan bij aan de versterking van recreatie en wonen in het buitengebied. Hierdoor ontstaat een dynamisch, multifunctioneel en toekomstbestendig buitengebied.

4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' en 'Laag van de beleving' worden buiten beschouwing gelaten, aangezien geen kenmerken of elementen vanuit deze lagen op het plangebied van toepassing zijn.

De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Dit kan ook in steden en dorpen, bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en met betrekking tot nieuwe natuur in stad en dorp.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypes 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes'. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven met een rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0008.png"  
Afbeelding 4.3: Uitsnede Natuurlijke Laag Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

"Dekzandvlakte en ruggen"

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

"Beekdalen en natte laagtes"

Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren.

Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke Laag'

Voor het voorliggende plan is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 3.1.2 en Bijlage 1), waarin rekening is gehouden met de natuurlijke ondergrond van het plangebied. De gekozen beplanting sluit aan bij de potentiële natuurlijke vegetatie op deze locatie. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Natuurlijke laag'.

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt in de gebiedstype 'Oude hoevenlandschap'. In afbeelding 4.4 is dat met blauwe omlijning weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0009.png"  
Afbeelding 4.4: Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

"Oude hoevenlandschap"

Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand erf in het buitengebied, waarbij een gedeelte van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt en een combinatie van functies (zoals wonen, extensieve akkerbouw, kleinschalige bedrijvigheid en recreatie) wordt gerealiseerd. Dit is passend binnen het Oude Hoevenlandschap met verspreid liggende erven. Door zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en het inzetten van sloopcompensaties wordt het behoud van landschappelijke kwaliteit gewaarborgd.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder behandeld.

4.3.1 Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030'
4.3.1.1 Algemeen

In de strategische visie 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 10 en 11 zijn voornamelijk van belang. Deze worden hierna behandeld.

4.3.1.2 Streefbeeld 10: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld

Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoudt, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden.

De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend.

Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.

4.3.1.3 Streefbeeld 11: Nieuw evenwicht in functies in het buitengebied is ontstaan met een nieuwe toeristisch-recreatieve publiekstrekker

Hof van Twente kenmerkt zich door kleinschalige initiatieven en een hoge mate van vakmanschap. In deze combinatie zijn in 2030 veel kleine innovaties gemaakt. Denk aan knooperven waar eigenaren zorgdragen voor landschapselementen als paden en houtwallen. Of verschillende vormen van CO2 reductie bij agrarische bedrijven en hun toe- en afvoer. Of de kennis die we opbouwen in het toekomstbestendig maken van onze gemeente in het licht van vergrijzing en krimp.

Het aandeel van recreatie en toerisme in de lokale economie is in 2030 onverminderd groot in Hof van Twente. De toeristisch-recreatieve infrastructuur is geoptimaliseerd. Het landschap is de belangrijkste drager voor recreatie en toerisme en is daarom sturend in de mogelijkheden die er zijn. Er is invulling gegeven aan de behoefte die er was aan de toevoeging van een attractie van bovenregionaal belang. Hierbij is actief gebruik gemaakt van de toeristisch-recreatieve potentie die het gebied de Domelaar in Markelo bood, na de afbouw van de zandwinningsactiviteiten.

Er zijn attracties voor gezinnen en er is een verbeterde verknoping van de bestaande attracties en verblijfaccommodaties in de regio in de vorm van arrangementen.

4.3.1.4 Toetsing aan de Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030'

De voorgestelde ontwikkeling sluit aan bij de strategische visie ‘Hof van Twente – Zicht op 2030’. Door het slopen van overtollige bebouwing ontstaat ruimte nieuwe initiatieven, zoals recreatie, waarmee de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Het voortzetten van het akkerbouwbedrijf met recreatie past bij het gemeentelijke beleid. De luxe plattelandsappartementen en het kleinschalige kampeerterrein met camperplaatsen en trekkershutten ondersteunt de ambitie om recreatie en toerisme in het buitengebied te stimuleren. Het stoppen met het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren bevordert de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsplan zorgt ervoor dat deze ontwikkelingen landschappelijk zorgvuldig worden ingepast.

4.3.2 Nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'
4.3.2.1 Algemeen

De nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' is de opvolger van de nota Recreatie en Toerisme 2021-2027 en geeft een visie op de recreatieve sector tot 2030. De visie komt voort uit een aantal gezamenlijk gedragen uitgangspunten:

  • Niet voor, maar door stakeholders.
    We vinden het belangrijk dat de visie samen met de sector is vormgegeven. Dit levert de meeste input op en zorgt -naast draagvlak- ook voor eigenaarschap.
  • Toerisme en recreatie geen doel op zich.
    De vrijetijdseconomie biedt kansen om het woonplezier van inwoners te vergroten en bezoekers van buiten de gemeente aan te trekken. Goede toeristisch-recreatieve voorzieningen kunnen hier een mooie bijdrage aan leveren. Dit vraagt om een goede balans tussen 'people, planet, profit'.
  • Denken vanuit kansen met oog voor deelgebieden/-thema's.
    Elke kern in de gemeente heeft zijn eigen karakteristieken, zo ook het buitengebied. Om de gemeente in samenhang te ontwikkelen én tegelijkertijd oog te hebben voor de afzonderlijke kenmerken- werken wij in deze visie vanuit thema's. Dit brengt focus aan in de visie en maakt het mogelijk om deze thema's individueel en vanuit samenhang te versterken.
  • In samenwerking met de regio.
    Recreanten en toeristen denken niet vanuit gemeentegrenzen en daarom is het essentieel om de regio te betrekken. Van belang is om als gemeente aan te sluiten bij de regio waar mogelijk en uit te blinken op onderscheidende aspecten.

Dit laat zich vertalen naar een ambitie voor 2030:

"We zijn ambitieus en leggen de lat hoog. Niet door te kiezen voor meer, maar door te kiezen voor beter. We zetten in op een vrijetijdseconomie die jaarrond zorgt voor levendigheid. We blinken uit in ons culturele aanbod. Genieten van activiteiten in de natuur. En zetten de landgoederen en kastelen verder in de spotlights. Kortom, we willen hetgeen wat we hebben nog beter (beleefbaar) maken.

We staan open voor nieuw onderscheidend aanbod. Daarvoor geldt dat onze eigen inwoners symbool staan voor de bezoekers die we willen trekken. We maken ons hard om onze eigen (regio)inwoner beter te bedienen. Dit maakt ons ook aantrekkelijk voor bezoekers van verder weg. We richten ons expliciet op de Millennials (met jonge kinderen). Gaan voor kwaliteit en kleinschaligheid. En bedienen nog beter dan nu de actieve natuur- & cultuurliefhebber. Nieuw aanbod laten we aansluiten bij de leefstijlen van eigen inwoners: de inzicht- en stijlzoekers.

Met alles wat we doen, dragen we bij aan het geluk en de vitaliteit van inwoners, bezoekers en ondernemers. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor toekomstige generaties."

4.3.2.2 Doelen

De doelen voor de vrijetijdseconomie 2030 zijn onderverdeeld in de volgende onderdelen:

  • Bewegen & beleven;
  • Jaarrond;
  • Kwalitatief & in samenhang.

In voorliggend geval zijn met name de doelen ten aanzien van 'Kwalitiatief & in samenhang' van toepassing. Hierna worden de betreffende doelen benoemd:

  • een divers en kwalitatief aanbod;
    • 1. Groei verblijfsaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. Van de huidige 7% stijlzoekers die ons bezoekt, streven we naar 10% in 2030.
    • 2. Versterken huidige aanbod: Groei trendsetters dagrecreatie. Behoud hoge middenmoters.
    • 3. Versterken culinair-& agrofood aanbod
    • 4. Groei dagrecreatiefaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers.
    • 5. Gastvrije informatiepunten voor iedereen vindbaar en toegankelijk.
  • een hoffelijke samenwerking;
    • 1. Versterken verbinding onderwijs en vrijetijdseconomie.
    • 2. Versterken onderlinge samenwerking ondernemers.
    • 3. Aansluiten bij regionale samenwerkingsverbanden en hierbij vanuit eigen positionering uitblinken.
    • 4. Op gedeelde thema's actief samenwerken met de Achterhoek.
4.3.2.3 Toetsing aan de nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'

De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de uitgangspunten van de nota ‘Beleef hoffelijkheid 2.0’ van de gemeente Hof van Twente. Met de realisatie van luxe plattelandsappartementen en een kleinschalig kampeerterrein met camperplaatsen en trekkershutten wordt het kwalitatieve en diverse vrijetijdsaanbod in het buitengebied versterkt, precies zoals beoogd in de nota. Op het erf worden tevens een natuurzwembad, wellness met sauna's en een wasplaats voor campers gerealiseerd. De nadruk op kwaliteit, kleinschaligheid en natuurbeleving komt overeen met de ambitie om unieke, onderscheidende recreatiemogelijkheden te bieden die aansluiten bij de wensen van (regio)inwoners en actief ingestelde bezoekers.

4.3.3 Structuurvisie landelijk gebied
4.3.3.1 Algemeen

In de 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

In de structuurvisie wordt onder andere ingegaan op recreatie en toerisme en landbouw.

Landbouw

De gemeente Hof van Twente kiest ervoor om ruimte te bieden aan een grootschalige gespecialiseerde agrarische sector. Naast het faciliteren van de groei van het agrarische bedrijf onder de voorwaarde van een landschappelijke inpassing richt het beleid zich tevens op het behoud van landschapswaarden die aan agrarische gronden verbonden zijn. Hof van Twente biedt ook mogelijkheden voor verbrede landbouw. Bij een nevenactiviteit zal worden toegezien op het behoud van de agrarische uitstraling en een goede inpassing van het erf.

Recreatie en toerisme (kampeerterreinen)

Ten aanzien van kampeerterreinen geldt dat het beleid gericht is op voorzetting van de reeds in gang gezette kwaliteitsverbetering. Er is tevens ruimte voor kwalitatief hoogstaand kampeerterreinen. Deze dient bij te dragen aan een differentiatie in aanbod. Kleinschalige kampeerterreinen dragen in belangrijke mate bij aan thematisering van recreatie en aandacht voor het beleven van het platteland. Om deze thematisering te behouden zijn zij alleen toegestaan bij (voormalig) agrarische bedrijven. Nieuwe kampeerterreinen zijn onder voorwaarden van landschappelijke inpassing mogelijk.

Kampeerterreinen zijn alleen toegestaan in het oosten van de gemeente. Tevens is het quotum ingesteld dat het totaal aantal standplaatsen niet meer bedraagt dan 10% van de standplaatsen op reguliere kampeerterreinen. Op ieder terrein kunnen 15 plaatsen worden geboden, waarbij na zorgvuldige afweging afhankelijk van de omgevingskwaliteiten een uitbreiding tot 25 standplaatsen kan worden toegestaan.

4.3.3.2 Toetsing aan de structuurvisie landelijk gebied

Het plangebied ligt binnen het gebied waar nieuwvesting van kampeerterreinen mogelijk is. Het ligt op basis van het kaartbeeld in het oosten van de gemeente bij een agrarisch bedrijf. Daarbij wordt voldaan aan de ambitie om kwalitatief hoogstaande kampeerterreinen te bieden. Het gaat hier immers om kamperen met veel luxe voorzieningen, waarmee het onderscheidend is van andere kampeerterreinen. De 25 plaatsen zijn nodig om een toekomstbestendige functie te maken en het economisch rendabel te maken. Er moet na de het opheffen van de intensieve tak immers een duurzame economische drager gevonden worden. Door de forse investeringen in zowel landschap als sloop, waarbij een grote impuls is, kan dit goed worden onderbouwd. Ten aanzien van landbouw geldt dat het initiatief aansluit bij het zoeken naar verbrede landbouw. Door actuele ontwikkeling is omvorming naar een akkerbouw en veeteeltbedrijf in combinatie met recreatie noodzakelijk om een toekomstbestendig geheel te creëren. Het plan is dan ook in overeenstemming met de structuurvisie landelijk gebied.

4.3.4 KGO beleid 2023 "Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst"
4.3.4.1 Algemeen

Het gemeentelijke KGO beleid is vastgelegd in de beleidsnota "Grond voor gebruik, ontwikkel nu erfenis voor de toekomst". De beleidsnota voorziet in kaders met betrekking tot rood-voor-rood, het uitbreiden van niet agrarische bedrijven in het buitengebied, hergebruik van Vrijkomende Agrarisch Bebouwing (VAB) en sloopvoucher regeling. Hierna wordt ingegaan op deze kaders.

4.3.4.2 Rood-voor-rood

De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd.

De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn.

De resterende meters zijn meters boven de 1.000 m2 die overblijven en niet ingezet kunnen worden voor het realiseren van nieuwe compensatiewoningen. Deze rest meters kunnen bijvoorbeeld ingezet worden voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen, extra inhoud van bestaande woningen of de uitbreiding van niet agrarische bedrijfsgebouwen.

Afbakening van beleid:

  • De maximale inhoud voor de te realiseren woning op de compensatiekavel bedraagt 750 m3.
  • De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen.
  • De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw op de compensatiekavel is maximaal 150m2.
  • Ook kan extra sloopoppervlakte worden ingezet voor het realiseren van een extra bijgebouw, conform de regels van afwijking “extra bijgebouwen bij woonbestemming tot 450 m2”.
  • De Rood voor Rood-regeling gaat altijd uit van de sloop van het gehele complex met voormalige agrarische gebouwen, erfverhardingen, mestplaten, mestsilo’s, mestkelders, kassen voor hobby en nevenactiviteiten, sleufsilo’s met uitzondering van de bedrijfswoning en karakteristieke bebouwing. Eventueel aanwezige (karakteristieke) bebouwing kan functioneel worden aangewend. De beoordeling vindt plaats conform het beleid betreffende hergebruik voormalig agrarische bedrijfsgebouwen (VAB-beleid). In specifieke situaties kan een gebouw blijven staan voor het uitoefenen van een hobby of economische activiteit, ook als het gebouw niet direct karakteristiek is. Hierbij vindt per geval maatwerk plaats, afhankelijk van de relatie van deze gebouwen met de omgeving, de overig aanwezige en te realiseren gebouwen op het erf en de relatieve afname van de bebouwde oppervlakte.
4.3.4.3 Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Uitgangspunt is dat bestaande vrijgekomen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hergebruikt worden voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. In uitzonderlijke situaties kan medewerking worden verleend aan kleinschalige uitbreiding.

Daarbij moet wel inzichtelijk worden gemaakt worden of het bedrijf nog wel op de juiste locatie zit en niet beter kan verhuizen naar een bedrijventerrein. Voor iedere uitbreiding geldt dat als basis inspanning het terrein zorgvuldig landschappelijk dient te worden ingepast, waarbij aansluiting wordt gezocht met de identiteit van het omringende landschap.

In aanvulling op de basis inspanning moet voor elke 1 m2 bebouwing het tweevoudige aan landschap ontsierende bebouwing worden gesloopt binnen de Hof van Twente.

Verder gelden de volgende toetsingscriteria:

  • de activiteiten moeten binnen de gebouwen plaatsvinden;
  • er mag geen buitenopslag plaatsvinden;
  • de nieuwe functie moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen ongewenste verstedelijking of aantasting van de landschappelijke waarden veroorzaken. Dit kan eventueel gepaard gaan met sloop van een deel van de bestaande bebouwing.
  • de nieuwe activiteit mag de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmeren in hun bedrijfsvoering;
  • de nieuwe activiteit moet behoren tot de categorie 1 en 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” dan wel een daarmee gelijk te stellen activiteit;
  • het milieu mag niet extra worden belast ten opzichte van de milieubelasting van het stoppende of gestopte (deel van het) bedrijf (stank, geluid, luchtkwaliteit, veiligheid etc.;
  • de bestaande infrastructuur moet berekend zijn op de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • eventuele parkeerplaatsen worden ingepast in het groen c.q. omgeving;
  • er mag geen sprake zijn van een industriële uitstraling, dergelijke activiteiten behoren op een industrieterrein;
  • er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing, waarvoor het noodzakelijk is om een landschapsplan voor het totale erf (en de directe omgeving) ingediend moet worden;
  • er mag geen sprake zijn van detailhandel, anders dan ter plaatse vervaardigde producten, waarbij er geen sprake is van enige tussenhandel.
  • reclame-uitingen dienen in overeenstemming te zijn met het reclamebeleid van de gemeente Hof van Twente.
4.3.4.4 Sloopvoucher-regeling

Erfeigenaren die graag de vrijkomende landschap ontsierende gebouwen op het erf willen slopen kunnen hiervoor een sloopvoucher aanvragen. Deze voucher kan op een later moment ingebracht worden bij een project waarvoor sloopcompensatie nodig is. In deze sloopvoucher wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte te slopen bebouwing in aanmerking komt. Deze voucher is 10 jaar geldig en kan ingezet worden bij projecten waarvoor sloopcompensatie nodig is. Om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de oppervlakte te slopen bebouwing kan niet terug worden gebouwd;
  • de oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente;
  • op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m2’ van toepassing;
  • eerdere verplichtingen kunnen niet in de regeling worden ingebracht;
  • Alle asbest moet worden gesaneerd.
  • er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een
  • landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • Als de functie nog Agrarisch is moet deze gewijzigd worden naar een woonfunctie, tenzij is aangetoond dat de agrarisch functie noodzakelijk is voor de toekomst.
4.3.4.5 Toetsing van het initiatief aan het KGO beleid 2023

Hierna wordt getoetst aan de relevante aspecten van het KGO beleid 2023.

Rood-voor-rood

Het voornemen voorziet in de sloop van 6.081 m2 aan landschapsontsierende bebouwing in de vorm van stallen van de varkenshouderij. Aangezien er 6.081 m2 aan agrarische bebouwing wordt gesloopt, is er sprake van een substantiële vermindering. Er wordt geen nieuwe woning gerealiseerd. De sloopmeters die niet voor de vervolgfuncties worden gebruikt worden dan ook omgezet naar sloopvouchers.

Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Voor de vervolgfuncties, in de vorm van het akkerbouwbedrijf en recreatie wordt een schuur van 1.575 m2 hergebouwd. In dit geval is er sprake van maatwerk. Een nieuw bedrijfsgebouw mag namelijk in beginsel niet groter zijn dan 500 m2. Voor de overige 1.075 m2 wordt daarom het dubbelaantal sloopmeters ingezet. In totaal worden voor de schuur 2*1.075= 2.150 m2 aan sloopmeters ingezet.

Daarnaast wordt er een multifunctioneel bijgebouw gerealiseerd, onder andere ten behoeve van het kampeerterrein. Dit gebouw heeft een oppervlak van 170 m2. Uit het KGO-beleid blijkt dat voor bijgebouwen het dubbel aantal sloopmeters moeten worden ingezet. Voor dit bijgebouw worden dan ook 340 m2 aan sloopmeters ingezet.

In totaal geldt voor de vervolgfuncties daarmee dat er 2.150 m2 +340 m2 = 2.490 m2 aan sloopmeters moeten worden ingezet.

Tijdens de vergunningverlening voor de bouw van de plattelandsappartementen is aangetoond dat dit in overeenstemming was met het KGO-beleid. Destijds is er 725 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt, separaat van de huidige 6.081 m2. Vanuit het beleid mocht hiervan maximaal 300 m2 woorden ingericht als plattelandsappartementen. Conform artikel 49.4 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' mocht hier bij uitzondering sprake zijn van nieuwbouw, aangezien de ruimtelijke kwaliteit verbeterde door de absolute afname van 325 m2 aan bebouwing en landschappelijk inpassing van de plattelandsappartementen. Binnen dit gebouw worden zes luxe plattelandsappartementen gerealiseerd met een gebruiksoppervlak van 90 m2 per appartment.

Sloopvoucher-regeling

Na het realiseren van de bovengenoemde ontwikkelingen, blijft er dus (6.081 m² - 2.150 m² - 340 m² =) 3.591 m² aan sloopmeters over. Met de gemeente is afgestemd dat de agrarische functie behouden blijft, waarbij het bouwvlak wordt verkleind. Aan de voorwaarden die worden gesteld om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling wordt voldaan.

4.3.5 Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Milieuzonering

5.1.1 Algemeen

Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

De VNG heeft de handreiking Activiteiten en milieuzonering uitgevracht als opvolger van de bekende uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 ('het groene boekje') en de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl. Momenteel kan deze echter nog niet worden gebruikt in de gemeente Hof van Twente. In maart 2023 heeft de VNG daarom een kort advies gepubliceerd hoe in de tussenperiode om te gaan met actualisatie van planregelingen en nieuwe ontwikkelingen. Hierin wordt aangegeven dat de systematiek vanuit de bedrijven en milieuzonering 2009 voorlopig gehandhaafd kan blijven indien voldaan wordt aan de richtafstanden.

5.1.2 Situatie plangebied

Akkerbouwbedrijf en kampeerterrein

Akkerbouwbedrijven hebben op basis van de VNG-uitgave milieucategorie 2. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie, met uitzondering van de bedrijfswoningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Spenkelinksweg 6a. Deze bevindt zich op een afstand van 80 meter van de wagenbergingen. Aan de richtafstand wordt daarmee voldaan.

Kampeerterreinen hebben op basis van de VNG-uitgave milieucategorie 3.1. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie, met uitzondering van de bedrijfswoningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Spenkelinksweg 6a. Deze bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van de camperplaats. Aan de richtafstand wordt daarmee voldaan.

5.1.3 Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2 Omgevingsveiligheid

5.2.1 Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

5.2.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe ster indicatief weergegeven.

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied niet in de nabijheid van risicobronnen of binnen aandachtsgebieden van risicobronnen ligt. Ten noorden van het plangebied ligt een gasleiding. Deze ligt op circa 530 meter van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied van deze leiding. Ten oosten, op circa 930 meter van het plangebied wordt propaangas opgeslagen. Gelet op deze afstanden kan geconcludeerd worden dat er geen (veiligheids)maatregelen getroffen hoeven te worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis.

Het aspect externe veiligheid is hiermee voldoende geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0010.png"  
Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl, bewerkt)  
5.2.3 Conclusie

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving in het kader van omgevingsveiligheid.

5.3 Geluid door activiteiten

5.3.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);

geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3.2 Situatie plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling worden er geen geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd. De plattelandsappartementen, trekkershutten en kampeerplaatsen worden niet beschouwd als geluidgevoelige gebouwen. Het Bkl wijst namelijk recreatiewoningen niet aan als geluidgevoelig gebouw. Een geluidgevoelig gebouw is namelijk een gebouw, of een gedeelte daarvan, met een woonfunctie en eventuele nevengebruiksfuncties en in deze gebouwen zijn niet bedoeld voor langdurig gebruik.

Aangezien er geen sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelige gebouw is verdere toetsing aan geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen niet aan de orde. De te realiseren recreatie en het akkerbouwbedrijf kunnen wel voor geluidshinder in de omgeving zorgen. Dit deel van het aspect geluid is behandel in paragraaf 5.1 Milieuzonering.

5.3.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.4 Bodemkwaliteit

5.4.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

5.4.2 Situatie plangebied

De bodemkwaliteit van het plangebied is onderzocht conform NEN5725, NEN 5740 en NEN 5707. Hieruit bleek dat asbest gesaneerd dient te worden. Naar aanleinding hiervan heeft Bureau BAS de aanwezige asbest gesaneerd. Het rapport hiervan is opgenomen in Bijlage 2 van deze ruimtelijke motivering. Hieruit blijkt dat er 4150 m2 met een maximale diepte van 2 meter ontgraven is. Hiermee voldoet de bodemkwaliteit aan de kwaliteitseisen voor het voornemen.

5.4.3 Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
5.5.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Zo is de verkeersgeneratie (een belangrijke bron van luchtvervuiling) afkomstig van de woningen beperkt.

Daarnaast is het voornemen getoetst aan de NIBM-tool. Hieruit blijkt (afbeelding 5.2) dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10_0011.png" Afbeelding 5.2: NIBM-tool (Bron: IPLO.nl, bewerkt)

5.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geur

5.6.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandseisen
  • Randvoorwaarden
5.6.2 Situatie plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt recreatie mogelijk gemaakt. Om inzicht te geven in de eventuele invloed van geurhinder door omliggende geurbronnen is er een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies.

Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de dominante veehouderij aan de Spenkelinksweg 6 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 27,0 OUE/m3 ter plaatse van het plangebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting is volgens de berekening als ‘extreem slecht’ te kwalificeren.

Deachtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 23,59 OUE/m3. Het woon- en leefklimaat is wat betreft achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘tamelijk slecht.Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘extreem slecht’.

Gesteld wordt dat dit de maximale belasting bedraagt. Voor zowel de voorgrond als de achtergrondgeurbelasting geldt dat deze op het grootste gedeelte van het plangebied veel lager ligt. Dit houdt in dat de geurbelasting op het grootste deel van het plangebied veel beter is. de zwaarste belasting is aan de noordzijde van het plangebied. Hier zijn de wagenbergingen gerealiseerd. Ter plaatse van de woningen en het kampeerterrein is er sprake van een woon- en leefklimaat dat is te kwalificeren als 'goed'.

Hoewel uit het geuronderzoek volgt dat ter plaatse van een beperkt deel van het plangebied sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde uit artikel 5.109 Bkl, wordt voldaan aan de grenswaarde. Gelet op de ligging van het plangebied in het buitengebied, de beëindiging van de intensieve veehouderij op het perceel zelf, de ruimtelijke spreiding van de geurbelasting en de situering van de verblijfsfuncties, kan het woon- en leefklimaat ter plaatse gemotiveerd aanvaardbaar worden geacht. Voor het kampeerterrein en de trekkershutten geldt dat sprake is van niet-permanent recreatief gebruik, waardoor deze functies niet als geurgevoelig gebouw worden aangemerkt.

Daarnaast is in paragraaf 5.1 Milieuzonering aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten niet leiden aantasting va het woon- en leefklimaat van omliggende woningen.

5.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Trillingshinder

5.7.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

5.7.2 Situatie plangebied

Er is geen sprake van het realiseren van trillinggevoelige gebouwen. Daarnaast is er geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie.

Aangezien de afstand tot de dichtst bijgelegen spoorlijn circa 1,6 kilometer bedraagt, is geen nader onderzoek nodig naar spoortrillingen.

5.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Gezondheid

5.8.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

5.8.2 Situatie plangebied

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging.

Daarnaast wordt vermeld dat ook de ter plaatse aanwezige milieukwaliteit verbeterd. Doordat op de locatie in de toekomst geen veehouderijbedrijf mag worden uitgeoefend, wordt zowel het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf als een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf uitgesloten. In de toekomstige situatie worden hobbymatig dieren gehouden. Deze kleinschaligheid leidt echter tot een substantiële verbetering ten opzichte van het veehouderijbedrijf. Door de staking van de veehouderij, met als gevolg dat de ammoniakemissie aanzienlijk zal afnemen, wordt bovendien bijgedragen aan verbetering en bescherming van de gezondheid.

Daarmee wordt de leefomgeving verbeterd, wat een positieve invloed heeft op de gezondheid. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.

5.8.3 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

5.9 Water

5.9.1 Algemeen

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:

  • Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater;
  • Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.
  • Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
  • Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.
5.9.2 Situatie plangebied

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Middels een watertoets is het Waterschap geïnformeerd over het voornemen, opgenomen in Bijlage 6 van deze motivering. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Er worden geen waterbelangen geraakt. Hierna is de standaard waterparagraaf opgenomen.

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak af. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Er is geen sprake van het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd.

Waterkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel.

5.9.3 Conclusie

Met de voorgenomen activiteitten binnnen het plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

5.10 Ecologie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

5.10.1 Gebiedsbescherming
5.10.1.1 Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
5.10.1.1.1 Situatie plangebied

Als onderdeel van gebiedsbescherming en de beoordeling van of het voorliggende plan negatieve effecten heeft voor Natura 2000-gebieden, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (AERIUS) door van Engberts Adviseurs.

Na invoer van de noodzakelijke gegevens in de AERIUS Calculator blijkt dat het project niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden.

De stukken behorende bij de berekening zijn opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering.

5.10.1.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.10.1.2.1 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 1,8 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.10.2 Soortenbescherming
5.10.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.10.2.2 Situatie plangebied

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 5 van deze motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk gedood worden, dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

5.10.3 Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

5.11 Archeologie & Cultuurhistorie

5.11.1 Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

5.11.2 Archeologie
5.11.2.1 Algemeen

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

5.11.2.2 Situatie plangebied

Het archeologie beleid van de gemeente Hof van Twente is doorvertaald in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente'. Het plangebied heeft hierbinnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Wanneer ontwikkelingen plaats vinden met een oppervlak van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

De nieuwe schuur heeft een oppervlak van 1.575 m2. Daarnaast wordt er een kleinschalig multifunctioneel gebouw gebouwd met een oppervlak van 170 m2. Het te realiseren natuurlijk zwembad heeft een oppervlak van minder dan 650 m2. Het totale oppervlak van de ingrepen blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 2.500 m².

Daarnaast gaan de ingrepen niet dieper dan 40 centimeter. Voor het zwembad is dit wel aan de orde. Echter wordt deze gerealiseerd op een locatie waar nu een mestkelder ligt, waardoor de grond daar al geroerd is. Onderzoek naar archeologische waarden is dan ook niet noodzakelijk.

5.11.3 Cultuurhistorie
5.11.3.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
5.11.3.2 Situatie plangebied

Uit de Erfgoedatlas blijkt dat er in het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten liggen. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden waar voorliggend plan invloed op heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.11.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

5.12 M.e.r.-beoordeling

5.12.1 Kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

5.12.2 Situatie plangebied

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. In dit geval gaat het om een kleinschalige ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Uit voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de milieueffecten minimaal zijn. De beoogde functies zijn minder milieubelastend dat de varkenshouderij die voorheen binnen het plangebied gevestigd was. Daarnaast wordt opgemerkt dat ook de aanwezige landschappelijke en natuurlijke eigenschappen van het plangebied met het voornemen in stand wordt gehouden en bovenal versterkt. Deze ontwikkeling op zichzelf heeft reeds een positieve uitwerking voor wat betreft milieu. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

5.12.3 Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Wijziging omgevingsplan

6.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

6.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

6.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Spenkelinksweg 4, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxSpenkelinksweg4-VS10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

7.1 Wettelijke kaders

7.1.1 Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

7.1.2 Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).

7.1.3 Nadeelcompensatie

In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

7.2 Toetsing

Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Hof van Twente zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.

Hoofdstuk 8 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.

8.1 Procedurestappen

Dit plan kent de volgende procedurestappen:

8.1.1 Ontwerp

Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

8.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

8.1.3 Beroep

Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2 Vooroverlegpartners

Het Rijk

Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst geplubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.

Waterschap Vechtstromen

Door middel van de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd. Uit de digitale watertoets bleek dat sprake is van de 'normale procedure', zoals te zien in paragraaf 5.9 Water en Bijlage 6 bij deze toelichting. Gesteld wordt dat met een goede uitvoering van de plannen er voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterschap.

8.3 Participatie omwonenden

Omwonenden zijn op de hoogte gesteld van het voornemen. Een gedetaileerd verslag hiervan is opgenomen in Bijlage 7 van deze motivering.

De omwonenden reageren overwegend positief en waarderen de participatie. Zij willen geen stacaravans en geen belemmering voor hun agrarische bedrijfsvoering; initiatiefnemer bevestigt dat dit geborgd is. Er wordt toegezien op het voorkomen van overlast en afval door recreanten.

Directe buren hadden zorgen over de noordelijke ontsluiting. Daarom wordt deze verwijderd en vervangen door een nieuwe route langs de watergang, in overleg met het waterschap. Afwatering blijft intact. De schuren worden niet gebruikt voor industriële opslag en dit wordt vastgelegd in het omgevingsplan.

8.4 Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft tussen 18 december 2025 en 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Naar aanleiding hiervan zijn er geen zienswijzen ingediend.