| Plan: | TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ab Kanaalweg 2 Markelo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BGxKanaalweg2-VS10 |
De planlocatie is gelegen aan de Kanaalweg 2, te Markelo. De wens van de initiatiefnemer is om een extra woning toe te voegen aan het erf, waarbij hij gebruik wenst te maken van de rood voor rood regeling volgens de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst'. De sloopmeters worden verkregen van een erf elders in de gemeente Hof van Twente. Er wordt gebruikt gemaakt van een zogenaamde sloopvoucher.
Voor de extra woning en bijgebouw dient er 1000m2 aan landschapsontsierende bebouwing worden gesloopt. Deze wordt verkregen door middel van een sloopvoucher. Daarmee is het plan om 1 nieuwe woning te realiseren van 900 m3 in de vorm van een statig landhuis. Daarnaast dient een vijver gerealiseerd te worden die zal dienen als hemelwateropslag en zorgt het voor de weerspiegeling van het landhuis.
Op het erf is de woonboerderij momenteel de hoofdwoning, daarnaast bevindt zich een schuur. Het erf staat bekend als ‘erve Helleman’. De plek is indrukwekkend en past prachtig in het landschap, aan de oever van de slingerende ‘Bolscherbeek’. Deze aspecten maken dat het erfvraagt om robuuste bebouwing. De ontwikkeling op deze plek verbetert de ruimtelijke kwaliteit op het erf.
De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van de planologisch situatie noodzakelijk. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.
De planlocatie is gelegen aan de Kanaalweg 2 in het buitengebied ten noordwesten van de bebouwde kom van Markelo. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Markelo, sectie C met perceelnummers 3911, 3912, 3698, en 3775. Onderstaand is een overzichtskaart met daarop het plangebied rood aangegeven zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen de gewenste ontwikkeling van het erf en de landschappelijke investeringen.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van Markelo (bron: opentopo)
Voor het plangebied geldt het omgevingsplan van rechtswege met het onderdeel “Buitengebied Hof van Twente”. Op basis van dit plan heeft de planlocatie de functie gedeeltelijk 'wonen' met één bouwvlak, en gedeeltelijk 'Agrarisch met waarden'. Tevens wordt de planlocatie aangeduid als ‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’ en 'vrijwaringszone - radar' en dubbelstemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’. Een weergave van de verbeelding is opgenomen.
Afbeelding 1.2: uitsnede geldende verbeelding, huidig erf aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Er is sprake van een agrarische functie en een woonfunctie met een bouwvlak ten behoeve van een woning met een koetshuis. Tevens wordt het bestaande bijgebouw gesloopt en ergens anders op het terrein opnieuw gebouwd. De realisatie van een nieuwe woning is binnen de agrarische functie niet zonder meer toegestaan.
Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past het bouwplan niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het plan "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ab Kanaalweg 2 Markelo" bestaat uit de volgende stukken:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse functies. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiele uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de voorbereiding van de procedure en participatie beschreven.
De planlocatie is gelegen ten zuidoosten van Goor, aan het Twentekanaal. Het erf stamt uit de vijftiende eeuw. De woonboerderij is opgeknapt en uitgebouwd in de jaren ’70 van de 19e eeuw. De natuurlijke laag op deze locatie bestaat uit dekzand. Het grootschalige dekzandgebied wordt doorsneden door beekdalen zoals op de planlocatie het geval is. De beekdalen voerden van vroeger uit het water af van de hogere delen. Tegenwoordig kennen de beekdalen nog steeds deze functie, maar door betere afwateringstechnieken zijn de beken en sloten deels rechtgetrokken. In het plangebied is de ‘Bolscherbeek’ met zijn meanderende loop duidelijk te herkennen.
De hoger gelegen delen bevinden zich ten westen en noordoosten van de planlocatie, in de vorm van stuwwallen. Op de hoger gelegen dekzandkoppen, aan de flank van de stuwwal ontstonden de essen en de erven. De essen werden naarmate de tijd vorderde steeds verder opgehoogd, door het opbrengen van plaggen en mest om de grond vruchtbaar te houden. Hier ontstonden het essenlandschap en het kampenlandschap. Het essenlandschap bestaat uit één grote es die werd gebruikt door meerdere boeren. Het essenlandschap heeft als kenmerk dat bebouwing op een verstrooide manier rondom de es is gesitueerd. Vanuit de erven is een organische structuur te herkennen naar de omliggende gronden en andere erven in de omgeving. Het kampenlandschap kent eenzelfde structuur, maar in een kleinschaliger variant. De planlocatie ligt in het kampenlandschap. Het erf was van vroeger uit een agrarisch erf dat logisch gesitueerd was aan de rand van de kamp ((zuid)oosten), waar het graan werd verbouwd.
Afbeelding 2.1: luchtfoto planlocatie met kadastraal perceel (bron: kadastralekaart)
Het erf ligt in het kampenlandschap en heeft ook de kenmerken die bij dit landschap passen zoals robuuste houtstructuren, onder meer in de vorm van laanbeplanting. Daarnaast heeft het een gesloten karakter aan de voorzijde tegenover openheid aan de achterzijde, richting de kamp. De beekloop van de ˜Bolscherbeek' slingert om het erf en er is er een dicht bos aan de noordwestzijde van het erf te vinden, dat zichtbaar hoger in het landschap ligt. Dat deel landschap is in de ontginning gelegen met juist rechte lijnen en robuuste structuren. Een eenvoudige woning zou deze plek niet de waardering geven die het verdient. Daarom is gekozen voor het toevoegen van een statige woning in de stijl van een landhuis. Dit past ook binnen de omgeving waarin meerdere landgoederen met landhuizen te vinden zijn.
Uit de landschapsanalyse blijkt dat het erf betekenisvolle structuren kent, zoals de beukenlaan naar de boerderij, de structuur langs de Bolscherbeek, de bomenrij aan de zuidoostzijde en de grillige vormen van het kampenlandschap. Deze elementen zijn richtinggevend in het ontwerp, waardoor het erf beter in het landschap past. Vanaf de beukenlaan loopt een vertakking van de oprit naar het toekomstige landhuis (F), met een zichtas op het huis (J), die de lijn van de historische bomenrij volgt. Om deze zichtlijn te versterken wordt een houtopstand (L) verwijderd. De oprijlaan (I) krijgt een slingerend verloop, geïnspireerd op het kampenlandschap, en wordt begeleid door nieuwe houtopstanden (O) en (P), die het contrast tussen erf en open kamp kunnen versterken. Aan de voorzijde van het landhuis komt een vijver (K). De weerspiegeling hiervan vergroot de statige uitstraling van het landhuis. De vijver heeft een overloop naar de Bolscherbeek. De vijver draagt bij aan de opslag van hemelwater en waterberging in tijden van extremen, maar draagt ook bij aan ecologie en biodiversiteit. Er komt ook een bijpassend bijgebouw referend aan een koetshuis (G). Het bestaande bijgebouw bij de boerderij (C) wordt gesloopt en vervangen door een nieuw bijgebouw (B).
Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit:
Een weergave van de beoogde situatie is zichtbaar in afbeelding 2.2 en opgenomen in de Bijlage 1 bij deze toelichting.
Afbeelding 2.2: nieuwe landschappelijke situatie Kanaalweg 2 (bron: N+L Landschapsontwerpers)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en voorziet van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Geconstateerd is dat een wonen op deze locatie een logische functie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorziene ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd:
Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Beoordeling van de plannen:
Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Artikel 5.129g uit het Bkl geeft weliswaar aan dat er sprake dient te zijn van een ontwikkeling die voldoende substantieel is, maar geeft hierbij geen grens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beoordeeld als zijnde een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' die ladderplichtig is. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven:
Belangrijk uitgangspunt van de Ladder is het aspect zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In de Nota van toelichting wordt onder het begrip stedelijke ontwikkeling expliciet vermeld dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen zoals de Ruimte voor ruimteregelingen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.
In voorliggend geval wordt nieuwe woning gebouwd conform de rood voor rood regeling, waarbij de bestaande boerderij behouden blijft en een bijgebouw is toegevoegd.
Er is daarmee sprake van 1 extra woning op de locatie, dus de ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen. Dit is de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien geeft het plan invulling aan een ruimte voor ruimte-regeling. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van de realisatie van een extra woning. De rechten voor de woning worden verkregen via de rood voor rood regeling met een sloopvoucher. Met de woning wordt er voldaan aan de woonbehoefte en dus lokale behoefte. De ontwikkeling geeft hierbij goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaak dat:
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locatie ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van een ontwikkeling, waarbij een nieuwe woning in de vorm van een landhuis wordt gerealiseerd. Hierbij blijft de bestaande boerderij behouden en dus herbenut.
Voor de ontwikkeling voor dit karakteristieke landhuis met omliggend gebied is een groene omgeving gewenst, het past niet binnen bestaand bebouwd gebied. Dit plangebied is een optimale plek voor deze invulling. Daarom is het van belang dat de woning op deze manier op de aangegeven planlocatie wordt gerealiseerd.
De ontwikkeling wordt zorgvuldig ruimtelijk en landschappelijk ingepast. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting bij plannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).
Beoordeling van het plan:
Voor het plangebied is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.9.
Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In dit artikel wordt een generieke mogelijkheid geboden om onder voorwaarden nieuwe ontwikkelingen
toe te staan in de Groene Omgeving. Deze regeling wordt 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' genoemd, omdat van deze nieuwe ontwikkelingen wordt verwacht dat ze een extra impuls opleveren voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Beoordeling van het plan:
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hof van Twente. Deze meerwaarde vertaalt zich in:
In het onderhavig geval betreft het de nieuwbouw van een woning via de Rood voor Rood regeling, waarbij ook een koetshuis en een bijgebouw worden gebouwd. Met de ontwikkeling gaat er veel aandacht naar de groene omgeving en de opvang van overtollig water, hierdoor is er een verbetering in de kwaliteit van het landschap. Dit is in Bijlage 1 nader uitgewerkt en akkoord bevonden door de gemeente. Met inachtneming van dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan artikel 4.11.
Artikel 4.14: woonafspraken
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van een extra woning aan de Kanaalweg op basis van de rood-voor-rood-regeling. De woning voldoet aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en past bij de lokale behoefte. Zoals uit paragraaf 3.3.2 blijkt is er in de gemeente Hof van Twente ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Afbeelding 3.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied in rood (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
De planlocatie is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. De ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen staat voorop. De kwaliteitsambities zijn, net als voor andere ontwikkelingsperspectieven, een zichtbaar en leefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteit; en een continu en beleefbaar watersysteem.
Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' is gericht op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wordt in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie, gezien een ontwikkeling is beoogd waarbij de nieuwe woning met bijgebouwen in verbinding staan met het landschap. Er is gebruik voor zowel natuur als wonen. Met de landschappelijke inpassing zijn zowel de cultuurhistorische als de natuurlijke landschapselementen als uitgangspunten genomen.
De ontwikkeling van de extra woonfunctie binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het betreft in dit geval een rood-voor-rood regeling.
De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
Afbeelding 3.2: uitsnede kaart natuurlijke laag, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water.
Het plangebied ligt in een beekdal, dat deel uitmaakt van een gebied met dekzandvlakten en -ruggen. Door de uitgestrekte open gebieden was er minimaal sprake van hoogteverschillen, hoogstens wat dekzandwelvingen. Door de jaren heen zijn hoogteverschillen verder geërodeerd door de wind, soms juist weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar uiteindelijk weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw.
In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Vanuit de laagtes sijpelde het water naar de lager geleden delen: de beken en rivieren, zoals de Bolscherbeek op de planlocatie. Het landschap is dynamisch met een open karakter en hogere randen. De openheid is met namen aan de (zuid)oost zijde van de planlocatie waar te nemen, evenals de subtiele hoogteverschillen.
Laag van cultuurlandschap
Afbeelding 3.3: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden zoals het plangebied. Het plangebied is voor het grootste gedeelte gelegen in het kampenlandschap (oude hoevenlandschap). De kampen zijn hoogtes in het landschap die gebruikt werken als akkerland om met name graan op te verbouwen. Aan de rand van een kamp ontstond het erf van de boer die de kamp in gebruik had. Het landschap kent een organische structuur die de vormen van het landschap volgt. Het landschap kent veel variatie op korte afstand: open kampen, kleinschalige flanken met erven, natte laagtes met houtwallen, open heidevelden en ontginningen. We vinden er zware beplantingen, zoals eiken en houtwallen.
Het westelijke deel van het plangebied ligt in een broekontginningsgebied. De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oor spronkelijk functioneel verbonden met het essen en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuur verbeteraar en bemesting voor de akker gronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen en hoevenlandschap zijn de landbouw ontginningen relatief grote open ruim tes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’ landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat.
De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. Met name de driehoeksstructuren en de bestaande houtopstanden die zijn terug te zien in het plangebied wijzen op de genoemde cultuurlandschappen. Deze structuren worden behouden en versterkt met de voorgenomen plannen.
Laag van de beleving en stedelijke laag
Voor de betreffende locatie is er geen laag opgenomen onder de laag van de beleving en stedelijke laag, derhalve wordt deze niet meegenomen in de onderbouwing.
Conclusie
Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd op de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
In 'De Hof in 2040' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. In de visie heeft de gemeente onderscheid gemaakt tussen vier thema's:
In dit geval zijn 'Herkenbaar Hof van Twente', 'Leefbaar Hof van Twente' en 'Duurzaam Hof van Twente' van belang. Tevens is er per doprskern en voor het buitengebied een subvisie opgesteld.
Herkenbaar Hof van Twente
Als het gaat over de herkenbaarheid van Hof van Twente, dan heeft de gemeente het enerzijds over de ervaring en beleving van het landschap en van de stads-, kern- en dorpsgezichten. Anderzijds gaat het over sociale en culturele elementen die het karakter van de kernen en dorpen typeren en die zodoende ook invloed hebben op de fysieke leefomgeving van de gemeente. Binnen dit thema zijn er twee hoofddoelen:
Voornamelijk het tweede doel is in het plangebied van belang. Het landschap rondom Markelo bestaat uit een stuwwal en dekzandruggen. Belangrijke onderdelen in deze landschapsstructuren is het reliëf en het watersysteem. Tegelijkertijd zijn er in deze landschappen waardevolle cultuurhistorische elementen. De visie van de gemeente is om gebieden met landschapselementen en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk bij elkaar te laten komen, waarbij uiteraard de unieke kenmerken behouden blijven.
Markelo
Markelo is één van de oudste dorpen in Twente en heeft meer dan 7.200 inwoners. Het is in de elfde of twaalfde eeuw ontstaan rond de parochiekerk aan de voet van de Markeloseberg. In de periode 1850 tot 1940 nam de bebouwing rond de es fors toe, waardoor Markelo de vorm van een kransedorp kreeg. Toen ontstond ook een duidelijke dorpskern. Na de Tweede Wereldoorlog is het aantal woningen vele malen vermenigvuldigd, voornamelijk richting de noordoost- en zuidoostzijde van de bestaande kern. Typerend voor het landschap van Markelo zijn de opvallend glooiende essen en de stuwwallen. Rond Markelo vind je vooral agrarische buurtschappen en veel recreatieve bedrijven die jaarlijks veel toeristen trekken. Markelo is bekend als het dorp van de 'vijf heuvels'.
Volgens Markeloërs zelf zijn noaberschap, verbondenheid, groen & natuur en het bijzondere landschap bij uitstek de kernwoorden die Markelo beschreven. Dit maakt onder andere dat het dorp een aantrekkingskracht heeft op toeristen, die genieten van de vele wandel- en fietsroutes die de omgeving biedt. Maar ook de tradities en historie, de gastronomie en de gemoedelijkheid die het dorp heeft, maken Markelo een prettige plek om te verblijven.
In Markelo zet de gemeente Hof van Twente in op:
Buitengebied
Hof van Twente beschikt over een groot buitengebied met verschillende functies. Functies als landbouw, recreatie, wonen en natuur wisselen zich af en hebben schijnbaar willekeurig een plek gevonden in het kleinschalige landschap. Kenmerkend voor het buitengebied zijn de ensembles van grote eenheden natuur en cultuurhistorie (bos, landgoederen, stuwwallen, kampen en essen, etc.) en het half open landbouwgebied met verspreide landschapselementen, zoals singels en solitaire bomen. Ook de open glooiende escomplexen en de grootschalige broekontginningen met broekbos zijn kenmerkend voor het buitengebied in Hof van Twente. Naast de grote eenheden landbouw zijn er smalle beken met maten en singels te vinden en rondom Markelo ook een reliëf van stuwwal en “bergen”.
Volgens de bewoners in het buitengebied is het agrarisch karakter, het buitenleven in het groen en de rust en ruimte die daarmee gepaard gaan, zaken die het buitengebied typeren. Ook het noaberschap hier is heel belangrijk. Dat staat in het teken van elkaar helpen, er voor elkaar zijn: 'Wat jij niet kunt, dat kan de buurman wel'. Men heeft het idee dat het vanzelfsprekende noaberschap bedreigd zou kunnen worden door nieuwe ontwikkelingen en een meer individualistische mentaliteit. De roep om respectvol en flexibel met elkaar om blijven gaan is belangrijk.
Daarom zet de gemeente Hof van Twente in het buitengebied in op :
Beoordeling van de plannen:
De gewenste ontwikkeling betekent een impuls in de ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Hierbij gaat er aandacht uit naar de groene omgeving en inheemse beplanting in dit landschap. Daarnaast is er met de vormgeving van het huis ook gekeken naar de inpassing. Vanwege de indrukwekkende landschapsstructuur is er gekozen voor bebouwing met meer allure - een landhuis. Dit past ook in de omgeving waarin meerdere landgoederen met landhuizen te vinden zijn. Deze landschappelijke inpassing (Bijlage 1) is vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Dit past binnen het gestelde streefbeeld voor dit aspect.
In voorliggend geval is aantoonbaar te maken dat voorzien wordt in een specifieke woonbehoefte passend binnen Hof van Twente. In het kader van rood voor rood kan er een woning worden toegevoegd in de planlocatie, waarbij ontwikkelruimte in evenwicht is met investeringen (in de vorm van een sloopvoucher). Er wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als geformuleerd in 'De Hof, zicht op 2040'.
De “Woonvisie Hof van Twente 2021-2025, een leefbare en vitale gemeente met toekomst bestendige kernen”, biedt een kader voor woonontwikkeling binnen de gemeente. De belangrijkste uitdaging is zorgen voor kwalitatief goede woningen voor iedereen op de juiste plek. Dit betekent dat er meer bijgebouwd moet worden, in de juiste segmenten. Terwijl het sociale huursegment stabiel lijkt te blijven, neemt de vraag naar koop en vrije sectorhuur toe.
Ook ligt er een belangrijke uitdaging in het optimaliseren en verduurzamen van de huidige woningvoorraad. Zo zorgen de gemeente voor een woningmarkt met de juiste woning voor iedereen en behouden we de goede kwaliteiten inde Hof. De woonvisie vormt de basis voor prestatieafspraken die worden gemaakt tussen de woningcorporatie, de huurders en de gemeente.
De Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021 - 2025 is op 14 december 2021 vastgesteld. De woonvisie vormt de stip op de horizon voor wonen in de Hof en geeft aan waar de gemeente Hof van Twente zich met het woonbeleid de komende jaren op gaan richten. Het geeft de ambities aan en laat zien wat de belangrijkste opgaven zijn waar de gemeente de komende jaren voor staan. Het formuleert de belangrijkste ambities om de woningmarkt te versterken: met passende woonruimte voor inwoners. De woonvisie geeft niet altijd kant en klare antwoorden op de opgaven die er liggen, maar geeft wel richting aan de manier waarop de gemeente de opgaven wil oppakken.
Beoordeling van de plannen:
Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in de gemeente Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de gemeente Hof van Twente is krap. Tot en met 2030 is er in de gemeente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in gemeente Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag.
Binnen de groei van de huishoudens in de afgelopen jaren zien we dat Hof van Twente meer mensen aantrekt vanuit andere gemeenten dan het aantal waarmee in de prognose rekening wordt gehouden. Met de aanvullende woningvraag wordt hier rekening mee gehouden. Daarnaast wordt een latente lokale inhaalvraag geconstateerd: een deel van de woningbehoefte uit het verleden is nog niet gerealiseerd door de achterblijvende woningbouw binnen Hof van Twente.
Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van een extra woning voor lokale behoefte op een bestaand erf in het buitengebied. Hiermee wordt de bestaande woningvoorraad van de gemeente Hof van Twente uitgebreid met 1 woning en wordt ingespeeld op de verwachte bevolkingsgroei in de gemeente, daar te voorzien in de inhaalvraag naar woningen voor lokale behoefte.
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025.
Sinds 2005 maakt de Hof van Twente gebruik van de Rood voor Rood-regeling. Waarbij de regels al een aantal keer zijn aangepast zodat ze beter aansluiten bij wat de behoefte is. De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten en deze tendens zet zich ook de komende jaren nog voort. Hierdoor komen de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen. Om dit laatste te bewerkstelligen heeft de gemeente Hof van Twente de beleidsregel Rood voor Rood opgesteld. Het doel dat de gemeente voor ogen heeft is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit van landelijk gebied. Dit doel is onder andere te bewerkstelligen door de sloop van vrijkomende landschapsontsierende bedrijfsgebouwen welke hun functie verloren hebben. De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd.
De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn.
Groene Metropool Twente is het netwerk om het buitengebied in Twente te ontwikkelen. Samen met bewoners, bedrijven, onderwijs en stichtingen zorgen ze voor een leefbaar en economisch sterk buitengebied
De Groene Metropool Twente heeft voor Zuidwest Twente regionale spelregels opgesteld waarin het regionaal beleid wordt omschreven. De gemeente Hof van Twente valt hier ook onder.
Rood voor rood
Bij de sloop van minimaal 1.000 m² aan landschapsontsierende (agrarische) bebouwing kan één nieuwe woningbouwkavel worden uitgegeven, een optie die voortvloeit uit de Rood voor Rood – regeling. De nieuwe woning en bijbehorend bijgebouw mogen respectievelijk maximaal 750 m³ en 150 m² zijn. Een tweede bouwkavel kan worden gerealiseerd, mits er in totaal minimaal 2.500 m² wordt gesloopt. Een derde bouwkavel kan worden gerealiseerd, mits er in totaal 4.500 m2 wordt gerealiseerd. De nieuwe woning en bijbehorend bijgebouw mogen dan respectievelijk maximaal 750 m³ en 150 m² zijn. Bij de sloop van 5000 m2 mogen er drie woningen van 1.000 m3 worden gebouwd waarbij het bijgebouw 150 m2 blijft. Naast de sloop is het uitgangspunt dat alle landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt, met uitzondering van de (bedrijfs-) woning of karakteristieke, beeldbepalende of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Voor situaties waar boven de 1.000 m² of de 2.500 m² gesloopt wordt, wordt gekeken naar een maatwerkoplossing (zie hoofdstuk 8).
Uitzondering Hof van Twente
Voor de gemeente Hof van Twente gelden enkele uitzonderingen. Zo is het mogelijk om maximaal één woning te realiseren per erf, en niet twee zoals in andere gemeenten geldt vanaf 2.500 sloopmeters. Daarnaast is de realisatie van een groter bijgebouw mogelijk in de sloopverhouding 1:2 voor landschapsontsierende bebouwing in plaats van 1:3. Ook maakt de gemeente gebruik van sloopvouchers. In de gemeente Hof van Twente wordt er onderscheid gemaakt tussen de eerste 1000m2 en de overige sloopmeters die enkel kunnen worden ingezet voor het vergroten van een bijgebouw.
Beoordeling van de plannen
In dit geval is het rood voor rood beleid van toepassing. De enige uitzonderingsregel voor de gemeente Hof van Twente die in dit geval van belang is, is het gebruik van de sloopvouchers. Met de ontwikkeling aan de Kanaalweg 2 wordt er namelijk gebruik gemaakt van een sloopvoucher.
Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om middels de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst' één extra woning toe te voegen. Op basis van de Rood voor Rood-regeling kan in ruil voor het slopen van minimaal 1.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing het recht op een compensatiewoning worden verkregen, in dit geval via een sloopvoucher. Op de bouwlocatie zal een woning met bijgebouw worden gerealiseerd volgens de geldende regels, een woning van maximaal 750 m3 en een bijgebouw van maximaal 100 m2. De woning zal verder worden vergroot naar 900 m3 op basis van ruimtelijke investeringen.
De compensatiewoning wordt gerealiseerd aan de Kanaalweg 2 in Markelo. De bestaande boerderij die past in het landschap blijft behouden.
Om te voldoen aan de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd, wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Het volledige ruimtelijke kwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 1. De uitvoering en instandhouding van de maatregelen genoemd in dit plan worden tevens geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, evenals de sloopopgave. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure.
Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat eerder nog moest worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie de artt. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen.
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen activiteit voor het slopen van 1 bijgebouw en het bouwen van een (compensatie)woning met koetshuis en bijgebouw staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
Beoordeling van de plannen:
De plannen van initiatiefnemer geven invulling aan duurzame ontwikkeling. Met de ontwikkeling blijft de kwaliteit van de omgeving behouden. Tevens wordt er een vijver aangelegd die overtollig water kan opvangen ten behoeve van klimaatadaptatie. Hiermee is er sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling die aansluit op de maatschappelijke behoeften.
Op de planlocatie wordt een compensatiewoning gerealiseerd. Op het erf is voldoende ruimte om in de benodigde ruimtegebruik te voorzien. Ook blijft er sprake van een woonfunctie op de bestaande woonboerderij.
Het woongebruik voorziet in een duurzaam gebruik van de erflocatie, waarbij onderhoud en instandhouding voor de langere termijn worden gegarandeerd. Het plan geeft hiermee goede invulling aan het thema duurzaamheid.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd in 2024 door de VNG.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
Voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woning met koetshuis en het behoud van een bestaande boerderij. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afstand tot omliggende functies/activiteiten.
Beoordeling van de plannen:
Met de beoogde toevoeging van de woonfuncties binnen het plangebied worden in feite geen onoverkomelijke wijzigingen aangebracht als het gaat om milieuzonering. De omgeving kenmerkt zich als buitengebied met verspreide woonerven.
De activiteit binnen het plangebied voor wonen kent geen milieucategorie. Er wordt een nieuwe compensatiewoning toegevoegd binnen het plangebied en bestaande bebouwing worden als woning aangewend, waarbij de woonfunctie dus de hoofdfunctie zal vervullen.
De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit betreft een agrarisch bedrijf en valt in de handreiking onder 'Fokken en houden van rundvee'. Deze activiteit geeft voor geluid een positiewaarde van 1 voor geluid en 3 voor geur volgens de handreiking activiteiten en milieuzonering gepubliceerd door de VNG in 2024. Dit geeft een indicatieve richtafstand van 30 meter voor geluid en 100 meter voor geur. De afstand tussen de bestaande boerderij op de planlocatie en de gevel van de dichtsbijzijnde stal is meer dan 100 meter. De bouw van het landhuis en koetshuis en bijgebouw zijn op grotere afstand.
Deze situatie garandeert dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de locatie van de toekomstige compensatiewoning. Andersom wordt omliggende bedrijvigheid niet in gebruik- en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Beoordeling van de plannen:
In opdracht van Bureau Authentiek is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 4950 m2 aan de Kanaalweg 2 in Markelo. Het rapport is opgenomen in Bijlage 3. De onderzoekslocatie is onbebouwd. Het terrein is begroeid met gras, pitrus en enkele bomen. De aanleiding van dit onderzoek is de nieuwbouw van een woning. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 "Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoevevan uit te voeren bodemonderzoek". Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek is de bovengrond van de onderzoekslocatie als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid voor de parameters uit het NEN5740-standaardpakket en asbest vanwege de (voormalige) opslag van materialen. De ondergrond en het grondwater zijn als onverdacht beschouwd.
Resultaten veldwerk
Er zijn in totaal 18 inspectiegaten gegraven. Met behulp van een Edelmanboor zijn er 5 gaten doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie globaal bestaat uit sterk zandig, zwak humeus, donkerbruin leem. De ondergrond bestaat globaal uit matig fijn zwak siltig, zwak grindig, licht grijs zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Op het maaiveld rondom de voormalige opslag is een spoortje puin aangetroffen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de opgeboorde bodem. De grondwaterstand is aangetroffen op 1.15 mmv.
Resultaten analyses
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
Conclusies en aanbevelingen
In de bovengrond (BG II) en het grondwater (PB 1) zijn zeer licht verhoogde gehalten gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaring wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. Aangezien de tussen(grond)- en interventie(grondwater)waarde niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de boven- en ondergrond (BG I, BG III, OG) zijn geen verontreinigingen gemeten.
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is in de mengmonsters van de fijne fractie van MM FF - 01 en MM FF - 03 geen asbest aangetoond.
In de fijne fractie van MM FF - 02 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte valt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Slotconclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouw van een woning, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Beoordeling van de plannen:
De ontsluiting van het plangebied is aan de Kanaalweg. Echter loopt er een lange inrit richting de woningen, waardoor de woningen zelf meer dan 400 meter van de weg af liggen. Tevens gaat het om een 60 km/u weg. Er is dus geen geluidshinder vanaf de ontsluitingsweg. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen.
Zoals aangegeven in 4.3 Milieuzonering is de dichtsbijzijnde milieubelastende locatie een agrarisch bedrijf voor het houden van rundvee. De gevel van de dichtsbijzijnde stal valt op meer dan 100 meter afstand van de planlocatie, waarmee het ruim boven de richtafstand van 30 meter valt voor het aspect geluid.
Met inachtneming van het voorgaande blijft sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geluid.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Beoordeling van de plannen:
Onderhavige plannen maken een ontwikkeling op de locatie aan de Kanaalweg 2 in Markelo mogelijk en voorziet het van een extra woning. Met de betreffende ontwikkeling wordt daarmee beoogd om een nieuw geurgevoelig object te realiseren.
Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf betreft zoals onder milieuzonering (paragraaf 4.3) al kort benoemd een grondgebonden agrarisch op locatie Kanaalweg 4a. De locatie ligt op minstens 100 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Hof van Twente is niet aangewezen als concentratiegebied.
Beoordeling van de plannen:
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse, de bouw van een compensatiewoning op basis van de rood-voor-rood regeling via een sloopvoucher. Daarom is bekeken wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit de ontwikkeling bijdraagt. De verwachte verkeersaantallen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.12. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 4.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 212 m van de nieuwe woning de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om het opslagtank voor propaan. Het plangebied ligt echter ruim buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Watervisie 2050 Vechtstromen
Waterschap Vechtstromen heeft in 2021 een Watervisie opgesteld. Hierin behandelen ze zeven hoofdlijnen:
Het waterschap baseert deze hoofdlijnen op de drie belangrijkste opgaven: toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering, waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
Met deze opgaven werkt het waterschap nauw samen met andere overheden en andere betrokken partije, zoals de Deltaplsnnen Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) en Zoetwater en de Kaderrichtlijn Water (KRW). Daarnaast willen ze met belanghebbenden in gesprek om vervolgens het waterbeheerprogramma op te stellen, waarmee de genoemde hoofdlijnen worden omgezet in beleid en maatregelen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vechtstromen
Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in de omgeving. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 boorduurt voort op de watervisie en laat zien welke resultaten het waterschap op strategisch en tactisch niveau wilt halen in 6 jaar. Hierin behandelen ze 7 hoofdlijnen binnen 4 verschillende thema's:
Voor elk thema bespreekt het waterschap in het Waterbeheerprogramma haar ambities, ze geven een beeld van de huidige situatie, benoemen de doelen en vervolgens de maatregelen die ze nemen. De maatregelen neemt het waterschap Vechtstreomen door bestaande maatregelen te continueren (staand beleid), maar ook via nieuw beleid. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het Waterbeheerprogramma een agenderende functie.
In dit Waterbeheerprogramma wordt ook de omgevingswet behandeld hoe het waterschap daarop inspeelt.
Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets.
Watertoetsproces
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 26-03-2025 de digitale watertoets uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 4. Aan de hand van deze watertoets heeft er nadere afstemming plaatsgevonden met het waterschap aangaande de hemelwaterberging. In voorliggend plan wordt voor hemelwaterberging (vertraagd) geinfiltreerd in het plangebied. Het waterschap heeft hiermee ingestemd, met de voorwaarde dat er geen directe verbinding is van de vijver met de beek. Daarom is besloten een noodoverloop te plaatsen, zodat het water in de vijver kan stromen wanneer het nodig is. Voor wat beteft de afvalwaterverwerking wordt de huidige aansluiting (vanuit de bestaande woning) benut. Het waterschap heeft verder geen bezwaren kenbaar gemaakt.
De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De functie en de grootte van het plan hebben, met inachtneming van voorgaande uitgangspunten, een geringe invloed op de waterhuishouding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de rustplaats en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring kunnen ook worden uitgesloten.
Soortenbescherming
Het plangebied bestaat bebouwing, oud loofbos, struweel en extensief beheerd grasland en ligt in een oud agrarisch cultuurlandschap. De inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in de buurt van leefgebied van verschillende beschermde diersoorten, maakt het plangebied tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Het merendeel van de beschermde soorten staat op de lijst van Nationaal beschermde soorten met vrijstelling in verband met een ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten geldt een minder streng juridische kader. Mits deze dieren niet opzettelijk gedood worden, geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats. Deze vrijstelling geldt in Overijssel niet voor steenmarter, hazelworm, wezel en egel.
Voor de in het gebied nestelende vogels geldt dat de bezette nesten niet beschadigd of vernield mogen worden. Geadviseerd wordt de beplanting te verwijderen buiten de voortplantingsperiode.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de wettelijke consequenties niet volledig vastgesteld worden. Er dient daarom nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de betekenis van het plangebied voor hazelworm, egel en wezel of er dient direct een Omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
Vervolgonderzoek hazelworm, egel en wezel
Natuurbank Overijssel heeft naar aanleiding van het natuurwaardenonderzoek een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de hazelworm, egel en wezel. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. De samenvatting en conclusie is onderstaand opgenomen.
Samenvatting
In 2025 is een deel van woonerf aan de Kanaalweg 2 te Markelo onderzocht op de aanwezigheidvan hazelwormen, egel en wezel. In totaal is 3.800 m2 potentieel geschikt leefgebied bemonsterd met 20 reptielenplaatjes en twee cameravallen met lokstof in de periode juli-september 2025. Ter controle, zijn twee reptielenplaatjes en een wildcamera geplaatst op een voor wezel en hazelworm zeer geschikte plek buiten het onderzoeksgebied.
Er zijn tijdens het onderzoek geen hazelwormen, egel of wezel vastgesteld in het onderzoeksgebied. Wel is éénmalig een egel op de camera vastgelegd ten noorden van het onderzoeksgebied. Op 24 september is een steenmarter vastgelegd op een wildcamera in het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van deze soort in het onderzoeksgebied is niet verrassend, gelet op de ruime verspreiding van de soort en de geschiktheid van het onderzoeksgebied als foerageergebied. Naast territoriale dieren zwerven in het najaar veel jonge steenmarters rond, op zoek naar een eigen territorium. Een geschikte verblijfplaats voor steenmarters ontbreekt in het onderzoeksgebied.
Conclusie
Gelet op de uitkomsten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksplangebied niet tot functioneel leefgebied van de hazelworm, wezel en egel behoort. Het is daarom niet aannemelijk dat een hazelworm, egel of wezel een verblijfplaats bezet in het onderzoeksgebied. Tevens is het niet aannemelijk dat een wezel, egel of hazelworm gedood wordt als gevolg van het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk.
Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 7, de conclusies zijn onderstaand te lezen. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van de bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000- gebied(en).
Conclusie
Resultaten ontwikkelfase
De activiteit in de ontwikkelfase, leidt tot een NOx-emissie van 36,9 kg/jaar en een NH3-emissie van 1,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 1 toegevoegd bij de rapportages.
In onderstaande tabel is de berekende emissie NOx en NH3-emissie gedurende de ontwikkel- en gebruiksfase weergegeven.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de gebruiks- en ontwikkelfase.
Resultaten gebruiksfase
De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 0,5 kg/jaar en een NH3- emissie van 72,0 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 2 toegevoegd bij de rapportages.
Conclusie
Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische aanduiding en cultuurhistorische aanduiding opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Beoordeling van de plannen:
Onderstaand is een uitsnede van de gemeente verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeelding 4.3: archeologische verwachtingskaart, plangebied aangeduid met zwart (bron: Hof van Twente)
Ter plaatse van het plangebied geldt voor een deel een hoge archeologische waarde en er bevindt zich een historisch element. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. De ingrepen voor de ontwikkeling van het landhuis, koetshuis, en bijgebouw betreft een ingreep die kleiner is dan 2.500 m2. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft.
Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat binnen het plangebied een gebouw aanwezig is die karakteristieke elementen bevatten. Daarmee is behoud van dit gebouw op het erf gewenst. De gebouwen worden ook niet meegenomen in de sloop en blijven behouden. De nieuwe inrichting van het plangebied voorziet in een goede samenhang van bebouwing met het omliggende landschap.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied.
In het kader van ruimtelijke plannen dient verder te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘'Toekomstbestendig parkeren" gehanteerd. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘buitengebied’ en ‘weinig stedelijk’ van toepassing.
Het voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling bij een voormalig agrarisch erf en de nieuwbouw van één compensatiewoning. Er zal sprake zijn van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (9 verkeersbewegingen per etmaal worst-case) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woningen.
Conclusie
Er blijft voor wat betreft verkeer sprake van een aanvaardbare situatie.
In voorliggend geval wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de eerder genoemde CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Hof van Twente dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval wordt in de nieuwe situatie één extra woning mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van maximaal 2,8 per woning, afgerond 3 parkeerplaatsen meer ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de omvang van de toekomstige woonerven is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de parkeervoorziening.
Conclusie
Het plan voorziet voldoende in de benodigde parkeervoorzieningen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder omgevingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22ab Kanaalweg 2 Markelo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxKanaalweg2-VS10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Hof van Twente zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.
Dit plan kent de volgende procedurestappen:
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.
De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.
Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.
Waterschap Vechtstromen
Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd. In navolging hiervan is verzocht of er verdere waterschapsbelangen relevant zijn voor het waterschap Vechtstromen. Vanuit deze contacten zijn geen aanvullende aandachtspunten naar voren gekomen. Met inachtneming van de standaard uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht.
Het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan ligt vanaf 17-12-2025 gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de zienswijzennota.
Plan
Het plan omvat de realisatie van een extra woning in de vorm van een landhuis, bijgebouw, koetshuis en een vijver aan de Kanaalweg 2 te Markelo.
Overleg omwonenden
De initiatiefnemers hebben een bezoek gebracht aan de buren van de volgende adressen:
Tijdens dit gesprek hebben de initiatiefnemers hun plan laten zien. Het plan is positief ontvangen en de buren wensen hen veel succes met de bouw.
Als gevolg van de gesprekken worden er geen wijzigingen aangebracht aan het plan.