| Plan: | TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BGxHerikerwegong-VS10 |
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het perceel aan de Herikerweg ongenummerd te Markelo, nabij nummer 31. Voor deze locatie is in 2022/2023 een bestemmingsplanprocedure doorlopen voor het wegbestemmen van het daar voorheen bestemde maatschappelijke gronden (en voorheen asielszoekerscentrum) naar een woonfunctie en agrarische gronden.
In voorgaand bestemmingsplan is gekozen het plan in twee op te delen. Zodoende kon men de plannen voor voorgaand plan verder uitwerken en in overleg met gemeente en provincie kijken naar een passende invulling van het gebied. Reeds is in de overleggen is een passende invulling naar voren gekomen die aansluit bij de bouw van, in totaal 10, woningen voor de lokale behoefte. Ter compensatie worden verschillende landschapselementen aangelegd en is er in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente op één erf tussen de 3.000 m² aan landschapontsierende bebouwing gesloopt. Op deze manier wordt er een bijdrage geleverd aan de Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (KGO).
Het voornemen is strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kader en toont aan de het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Het plangebied ligt in aan de Herikerweg ong. te Markelo en staat kadastraal bekend als gemeente Hof van Twente, sectie C, perceelnummers 1675,1676, 1677 en 1678. Het plangebied ligt in het buurtschap 'Herike Elsen'. Hier zijn enkele woningen, bedrijfsmatige en maatschappelijke voorzieningen geclusterd rondom de rotonde van de Herikerweg en Rijssenseweg.
In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Markelo (rode ster) en de directe omgeving (rode omlijning) indicatief weergegeven.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied in Markelo en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: plattekaart.nl) |
Het "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo" bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:
Voor de duiding van het planologische regime is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo” van belang.
Op basis van het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' en een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Tot slot is er een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' aanwezig.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende planologische situatie weergegeven. Hierop is het plangebied indicatief aangegeven met de rode omlijning. Hierna wordt nader op de geldende bestemmingen ingegaan.
Hierbij wordt opgemerkt dat de driehoekige agrarische bestemming die buiten het plangebied valt niet in eigendom is van de initiatiefnemers en dus buiten de scope van dit plan valt. Tevens wordt over de bestaande woonbestemming heengegaan. De voorgaande eigendomssituatie en kadastrale situatie wordt nader uitgewerkt in een overeenkomst.
|
| Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch gebruik, extensieve dagrecreatie met bijhorende wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tijdelijke opslag organisch materiaal en ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen bestemmingen. Ter plaatse mogen er geen gebouwen worden gebouwd.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'
De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar'
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een radarverstoringsgebied.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldend omgevingsplan, aangezien ter plaatse de bouw- en gebruiksregels voor het regulier wonen op de gronden en de realisatie van de woningen ontbreekt. Daarbij moet de planologische situatie ter plaatse gewijzigd worden om de milieutechnische aspecten en evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan te tonen. Hierbij moet tevens de landschappelijke inpassing juridisch geborgd worden. Voorliggend plan voorziet in het gewenste juridische planologisch kader om de voorgenomen herontwikkeling te kunnen realiseren.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 gaat achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 6 de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 7 gaat in op het wateraspect. Hoofdstuk 8 gaat in op de juridische planopzet en regels. Hoofdstuk 9 en 10 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen.
Op de gronden van het (voormalige) perceel Herikerweg 31 te Markelo stond in het verleden een oude boerderij welke rond 1600 is gebouwd. Door de eeuwen heen is de boerderij meerder malen van eigenaar gewisseld. Halverwege de 20ste eeuw werd de boerderij door de gemeente Rijssen, die eigenaar was van de boerderij, via een openbare verkoop verkocht aan aannemersbedrijf Nijhuis te Rijssen. Dit bedrijf stichtte hier een camping. In 1990 werd de camping verkocht, waarna er een AZC werd gevestigd. In 2012 werd het asielzoekerscentrum gesloten en zijn de bijbehorende opstallen verwijderd. De oorspronkelijk bij de boerderij behorende gebouwen zijn nog aanwezig op het naastgelegen perceel. In de bestemmingsplan wijziging in 2022/2023 is de bestemming gewijzigd en zijn de gebouwen verbouwd naar reguliere woningen. Hierbij is tevens een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Voorgaande is gebeurd op basis van het Rood voor Rood-beleid. In dit plan is al gemeld dat de gronden ten oosten van de woonerven worden ingericht als cultuurgrond en een agrarische bestemming krijgen, welke in de toekomst mogelijk de nieuwbouw van starterswoningen plaats kan vinden.
De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische gronden, maatschappelijke functies, verspreid liggende woonerven en bospercelen. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde begrensd door de Herikerweg. Aan de oost- en westzijde liggen woonpercelen. Ten zuiden van het erf liggen agrarische cultuurgronden met daarachter een zonneweide.
Het perceel is voorzien van een kleine in- en uitrit aan de noord en oostzijde waarbij er geparkeerd wordt aan de noordzijde. De rest van het plangebied is groen ingericht als weiland en erfbeplanting.
In afbeelding 2.2 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode omlijning.
Afbeelding 2.2: Luchtfoto van het plangebied (Bron: PDOK)
|
In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op de voorgenomen ontwikkeling.
Met het voornemen worden in totaal vier twee-onder-een-kap woningen en zes rijwoningen gerealiseerd. De woningen worden gerealiseerd in drie schuurvolumes. Het is van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van het huidige perceel en omliggende gronden behouden blijft en waar kan versterkt wordt. Met voorliggend landschappelijk ontwerpplan is aandacht geschonken aan de bestaande landschapsstructuren en karakteristieke erfindelingen. Tevens komt er ten behoeve van de hemelwaterberging een zaksloot ten noorden en een wadi ten oosten en westen van het plangebied. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is weergegeven in afbeelding 3.1 en opgenomen als Bijlage 1.
Stedenbouwkundige uitgangspunten
Het voorgenomen nieuwe erf kan als passend worden ervaren en sluit aan op het naastgelegen 'nieuwe' woonerf ten westen van het plangebied. Daarnaast sluit het aan op de Herikerweg met als gezamenlijke toegang de half verharde weg. Het erf steekt af tegen een reeds bestaande bomenrij c.q. houtsingel met waardevolle eiken.
De woningen moeten zich gedragen, qua uitstraling en positionering, als schuren. Zodoende vormt het erf een ensemble. Middels voldoende groen en landschappelijke inpassingen zal het plangebied verder ingericht worden zodat het ook passend is in het landelijk gebied. Qua architectonische uitstraling moet gedacht worden aan gedekte kleuren, pannen of rieten daken, een lage goot, en zadelkappen.
Aan de noordzijde worden de twee twee-onder-een-kap woningen gerealiseerd. Deze staan in één lijn. De kavels hebben een grootte van circa 370 m² een eigen inrit en carport. De schuurwoningen variëren in grootte van circa 155 m² tot 190 m². De woningen hebben een goothoogte van maximaal 4 meter en een bouwhoogte van 10 meter. De schuurwoningen zullen een inpandige berging krijgen.
Tot slot zijn er twee locaties met in totaal 17 parkeerplaatsen die worden gerealiseerd.
|
| Afbeelding 2.2: Luchtfoto van het plangebied (Bron: PDOK) |
Landschappelijke kenmerken
Het projectgebied ligt in een essenlandschap. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten- en fliergronden, heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting met heideplaggen en stal mest heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen steeds de lange 'luie' lijnen van het landschap. Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden. Kenmerkend voor dit gebiedstype is willekeurige plaatsing van de gebouwen op het erf. De situering en oriëntatie van de hoofdgebouwen op het erf varieert sterk. De oorspronkelijke schuur staat soms parallel aan het hoofdgebouw, soms haaks erop, soms iets naar achteren.
Beplantingsplan
Het beplantingsplan zal er als volgt uitzien. Deze wordt tevens middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de planregels.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren, waaronder kencijfers voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens.
Bij de berekening van de parkeernormen zal er een gemiddelde worden genomen. De gemeente Hof van Twente heeft in 2016 een 'Gemeentelijk Mobiliteitsplan' vastgesteld. De gemeente Hof van Twente heeft de parkeernormen gebaseerd op de hiervoor genoemde CROW publicatie.
De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
In onderstaande tabel wordt de totale parkeerbehoefte op basis van de uitgangspunten uit paragraaf 3.2.1 berekend.
| Functie/activiteit | Parkeernorm per woning | Aantal woningen | Totaal |
| Koop, huis, twee onder een kap | 1,9 | 4 | 7,6 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 1,8 | 6 | 10,8 |
| Bezoekers | 0,2 | 10 | 2 |
| Totaal | 20,4 | ||
In voorliggend geval moet op het plangebied worden voldaan aan een parkeerbehoefte van afgerond 21 parkeerplaatsen. Met het voornemen worden 17 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast hebben de twee onder een kap woningen een eigen in- en uitrit met carport. In de CROW uitgave is tevens berekend met welk kengetal je deze parkeervoorzieningen bij woningen moet inschalen. In voorliggend geval zijn alle vier de woningen in bezit van een 'garage met enkele oprit' waarbij een berekeningsaantal van 1 parkeerplaats voor geldt. Zodoende komt het aantal parkeerplaatsen in totaal op de benodigde 21 parkeerplaatsen.
In onderstaande tabel wordt de totale parkeerbehoefte op basis van de uitgangspunten uit paragraaf 3.2.1 berekend.
| Functie/activiteit | Verkeersgeneratie per woning | Aantal woningen | Totaal |
| Koop, huis, twee onder een kap | 7,8 | 4 | 31,2 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 7,4 | 6 | 44,4 |
| Totaal | 75,6 | ||
De verkeersgeneratie zal toenemen met afgerond gemiddeld 76 verkeersbewegingen per weekdag. De omliggende infrastructuur is in voldoende mate ingericht om de licht toenemende aantal verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te wikkelen. Voor de ontsluiting van de percelen wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit op de Herikerweg. Deze in- en uitrit is verkeersveilig en overzichtelijk.
Met voorliggend omgevingsplan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect verkeer en parkeren.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit TAM-omgevingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen ontwikkeling.
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.
Stedelijk gebied: Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen;
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
Voor betreft de woningen wordt gesteld dat wanneer een plan niet voorziet in meer dan 11 woningen dat dit niet kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'. Met het voornemen worden in totaal 10 woningen gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt de grens van 11 woningen niet overschreden.
Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Onderstaand wordt het provinciale beleid nader uitgewerkt.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.
De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.
Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.
De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.
|
| Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn met name artikel 4.4, artikel 4.9 en artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen wordt hierna ingegaan.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
Artikel 4.14: Woonafspraken (woningbouw)
Toetsing van het initiatief aan artikelen 4.4, 4.9, 4.11 en 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel
Het plangebied ligt in de gemeente Hof van Twente, in het buurtschap 'Herike Elsen' nabij Markelo. Ter plaatse lag in het verleden al een maatschappelijke functie. Er is daarom sprake van nieuwbouw, maar wel op een voormalig bestaande bouwperceel. Belangrijk uitgangspunt voor besloten ontwikkeling is de landschappelijke inpassing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om daarin te voorzien worden zowel investeringen gedaan op het erf als in de omgeving. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.4.
De investeringen op het erf hebben tot doel de situatie op het erf en de uitstraling te verbeteren. Deze investeringen voorzien op het erf in onderhoud van de streekeigen erfstructuur en -inrichting. Door het toevoegen van woningen in karakteristieke vorm en architectonische uitstraling en de landschappelijke inpassing wordt voldaan aan het beleid van de Provincie Overijssel met betrekking tot de impuls in de groene omgeving. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar paragraaf 3.1, waar uitgebreid op dit aspect is ingegaan. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt beschreven dat het project past binnen de ontwikkelingsperspectieven. Deze perspectieven worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.9.
Met het voornemen worden vier twee onder een kap woningen en zes schuurwoningen gerealiseerd, wat neerkomt op in totaal 10 woningen. In paragraaf 4.4.4 vindt een verdere toetsing plaats aan de provinciale en gemeentelijke Visie op wonen, het Rood voor Rood en Vab-beleid. De woningen voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt en wordt gebouwd voor de lokale behoefte.
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls van de groene omgeving van de gemeente Hof van Twente. Deze meerwaarde vertaalt zich in:
Het oppervlakte aan te slopen bebouwing is niet toereikend voor het voornemen. Binnen het vigerend beleid van de gemeente geldt per 1.000 m² de realisatie van één bouwrecht. Zodoende is door de gemeente maatwerk geleverd in samenspraak met de provincie middels een KGO-investering. Voorgaande is uitgebreid besproken, uitgewerkt en akkoord bevonden door de gemeente en provincie. Voorgaande is vervat in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.11.
Op deze plaats wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling bijdraagt aan de actuele kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.14.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend TAM-omgevingsplan in overeenstemming is met de artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie Overijssel vorm gegeven. Hiervoor gelden de gebiedskenmerken als onderligger.
In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kort door de bocht - om het behoud en de versterking van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:
Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin het plangebied indicatief met rode contour is omlijnd.
|
| Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
'Woon- en werken in het kleinschalig mixlandschap'
In het ontwikkelingsperspectief ‘wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ is sprake van gebieden die gericht zijn op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, worden in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' is ruimte voor herstructurering, inbreiding en transformatie. In voorliggend geval wordt ter plaatse van dit ontwikkelingsperspectief een nieuw woonerf gerealiseerd met 10 reguliere woning. Door de ontwikkeling wordt ter plaatse voorzien in een deel van de lokale woningbehoefte. Het voornemen sluit goed aan op de ambities binnen het perspectief en sluit aan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van de omgeving. Daarbij wordt met de landschappelijke inpassing de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterkt.
Geconcludeerd wordt het initiatief in overeenstemming is met het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Het erf is in het verleden geheel 'maatschappelijk' geweest en reeds weer voorzien van een agrarische bestemming. Door deze wisselingen zijn enkele gebiedskenmerken verloren gegaan. Gelet op voorstaande en de ontwikkelingen van het erf en de omgeving zijn de omgevingswaarden en kwaliteiten voor de natuurlijke laag, stedelijke laag en laag van beleving inmiddels niet dusdanig aanwezig om hierop getoetst te worden. Ten aanzien van de laag van het agrarisch-cultuurlandschap geldt het gebiedskenmerk 'essenlandschap'.
Hieronder wordt de laag van het Agrarisch cultuurlandschap verder uitgewerkt.
De 'laag van het agrarisch-cultuurlandschap'
Het plangebied is op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'laag van het agrarisch-cultuurlandschap' aangeduid met het gebiedstype 'essenlandschap'. In afbeelding 4.3 is het plangebied indicatief met de contour omlijnd.
|
| Afbeelding 4.3: Uitsnede Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
'Essenlandschap'
Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd.
Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
Binnen de voorliggende ontwikkeling wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de ambities binnen de ontwikkelingsperspectief van het essenlandschap. De ambitie binnen het voornemen is om de kenmerkende contrasten van dit landschap te versterken. Middels het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 wordt zoveel mogelijk streekeigen beplanting, kenmerkend voor het gebied, te behouden en toe te voegen.
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De 14 gemeenten in de regio Twente en de 18 woningcorporaties (verenigd in WoON Twente) gaan nauwer samenwerken op het terrein van het wonen. In deze gezamenlijke regionale woonvisie zijn afspraken gemaakt over aanpassing en vernieuwing van de bestaande woningvoorraad, en over het omgaan met uitbreiding. De 14 colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met de regionale Twentse woonvisie. Hiermee gaan de gemeenten, corporaties en provincie gezamenlijk de opgaven voor de toekomst aan. De volgende speerpunten zijn van opgenomen in de visie:
Vernieuwing en vervanging van verouderde woningen en woongebieden staan hoog op de agenda. Buitengebieden en landschappelijke waarden moeten behouden blijven. Gemeenten zoeken vooral naar een goede afronding van bestaande uitbreidingslocaties. Nieuwe uitbreidingslocaties zijn de komende decennia nauwelijks meer aan de orde. Nieuwbouw zal conform de Ladder voor Duurzame Verstedelijking zoveel mogelijk plaatsvinden op transformatie- en inbreidingslocaties om onaantrekkelijke woongebieden een kwaliteitsimpuls geven, te investeren in transformatie en kwalitatieve woningtekorten terug te dringen. Doelstelling is om de kwaliteit en leefbaarheid hiermee te versterken. Vernieuwing en inbreiding is de norm; waar dit niet volstaat om te voorzien in de lokale behoefte aan woningtoevoeging op basis van de lokale huishoudensontwikkeling, vindt nog uitbreiding plaats.
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het omzetten van een agrarisch naar een reguliere woonfunctie ten behoeve van 10 woningen voor de lokale behoefte. Voorgaande vindt plaats na het slopen van circa 3000 m² (Rood voor Rood-beleid en een toevoeging van een landelijke inpassing. Vernieuwing en inbreiding is de norm; echter omdat in het voorliggend geval niet kan volstaan om te voorzien in de lokale behoefte aan woningtoevoeging op basis van de lokale huishoudensontwikkeling en de lokale vraag naar nieuwe woningen, vindt deze uitbreiding plaats.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Regionale Woonvisie Twente.
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder behandeld.
In deze visie wordt vastgelegd hoe op hoofdlijnen de toekomst van de gemeente Hof van Twente eruit ziet. Dit wordt gedaan door te kijken naar onze kernkwaliteiten en de opgaven die op ons afkomen. Deze visie gaat over al onze kernen en buurtschappen, en ook ons buitengebied komt uitgebreid aan bod.
De omgevingsvisie heeft een brede reikwijdte. Nu wordt gesproken over beleid voor de gehele fysieke leefomgeving, in plaats van beleid voor de ruimtelijke ordening. Sinds de Omgevingswet nemen we meer sociale aspecten, zoals zorg, onderwijs en inclusiviteit mee in ons ruimtelijk beleid. We spreken daarom ook wel van integraal beleid; beleid waar alles samenkomt. In de volgende afbeelding 4.4 is de kaart van de Omgevingsvisie weergegeven.
|
| Afbeelding 4.4: Uitsnede visiekaart (Bron: gemeente Hof van Twente) |
In 2022 en 2023 hebben de inwoners, ondernemers en belangenorganisaties verteld wat zij waarderen aan Hof van Twente. De resultaten hiervan zijn de 'kernkwaliteiten' van Hof van Twente: waardevol landschap, cultuurhistorie, dorps, rustig en noaberschap. Deze staan centraal in deze omgevingsvisie, om te koesteren en te versterken. Wat Hof van Twente uniek maakt, zijn de:
Hof van Twente staat bekend om zijn schilderachtige landschappen, met uitgestrekte akkers, groene weilanden en historische boerderijen. Bovendien staat het landschap vol met cultuurhistorische elementen: zo telt de gemeente maar liefst zeven kastelen en zijn er historische molens en historische centra. Dit landelijk en historisch karakter draagt bij aan het karakter, de rust en sereniteit van de omgeving.
Markelo
Markelo is één van de oudste dorpen in Twente. Typerend voor Markelo is het landschap. De opvallend glooiende essen rondom de kern trekken hierbij je aandacht. Markelo staat bekend als het dorp van de vijf heuvels. Deze heuvels lenen zich uitstekend voor wandel-, fiets- en ruiterroutes. Vele toeristen weten Markelo dan ook te vinden. Rond Markelo vind je vooral agrarische buurtschappen, waar moderne bedrijfsvoering is gekoppeld aan eeuwenoude tradities.
Momenteel is een groot woningentekort in Nederland. Om dit in cijfers uit te drukken: tot 2030 zijn minimaal 900.000 nieuwe woningen nodig. De 14 Twentse gemeenten hebben samen de ambitie uitgesproken om in 2050, 50.000 woningen toe te voegen, waarbij deze groei ook deels in de Hof van Twente moet landen. Dit sluit aan bij onze ambitie om in 2040 te groeien naar 40.000+ inwoners. Dat is een groei van ongeveer 5.000 inwoners. De huidige opgave is om de woningbouwproductie te versnellen, vooral in de kernen Goor, Delden en Markelo, waar de vraag het grootst is. De gemeente heeft hier aandacht voor het realiseren van meer betaalbare woningen, zowel in de sociale huur als in de koopsector, gericht op huishoudens met een laag- of middeninkomen.
Daarnaast ligt er een opgave om zorg te dragen voor passende huisvesting voor specifieke doelgroepen, zoals jongeren, ouderen, starters, statushouders en mensen met een zorgvraag. Deze vraag is bijvoorbeeld gerelateerd aan vergrijzing en aan de ontwikkeling dat mensen steeds zelfredzamer worden.
De gemeente ziet ten slotte de woningbouwopgave niet als een sectorale opgave. Een nieuwe woonwijk of het transformeren van gebouwen tot woningen biedt de mogelijkheid om de leefbaarheid en vitaliteit in de kernen en in het buitengebied te verbeteren. Ook is vanuit het thema duurzaamheid een opgave: een groot deel van onze woningen heeft nog niet het gewenste duurzaamheidslabel. Ingezet wordt om de komende jaren de bestaande woningvoorraad te verduurzamen, door betere isolatie en het stimuleren van energiebesparing, energieopwekking en circulariteit.
Het landschap is een belangrijk onderdeel van de herkenbaarheid van Markelo. Daarom zou groen en de groene wandelwegen behouden moeten worden.
In het kader van leefbaarheid lijkt één onderwerp leidend te zijn: verbind de jeugd met Markelo. Dit hangt volgens de Markeloërs samen met zowel het woning- als voorzieningenaanbod.
Voor wat betreft wonen is er een duidelijke wens: meer woningen voor Markelose starters/jongeren en senioren. Een voorkeur voor Markeloërs bij woningtoewijzing zou hier aan bij kunnen dragen.
Markeloërs vinden ontmoetingsplekken voor jongeren belangrijk: zo gaan ze niet rondzwerven en kunnen ze zich op een veilige plek vermaken. Dit houdt ook verband met het – volgens de Markeloërs – beperkte aantal sport- en speelvoorzieningen in het dorp.
Voorliggend plan maakt een functiewijziging mogelijk, van agrarisch naar een wonen, alsmede de realisatie van in totaal 10 woningen. Voorgaande gaat gepaard met een KGO investering in het groen en de daarnaast is er een sloopvoucher ingebracht. Het landelijk gebied wordt dus, per saldo niet verder versteend wat in overeenstemming is met het principe zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Voorgaande behoefte is door de inwoners van het buurtschap naar voren gebracht waarna gekeken is hoe deze doelgroep bediend kan worden. Door met het plan op deze wijze een Rood voor Rood ontwikkeling te realiseren zullen er woningen worden toegevoegd voor starters, jongeren en ouderen. Dit resulteert in een betere doorstroming. Omdat de groep starters in het buurtschap relatief groot is en het gemiddelde inkomen, bij starters en in het buurtschap, lager ligt dan in de rest van de Hof van Twente is het lastig om met toepassen van de Rood voor Rood-beleid betaalbare woningen te realiseren voor deze doelgroep.
In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld.
Streefbeelden 14 is voornamelijk van belang in voorliggend geval. Deze wordt hierna behandeld.
Streefbeeld 14: Kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven
De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie; de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Als centraal gelegen kern heeft Goor het meest een stedelijk karakter. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en bestemmingsplannen zijn op deze uitgangspunten aangepast. In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn.
Voorliggend plan maakt een functiewijziging mogelijk, van Agrarisch naar een wonen alsmede de realisatie van in totaal 10 woningen. Voorgaande gaat gepaard met een KGO investering in het groen en de daarnaast is er een sloopvoucher ingebracht. Het landelijk gebied wordt dus per saldo niet verder versteend wat in overeenstemming is met het principe zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Verder wordt in het volgende hoofdstuk aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten functiewijziging zorgvuldig afgewogen is en past binnen het streefbeeld, zoals geformuleerd in de strategische visie 'Hof van Twente, zicht op 2030' van de gemeente Hof van Twente.
Structuurvisie Landelijk Gebied
In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.
De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:
Voorliggend plan maakt een functiewijziging mogelijk, van Agrarisch naar een wonen alsmede de realisatie van in totaal 10 woningen. Voorgaande gaat gepaard met een KGO investering in het groen en de daarnaast is er een sloopvoucher ingebracht. Het landelijk gebied wordt dus per saldo niet verder versteend wat in overeenstemming is met de structuurvisie landelijk gebied. Alsmede wordt aangesloten op de behoefte in het buurtschap woningen te realiseren voor de lokale behoefte. Verder wordt in het volgende hoofdstuk aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente wordt gewaarborgd.
Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:
Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de Hof is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. ‘Bouwen, bouwen, bouwen…. er is een tekort aan woningen, in alle kernen’ is een stelling die in alle georganiseerde woontafels door alle betrokkenen onderschreven werd. Er wordt een piek verwacht in de woningbehoefte in de jaren tot 2030, waarna de behoefteontwikkeling stabiliseert en licht afvlakt.
In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten de gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de gemiddelde koopprijzen fors. De vrije huursector is nog erg klein in de gemeente. Een deel van de behoefte aan geschikte ouderenwoningen zit in de vrije huursector.
Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen.
Concreet betekent dit dat naast de bouwvraag in de kernen, zoals de 240–245 woningen in Goor en de 85–90 in Markelo, er in het buitengebied van Hof van Twente minimaal zo’n 160–165 nieuwe woningen nodig zijn.
Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze wil de gemeente vitaal en sterk houden, maar ook nieuwe kwaliteiten toevoegen zoals bijvoorbeeld met Op Stoom in Goor. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren. Per locatie bepaalt de gemeente welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt ook gezorgd voor verdichting.
De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levens- fasen en met diverse woonwensen. Met een wachttijd van minder dan 12 maanden lijkt er in Hof van Twente geen sprake van een grote druk op de sociale huurmarkt. Wel staat betaalbaarheid in het koopsegment en de geliberaliseerde huur onder druk. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen. Een andere uitdaging is de demografische verandering in de gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500, 75-plussers bij. Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Er wordt daarom ingezet op het bouwen van betaalbare starters- en gezinswoningen, maar ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren.
In onderstaande tabel is een uitsnede van het woonprogramma voor de gemeente Hof van Twente voor de periode 2020-2030 weergegeven.
|
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van in totaal 10 woningen. Voorgaande is passend gezien de opgave in de kernen Markelo, Goor en het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. In voorliggend geval is samen met de inwoners gekeken naar een juiste invulling en aantal van de woningvoorraad. Gezien voorstaande wordt gesteld dat met het voornemen voor de lokale behoefte van Markelo en het buitengebied van Hof van Twente wordt gerealiseerd.
Met de realisatie van de woningen worden voor starters, jongeren en ouderen woningen toegevoegd wat een positief effect heeft op de doorstroom in meerdere segmenten.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025.
Hof van Twente biedt ook de komende jaren eigenaren in het buitengebied volop kansen om voormalige agrarische erven nieuw leven in te blazen. De gemeenteraad heeft daarvoor in maart 2023 het geactualiseerd KGO-beleidskader vastgesteld: “Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst”. Met de ruime mogelijkheden die dit beleid biedt, is Hof van Twente voorloper vergeleken met andere plattelandsgemeentes.
In de afgelopen zeven jaar zijn er veel ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk gemaakt met het KGO beleid. Dat heeft de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid een boost gegeven in het landelijk gebied. Erven zijn daardoor toekomstbestendig geworden. In het kader van het KGO-beleid is ruim 170.000 m² aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt.
Ook moet de economische impuls niet vergeten worden; de werkgelegenheid voor aannemers, slopers, tekenaars, leveranciers en andere partijen die baat hebben gehad bij deze ontwikkelingen is groot. Toch zijn er nieuwe kansen te benutten in het buitengebied waar het beleid nog geen ruimte voor gaf, maar waar wel behoefte aan is. Ook voor de komende jaren ligt er een grote opgave in het buitengebied. Denk hierbij aan de doorgaande agrariërs die innovatiever (moeten) worden, agrariërs die om verschillende redenen hun bedrijf staken, de ruimtevraag voor de energietransitie, woningbouw etc. Met het geactualiseerd beleidskader kan de gemeente Hof van Twente beter inspelen op deze actuele onderwerpen.
De beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het Rood voor Rood en VAB-beleid, beleid omtrent de herbouw van karakteristieke woningen, het vergroten bestaande en bestemde woning, beleid omtrent veldschuren, het herbouwen van bijgebouwen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, de sloopvoucher-regeling,landgoederen, omzetten van een recreatiewoning naar wonen, inwoning, bestemmen van een karakteristieke boerderij als woning en een grondgebonden zonneparkbinnen een agrarisch bouwvlak. In dit geval zijn de kaders omtrent het Rood voor Rood van belang.
Sinds 2005 maakt de Hof van Twente gebruik van de Rood voor Rood-regeling. Waarbij de regels al een aantal keer zijn aangepast zodat ze beter aansluiten bij wat de behoefte is.
De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten en deze tendens zet zich ook de komende jaren nog voort. Hierdoor komen de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen. Om dit laatste te bewerkstelligen heeft de gemeente Hof van Twente de beleidsregel Rood voor Rood opgesteld. Het doel dat de gemeente voor ogen heeft is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit van landelijk gebied. Dit doel is onder andere te bewerkstelligen door de sloop van vrijkomende landschapsontsierende bedrijfsgebouwen welke hun functie verloren hebben. De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m², waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn.
Woningen voor de buurtschap
Vanuit buurtschappen is er behoefte aan starterswoningen voor de jongeren uit de buurtschap. Wij zien kansen voor dergelijke ontwikkelingen als blijkt uit onderzoek dat er ook daadwerkelijk behoefte is. Dit is echter wel maatwerk want de vraag en behoefte verschilt per buurtschap. Ook verschilt per buurtschap hoe hier stedenbouwkundig invulling aan gegeven kan worden.
In uitzonderlijke gevallen past een wenselijke ontwikkeling niet binnen de in dit document beschreven beleidsregels. Wanneer de beleidsregels niet voldoende ruimte bieden om een gewenste ontwikkeling, waarbij bijvoorbeeld een milieutechnisch- of ruimtelijk probleem wordt opgelost, mogelijk te maken dan kan maatwerk worden toegepast. Afwijken van de beleidsregels gebeurt op basis van kwalitatieve criteria, bijvoorbeeld een forse bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunt bij betreffende ontwikkelingen is dat de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en duurzaamheid aanzienlijk wordt vergroot. En wordt onderzocht of de ontwikkeling kan bijdragen aan bredere sociaal economische opgaven in de omgeving van het plangebied. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad of aan de gewenste maatwerk ontwikkeling medewerking kan worden verleend.
Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om middels de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst extra woningen toe te voegen. Op basis van de Rood voor Rood-regeling kan in ruil voor het slopen van minimaal 1.000 m² aan landschapsontsierende bedrijfsbebouwing het recht op één compensatiewoning worden verkregen. Met het voornemen wordt voor 3.000 m² aan bebouwing gesloopt.
Om te voldoen aan de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd, worden de woonpercelen landschappelijk ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 1. Daarnaast wordt opgemerkt dat er afgeweken wordt middels maatwerk in het plan. Hierbij is uitgebreid overleg geweest met de gemeente en provincie over de KGO. de provincie stelt dat: "ingestemd wordt met de uitgangspunten van het plan. Er is onderbouwd is dat er behoefte is aan starterswoningen (rijtjeswoningen en twee-onder-één-kap) en woningen voor senioren in deze buurtschap. Deze binding aan de buurtschap en de hoeveelheid sloop van vrijkomende agrarische bebouwing is ons inziens voldoende als KGO."
Middels deze invulling van het plan alsmede de landschappelijke inpassing is de KGO-inpassing van voldoende niveau om aan de compensatiewoningen te voldoen. Hiermee is maatwerk geleverd voor starters, jongeren en ouderen in een buurtschap.
De uitvoering en instandhouding van de landschappelijke maatregelen genoemd in dit plan worden tevens geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, evenals de sloopopgave. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota 'Grond voor gebruik'.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Aan hand van de 'Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid' is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de zwarte omlijning indicatief weergegeven.
Uit de inventarisatie blijkt dat in het plangebied er geen (veiligheids)maatregelen getroffen moeten worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Tevens is er bij de voorgenomen activiteiten geen sprake van de realisatie van een risicobron.
|
| Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl) |
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De woningen worden op basis van het Bkl aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in het Bkl.
Er is met het voornemen niet sprake van een geluidsproductieplafond (gpp) of geluidsaandachtsgebied nabij het plangebied. Het aspect industrielawaai is in voorliggend geval niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven (van onder andere het bedrijventerrein op de woningen wordt verwezen naar paragraaf 6.4 (milieuzonering).
De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op meer dan 4 kilometer van het plangebied. In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien er geen spoorweg in de directe omgeving aanwezig is.
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
Met het voornemen worden nieuwe geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd. De dichtstbijzijnde wegen met een wettelijke geluidszone of aandachtsgebied betreffen de Rijssenseweg en de Herikerweg. Gezien de afstand tot deze wegen en de relatief lage verkeersintensiteit wordt gesteld dat de geluidsbelasting op wegen niet onevenredig hoog is. Op afbeelding 6.1 is weergegeven dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel de geluidsbelasting circa 54 dB bedraagt. Dit is meer dan de standaardwaarde van 53 dB. De rest van het plangebied voldoet wel aan de standaardwaarden van 53 dB.
Op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bedraagt de vereiste binnenwaarde 33 dB. In dit geval is dan ook een gevelwering van minimaal 21 dB benodigd. In dit geval is sprake van de nieuwbouw van een moderne, goed geïsoleerde woning. Deze voldoen in de praktijk eenvoudig aan de vereiste gevelwering van 21 dB. Gesteld wordt dat met het voornemen een nieuw geluidgevoelig gebouw gerealiseerd wordt dat voldoet aan de huidige wensen en eisen, zoals het gebruik van goede isolatie en isolerend glas. Bij de vergunningsaanvraag zal voorgaande binnenwaarde aangetoond moeten worden.
Gezien voorgaande motivering wordt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor nu dan ook niet noodzakelijk geacht.
|
| Afbeelding 6.1: Geluidskaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) |
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Door Kruse Milieu b.v. is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 2.
Zintuiglijke waarnemingen
Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming).
Conclusie onderzoek
In de bovengrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. In de bovengrond, de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.
In de meeste mengmonsters van de fijne fractie van is geen asbest aangetoond. In enkele mengmonsters van de fijne fractie van is asbest aangetoond, maar zijn de gehalten ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen verkoop en ontwikkelingsplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl.
Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van:
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige gebouwen (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Ingeval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.
In 2024 is er een nieuwe handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.
Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.
In de direct omgeving van het plangebied komen verschillende functies (wonen en (agrarische)bedrijvigheid) op korte afstand van elkaar voor. opgemerkt wordt dat de bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving weg worden 'bestemd' en er woonerven voor terug komen. Echter zijn er nog wel activiteiten in het gebied. Daarom kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’.
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede fysieke leefomgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Ten aanzien van de beoogde woningen is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Rondom het plangebied bevinden zich verschillende (agrarische) bedrijven. Bij agrarische bedrijven geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 6.5 nader op ingegaan. Voor de grondgebonden agrarische bedrijven geldt, indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, een grootste richtafstand voor de aspecten stof en/of geluid. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de in omgeving aanwezige (agrarische) bedrijven, met bijbehorende richtafstanden.
| Functie en locatie | Hoogste milieucategorie | Richtafstand (gemengd gebied) | Afstand tot dichtstbijzijnde woning |
| Grondgebonden veehouderij (melkvee) Rijssenseweg 26 |
3.2 | 50 meter | Ca. 130 meter |
| Landbouw en mechanisatiebedrijf Rijssenseweg 57a |
3.1 | 30 meter | Ca. 180 meter |
| Constructiebedrijf Kemperweg 2 |
3.2 | 50 meter | Ca. 204 meter |
| Maatschappelijk - kinderopvang Herikerweg 27 en 36 |
2 | 10 meter | Ca. minimaal 35 meter |
Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. De omliggende bedrijvigheid vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast wordt de bestaande bedrijvigheid niet belemmerd in de bedrijfsvoering door de ontwikkeling.
Ter plaatse van de woningen kan redelijkerwijs gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met voorliggend omgevingsplan wordt in voldoende mate rekening gehouden met de verschillende milieuaspecten.
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten.
Zolang het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat van toepassing. De Bruidsschat bevat regels over:
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
In het Omgevingsplan zijn in paragraaf 22.3.6 de regels beschreven omtrent geur. In voorliggend geval gaat het om de feitelijke situatie om landbouwhuisdieren zonder geuremissie en paarden of pony's die gehouden worden voor het bereiden. Zodoende onverminderd de artikelen 22.98 tot en met 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.
| Geurgevoelig gebouw | Afstand |
| Gelegen binnen de bebouwde kom | 50 meter |
| Gelegen buiten de bebouwde kom | 25 meter |
Met het voornemen worden 10 geurgevoelig gebouw gerealiseerd. In en rondom het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd. Daarnaast zijn er binnen de 100 meter van het plangebied geen dierenverblijven voor landbouwhuisdieren waaraan getoetst hoeft te worden. Met het voornemen wordt tevens geen geur belastende activiteit mogelijk gemaakt.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 1,2 kilometer tot een spoorwegovergang. Zodoende is een onderzoek naar trillinghinder niet nodig.
Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.
In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging.
Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit (zie ook hoofdstuk 11). Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld' ligt op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied.
Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-Calculator. Het resultaat van deze berekening staat in Bijlage 3. Hieronder staat de conclusie opgenomen.
AERIUS-berekening
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt niet of nabij een gebied dat is aangewezen als NNN. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie.
Natuur Netwerk Nederland
De planlocatie ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (Natuurnetwerk Overijssel) Aangezien het Natuur Netwerk in Overijssel geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend als foerageergebied benut.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het rooien van beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om dit uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen activiteiten mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen, huisspitsmuizen en rosse woelmuizen die een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Deze vrijstelling geldt niet voor egel en wezel, voor deze soorten dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een voortplantingsplaats en/of rustplaats.
Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Er geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een voortplantingsplaats en rustplaats van egel en wezel.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie
Ten aanzien van het voornemen wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Advies is wel om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of voorafgaand de werkzaamheden een broedvogelonderzoek uit te voeren. Daarbij zal er een vergunning aangevraagd moeten worden voor het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats van een wezel en egel. Voorgaande vergunning zal separaat worden aangevraagd via het DSO.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
De gemeente Hof van Twente heeft archeologiebeleid vastgelegd in een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.
Het plangebied kent daarom de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op of in deze gronden mogen zonder archeologisch onderzoek geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld verstoord wordt en het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 2.500 m².
Met het voornemen worden de planologisch bouwmogelijkheden voor 10 woningen mogelijk gemaakt. De oppervlakte van deze woningen zijn middels bouwvlakken beperkt tot bij elkaar 880 m². Daarbij zijn de planologische mogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen beperkt. Gesteld wordt dat de grenswaarde niet overschreden wordt.
De dubbelbestemming, of nu gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologische verwachting 1' wordt overgenomen in de regels en op de verbeelding van dit plan. Hiermee is geborgd dat voor bodemingrepen groter dan respectievelijk 2.500 m² en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek vereist is. Deze grenswaarden worden niet overschreden.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden waar voorliggend plan invloed op heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Met het voornemen worden 10 reguliere woningen gerealiseerd. In de Aerius-berekening is aangetoond dat er geen sprake is van depositie op gevoelige stikstofgebieden (zie paragraaf 6.8.1). Ook zijn de andere milieuaspecten in hoofdstuk 6 uitgebreid beschreven en getoetst. Uit de conclusies is te zien dat het voornemen niet gepaard gaat met significant negatieve milieuaspecten.
Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de kleinschaligheid van de ontwikkeling en het feit dat er geen sloop of andere werkzaamheden plaatsvindt bij dit bestaande perceel wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan het omliggende netwerk deze prima verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Middels een watertoets is het Waterschap geïnformeerd over het voornemen (zie Bijlage 5 bij deze motivering). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is met 'kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlakte'. De adviezen en waterparagraaf worden meegenomen en nader uitgewerkt in het uiteindelijke plan. Bij de toetsing van het bouwplan wordt middels de vergunning gekeken of aan de voorwaarden wordt voldaan.
Waterneutraal bouwen
Het belangrijkste uitgangspunt voor het waterbeheer bij 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen is 'waterneutraal ontwikkelen', dus dat een ontwikkeling zijn omgeving niet belast met meer of minder water. Zo wordt voorkomen dat verdroging of wateroverlast optreedt in het plangebied van de ontwikkeling en in zijn omgeving.
Wateroverlast voorkomen
Het waterschap wil zo veel mogelijk voorkomen dat inundatie vanuit watergangen leidt tot wateroverlast. De provincie heeft de acceptabele omvang van wateroverlast per waterschap vastgesteld in de provinciale waterverordening.
Het waterschap spant zich in het watersysteem zo in de richten dat aan de normen voor wateroverlast voldaan wordt.
Verdroging
Langdurige droogte heeft negatieve effecten op natte natuur, landbouw en in stedelijk gebied slechte waterkwaliteit van stedelijk water met risico's voor volksgezondheid en ongewenste zettingen van gebouwen. Om verdroging tegen te gaan wil het waterschap regenwater zo lang mogelijk vasthouden waar het valt. Het waterschap stimuleert daarom het lokaal infiltreren en bergen van regenwater.
Schoon water schoonhouden
Een van de doelen van het waterbeleid is om water zo schoon mogelijk te houden. Het waterschap pleit er daarom voor om regenwater schoon te houden en gescheiden te houden van afvalwater. Door hemelwater af te koppelen van het vuilwaterriool kan het aantal vervuilende riooloverstorten verminderd worden en ook de effectiviteit van de rioolwaterzuivering verbeteren. Afgekoppeld schoon hemelwater kan vervolgens worden geïnfiltreerd in het gebied, of afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Dit komt ten goede aan de waterkwaliteit van het oppervlaktewater.
Hemelwater dat afstroomt via daken en wegen kan vervuild raken, daarom wordt geadviseerd om dit water via een bodempassage, bijvoorbeeld via een berm of wadi te laten stromen, voordat het afstroomt naar het oppervlaktewater.
In voorliggend geval is sprake van een planologische wijziging. Er worden in totaal 10 woningen toegevoegd. Voorgaande is op basis van het Rood voor Rood-beleid van de gemeente. Hier is opgenomen middels een sloopvoucher dat voor 3.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt op een ander terrein binnen de gemeente. Zodoende wordt per saldo het verhard oppervlakte in het 'buitengebied' niet vermeerderd. In de huidige situatie is een deel van het plangebied grasland wat ten goede komt aan de infiltratie. Het verhard oppervlak zal dan ook toenemen. De parkeerplaatsen worden halfverhard gerealiseerd.
In het verleden is bij stedelijke ontwikkelingen niet altijd goed rekening gehouden met gevolgen voor het watersysteem. Ook is in het verleden niet altijd voldoende rekening gehouden met extreme neerslag (en de toename hiervan door klimaatverandering). Met het voornemen en de toekomstige ontwikkeling is de mogelijkheid om het plan nu wel klimaatrobuust te maken. Bijvoorbeeld door maatregelen te nemen om hemelwater te vast te houden en te infiltreren in de bodem.
Hemelwaterberging – wadi’s en zaksloot
Om te voorkomen dat het afstromende water in het plangebied leidt of kan leiden tot negatieve effecten worden er in het plangebied maatregelen getroffen om water in het plangebied op te vangen en om het hemelwater op eigen terrein te laten infiltreren. Ten oosten van het plangebied wordt dan ook een wadi aangelegd waar het water opgeslagen wordt en in de bodem kan infiltreren. Voor de compensatie van de toename aan verhard oppervlak wordt een combinatie toegepast van twee wadi’s en een infiltrerende zaksloot:
Wadi’s: er worden twee wadi’s van elk 45 m² gerealiseerd (totaal 90 m²). Bij een maatgevende (kortdurende) waterlaag van 0,30 m leveren deze samen 27,0 m³ berging.
Zaksloot (infiltratiesloot): er wordt een sloot aangelegd met een bodembreedte = 0,80 m, taluds 1:3 en een lengte van 70 m. Bij een ontwerp-waterdiepte van 0,60 m bedraagt de effectieve berging 137,9 m³.
Totaal gerealiseerde berging
27,0 m³ (wadi’s) + 137,9 m³ (zaksloot) = 164,9 m³.
Conclusie
Met bovenstaande maatvoering wordt voldaan aan de bergingseis van 80 mm per m² voor 2.058 m² toename aan verhard oppervlak (benodigd 164,64 m³; gerealiseerd 164,9 m³). De wadi’s en de zaksloot functioneren als infiltrerende voorzieningen, de zaksloot staat normaliter droog en vult slechts kortdurend op tot de genoemde peilstijging bij extreme buien.
Met de voorgenomen activiteit en latere uitwerking in het stedenbouwkundige plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels:
Artikel 3 (Toepassingsbereik)
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het TAM-omgevingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het TAM-omgevingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Ten aanzien van de plansystematiek voor de functies is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023”. Op enkele onderdelen is maatwerk geleverd in de juridische regeling. Deze systematiek is opgesteld met oog op een goede ruimtelijke kwaliteit, levensloopbestendig wonen, praktijkgerichtheid, rechtszekere en juridisch houdbare regels en handhaafbare regels. Deze uitgangspunten zijn in het omgevingsplan vertaald.
Rondom de woningen ter plaatse van het erfenensemble is de functie 'Artikel 3 Tuin' toegekend. De gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor tuinen en erven voor naastgelegen functies, de aanleg van water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, parkeervoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen en groenvoorzieningen alsmede het uitvoeren en instandhouden van landschapsmaatregelen.
Ter plaatse is het bouwen van gebouwen, bijgebouwen en overkappingen niet toegestaan.
Ter plaatse van de woning en de bijbehorende gronden is de functie 'Wonen' toegekend.
Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen. De gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het aantal woningen bedraagt maximaal het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend drie aaneengebouwde woningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen toegestaan De maximale goot- en/of bouwhoogte zijn 4 en 10 meter.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen' zijn uitsluitend inpandige bijgebouwen toegestaan. Ook zijn beoordelingsregels opgenomen voor overkappingen, bouwwerken ten behoeve van het wonen, gebouwen en overkappingen voor verkeers- of verblijfsdoeleinden of voor openbare nutsdoeleinden en bouwwerken.
In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Hier is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting', ten behoeve van de juridische borging van de landschappelijke inpassing.
Artikel 5 Waarde - Archeologische verwachting 1
De voor 'Artikel 5 Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
De gronden zijn tevens voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede bestemd voor een radarverstoringsgebied.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald word
en is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
Situatie plangebied
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Gelet op de aard en omvang van dit TAM-omgevingsplan wordt dit plan ter vooroverleg naar de provincie Overijssel gezonden.
Door middel van de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd. Uit de digitale watertoets bleek dat sprake is van de procedure 'normale procedure', zoals te zien in paragraaf 7.2 en Bijlage 5 bij deze toelichting. Gesteld wordt dat met een goede uitvoering van de plannen er voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterschap.
De plannen zijn uitvoering met de omwonende en het buurtschap alsmede de gemeente besproken. Er zijn ten aanzien van het programma en invulling aanpassingen geweest waaruit in goed overleg voorgaand plan uitgekomen is. Er zijn geen negatieve geluiden naar voren gekomen en het plan wordt dan ook positief ontvangen.
In voorliggend geval wordt dit TAM-omgevingsplan ter inzage gelegd.
Het TAM-omgevingsplan heeft voor een ieder, voor een periode van 6 weken, ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen indienen.
Na overleg wordt wel een voorwaardelijke verplichting omtrent de waterberging opgenomen in de planregels.
Voorliggend plan wordt zo gewijzigd vastgesteld.