direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie aan de Dams Wichertweg 2-4 in Bentelo is een plan ontwikkeld. De bestaande woning met inwoning wordt planologisch gesplitst, waardoor twee zelfstandige woningen gerealiseerd worden. Daarnaast worden de bestaande bijgebouwen gesloopt en wordt voor de woningen gezamenlijk één nieuw bijgebouw met een grootte van 150 m² teruggebouwd.

De voorgenomen ontwikkeling past niet bij recht in het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente, omdat slechts één woning is toegestaan en deze niet regulier bewoond mag worden onder een agrarische functie die geldt voor het plangebied. Gezien deze strijdigheden met het omgevingsplan en de afwezigheid van binnenplanse mogelijkheden waarmee het plan alsnog mogelijk gemaakt kan worden, moet het omgevingsplan van de gemeente voor de voorgenomen ontwikkeling gewijzigd worden.

Voorliggend plan voorziet in de voornoemde wijziging.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, op ongeveer 1,1 kilometer afstand ten noordoosten van Bentelo en ongeveer 130 meter ten westen van de Bentelosestraat. Dit betreft een provinciale weg (N740) met een maximumsnelheid van 80 km/u. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 globaal weergegeven door middel van een luchtfoto en een rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0001.png"

Figuur 1.1: globale ligging plangebied (bron: Google Maps)

Begrenzing

De globale begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 opgenomen (rood omkaderd). Binnen het plangebied komen delen van de percelen voor die kadastraal bekend staan als gemeente Ambt-Delden, sectie F, nummer 1836, 2062 en 2097.

Het plangebied wordt aan alle zijden omringd door agrarische percelen en in het midden van het plangebied is de Dams Wichertsweg gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0002.png"

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de grenzen van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente, onderdeel 'Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente' en 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023'.

Binnen het plangebied zijn de functies 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden' en Verkeer' aanwezig. Daarnaast zijn de functies 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aanwezig. Verder zijn de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied', 'vrijwaringszone - radar' en 'luchtvaartverkeerzone' van toepassing. Tot slot zijn er bouwvlakken aanwezig en een relatieteken.

In figuur 1.3 is een uitsnede van de plankaart van de genoemde onderdelen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0003.png"

Figuur 1.3: uitsnede geldende plankaart (bron: Omgevingsloket)

Het plan is om de bestaande agrarische bebouwing te slopen ten westen van de bestaande woning. De agrarische functie - ongeveer ter hoogte van het bestaande bouwvlak - wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Ter plaatse van de bestaande woning wordt de agrarische functie - wederom ongeveer ter hoogte van het bouwvlak - gewijzigd naar een woonfunctie. Daarnaast wordt ten zuiden van de woning ook een klein bijgebouw gesloopt die niet op de kaart is weergegeven en geen wijziging noodzakelijk is.

Verder wordt de bestaande woning gesplitst, waardoor twee zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Door middel van een relatie teken worden de woonfuncties aan elkaar gekoppeld. Bij de woningen wordt een nieuw gezamenlijk bijgebouw gebouwd van 150 m².

Zoals reeds beschreven is de voorgenomen ontwikkeling, met uitzondering van het bijgebouw, op basis van de huidige planologische mogelijkheden niet mogelijk. Er is slechts één woning toegestaan waarbij deze onder een agrarische functie niet regulier bewoond mag worden.

Aangezien in het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente geen mogelijkheden zijn opgenomen om het voorgenomen plan mogelijk te maken, is een omgevingsplanwijziging noodzakelijk.

1.4 Doelen van de wet

Het vaststellen van een omgevingsplan staat volledig in het teken van het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Ow.

Artikel 1.3 van de Ow geeft aan dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, is gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Ow schrijft voor dat bestuursorganen, dus ook het gemeentebestuur, de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen.

1.5 TAM-omgevingsplan

Een TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.

Een TAM-omgevingsplan maakt gebruik van de techniek voor planvorming zoals dat gebruikt werd onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl.

De TAM-omgevingsplannen plannen maken deel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt die opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de IMRO-techniek. TAM-omgevingsplannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel. Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en van de provincie.

1.6 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10);
  • Bijlagen bij de motivering;
  • Regels;
  • Bijlage bij de regels.

1.7 Leeswijzer

De motivering van het omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleids- en wettelijke kader van het rijk, provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 5 wordt het omgevingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie van het plangebied is sprake van een agrarisch erf, gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het erf bestaat uit een woonhuis en bijbehorende agrarische bijgebouwen. De woning en de agrarische bebouwing liggen aan weerszijden van de Dams Wichertsweg, een smalle erftoegangsweg in het buitengebied. De directe omgeving wordt gekenmerkt door een open landschap met voornamelijk agrarisch grondgebruik (weiland). Aan beide kanten van het erf is daardoor sprake van open zichtlijnen. De agrarische bebouwing verkeert in een slechte bouwkundige staat en is grotendeels vervallen. Dit doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De woning is landschappelijk ingepast en daardoor grotendeels aan het zicht onttrokken door de aanwezige erfbeplanting, die voornamelijk bestaat uit bomen en struiken.

In figuur 2.1 is een vooraanzicht opgenomen van de te slopen agrarische bebouwing, in figuur 2.2 een zijaanzicht van de woning en in figuur 2.3 is een luchtfoto (vogelvlucht) opgenomen van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0004.png"

Figuur 2.1: vooraanzicht te slopen agrarische bebouwing (bron: Cyclomedia)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0005.png"

Figuur 2.2: zijaanzicht woning (bron: Cyclomedia)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0006.png"

Figuur 2.3: luchtfoto (vogelvlucht) (bron: Cyclomedia)

2.2 Toekomstige situatie

De bestaande landschapsontsierende agrarische bebouwing ten westen van de bestaande woning wordt gesloopt. De agrarische functie - ongeveer ter hoogte van het huidige bouwvlak - wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Ter plaatse van de bestaande woning en ongeveer ter hoogte van het huidige bouwvlak wordt ook de agrarische functie naar een woonfunctie gewijzigd. Daarnaast wordt een klein bijgebouw ten zuiden van de woning gesloopt, waarbij geen planwijziging noodzakelijk is. Verder wordt de bestaande woning gesplitst, waardoor twee zelfstandige woningen gerealiseerd worden. Door middel van een relatie teken worden de twee woonfuncties - west en oost - aan elkaar gekoppeld. Tot slot wordt voor de woningen één nieuw gezamenlijk bijgebouw gebouwd met een oppervlak van 150 m².

Voor het gehele plangebied wordt een erfinrichtingsplan opgesteld, zodat de kwaliteit van het huidige landschap en de benodigde landschappelijke ingrepen om het landschap verder te versterken in voorliggend plan geborgd kunnen worden en te komen tot een goede landschappelijke inpassing. In figuur 2.4 is het erfinrichtingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0007.png"

Figuur 2.4: erfinrichtingsplan Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo (bron: Eeckhof BV)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Voorliggend plan betreft een lokale ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, waarbij geen rijksbelangen uit de NOVI rechtstreeks worden geraakt.

De ontwikkeling draagt echter wel bij aan twee prioriteiten uit de NOVI, te weten:

  • 1. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en;
  • 2. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Zo wordt door de sloop van de vervallen agrarische bebouwing en realisatie van een nieuw bijgebouw, dat landschappelijk wordt ingepast, de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterkt. Omdat de nieuwbouw op gronden gerealiseerd wordt waar al bebouwing staat, wordt verdere verstening en verommeling van het buitengebied voorkomen. De landschappelijke inpassing zorgt tevens voor een goede klimaatadaptatie, aangezien nieuwe erfbeplanting wordt aangelegd en het bestaande groen gehandhaafd wordt. Dankzij de ruime opzet en het open karakter van het perceel zal er meer ruimte zijn voor het infiltreren van hemelwater.

Tot slot draagt voorliggend plan door splitsing van de woning eveneens bij aan de nationale doelstelling van de overheid om meer woningen in Nederland te krijgen, zonder de aantasting van de landschappelijke waarden van het gebied.

Gelet op het vorenstaande is voorliggend plan niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Bkl staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorzieninig of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

De Ladder toets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging;
  • en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplan activiteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan.

Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd.

Toets

Op basis van vaste jurisprudentie wordt een plan aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, indien meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande in relatie tot voorliggend plan, waarin slechts één extra woning mogelijk wordt gemaakt, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

Als de Ladder niet van toepassing is, dan moet altijd nog wel gemotiveerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de voorliggende motivering wordt daarin voorzien. De toetsing aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten vindt plaats in Hoofdstuk 4.

3.1.3 Conclusie Rijksbeleid

De in voorliggend TAM-omgevingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is volledig in overeenstemming met het Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Ow. In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Ow om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0008.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Artikel 4.4 (principe van concentratie)

Lid 1

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Toets

De bestaande woning wordt gesplitst in twee zelfstandige woningen. Hiermee is geen sprake van nieuwbouw, zoals bedoeld in artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel.

Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toets

In voorliggend plan worden bestaande landschapsontsierende gebouwen gesloopt en wordt op dezelfde locatie één bijgebouw met een grootte van 150 m² teruggebouwd. Omdat er in verhouding meer gesloopt wordt dan dat er wordt teruggebouwd, neemt de bebouwing af. Verder vinden er geen feitelijke ingrepen plaats, met uitzondering van het realiseren van landschapsmaatregelen teneinde het plangebied landschappelijk goed in te passen. Omdat de locatie waar het nieuwe bijgebouw wordt gerealiseerd aangemerkt kan worden als bestaand bebouwd gebied, de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie afneemt en sprake is van een goede landschappelijke inpassing, wordt voldaan aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zoals bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel.

Artikel 4.6 toekomstbestendigheid

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:

  • a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
  • b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en
  • c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

Toets

Voorliggend plan voorziet in de permanente wijziging van de planologische mogelijkheden binnen het plangebied, waarbij sprake is van een toegevoegde waarde voor toekomstige generaties en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Er wordt immers een extra woning toegevoegd binnen de bestaande woning en beide woningen kunnen voor altijd regulier worden bewoond. Bovendien wordt het plangebied landschappelijk goed ingepast. Hierdoor neemt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied toe. Gelet hierop wordt aan artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel voldaan.

Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Artikel 4.9 onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

  • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
  • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
  • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagen benadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toets

In voorliggend TAM-omgevingsplan wordt rekening gehouden met de toetsing van het plan aan het uitvoeringsmodel (OF-, Waar- en HOE-benadering). Daarbij wordt aan de hand van het geldende ontwikkelingsperspectief gemotiveerd dat het plan passend is. En wordt er getoetst aan de geldende gebiedskenmerken. Het nieuwe bijgebouw wordt landschappelijk ingepast en de splitsing van de bestaande woning wordt gerechtvaardigd door middel van het inbrengen van sloopmeters. Tot slot vindt er een goede landschappelijke inpassing plaats, waardoor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied wordt versterkt. Aan artikel 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel wordt derhalve voldaan.

Artikel 4.14 (woonafspraken)

Lid 1

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.

Lid 2

Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.

Toets

Voorliggend plan maakt o.a. de toevoeging van een extra woning mogelijk door middel van het splitsen van de bestaande woning. In paragraaf 3.3 wordt onder gemeentelijk beleid een toetsing verricht aan de gemeentelijke woonvisie, waarmee de behoefte aan deze woning kan worden gerechtvaardigd. Aan artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel wordt derhalve voldaan.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving en stedelijke omgeving. Gezien de ligging van het plangebied in het buitengebied zijn in dit geval uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang, oftewel de Groene Omgeving. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied (zie rode markering) ligt binnen het 'Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Toets:

De plannen van de initiatiefnemer worden geacht passend te zijn binnen het geldende ontwikkelingsperspectief, aangezien daarbinnen ruimte is voor de functie wonen en agrarische bedrijven in de omgeving door realisatie van de beoogde woning niet extra belemmerd zullen worden ten opzichte van de huidige situatie.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.

De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:

  • 1. Natuurlijke laag.
  • 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap.
  • 3. Stedelijke laag.
  • 4. Laag van de beleving.

Voor de laag van de beleving zijn er geen kenmerken aanwezig op de visiekaart.

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het plangebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen'. In figuur 3.3 is een fragment weergegeven van de ligging van het plangebied in de natuurlijke laag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0010.png"

Figuur 3.3: fragment Omgevingsvisie Overijssel 2024, de natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)

De Dekzandvlakte en ruggen wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.

Als ontwikkelingen plaatsvinden binnen de Dekzandvlakte en ruggen, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens het uitgangspunt bij een (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)-richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Toets

De kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen zijn binnen het plangebied niet zichtbaar. Dit komt doordat de gronden bebouwd zijn. Met de realisatie van voorliggend plan wordt daarom geen extra afbreuk gedaan aan de kenmerken van de natuurlijke laag.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap geeft aan het plangebied het kenmerk 'Oude Hoevenlandschap'. In figuur 3.4 is een fragment weergegeven van de ligging van het plangebied in de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0011.png"

Figuur 3.4: fragment Omgevingsvisie Overijssel 2024, de laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)

De kenmerken van het oude hoevenlandschap zijn verspreide erven. Het landschap werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Het oude hoevenlandschap kent dezelfde opbouw als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant.

Als er ontwikkelingen plaatsvinden, dan dragen deze bij aan het behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. Ontwikkelingen vergroten daarnaast de toegankelijkheid van erven en erfroutes.

Toets

Voor deze ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld, waarin de kenmerkende landschapselementen en de kleinschaligheid worden behouden en versterkt. Tevens worden de karakteristieken van het traditionele en streekeigen boerenerf behouden en waar nodig versterkt. Geacht wordt hiermee dat de kenmerken van de laag van het agrarische cultuurlandschap voldoende in het plan betrokken is en past binnen de visie.

3.2.4 Conclusie provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030

Algemeen

In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld.

Streefbeelden 10 en 14 zijn voornamelijk van belang in voorliggend geval. Deze worden hierna behandeld.

Streefbeeld 10: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld

Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden.

De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend.

Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.

Streefbeeld 14: Kwaliteit woningbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven

De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie; de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Als centraal gelegen kern heeft Goor het meest een stedelijk karakter. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en bestemmingsplannen zijn op deze uitgangspunten aangepast. In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn.

Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In 2030 bestaat op het gebied van de volkshuisvesting de grootste opgave uit het vervangen van in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gebouwde wijken/woningen. Dit gaat gepaard met een verduurzaming. Tegelijk komen als gevolg hiervan ruimtes in kernen vrij die niet direct weer voor woningbouw gebruikt worden. Dit biedt stedenbouwkundig nieuwe kansen. Hier is nadrukkelijk ingespeeld op de kansen van de demografische krimp. De kwaliteit gaat in alles boven de kwantiteit in 2030. Waar vanaf 2020 in de nieuwbouw energieneutrale woningen de standaard zijn, zijn in 2030 ook enkele energiepositieve wijken ontstaan. Daarbij is een verschuiving van type wooneenheden opgetreden. Wooncomplexen met een diversiteit van wooneenheden zijn in de grotere kernen ontstaan. Combinaties met zorgaanbod passen in die opzet. De traditionele twee-onder-één kap woningen zijn geleidelijk wat teruggelopen in aandeel. Daarnaast wordt in 2030 gewerkt aan het energieneutraal maken van relatief nieuwe wijken.

Toets

In voorliggend plan worden bestaande landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten behouden en waar nodig versterkt. Zo wordt zowel de sloop van de bestaande landschapsontsierende bebouwing als de bouw van nieuwe bebouwing landschappelijk ingepast en wordt de karakteristieke uitstraling van de bestaande woning door de splitsing niet gewijzigd. Dit komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Met de realisatie van een extra woning en het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie waarbij sloopmeters worden ingebracht, wordt tevens - zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor de landbouw - gezorgd voor extra woningen in het buitengebied geschikt voor reguliere bewoning zonder dat dit leidt tot de verdere verstening van het buitengebied.

Gelet op het vorenstaande wordt voorliggend plan passend geacht binnen de 'Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030'.

3.3.2 Structuurvisie Landelijk Gebied

In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.

De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen mede- werking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Dit hangt ook samen met het beschermen van agrarische bedrijvigheid tegen beperkingen die uit de nabijheid van woningen voortkomen. De nieuwe woning kan elders in het buitengebied worden gerealiseerd, indien de nieuwe woning deel uit maakt van een bestaand bebouwingscluster, zoals een buurtschap.

Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing. Een steeds groter deel van de inwoners van het buitengebied bestaat uit ouderen. Om hen in staat te stellen zelfstandig te wonen zijn aanpassingen nodig; het aanbod van mantelzorg en welzijnsdiensten dat aan huis geleverd kan worden kan verbeterd worden. Inwoning (bewoning van een woning door twee huishoudens) wordt gefaciliteerd.

Toets

Zoals reeds hiervoor beschreven worden er sloopmeters ingebracht, om de splitsing van de bestaande woning te rechtvaardigen. Door het inbrengen van sloopmeters voor enkel een planologische wijziging wordt er niet teruggebouwd. Hierdoor neemt het verharde oppervlak in het buitengebied geheel af (in de meeste gevallen wordt er enigszins teruggebouwd ter compensatie voor het inbrengen van de sloopmeters). Daarbij wordt in verhouding tevens meer bijgebouwen gesloopt binnen het plangebied dan dat er wordt teruggebouwd. Hierbij vindt tevens een goede landschappelijke inpassing plaats. Gelet hierop wordt zorgvuldig omgegaan met het landelijk gebied. Hierdoor wordt onderhavig plan passend geacht binnen de 'Structuurvisie Landelijk Gebied'.

3.3.3 Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025

Algemeen

In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen.

De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning.

Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente moet worden gewaarborgd.

Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:

  • 1. Versnelling van de woningbouwproductie.
  • 2. Meer betaalbare woningen realiseren.
  • 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt.
  • 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen.
  • 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied.
  • 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten.

Toets

Voorliggend plan draagt bij aan de ambitie om de leefbaarheid en vitaliteit van het buitengebied te waarborgen. Per saldo wordt één extra woonrecht toegevoegd door middel van het splitsen van de bestaande woning. Er vindt hierbij geen nieuwbouw plaats. Hoewel voor nieuwbouw in het buitengebied een woningbouwprogramma bestaat van 160 tot 165 woningen, wordt gesteld dat in dit specifiek geval geen aanspraak hierop wordt gedaan.

Gelet op het vorenstaande wordt voorliggend plan passend geacht binnen de woonvisie.

3.3.4 KGO beleid 2023
3.3.4.1 Inwoning bestemmen als woning (2^kap)

In het buitengebied van de gemeente Hof van Twente is inwoning binnen bestaande woningen toegestaan. Vanuit de inwoners komt steeds vaker de vraag of de inwoonsituatie als zelfstandige woning bestemd kan worden. Dit in verband met het verkrijgen van financiering. Om hier aan tegemoet te komen kan een woning worden gesplitst in een 2^1 kapwoning onder de volgende voorwaarden:

  • de inhoud van de woning na splitsing niet meer mag bedragen dan de maximaal toegestane inhoud conform geldend bestemmingsplan.
  • Er dient ter compensatie minimaal 250 m² (woonmeters) of 500 m² (restmeters) aan landschapontsierende bebouwing worden gesloopt.
  • De oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente of maximaal 40% uit één van de andere deelnemende gemeenten.
  • Op de slooplocaties blijft maximaal 150 m² aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m²' van toepassing.
  • Er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd.
  • De minimale investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd in een schetsplan van de bebouwing en erfinrichtings- en/of beplantingsplan met een instandhoudingstermijn van 10 jaar. Het erfinrichtings- en/of beplantingsplan met in stand houdingstermijn zijn onderdeel van de te verlenen omgevingsvergunning.
  • Geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren en/of gebruikers van omliggende gronden.
  • Instemming van de eigenaar van de huidige woning.
  • De uitvoerbaarheid van het bouwplan waarvoor de wijziging wordt toegepast, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden:
    • 1. de milieu hygiënische situatie van de bodem de ontwikkeling waarvoor de wijziging wordt toegepast niet belemmerd;
    • 2. dat geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden.
    • 3. bestemmen karakteristieke boerderij als woning

Toets

Aan de bovenstaande voorwaarden wordt in zijn algemeenheid voldaan.

Er worden in totaal drie landschapsontsierende gebouwen gesloopt met een gezamenlijk oppervlak van circa 523 m². Omdat de initiatiefnemer na sloop van de gebouwen bij recht 150 m² aan bijgebouwen mag terugbouwen, wordt dit van de sloopmeters afgetrokken. Hierdoor blijft er nog 373 m² aan sloopmeters over.

Daarvan wordt 250 m² aan sloopmeters ingezet voor het rechtvaardigen van de splitsing van de bestaande woning naar twee zelfstandige woningen. Het resterende deel van de sloopmeters met een oppervlak van 123 m² blijft over.

Verder wordt de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk ingepast. De benodigde landschapsmaatregelen - om te komen tot een goede landschappelijke inpassing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit - worden middels een erfinrichtingsplan geborgd in voorliggend plan.

Gelet op het vorenstaande wordt voorliggend plan passend geacht binnen het KGO beleid 2023 van de gemeente Hof van Twente.

3.3.5 Conclusie gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030, Structuurvisie Landelijk Gebied Overijssel verwoorde en in het KGO beleid 2023 verankerde gemeentelijk ruimtelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving

4.1 Plan milieueffectrapportage

Met de Ow verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:

  • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten
  • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.

In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:

  • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
  • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.

De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als:
    • a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
    • b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Toets

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de in voorliggend plan beschreven ontwikkeling aan te merken is als een project dat voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Op te merken is dat de voorliggende ontwikkeling niet expliciet benoemd wordt in één van de gevallen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. De meest logische aansluiting kan echter worden gemaakt bij onderdeel J11, te weten: een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd in het Ob. Er zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Dit komt erop neer dat het kwalificeren van een ontwikkeling als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhangt van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat er geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geoordeeld dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, wanneer wordt voorzien in een (gedeeltelijke) functiewijziging waarbij de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft.

Op basis van deze uitspraak zijn de volgende aspecten voor het kwalificeren van een ontwikkeling als stedelijk ontwikkelingsproject van belang:

  • (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte,
  • de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling.

Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de ABRvS op 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

In voorliggend plan worden landschapsontsierende agrarische bebouwing gesloopt met een oppervlak van 523 m². Er wordt één bijgebouw teruggebouwd met een oppervlak van 150 m² en de bestaande woning wordt gesplitst in twee zelfstandige woningen, waarbij het bebouwingsoppervlak en gebouwvolume van de hoofdbouw niet toenemen. De gehele ontwikkeling wordt verder landschappelijk zorgvuldig ingepast.

Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat in dit specifiek geval waarbij de bebouwde oppervlakte afneemt en zorgvuldige landschappelijke inpassing plaatsvindt geen sprake is van een project dat aangemerkt moet worden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van kolom 1 Bijlage V van het Ob.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht. Vanuit het aspect 'Plan milieueffectrapportage' zijn geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.2 Milieubelastende activiteiten

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden.

Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'.

De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Bkl waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering.

Toets

Voorliggend plan maakt de splitsing van de bestaande woning binnen het plangebied mogelijk. Hiermee ontstaat er een extra woning.

Om vast te stellen of ter plaatse van deze woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een inventarisatie verricht naar milieubelastende functies in de nabije omgeving. Hierbij is op te merken dat de dichtstbijzijnde milieubelastende functie gelegen zijn aan de Slaghekkenweg 2 en Bentelosestraat 52 in Bentelo. Aan de Bentelosestraat 52 is overig bedrijvigheid toegestaan. Hier is volgens het omgevingsplan een winkel-/magazijnruimte aanwezig. Aan de Slaghekkenweg 2 is volgens het omgevingsplan een agrarisch bedrijf toegestaan, niet zijnde intensieve veehouderij. Volgens openbare bronnen is het bedrijf geregistreerd als melkveebedrijf en vleesvarkenbedrijf.

Volgens de nieuwe milieuzoneringslijst geldt voor een niet-intensieve agrarisch bedrijf een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en 100 meter voor het aspect geur. Aangezien de onderlinge afstand tussen het agrarische bedrijf en plangebied circa 220 meter bedraagt, wordt er voldaan aan de richtafstanden. Omdat bij agrarische bedrijven de wettelijke normen uit het Bkl gelden, wordt in paragraaf 4.3 een nadere toetsing aan het aspect geur verricht.

Wat betreft het bedrijf aan de Bentelosestraat 52, waarbij sprake is van detailhandel, geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Hier wordt ruim aan voldaan.

Gelet op het vorenstaande zal ter plaatse van de nieuwe woning sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de andere kant worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de genoemde bedrijven niet belemmerd door de realisatie van de nieuwe woning.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

4.3 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets

Zoals beschreven in de voorgaande paragraaf, bevindt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf zich aan de Slaghekkenweg 2, op een afstand van circa 220 meter van het plangebied.

Hoewel voldaan wordt aan de richtafstand voor niet-intensieve agrarische bedrijven vanuit de nieuwe milieuzoneringslijst, gelden op grond van het Bkl specifieke regels voor agrarische bedrijven waar landbouwhuisdieren gehouden worden. Voor bedrijven met dieren waarvoor géén geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geldt in het buitengebied een minimale wettelijke afstand van 50 meter tussen het geurbelastende bedrijf en een geurgevoelig gebouw (zoals een woning). Voor bedrijven die dieren houden waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geldt in het buitengebied een maximale toegestane geurbelasting van 14 ou/m³ ter plaatse van het toe te voegen geurgevoelig gebouw.

Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf aan de Slaghekkenweg 2 bevindt zich dus op ongeveer 220 meter afstand van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstandsnorm van 50 meter voor bedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren. Omdat er ook varkens worden gehouden waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld, is in beginsel een berekening van de geurbelasting noodzakelijk.

Echter is op te merken dat op kortere afstand van het agrarische bedrijf al bestaande woningen gelegen zijn. Hierdoor wordt geacht dat het agrarisch bedrijf - ter bescherming van de bestaande woningen tegen geurhinder - al in mindere mate beperkt is in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Bovendien is binnen het plangebied al een woning toegestaan waarbij geen sprake is van geuroverlast van het agrarische bedrijf aan de Slaghekkenweg 2. Geacht wordt daarom dat de kans reëel is dat de grenswaarde van 14 ou/m³ in buitengebied voor de geurbelasting ter plaatse van de woning niet wordt overschreden.

Gelet op het vorenstaande wordt het opstellen van een geurbelasting berekening in dit specifieke geval niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.4 Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets

Ten behoeve van voorliggend TAM-omgevingsplan is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd door Kruse Mileu BV. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 2 bij deze motivering opgenomen rapportage. In de onderstaande alinea's wordt met behulp van het onderzoek kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Voor de concrete inhoud van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 2.

Resultaten veldwerk

In totaal zijn er 9 inspectiegaten gegraven en is er 1 boring verricht. De boring en 2 inspectiegaten zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis. Per druppelzone zijn er in totaal 3 inspectiegaten gegraven. De bovengrond bestaat globaal uit uiterst tot zeer fijn, zwak siltig zand en de ondergrond bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig grof, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Er zijn bodemvreemde materialen in de vorm van baksteen en kolengruis (gehele onderzoekslocatie) en puin (druppelzones) aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 2.40 m-mv.

Resultaten analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan onderstaande worden geconcludeerd:

  • Gehele onderzoekslocatie:
    • 1. Het mengmonster OG is aanvullend op arseen geanalyseerd vanwege oerhoudende lagen.
    • 2. de bovengrond (BG I) is licht verontreinigd met PAK;
    • 3. de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd met lood en PAK;
    • 4. de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd;
    • 5. de ondergrond (OG) is niet verontreinigd (ook niet met arseen);
    • 6. het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en nikkel;
    • 7. mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend;
    • 8. mengmonster MM FF - 02 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
  • Deellocaties A en B: asbestverdachte druppelzons zuidzijde en noordzijde
    • 1. mengmonster MM FF - A is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek;
    • 2. mengmonster MM FF - B is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Hypothese

De hypothese “verdachte locatie” uit norm NEN5740, dient met betrekking tot de bovengrond van de gehele onderzoekslocatie te worden aangenomen aangezien er overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond.

De hypothese “onverdachte locatie” uit norm NEN5740, kan met betrekking tot de ondergrond van de gehele onderzoekslocatie worden aangenomen aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. Met betrekking tot het grondwater dient deze hypothese te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond.

De hypothese "verdachte locatie” uit norm NEN5707 dient met betrekking tot de gehele onderzoekslocatie te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.

De hypothese "verdachte locatie” uit norm NEN5707 dient met betrekking tot de asbestverdachte druppelzones (deellocaties A en B) te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.

In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de boven- en ondergrond (BG III en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden (grond) en de signaleringsparameters (grondwater) niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.

In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat geen asbestverdachte vezels. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond.

In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - A en MM FF - B is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten liggen ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek (en tevens boven de interventiewaarde voor asbest). Van de zeeffractie <0.5 mm maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels.

Formeel gezien is een nader asbestonderzoek noodzakelijk ter plekke van beide druppelzones. Geadviseerd wordt om, voorafgaand aan de sloop van het bijgebouw, zonder nader asbestonderzoek direct over te gaan tot sanering van de asbestverontreinigingen ter plekke van druppelzones A en B.

Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de asbestverontreinigingen ter plekke van druppelzones A en B als volgt geschat:

  • deellocatie A: asbestverdachte druppelzone zuidzijde: circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep);
  • deellocatie B: asbestverdachte druppelzone noordzijde: circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep).

Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.

Slotconclusie 

Na sanering van de asbestverdachte druppelzones (deellocaties A en B) is er geen bezwaar tegen de voorgenomen functiewijziging en nieuwbouw van het bijgebouw, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan, mits de asbestverdachte druppelzones zoals opgenomen in het verkennend (asbest)bodemonderzoek gesaneerd zijn. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan, wordt de uitvoering van de sanering juridisch geborgd.

4.5 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;
  • 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt;
  • 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt;
  • 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten

In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een geluidgevoelig gebouw planologisch wordt mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen

Toets

Wegverkeers- en spoorweglawaai

Het plangebied wordt ontsloten via de Dams Wichertsweg. Een erfontsluitingsweg in het buitengebied. Daarnaast is op ongeveer 140 meter afstand ten oosten van het plangebied een provinciale weg (N740) aanwezig. Een gebiedsontsluitingsweg bestaande uit twee rijstroken. Een spoorweg is niet aanwezig in de nabije omgeving.

Op te merken is dat de gemeente Hof van Twente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan heeft opgenomen. Hierdoor gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

Gezien de bovengenoemde afstanden ligt het plangebied binnen de geluidzone van de Dams Wichertsweg en de N740.

In voorliggend geval wordt binnen het plangebied één extra woning toegevoegd door middel van het splitsen van de woning. Dat betekent in feite dat er geen nieuw geluidsgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, maar dat de bestaande woning planologisch wordt opgeknipt in twee delen. Hierdoor wordt geacht dat aan de bovengenoemde afstanden niet hoeft te worden getoetst. Akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai kan achterwege blijven.

Industrielawaai

In de nabije omgeving van het plangebied zijn er geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai kan achterwege blijven.

Geluid door activiteiten

In paragraaf 4.2 is reeds een beoordeling gemaakt of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierin is geluid door activiteiten van omliggende bedrijfsfuncties meegenomen. Uit de beoordeling blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat voldaan wordt aan alle richtafstanden voor de maatgevende bedrijven. Hierdoor kan akoestisch onderzoek naar geluid door activiteiten achterwege blijven.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Gelet op het bepaalde in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl wordt geconcludeerd dat voorliggend plan aangemerkt moet worden als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, omdat dit ter plaatse van een enkele ontsluitingsweg pas aan de orde is bij de realisatie van meer dan 1.500 woningen, terwijl in het voorliggende plan slechts één extra woning mogelijk wordt gemaakt. Nader onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets

Aan de hand van de kaart van Atlas Leefomgeving met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In de nabije omgeving (straal van ca. 550 m) van het plangebied zijn er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen, aandachtsgebieden, plaatsgebonden risicocontouren aanwezig.

Conclusie

Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen belemmeringen voor de realisatie van voorliggend plan.

4.8 Water

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

  • 1. Klimaatrobuust gebied

Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

  • 2. Veilig gebied

Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.

  • 3. Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.

  • 4. Gezonde leefomgeving

Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.

Relevante wateraspecten

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied niet toe. Het neemt af met circa 343 m².

Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits 'vasthouden - bergen – afvoeren' behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd.

Natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes worden niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Eventuele wateroverlast voor het plangebied wordt voorkomen door het peil van de woning 30 cm hoger dan de omliggende grond te maken.

Waterkwaliteit 

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk, rondom de persleiding worden geen bouwwerken gebouwd. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren.

Recreatie

In het plangebied zijn de volgende (nieuwe) aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen: geen. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.

Conclusie

Op 03-09-2025 is er een watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is als Bijlage 3 opgenomen bij deze motivering.

Door beantwoording van de vragen is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat er een standaard waterparagraaf moet worden opgesteld. De standaard waterparagraaf is bovenstaand opgenomen. Op voorhand is het waterschap geïnformeerd over het plan. Er zijn geen bezwaren.

Vanuit dit aspect zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van voorliggend plan.

4.9 Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Toets

Ten behoeve van voorliggend plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 4 bij deze motivering opgenomen rapportage. In de onderstaande alinea's wordt met behulp van de quickscan kort ingegaan op de resultaten en conclusies ten aanzien van de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor de concrete inhoud van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 4.

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking heeft in Overijssel.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het plangebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is dus niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de bebouwing en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren.

Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vleermuis, egel, wezel, grote bosmuis en steenmarter. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, egel, steenmarter, wezel en grote bosmuis. Gezien het aantal onderzoeken en dat rekening gehouden moet worden met verschillende onderzoekperiodes is in het kader van een efficiënt verloop van de ruimtelijke procedure ervoor gekozen om de onderzoeken op een latere tijdstip uit te voeren. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan, wordt de uitvoering van de benodigde onderzoeken juridisch geborgd.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.

4.10 Archeologie en erfgoed

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets

Archeologie

Het geldende omgevingsplan heeft aan het plangebied de functie 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 3' toegekend. Dat betekent dat de voor deze functie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In principe is het hierdoor niet toegestaan om op deze gronden nieuwe gebouwen te bouwen en bestaande en legale gebouwen te vergroten. Hiervan kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Een omgevingsvergunning is niet nodig als:

  • uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn op de betrokken locatie;
  • het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut;
  • de voor het bouwen benodigde grondbewerkingen niet dieper zijn dan 0,40 m vanaf maaiveld of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 (voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde 1) of 10 ha (voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde 3).

In het voorliggende plan wordt enkel een nieuw bijgebouw gebouwd met een oppervlak van circa 150 m² en wordt de bestaande woning gesplitst in twee zelfstandige woningen. De drie bestaande landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt met een oppervlak van circa 523 m². In beide gevallen of gezamenlijk wordt de drempelwaarde van 2.500 m² (strengste drempelwaarde) niet overschreden. Gelet hierop wordt een omgevingsvergunning of archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Erfgoed

Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect 'Archeologie en erfgoed' voor voorliggend plan.

4.11 Trillingen

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillingsgevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillingsgevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Toets

Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft hinder van trillingen gemeten bij mensen die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen. Gelet op dat er binnen een afstand van 300 meter vanaf het plangebied geen spoorwegen aanwezig zijn, zal binnen het plangebied en de woning geen sprake zijn van trillingshinder afkomstig van spoorwegen.

Daarnaast is het plangebied niet gelegen aan een weg waarover het regelmatige vervoer van goederen door zware voertuigen plaatsvindt, waardoor trillingshinder kan ontstaan. Het plangebied ligt immers in het rustige buitengebied. De dichtstbijzijnde provinciale weg, de N740 ligt op circa 140 meter afstand van het plangebied, waarbij wordt geacht dat de afstand met de weg te groot is om trillingen in de woning te ervaren.

Op basis van het vorenstaande wordt een onderzoek naar trillingen niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.12 Verkeer / parkeren

Voorliggend plan maakt ten opzichte van de bestaande situatie één extra woning mogelijk door middel van het splitsen van de bestaande woning. Feitelijk gezien ontstaat daarmee een twee-onder-één-kap woningen. Op basis van de meest recente CROW publicatie (744) geldt voor een twee-onder-één-kap woning in het buitengebied, met een niet-stedelijke stedelijkheidsgraad, per woning een maximale verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de inrichting en rustig karakter van de Dams Wichertsweg, kan de beperkte toename van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie naar verwachting eenvoudig en veilig worden afgewikkeld.

Bij een twee-onder-één kap woning in het buitengebied met een niet-stedelijke stedelijkheidsgraad geldt per woning een parkeernorm van minimaal 1,5 parkeerplaatsen (afgerond 2). Voor twee woningen zijn vier parkeerplaatsen nodig. Het in figuur 4.1 opgenomen erfinrichtingsplan toont dat er vijf parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Daarnaast is er op het terrein van de woning ruimte om te parkeren. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeernorm.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxDamsWichertsw2-VS10_0012.png"

Figuur 4.1: erfinrichtingsplan Dams Wichertsweg 2-4 (bron: Eeckhof BV)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit deze aspecten geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.13 Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
  • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Toets

In de voorgaande paragrafen is uitgebreid ingegaan op diverse milieuaspecten die indirect of direct een raakvlak hebben met het aspect gezondheid. Vanuit deze milieuaspecten zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de woning.

Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft een positief effect op de gezondheid. Ook leidt het plan niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van anderen, dus de gezondheid van anderen.

Bovendien wordt permanent wonen mogelijk gemaakt in het buitengebied waar een verscheidenheid aanwezig is van natuurlijke waarden en waarbij de biodiversiteit hoog is. Dit heeft een positieve invloed op de gezondheid.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Voorliggend plan betreft een wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente dat technisch opgesteld is conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar inhoudelijk uitgewerkt is op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

5.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook daarna worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing het plangebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

5.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft meetvoorschriften aan.
  • Artikel 4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.
5.2.3 Functies en activiteiten

In het Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten is opgenomen welke functie binnen het plangebied toegestaan is. Hierbij is ook aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

5.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Artikel 9 Anti-dubbeltelregel: grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  • Artikel 10 Algemene beoordelingsregels: dit artikel bevat algemene beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen.
  • Artikel 11 Algemene functieregels: in dit artikel worden de algemene functieregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • Artikel 12 Algemene aanduidingsregels: in dit artikel worden gebieden aangeduid waarvoor specifieke, sectorale regels gelden.
  • Artikel 13 Algemene omgevingsplanactiviteiten: dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte omgevingsplanactiviteiten ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden, waarvoor een een omgevingsvergunningplicht geldt.
  • Artikel 14 Overige regels: dit artikel bevat overige regels.
  • Artikel 15 Overgangsrecht: dit artikel bevat overgangsregels.
  • Artikel 16 Slotregel: dit artikel bevat de slotregel.
5.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

toelichting op de regels

Functies

Artikel 6 Agrarisch

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Agrarisch. In hoofdzaak zijn de gronden bedoeld voor hobbymatig agrarisch gebruik en de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, mits die voldoen aan de kenmerken zoals opgenomen in artikel 6.3 van de bij dit TAM-omgevingsplan behorende regels.

Verder is het verboden om binnen deze functie een bedrijf op te richten die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt en is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning paardenbakken te realiseren.

Om een omgevingsvergunning te kunnen krijgen dient te worden voldaan aan voorwaarden zoals opgenomen in artikel 6.5 van de bij dit TAM-omgevingsplan behorende regels.

Artikel 7 Wonen

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen. In hoofdzaak zijn de gronden bedoeld voor maximaal twee woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gesplitst'. Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de nieuwe woning ter plaatse van deze aanduiding zonder dat de in het verkennend (asbest)bodemonderzoek opgenomen als Bijlage 2 bij deze regels vastgestelde asbestverontreiniging is gesaneerd.

Binnen deze functie mogen er gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd.

Ter plaatse van de aanduiding 'nader onderzoek ecologie' zijn nieuwe bijgebouwen enkel toegestaan nadat voorafgaande sloop van de bestaande bijgebouwen een aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd, waarin de in Bijlage 4 bij deze motivering opgenomen quickscan flora en fauna onderzoek genoemde beschermde diersoorten zijn onderzocht en indien aanwezig, de benodigde maatregelen overeenkomstig de geldende natuurwetgeving zijn getroffen.

Artikel 8 Waarde - Archeologische verwaching 1

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologische verwaching 1. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Hoofdstuk 6 Kostenverhaal

Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald.

Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie.

In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob. Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht.

Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Voorkantsamenwerking

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Provincie Overijssel

Voor de bouw van slechts één woning geldt een uitzondering voor provinciaal vooroverleg, zoals opgenomen in de lijst met uitzonderingen.

Waterschap Vechtstromen

Voorliggend plan is voorgelegd aan het waterschap.

7.2 Participatie

De initiatiefnemer heeft de buren geïnfomeerd en de gemeente hierover op de hoogte gehouden.

7.3 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 27 november 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.