| Plan: | Buitengebied Hof van Twente, Herziening Wiener Benteler Scheidingsweg ong. |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.ADxWBSong-VS10 |
In het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, aan de Wiener Benteler Scheidingsweg te Ambt Delden, bevinden zich enkele percelen die in eigendom zijn bij initiatiefnemer. De percelen, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 11 hectare, zijn in de huidige situatie onbebouwd en ingericht als grasland en bos.
Initiatiefnemer is voornemens om de percelen om te vormen naar natuur, waarbij 5 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. In dit bestemmingsplan zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
Het plangebied bestaat uit onbebouwde percelen gelegen aan de Wiener Benteler Scheidingsweg te Ambt Delden. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Ambt-Delden, sectie E, nummers 2475, 4059, 5001, 6059, 6756 en 6847. In afbeelding 1.1 zijn topografische kaarten opgenomen waarin de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Bentelo en de directe omgeving is weergegeven. Met de rode omlijning is een indicatieve begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente (Bron: ArcGIS)
Het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Herziening Wiener Benteler Scheidingsweg ong." bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en is een verplicht onderdeel van het bestemmingsplan, maar is niet juridisch bindend.
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente ". Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Hof van Twente op 18 december 2012 vastgesteld.
Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende (dubbel)bestemmingen en aanduidingen:
Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan. Met de rode omlijning wordt het plangebied aangegeven.
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (Bron:
www.ruimtelijkeplannen.nl)
Gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn onder meer bedoeld voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Gezien het feit dat er geen bouwvlak is opgenomen, mogen er geen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen worden gerealiseerd, uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde (niet zijnde teelt ondersteunende voorzieningen) mogen worden gebouwd.
De tot 'Bos' bestemde gronden zijn onder meer bedoeld voor bos en multifunctionele bosbouw, extensieve dagrecreatie en het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd tot een hoogte van maximaal 2 meter.
De watergangen zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd tot 'Water'. Binnen deze bestemming zijn voorzieningen ten behoeve van water huishoudkundige doeleinden, waterberging, waterlopen en waterkeringen toegestaan. De bestemming staat uitsluitend het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe, met inachtneming van de opgenomen maximale bouwhoogten.
De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zijn opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van eventueel te verwachten archeologische waarden. In deze dubbel bestemmingen is bepaald dat bij ontwikkelingen met bodemingrepen die dieper reiken dan 40 centimeter en omvang groter hebben dan respectievelijk 5.000 m² en 10 hectare een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
In de regels zijn aan de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'reconstructiewetzone - landbouw ontwikkelingsgebied' afwijkingsbevoegdheden gekoppeld ten aanzien van agrarische bedrijvigheid. Tot slot geldt ter plaatse van de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - radar' en 'luchtvaartzone' een maximum bouwhoogte van respectievelijk 45 meter en 40 meter voor bouwwerken, ter bescherming en instandhouding van de luchtvaartverkeerzone en het radarverstoringsgebied.
Het inrichten van het plangebied als natuurbegraafplaats en het oprichten van een kleinschalig gebouw is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders om het voornemen te realiseren.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van (de historische ontwikkeling van) het landschap en een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven.
Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving.
In Hoofdstuk 4 worden de relevante ruimtelijke beleidskaders van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Hof van Twente beschreven.
In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema's de revue.
Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten.
In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.
Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en vooroverleg.
Het plangebied is gelegen in het jonge heide- en broekontginningslandschap, op de overgang naar het oude hoevenlandschap. Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden.
Afbeelding 2.1 geeft een goede weergave van de ontwikkelingen die het landschap de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt. Duidelijk waarneembaar is het grootschaliger en rechtlijniger worden van het landschap.
Afbeelding 2.1: Historische ontwikkeling landschap op kaartbeelden (Bron: Provincie Overijssel)
Het plangebied is gelegen aan de Wiener Benteler Scheidingsweg, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, op circa 1 kilometer ten noordwesten van de bebouwde kom van Bentelo.
De hoofdfuncties in de omgeving betreffen natuur en agrarische bedrijvigheid. Vooral ten zuidoosten van het plangebied komt natuur voor. Aan de overige zijden zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig. Dit betreffen vooral intensieve veehouderijen. Dit komt vanwege het feit dat het gebied ten westen van het plangebied onderdeel uitmaakt van een landbouw ontwikkelingsgebied. Ook een beperkt deel van het plangebied, gelegen aan de westzijde, maakt onderdeel uit van het landbouwontwikkelingsgebied. Het overgrote deel is echter gelegen in het verwevingsgebied. Burgerwoningen en reguliere bedrijvigheid komen in de directe omgeving slechts in beperkte mate voor. Deze functies zijn vooral gesitueerd aan de Schoneveldsweg en de Dorreweg.
Het plangebied wordt hoofdzakelijk begrensd door agrarische cultuurgronden. Aan de noordoostzijde van het plangebied is een woonperceel (Kieftenweg 2b) aanwezig. Daarnaast bevindt zich ten oosten en zuidenwesten van het plangebied respectievelijk infrastructuur (Wiener Benteler Scheidingsweg) en bos.
Het plangebied heeft een omvang van circa 11 hectare en is onbebouwd. De gronden zijn thans in gebruik als agrarische cultuurgrond en bos.
In afbeelding 2.2 is een luchtfoto van de bestaande situatie in het plangebied opgenomen.
Afbeelding 2.2: Huidige situatie binnen het plangebied (Bron: Bing maps)
In hoofdstuk 2 is al ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan.
Het voornemen is om 11 hectare aan agrarische cultuurgrond en bos om te vormen tot natuur, waarbij circa 5 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats. Bij een natuurbegraafplaats is, in tegenstelling tot een reguliere begraafplaats, geen sprake van structuren maar van willekeur. Graven worden op willekeurige plekken verspreid over het gebied gesitueerd. Er is sprake van meer ruimte tussen de graven en er zijn geen hekken/afrasteringen of speciaal vervaardigde grafstenen aanwezig. De graven worden veelal gemarkeerd met zwerfkeien. Dit type begraafplaats draagt bij aan een toenemende behoefte vanuit de maatschappij voor een verduurzaming van de samenleving. Geen onnodige belasting van het milieu, maar weer worden opgenomen door de natuur.
In afbeelding 3.1 is een schets opgenomen met daarin de gewenste inrichting van het plangebied.
Afbeelding 3.1: Gewenste inrichting van plangebied
Het grootste gebied wordt ingericht als bloemrijk grasland met heiden en lage begroeiingen. Het centrale gedeelte van het terrein, met een oppervlakte van 5 hectare, is gereserveerd als terrein om te begraven. In het noordwestelijke deel van de begraafplaats komt het strooiveld. Het bestaande bos wordt omgevormd tot bosgebied met open plekken. Een deel van dit bosgebied zal onderdeel gaan uitmaken van de natuurbegraafplaats. De beek gelegen in dit bosgebied zal gedeeltelijk worden verlegd en meer natuurlijk worden vormgegeven. Tot slot wordt het noordwestelijke deel van het plangebied ingericht als vochtige bloemrijke natuur. Deze gronden maken geen onderdeel uit van de begraafplaats.
Binnen het plangebied wordt één gebouw gerealiseerd. Dit gebouw zal worden gebruikt voor de opslag van materiaal dat benodigd is voor het onderhoud van het terrein. Het gebouw mag maximaal een omvang van
75 m² hebben met een goot- en bouwhoogte van maximaal respectievelijk 3 en 6 meter. Naast het gebouw worden parkeervoorzieningen en infrastructuur (in- en uitritten op de Wiener Benteler Scheidingsweg ) aangelegd. Daarnaast worden er wandelpaden aangelegd en waar nodig bruggen geplaatst om zodoende de beek en kikkerpoel over te steken. Tot slot worden er in het bosgebied nabij de Wiener Benteler Scheidingsweg picknicktafels geplaatst.
Om het gehele gebied op een adequate wijze landschappelijk in te passen worden op de perceelsgrenzen forse groenstroken of bomenrijen aangeplant. Hierdoor wordt het zicht vanuit nabijgelegen woningen op het terrein grotendeels ontnomen.
De parkeervoorzieningen op het terrein worden ontsloten via een in- en uitrit op de Wiener Benteler Scheidingsweg. De in- en uitrit zal verkeersoverzichtelijk worden uitgevoerd. De verkeersintensiteit op de Wiener Benteler Scheidingsweg is in de huidige situatie (zeer) beperkt. De toename van verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling zullen beperkt blijven, aangezien er slechts sprake is van gemiddeld 2 plechtigheden per week. De Wiener Benteler Scheidingsweg kan de beperkte toename van verkeersbewegingen eenvoudig verwerken.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
De gemeente Hof van Twente heeft een eigen gemeentelijke beleidsdocument waarin parkeernormen zijn opgenomen. Hierin wordt ook de functie begraafplaats genoemd, echter wordt uitgegaan dat dergelijke functies uitsluitend in het stedelijke gebied worden gerealiseerd en gelden deze parkeernormen voor reguliere parkeerplaatsen. Hoewel in dit geval sprake is van een buitenstedelijke ontwikkeling worden in dit geval wel dezelfde parkeernormen aangehouden. Dit omdat, ongeacht de locatie, de functie 'begraafplaats' vergelijkbaar is.
Voor begraafplaatsen dient per gelijktijdige plechtigheid 22,5 parkeerplaatsen te worden aangelegd. In voorliggend geval zal van (deels) gelijktijdige plechtigheden geen sprake zijn. Dit betekent dat er op het terrein 22,5 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. Het parkeerterrein (weergegeven in afbeelding 3.1) heeft een zodanige omvang dat er meer dan voldoende ruimte aanwezig is om te kunnen voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het parkeeraspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
De Wet op de lijkbezorging regelt de lijkbezorging in ruime zin, zoals de locatie en beheer van een bijzondere begraafplaats. De wet geeft aan dat een bijzondere begraafplaats kan worden aangelegd en in stand kan worden gehouden door een privaatrechtelijke rechtspersoon. De wet regelt voorts dat de gemeenteraad bevoegd gezag is in het aanwijzen van de locatie van de begraafplaats.
Het Besluit op de lijkbezorging regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf. Zo regelt dit besluit dat bij het begraven geen gebruik mag worden gemaakt van kunststof of metalen omhulsel. Dit sluit aan bij het natuurbegraven, waarbij alleen gebruik gemaakt mag worden van materialen die makkelijk afbreken en vergaan in de bodem. Zo zijn de veel gebruikte spaanplaatgrafkisten niet toegestaan.
Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Daarnaast is de locatie reeds getoetst aan het bepaalde in de wet ten aanzien van natuurbegraafplaatsen. De locatie alsmede de inrichting ervan is in overeenstemming met de Wet en Besluitop de lijkbezorging. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel.
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 september 2013 in werking getreden. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Het uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel is hieronder schematisch weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
In voorliggend geval is artikel 2.1.4. (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) van belang. Op de hiervoor genoemde artikelen wordt hierna nader ingegaan.
Artikel 2.1.4: Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
Toetsing van het initiatief aan de generieke beleidskeuzes
Dit bestemmingsplan voorziet in de omvorming van het plangebied naar natuur met een natuurbegraafplaats. Gelet op de functie natuurbegraafplaats, is het niet wenselijk om bestaande erven of bebouwing te herbenutten. Dit vanwege het feit dat het wenselijk is om enige afstand aan te houden tussen een begraafplaats en een erf. Binnen het plangebied wordt uitsluitend een gebouw van beperkte omvang gerealiseerd (maximaal 75 m²) en verhardingen aangelegd. De parkeervoorzieningen en infrastructuur zullen worden uitgevoerd in de vorm van grasbetonblokken. De inrichting van de wandelpaden zal bestaan uit keileem en/of strooisellaag en dus niet in de vorm van reguliere half open of gesloten verharding. Het ruimtebeslag op de groene omgeving is in voorliggend geval dan ookz eer beperkt omdat de gronden grotendeels dienst gaan doen als nieuwe natuur. Het voornemen wordt in overeenstemming geacht met de principes van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik'.
Het plangebied behoort grotendeels tot het ontwikkelingsperspectief ‘Buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte – Mixlandschap’. Voor een klein deel is het ontwikkelingsperspectief 'Buitengebied accent productie - Landbouwontwikkelingsgebied'. Daarnaast is een deel van het plangebied aangemerkt als 'Beekdal en Natte laagtes'. Voor de toetsing van het initiatief aan het gebiedskenmerk 'Beekdal en Natte laagtes' wordt verwezen naar de 'Natuurlijke laag'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel(Bron: Provincie Overijssel)
'Buitengebied accent productie - Landbouwontwikkelingsgebied'
Dit betreffen gebieden met diverse landschapstypen en waar ruimte is voor de ontwikkeling van een intensieve veehouderij. Dit ontwikkelingsperspectief omvat de gebieden waar het ruimtelijk raamwerk van lanen, waterlopen, lintbebouwingen en bosstroken optimaal in harmonie zijn met deze schaalvergroting. De kwaliteitsambitie is om de diverse landschappen herkenbaar te houden ten opzichte van elkaar en verschillen en contrasten binnen deze landschappen te accentueren.
‘Buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte (mixlandschap)’
Gebieden, aangewezen als 'Buitengebied - accent veelzijdige gebruiksruimte (mixlandschap)' zijn bedoeld voor gespecialiseerde landbouw, mengvormen van landbouw-recreatie-zorg, landbouw-natuur en landbouwwater, bijzondere woon-, werk- en recreatiemilieus, die de karakteristieke gevarieerde opbouw van het cultuurlandschappen in deze gebieden versterken. Naast de bescherming van kwaliteiten wil de provincie vooral ontwikkeling en dynamiek benutten voor duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.
Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'
Dit bestemmingsplan voorziet in het omvormen van agrarische cultuurgronden naar natuur en het realiseren van een maatschappelijke voorziening (natuurbegraafplaats). In de ontwikkelingsperspectieven wordt ruimte geboden aan verschillende functies, waaronder de aanleg van nieuwe natuur. Binnen het landbouwontwikkelingsperspectief wordt primair ingezet op agrarische bedrijvigheid, waarbij tevens ruimte is voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende veehouderijen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 5 waar nader wordt ingegaan op diverse milieu- en omgevingsaspecten. Daarnaast zorgt de ontwikkeling, door het treffen van landschappelijke inpassingen, voor een versterking van het bestaande landschap ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de van toepassing zijnde perspectieven.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (Natuurlijke laag, Laag van het agrarisch-cultuurlandschap, Stedelijke laag en Lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
1. De ‘Natuurlijke laag’
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met de gebiedstypen ‘Dekzandvlakte en ruggen’ en 'Beekdalen en natte laagtes'. In afbeelding 4.3 is dat aangegeven.
Afbeelding 4.3: Natuurlijke laag: 'Dekzandvlakte en ruggen’ en 'Beekdalen en natte laagtes'(Bron: Provincie Overijssel)
‘Dekzandvlakte en ruggen’
In deze gebieden is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. In het geval dat er ontwikkelingen plaats vinden, dan moeten deze bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem.
'Beekdalen en natte laagtes'
Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
In het gebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied is ontgonnen en in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw. Door het verleggen van de beek in een meer natuurlijke vorm wordt bijgedragen aan het herstel van het beeksysteem. De ontwikkeling is passend binnen de gebiedskenmerken behorende bij de 'Natuurlijke laag'.
2. De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.
De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype ‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’. In afbeelding 4.4. wordt dit weergegeven.
Afbeelding 4.4: Laag van het agrarisch cultuurlandschap: 'Jonge heide- en broekontginningslandschap' (Bron: Provincie Overijssel)
‘Jonge heide- en broekontginningslandschap’
Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’
Bij de uitwerking van het plan zijn de gebiedskenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ als uitgangspunt genomen. Met de investeringen zoals de aanplant van streekeigen beplanting wordt bijgedragen aan het versterken van dragende structuren (groenstructuur en routes) van het ontginningslandschap. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassingen wordt verwezen naar paragraaf 3.1. Hier wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling leidt tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
3. De ’Stedelijke laag’
Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Stedelijke laag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.
4. De ‘Lust- en leisurelaag’
Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Lust- en leisurelaag' geen bijzondere eigenschappen. Het gebiedskenmerk kan buiten beschouwing worden gelaten.
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hierna behandeld.
Binnen de gemeente Hof van Twente is er een gedifferentieerd aanbod van begraafmogelijkheden. Vanuit de “markt” komt steeds vaker de vraag of er natuurbegraafplaatsen gerealiseerd mogen worden. Om verzoeken gelijkwaardig te kunnen beoordelen is de beleidsnota 'Natuurbegraafplaatsen op particulier terrein' opgesteld.
Deze beleidsnota geeft de kaders en uitgangspunten aan voor het realiseren van natuurbegraafplaatsen. Vastgelegd is dat aan maximaal 3 nieuwe natuurbegraafplaatsen medewerking zal worden verleend.
Er zijn in de beleidsnota uitgangspunten opgenomen ten aanzien van de volgende thema's: situering en omvang, bebouwing, verkeer, landschappelijke inpassing en milieuaspecten. Hierna worden per thema de uitgangspunten genoemd.
Natuurbegraafplaatsen worden alleen toegestaan in de verweving- en extensiveringsgebieden. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn uitgesloten. De omvang van een “natuur begraafplaats” is kleinschalig (maximaal ca. 5 ha). Grotere begraafplaatsen hebben een te grote impact op de omgeving. Ter compensatie dient er te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Hoe er geïnvesteerd wordt in de ruimtelijke kwaliteit moet blijken uit een landschapsplan. Een parkachtige uitstraling is niet gewenst. Om de economische uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen dient er een bedrijfsplan te worden opgesteld.
Realiseren van een bedrijfswoningen of bouwwerken geen gebouw zijnde is niet toegestaan. Voor het onderhoud van het terrein kan een klein gebouw met een oppervlakte van maximaal 75 m2 worden toegestaan. Wel moet dit gebouw landschappelijk worden ingepast en een eenvoudige uitstraling hebben.
Parkeren dient plaats te vinden op eigen perceel en moet landschappelijk worden ingepast en mag vanaf de openbare weg niet opvallen. Daarnaast moet worden onderbouwd hoe de ontsluiting wordt geregeld en er moet aangetoond of de bestaande wegenstructuur dit kan dragen.
Er dienen nadere afspraken te worden gemaakt over het markeren van graven, uitgangspunt: géén grafstenen alleen een zwerfkei en geen versieringen. Alle beplanting die wordt gebruikt dient streekeigen te zijn. Bestaande streekeigen beplanting dient zoveel mogelijk te worden behouden. Het aanleggen van verharde paden is niet toegestaan. Het terrein moet worden opengesteld en het aanleggen van toeristisch paden en het aansluiten bij bestaande recreatieve routes is gewenst. Het begraven in grafheuvels is niet toegestaan. De bestaande maaiveld hoogtes dienen te worden gerespecteerd. Het realiseren van urnenvelden en urnenmuren is niet toegestaan vanwege de ongewenste ruimtelijke impact en het niet mogen realiseren van nieuwe bebouwing. Het begraven van urnen past wel.
Er mag geen belemmering plaatsvinden van (agrarische) bedrijven en woningen in de omgeving en gebruikers van omliggende gronden. Uit onderzoek moet blijken dat de bodemgesteldheid en de grondwaterstanden in het plangebied geschikt zijn voor het realiseren van een begraafplaats. Er mag geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden plaatsvinden. Het gebruik van geluidsinstallaties bij de plechtigheid is niet toegestaan. Voor strooivelden geldt dat ze maximaal 1 hectare groot en er mogen niet meer dan 90 verstrooiingen per jaar plaatsvinden dit i.v.m. het waarborgen van de kwaliteit van de bodem zonder aanvullende ingrepen.
Hierna wordt de ontwikkeling puntsgewijs getoetst aan de gestelde uitgangspunten:
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling passend is binnen de kaders van de gemeentelijke beleidsnota. Gezien het feit dat aan de voorwaarden wordt voldaan en het maximum van 3 nieuwe natuurbegraafplaatsen nog niet is bereikt heeft de gemeente Hof van Twente besloten medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling.
De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Het landschapsontwikkelingsplan biedt een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling. Per landschapstype is aangegeven welk kenmerken dienen te worden behouden en/of versterkt. De uitwerking is gebaseerd op vier thema's:
In de landschapsontwikkelingsvisie is het toekomstbeeld geschetst en de ontwikkeling per legenda-eenheid aangegeven. Hoofddoel van de visie is het onderscheid en de diversiteit tussen de landschapseenheden te vergroten en de samenhang te verbeteren met gerichte investeringen voor de toekomst. De landschapsontwikkelingsvisie is vertaald in een overzichtelijk kaartbeeld. Een uitsnede van deze kaart wordt hieronder weergegeven.
Afbeelding 4.5: Ligging van het plangebied in het LOP (Bron: gemeente Hof van Twente)
Voor de ontwikkeling van het landschap zijn in het landschapsontwikkelingsplan vier thema's benoemd. Uit de bovenstaande uitsnede van de bij de landschapsontwikkelingsvisie behorende kaart blijkt dat de locatie is gelegen in het 'Veldontginningslandschap' binnen het thema 'Behoud en versterking landschapspatroon'.
Het veldontginningslandschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. Ieder ontgonnen veld kent een eigen schaal en patroon van beplanting en bebouwing. In het dekzandlandschap komen kleinere velden voor waar restanten van bos, ven en hei te behouden landschapselementen zijn zoals bij de Benteler Heide en het Markveldensche Veld.
De wegbeplanting beperkt zich tot de ontginningsbasis en -grens of langs een zandpad en bestaat bij voorkeur uit berken incidenteel afgewisseld met grove den.
Maatregelen:
Op de locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt nieuwe streekeigen beplanting aangelegd, waarmee de lineaire dragende structuren worden versterkt en de natuurbegraafplaats op een adequate wijze landschappelijk wordt ingepast. Bestaande landschapselementen blijven zoveel mogelijk behouden en worden waar mogelijk versterkt. Resumerend wordt gesteld dat de ontwikkeling bijdraagt aan de ontwikkeling van het natuur. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen het landschapsontwikkelingsplan.
Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.
Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.
In paragraaf 5.8.1 wordt getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.
De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming.
De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.
In paragraaf 5.2 wordt de bodemkwaliteit beschreven. Verwezen wordt naar deze paragraaf.
De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.
In paragraaf 5.4 wordt het plan getoetst aan het aspect externe veiligheid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsdocumenten.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is.
De nieuwe functie (natuurbegraafplaats) is niet aan te merken als een geluidsgevoelig object of als een nieuwe geluidsbron als bedoeld in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder is dan ook niet van toepassing op de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling.
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een doorgaans een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden verricht.
Tebodin Netherlands B.V. heeft ter plaatse van het gebouw, de parkeervoorzieningen en het asstrooiveld een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zal worden ingegaan op de resultaten uit dit onderzoek. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting.
Toekomstig strooiveld
In de bovengrond ter plaatse van het toekomstige strooiveld is een licht verhoogd gehalte aan koper in de bovengrond aangetoond (MM02 bg en MM03 bg). In het mengmonster van de ondergrond (MM05 og) zijn geen verontreinigingen aangetoond met de stoffen uit het standaard pakket grond. In geen van de proefgaten zijn bijmengingen waargenomen, waardoor geen grondmonsters op asbest zijn geanalyseerd.
In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium en nikkel boven de streefwaarden aangetoond. Dergelijke gehalten worden vaker in de regio aangetroffen en worden derhalve niet als verontreiniging gezien.
Het gehalte aan minerale olie is matig verhoogd aangetroffen. Vervolgens is het grondwater her bemonsterd en geanalyseerd op minerale olie. Hierbij is het matig verhoogd gehalte aan minerale olie niet bevestigd. Het gehalte aan minerale olie is kleiner dan de detectielimiet. De overige stoffen uit het standaard pakket water zijn niet in verhoogde gehalten aangetroffen.
Toekomstige gebouw en parkeerplaats
In zowel de mengmonster van de bovengrond (MM01 bg) als het mengmonster van de ondergrond (MM04 og) zijn geen verontreinigingen aangetoond met de stoffen uit het standaard pakket grond.
In geen van de proefgaten zijn bijmengingen waargenomen, waardoor geen grondmonsters op asbest zijn geanalyseerd.
In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium, koper, nikkel en xylenen boven de streefwaarde aangetoond. Dergelijke gehalten aan zware metalen worden vaker in de regio aangetroffen en worden derhalve niet als verontreiniging gezien. De oorzaak van het licht verhoogd gehalte aan xylenen is onbekend.
In het onderzoek is milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgelegd. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen op de locatie. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verglijking tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Er moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van de geldende bestemming mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Met betrekking tot het plangebied geldt, gezien de rustige ligging in het buitengebied, het omgevingstype rustige woonwijk. De richtafstanden die gelden bij de verschillende gebiedstypes en milieucategorieën zijn hierna weergegeven.
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol:
Ad 1:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
Begraafplaatsen vallen op basis van de VNG-uitgave onder de inrichting 'Begrafenisondernemingen: begraafplaatsen'. Dergelijk inrichtingen vallen binnen milieucategorie 1 met als grootste richtafstand 10 meter voor het aspect geluid. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de natuurbegraafplaats en omliggende milieugevoelige objecten meer dan 250 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand.
Ad 2:
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In het kader van milieuzonering is er geen sprake van de toevoeging van nieuwe gevoelige objecten. Derhalve ondervindt de nieuwe functie geen hinder van bestaande functies.
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat binnen een concentratiegebied als bedoeld in de Meststoffenwet, de gemeente Hof van Twente is gelegen in een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven op basis van het Activiteitenbesluit gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd.
In dit geval zijn met name de woorden permanent en een vergelijkbare wijze uit de definitie van een 'geurgevoelig object' belang. Hierna wordt aan de hand van diverse jurisprudentie toegelicht wat hieronder wordt verstaan.
In een uitspraak van de Raad van State (201301469/1/R1) van 10 juli 2013 had de raad zich op het standpunt gesteld dat sanitaire voorzieningen en een berging niet aangemerkt kunnen worden als geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Ten aanzien hiervan heeft de Raad van State als volgt geoordeeld:
“Voor zover [appelant] betoogt dat in het kader van het onderzoek ook de geurbelasting op het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging had moeten worden berekend, overweegt de Afdeling dat deze niet worden aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wgv omdat geen sprake is van permanente bewoning of verblijf.”
In haar uitspraak (201111498/1/T1/R4) van 13 februari heeft de Raad van State de volgende overweging gehanteerd:
“uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term 'regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), volgt dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, aangenomen moet worden dat niet langdurig in de gebouwen zal worden verbleven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan ook in zoverre niet voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv.”
Op 12 juni 2013 heeft de Raad van State zich uitgesproken in een zaak (201210676/1/A4) waar onder andere de vraag voorlag of een tijdelijke woonunit kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object. De uitspraak van de Raad van State luide ten aanzien hiervan als volgt:
“Gezien de in artikel 1 van de Wgv gegeven definitie is voor het antwoord op de vraag of de woonunit een geurgevoelig object is, van belang of die bestemd en geschikt is voor menselijk wonen of verblijf en of dat gebruik permanent is of daarmee vergelijkbaar. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17) wordt met de term 'bestemd' bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2013 in zaak nr. 201111498/1/T1/R4) valt uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term 'regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), af te leiden dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de woonunit niet als geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv is aan te merken, omdat op de locatie van de woonunit ingevolge het ter plaats geldende bestemmingsplan geen woonbestemming rust. Door het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning zal de woonunit gedurende de periode waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, in ruimtelijke en planologische zin worden toegelaten, zodat de woonunit bestemd en, naar niet in geschil is, geschikt is voor menselijk wonen of verblijf als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de woonunit, gedurende de periode waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, door [vergunninghouder] zal worden bewoond. Gelet op de aard van dat gebruik moet worden aangenomen dat gedurende die periode langdurig in het gebouw zal worden verbleven. Vanwege dat gebruik moet deze woonunit daarom als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv worden aangemerkt.”
In dit geval wordt er een nieuw gebouw gerealiseerd die gebruikt zal gaan worden als opslagruimte voor materiaal benodigd voor het onderhouden van het terrein. Van permanent verblijf of op een daarmee vergelijkware wijze van gebruik zal geen sprake zijn. Het gebouw kan niet worden aangemerkt als geurgevoelig object.
Omgekeerd vormt de ontwikkeling geen belemmering voor omliggende bedrijven ten aanzien van de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.
Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening is er geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.
Hissink Landschapsvisieheeft in verband met de ontwikkelingen een Quickscan Flora- en Faunawet uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf verwerkt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoekrapportage welke is opgenomen in Bijlage 2bij deze toelichting.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd.
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied "Borkeld". Dit Natura 2000-gebied is gelegen op circa 11 kilometer afstand. De ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied wordt weergegeven op afbeelding 5.2.
Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied "Borkeld" (Bron: Provincie Overijssel)
Voorgenomen activiteit leidt niet tot aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities voor de duurzame instandhouding van het beschermd natuurmonument. Nader onderzoek en/of het aanvragen van een natuurbeschermingswetvergunning wordt niet noodzakelijk geacht.
Het plangebied is niet gelegen in de EHS. Het meest nabijgelegen gebied dat is aangewezen als EHS bevindt zich ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 1,1 kilometer. De ligging van het plangebied ten opzichte van gebieden aangewezen als EHS wordt weergegeven op afbeelding 5.3.
Afbeelding 5.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS (Bron: Provincie Overijssel)
Voorgenomen activiteit heeft geen nadelig effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing in het kader van de Omgevingsverordening Overijssel te worden aangevraagd.
Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
Op basis van een verkennend veldonderzoek en analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora of fauna zo goed als worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functie verandering van het gebied; van landbouwgrond naar nieuwe natuur, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere aanvullende inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
In verband met het voorkomen van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden te worden gestart buiten het broedseizoen of er dient voorkomen te worden dat vogels tot broeden komen.
Er worden geen negatieve effecten op de EHS en het Natura-2000 gebied verwacht. Daarnaast zijn er geen beschermde soorten in het plangebied aangetroffen en is nader onderzoek niet noodzakelijk.
Op grond van de Monumentenwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Op basis van de archeologische verwachtingskaart is het plangebied grotendeels gelegen in een gebied met een 'lage archeologische verwachting'. Hiervoor geldt dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 hectare archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor een beperkt deel is het plangebied gelegen in een gebied met een 'middelhoge archeologische verwachting'. Voor gebieden met een dergelijke verwachting geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2. Een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt weergegeven op afbeelding 5.4.
Afbeelding 5.4: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente)
De bodemingrepen waarin het project voorziet en die kunnen reiken tot in de archeologische laag, betreffen met name het realiseren van het gebouwtje, de aanleg van een kikkerpoel en de begraafplaatsen. Deze bodemingrepen hebben een oppervlakte kleiner dan 10 hectare. Daarnaast valt een klein deel van het plangebied binnen het gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Deze oppervlakte is echter kleiner dan de gestelde 5.000 m2. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ter bescherming van de (mogelijke) archeologische waarden zijn de bestaande dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan overgenomen.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. Geconcludeerd wordt dat cultuurhistorie geen belemmering vormt.
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Tevens bevinden er zich in het plangebied geen cultuurhistorische waarden die een belemmering vormen voor de uitvoering van het gewenste plan.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Vechtstromen (voorheen Velt en Vecht en Regge en Dinkel), Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost.
Waterschap Vechtstromen hanteert het waterbeheerplan, dat is opgesteld voor de periode 2010-2015. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.
Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen).
Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:
In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:
De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het GRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:
In het GRP zijn de gemeentelijke zorgplichten nader gedefinieerd. Maatregelen in particulier gebied behoren tot de zorgplichten van de eigenaar.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De uitgangspuntennotitie is bijgevoegd in Bijlage 3. Hieronder volgt een uitwerking van de relevante wateraspecten.
Oppervlaktewater
In gebied zijn (hoofd)watergangen aanwezig. Deze zullen gedeeltelijk worden aangepast. Daarnaast wordt er een kikkerpoel aangelegd. Van een vermindering van bergingscapaciteit is geen sprake.
Grondwater
Het plangebied bevindt zich niet in een intrekgebied en grondwaterbeschermingsgebied. Uit de kaarten met de grondwatertrappen, die via het waterschap beschikbaar zijn, is gebleken dat het gebied geschikt is om mensen te begraven.
Hemel- en afvalwater
Hemelwater zal worden geïnfiltreerd ter plaatse. Er worden geen sanitaire voorzieningen gerealiseerd. Er zal dan ook geen sprake zijn van afvalwater.
De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschiften wordt verstaan.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Een dubbelbestemming ten aanzien van archeologie is ook in dit hoofdstuk opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
De gronden binnen het plangebied worden ingericht als natuur, waarvan 5 hectare in gebruik wordt genomen als natuurbegraafplaats. Omdat de functie 'Natuur' de voornaamste functie betreft, zijn de gronden in het plangebied ook als zodanig bestemd.
Binnen deze bestemming is onder meer het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden toegestaan. De natuurbegraafplaats is specifiek aangeduid, uitsluitend ter plaatse van deze aanduiding is een natuurbegraafplaats toegestaan. Op deze wijze is eveneens verzekerd dat de omvang van de natuurbegraafplaats niet meer dan 5 hectare kan bedragen
Binnen deze bestemming mogen één gebouw en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd. Het gebouw moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan respectievelijk 3 meter en 6 meter. Daarnaast mag de oppervlakte van het gebouw niet meer mag bedragen dan 75 m² en mag het uitsluitend worden aangewend ten behoeve van de opslag van materiaal benodigd bij de toegestane functies. Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt dat uitsluitend zitgelegenheden (bijv. picknicktafels) en waterhuishoudkundige voorzieningen (bijv. steigers of bruggetjes) zijn toegestaan. Dit overeenkomstig de gemeentelijke beleidsnota voor natuurbegraafplaatsen. De bouwhoogte van deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 meter.
Waarde - Archeologische verwachting 2 & Waarde - Archeologische verwachting 3 (Artikel 4 en 5)
Gronden ter plaatse van deze dubbelbestemmingen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ter bescherming van deze gronden zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Voorwaardelijke verplichting
In voorliggend bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘voorwaardelijke verplichting’. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging opdat verzekerd is dat de maatregelen om te komen tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls in de groene omgeving verzekerd zijn. Deze maatregelen zijn (mits ruimtelijk relevant, niet geheel geborgd middels sectorale wetgeving of middels de privaatrechtelijke overeenkomst welke is gesloten) als voorwaardelijke verplichting in de regels van het plan opgenomen. Concreet betekent dit dat het gebruik van, en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken pas is toegestaan nadat de landschapsmaatregelen als opgenomen in het inrichtingsplan zijn gerealiseerd. Dit teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van het geheel.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
In het kader van het vooroverleg is het plan naar de provincie Overijssel toegezonden. De provincie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgenomen ontwikkeling. Desalniettemin zal de provincie op de hoogte worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Daarmee zijn de waterhuishoudkundige aspecten voldoende belicht. Het waterschap zal op de hoogte worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan.