direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Buitengebied, Homoetsestraat 27, Homoet
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel gelegen aan de Homoetsestraat 27 in Homoet, de agrarische bedrijvigheid te beëindigen en op deze plek niet-agrarische bedrijvigheid (statische opslag) mogelijk te maken. Op 25 maart 2025 is het verzoek gedaan om de bestaande bedrijfsbebouwing te saneren, en de pluimveehouderij te beëindigen. Dit in het kader van de LBV+-regeling (Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties). Het voorliggende initiatief is in strijd met het huidige omgevingsplan. Op 2 september 2025 is een collegebesluit genomen om medewerking te verlenen aan het wijzigen van het omgevingsplan om dit initiatief mogelijk te maken.

De wijziging van het omgevingsplan wordt doorlopen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). In dit TAM-omgevingsplan wordt het omgevingsplan gewijzigd om het initiatief planologisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Homoetsestraat ter hoogte van nummer 27 welke de bedrijfswoning vormt van het hier gelegen bedrijf. Het perceel is bebouwd en is gelegen in het buitengebied van Overbetuwe, tussen Elst en Heteren en ten oosten van de A50. Homoet is een buurtschap in het buitengebied bestaande uit lintbebouwing met verschillende woningen aan beide zijden van de Homoetsestraat. Het perceel heeft een bouwvlak van 1,7 hectare waarvan de achterste gebouwen met een oppervlakte van 5.533 m² worden gebruikt voor het houden van pluimvee. Deze zullen worden gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0001.png"
Globale aanduiding locatie van het plangebied aan de Homoetsestraat

Het perceel aan de Homoetsestraat betreft de kadastrale percelen bekend als gemeente Valburg, sectie M, perceelsnummers 131, 180, en een gedeelte van 192. Het perceel M 180 is het perceel waar de bedrijfswoning is gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0002.png"
Luchtfoto van de locatie Homoetsestraat 27 en omliggende percelen

Om aan het functieveranderingsbeleid van de gemeente te voldoen worden er agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Daarnaast verplicht de LBV+-regeling waaraan initiatiefnemer zich heeft gecommitteerd, dat stallen worden gesaneerd. Momenteel staan er meerdere bedrijfsgebouwen van gezamenlijk ca. 7.830 m² waarvan een deel in aanmerking komt voor sanering. Van de totale bedrijfsbebouwing zijn drie grote agrarische bedrijfsgebouwen door de beoogde bedrijfsbeëindiging overtollig die daarom met behulp van de LBV+-regeling gesloopt worden.

De overige bedrijfsbebouwing is bebouwing die behouden blijft ten behoeve van de toekomstig aanwezig blijvende bedrijfsvoering. De meest aan de weg gelegen bedrijfsbebouwing van circa 1.000 m² is momenteel een bedrijfswinkel met detailhandel waar lokale producten worden verkocht, en waar de bestaande invulling behouden blijft. De bedrijfswinkel wordt daarvoor aangeduid als onderdeel van het toekomstige bedrijf. De bedrijfswoning blijft ook onderdeel van dat bedrijf, en verandert dus niet van functie - behalve de omzetting van agrarisch bedrijf, naar bedrijf met statische opslag. In de schuur van circa 1.200 m² die direct achter de bedrijfswoning is gelegen vindt deze opslag plaats.

1.3 Huidig juridisch-planologisch regime

Ten aanzien van alle gronden is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied Overbetuwe”, welke op 5 maart 2013 werd vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe en onherroepelijk werd door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2014. Het bestemmingsplan is van rechtswege per 1 januari 2024 opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0003.png"
Uitsnede geldend omgevingsplan Buitengebied Overbetuwe

Volgens dit bestemmingsplan rust op de grond de enkelbestemming “Agrarisch”. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn aangewezen voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan. Aangezien er ter plaatse een aanduiding 'intensieve veehouderij' geldt is hier het huidige pluimveebedrijf toegestaan.

Voor het gebied geldt een 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' die is opgenomen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening. Er geldt voor het gehele plangebied een dubbelbestemming “Waarde- Archeologische verwachting 2”. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' van toepassing op het gebied waar onderhavig plangebied zich binnen bevindt. Door deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie


Op het perceel aan de Homoetsestraat 27 in Homoet is in de bestaande situatie geen agrarisch bedrijf meer actief. De pluimveehouderij is gestopt en de drie agrarische bedrijfsgebouwen achteraan het perceel (westzijde) zijn niet meer in gebruik.

Het plangebied betreft het bestaande bouwvlak van het gehele bedrijf, waar tevens de aanduiding 'intensieve veehouderij' op is gelegen. Dit bouwvlak bevat ook de bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel aan de Homoetsestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0004.png"
Plangebied Homoetsestraat 27 te Homoet

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Het initiatief bestaat uit het omzetten van het agrarische bedrijf tot een bedrijf voor statische opslag. Hiervoor worden drie bedrijfsgebouwen ten behoeve van de voormalige pluimveehouderij gesloopt in het kader van de LBV+-regeling. Om aanspraak te maken op de LBV+-regeling wordt voor het bouwvlak de aanduiding 'intensieve veehouderij' verwijderd. Hiervoor komt een aanduiding 'intensieve veehouderij uitgesloten' in de plaats. Doordat de functie van de overblijvende gebouwen zal veranderen naar een bedrijfsfunctie is een veehouderij hier in de toekomst dan ook uitgesloten.

De twee overige bestaande bedrijfsgebouwen worden behouden, de meest noordelijk gelegen ten behoeve van opslag, de meest oostelijk gelegen ten behoeve van de boerderijwinkel. Voor de bedrijfsfunctie wordt specifiek geregeld dat er op deze plek sprake is van een bedrijf voor opslag. De bedrijfsbebouwing is en blijft daarmee beschikbaar voor opslag van het lokale verenigingsleven. In de buurt van de planlocatie zijn er veel ZZP’ers en kleine bedrijven actief. Deze bedrijven beschikken over divers materiaal, benodigd voor het kunnen uitoefenen van hun bedrijfsactiviteit. Bij hun eigen woning beschikken zij vaak niet over voldoende ruimte om dit materiaal op te kunnen slaan. Middels onderhavig plan ontstaat op korte afstand van de kern een mogelijkheid om op kleine schaal materiaal op te slaan. Initiatiefnemer wenst deze personen ook de kans te bieden om een ruimte te huren. Middels het plan wordt derhalve voorzien in een lokale behoefte.

De reeds aanwezige landwinkel in agrarische producten blijft in de nieuwe situatie behouden. Het behoud van de landwinkel (boerderijwinkel) draagt namelijk bij aan de leefbaarheid van het buurtschap. Conform het vastgestelde koersdocument voor Homoet is het gewenst dat de landwinkel blijft bijdragen aan de vitaliteit en identiteit van het buurtschap Homoet. Voor de boerderijwinkel wordt een aanduiding opgenomen zodat deze passend is binnen de toekomstige bedrijfsfunctie.

Op een deel van de te slopen bebouwing liggen zonnepanelen. Deze zijn nog lang niet afgeschreven. Daarom is gevraagd om de zonnepanelen, die op de daken van de te slopen gebouwen liggen, terug te plaatsen in het veld op de achterzijde (vrijkomende ruimte) van het perceel. In de nieuwe situatie zullen deze panelen dus in een veldopstelling terugkeren. Dit zal aan de zuidwestzijde van het perceel zijn, waar de voormalige pluimveestallen worden gesloopt. Voor deze zonnecollectoren in veldopstelling is maximaal 2.900 m² gereserveerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0005.png"
Beoogde situatie voor de herontwikkeling met toekomstige functies aan de Homoetsestraat

De ontwikkeling zorgt door de oppervlakte van te slopen bedrijfsbebouwing voor een grote ruimtelijke kwaliteitswinst. Hierdoor wordt het erf compacter en het geeft de mogelijkheid tot een betere landschappelijke inpassing van het perceel in het landelijk gebied. Onderstaand zijn de te slopen bedrijfsgebouwen aangeduid:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0006.png"
De te slopen bedrijfsbebouwing aan de Homoetsestraat

Landschappelijke kenmerken en inpassing
Bij onderhavig plan zal worden ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Dit is vertaald in een landschappelijk inpassingsplan, welke is toegevoegd als bijlage 1. Hierin zijn ook de landschappelijke kenmerken van het perceel benoemd, en is ook een beplantingsplan opgenomen.

Het nieuwe perceel krijgt een groene omranding die met gebiedseigen soorten wordt ingericht. Hierbij is aan de zuidzijde sprake van het aanplanten van bomen zoals de es, en voor de zuidwestkant, bij de zonnepanelen sprake van een haag, zoals de meidoorn. Ook de zonnepanelen worden aansluitend aan het nieuwe perceel zowel ruimtelijk als landschappelijk ingepast. Middels een voorwaardelijke verplichting is de landschappelijke inpassing geborgd in de regels van het plan. De zonnepanelen zijn middels een aanduiding opgenomen op de verbeelding.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Beoordeling en conclusie
Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing, in combinatie met een zorgvuldig landschappelijk ontwerp en inpassing, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Er moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

Beoordeling en conclusie
Het plan ziet toe op de sloop van overtollige agrarische bedrijfsbebouwing, en de omzetting van een agrarisch bedrijf in een bedrijf voor opslag met een landwinkel. Volgens vaste jurisprudentie is er bij een dergelijk initiatief geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' op basis van de ladder voor duurzame ontwikkeling. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst. Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een verbetering van de kernkwaliteiten oplevert, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden een functieverandering te bewerkstelligen. Daarnaast wordt overtollige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en zal het bouwvlak in het plangebied verkleind worden. Door het behoud van de boerderijwinkel blijft de vitaliteit van de locatie en van het buurtschap Homoet echter behouden. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten actualiseren de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) regelmatig. De Omgevingsverordening is in januari 2024 in werking getreden en geactualiseerd in april 2025. De laatste actualisatie betreft kleine wijzigingen en heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

Gelderse streek Over-Betuwe
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.

De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd:

  • 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen.
  • 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt.
  • 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden.
  • 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen.
  • 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing.
  • 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement.
  • 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief.
  • 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw.
  • 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden.
  • 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde).
  • 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het buitengebied tussen de kernen Elst en Heteren, in het buurtschap Homoet . Het gebied kenmerkt zich door de overwegend agrarische landschappen met een relatief open karakter met daartussenin lintbebouwing aan de Homoetsestraat. Het ligt in het rivierengebied waar de klassieke opbouw van rivier en de open komgronden herkenbaar zijn. Er liggen verschillende agrarische percelen met hier en daar woonfuncties op ruime vrijliggende percelen.

De beëindiging van de pluimveehouderij zorgt voor een significante verbetering van diverse milieu-aspecten. De oude overtollige bebouwing wordt gesloopt wat leidt tot ruimtelijke kwaliteitsverbetering, die verder wordt verbeterd door de zorgvuldige landschappelijke inpassing. De ontwikkeling past dan ook binnen de kernkwaliteiten van de Gelderse streek Over-Betuwe.

De ontwikkeling is daarmee passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland en de kernkwaliteiten die daarin worden omschreven.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken.

In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen:

  • 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied.
  • 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied.
  • 3. Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren.
  • 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe en biedt de mogelijkheid tot het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het terrein door overtollige bebouwing van het agrarische bedrijf te slopen, het bouwvlak te verkleinen, en de resterende bebouwing landschappelijk in te passen. De zonnepanelen op het dak van één van de gebouwen komen terug in een veldopstelling achter op het perceel. Hierdoor wordt voor de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing waardecreatie voorop gesteld en een toekomstbestendige functie aan het gebied gegeven. Door het behouden van de boerderijwinkel en bedrijfsruimte voor opslag blijft de vitaliteit van het bedrijf aanwezig. Hiermee krijgt het gebied een kwaliteitsimpuls, zonder het karakter van het perceel en de omgeving aan te tasten.

Dit TAM-omgevingsplan is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen:

  • In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten);
  • Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen;
  • Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap;
  • Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt;
  • Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in deelgebied 9 “Oeverwal Valburg-Homoet” zoals die in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) staat. Kenmerken hierin zijn:

  • Hogere oeverwal met oude bewoning.
  • Veel karakteristieke en monumentale boerderijen rond Homoet en Valburg.
  • Het oude gedeelte van Valburg ligt op een rivierduin.
  • Kleinschalig/besloten landschap, veel microreliëf.
  • Kenmerkende hagen rond Homoet, boomgaarden rond Valburg.

Daarnaast zijn er specifieke opgaven geformuleerd, waaronder monumentale beplanting op erven behouden en versterken, en behoud en versterking van het kleinschalige besloten landschap. In het kader van deze opgaven en op basis van het LOP is een landschappelijke inpassing opgesteld. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij de motivering van dit plan.

Verder is er sprake van functieverandering, waarbij voorwaarden gelden die voorkomen dat de gemeente Overbetuwe volstroomt met niet-agrarische functies. Sloop van agrarische bebouwing is één van die voorwaarden. Hoewel bedrijven initieel op bedrijventerreinen thuishoren is hier sprake van een bedrijf dat - met een boerderijwinkel en opslag voor het lokale verenigingsleven - passend is binnen de omgeving. De gemeente ziet in dat bepaalde hergebruiksvormen niet onwenselijk zijn in de gebieden waar dat passend is. Het omzetten van een intensieve veehouderij naar een bedrijfsfunctie is in dit geval dan ook een ruimtelijke kwaliteitswinst die dan ook past binnen de uitgangspunten van het LOP.

Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.

Beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied gemeente Overbetuwe
Evenals de provincie Gelderland onderkent het gemeentebestuur van Overbetuwe de ‘leegloop’ in de agrarische sector en staat men niet in alle gevallen onwelwillend tegenover functieverandering in het buitengebied. Door functieverandering van bestaande gebouwen kan tegemoet worden gekomen aan de aanwezige behoefte aan wonen en werken in het buitengebied, zonder daarvoor extra bouwlocaties toe te voegen. Doelstelling van het beleid is een toetsingskader te bieden voor functieverandering in het buitengebied.

In het agrarisch gebied kan functieverandering naar wonen plaatsvinden. Voor dit gebied geldt bij sloop van minimaal 1.500 m² dat medewerking kan worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een functieverandering in het buitengebied. Dergelijke initiatieven worden getoetst aan de beleidsregel functieverandering. De activiteiten van het agrarisch bedrijf zijn reeds beëindigd. In totaal wordt er 5.500 m² aan overtollige bebouwing gesloopt. In ruil voor het beëindigen van het agrarische bedrijf, de te slopen bedrijfsbebouwing, de verkleining van het bouwvlak, en de landschappelijke inpassing is het mogelijk de functie te veranderen naar één van de acht benoemde categorieën in de beleidsregel. Opslag is hierin opgenomen. Daarnaast is detailhandel gericht op verkoop van lokaal geproduceerde agrarische producten qua gebruik passend binnen een agrarische omgeving. De voorziene hergebruiksvormen zijn dan ook passend binnen de beleidsregel.

Het initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsregel en is daarmee in overeenstemming met het functieveranderingsbeleid.

Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe (2020)
Het doel van het plussenbeleid is meer kwaliteit bij de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven: in dialoog met de omgeving en extra investeren in fysieke maatregelen passend bij een gebied. Iedere uitbreiding van mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij ten opzichte van het geldende bouwvlak (incl. eventuele beperkende regels die gelden binnen het bouwvlak) moet worden getoetst aan het plussenbeleid.

Tot het moment dat het plussenbeleid is geïmplementeerd in het omgevingsplan (voor een locatie of een gebied) wordt in de beleidsregels uitbreiding van agrarische bebouwing binnen de mogelijkheden van het bestaande bouwvlak gerespecteerd, wat betekent dat hierbij geen plussenbeleid toegepast hoeft te worden. De gemeente Overbetuwe heeft het plussenbeleid-gebied geregeld in het parapluplan bij gebruikmaking van de wijzigings- en afwijkings-bevoegdheden die flexibiliteit bieden. Dit betekent dat bij iedere verruiming van de planologische mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij de spelregels van het plussenbeleid toegepast moeten worden.

Omdat het plussenbeleid niet onnodig belemmerend mag werken kan per niet-grondgebonden veehouderij(tak) elke 5 jaar éénmaal een uitbreiding van maximaal 500 m² mogelijk worden gemaakt zonder dat de spelregels van het plussenbeleid van toepassing zijn. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kunnen groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plussen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Het voeren van een omgevingsdialoog speelt bij hierbij een belangrijke rol.

Beoordeling en conclusie
Het plussenbeleid van gemeente Overbetuwe is alleen van toepassing voor uitbreiding of verruiming van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven. Onderhavige ontwikkeling gaat over het beperken van de veehouderij en verkleining van het bouwvlak in het onderhavige plangebied van de agrarische functie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;
  • b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt.

Beoordeling en conclusie
Gezien de omvang en locatie kan de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de functiewijziging van een agrarisch bedrijf - met sloop van bedrijfsbebouwing - naar bedrijf, niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de milieueffectrapportage. Gezien de verwachte positieve milieueffecten door de beëindiging van de intensieve veehouderij is er geen sprake van een m.e.r.-plicht. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarmee niet aan de orde. Vanuit het aspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Geluidbronsoorten   Standaardwaarde  
Rijkswegen en provinciale wegen   50 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   53 Lden  
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen   55 Lden  

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.

Beoordeling

Wegverkeer
Voor het aspect wegverkeer is de gemeentelijke weg Homoetsestraat relevant voor de ontwikkeling. Het plan valt binnen het aandachtsgebied van de doorgaande gemeentelijke weg waar sprake is van een weg met 1 rijstrook per richting en een rijsnelheid van 60 km/u. Ten behoeve van provinciale wegen en Rijkswegen is de locatie niet gelegen binnen geluidaandachtsgebieden. De A50 is op meer dan 1,2 km van het plangebied gelegen. Deze weg is geen weg waarvoor een Geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld.

Het bedrijf is aan de weg gelegen, met aan de voorzijde de bedrijfswoning en de boerderijwinkel. Voor de ontwikkeling geldt dat de boerderijwinkel en aanwezige bedrijfswoning niet veranderen qua functie. Er is dan ook geen wijziging in een geluidgevoelig gebouw. Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden dus geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt aan de Homoetsestraat. Ten behoeve van wegverkeer is er dan ook geen verandering van de situatie, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet benodigd is.

Spoorwegverkeer
De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op meer dan 2 km ten zuiden van het plangebied. Dit is de spoorlijn tussen Tiel en Elst. De spoorlijn van de Betuweroute ligt op meer dan 3,5 km ten zuiden van het plangebied en het aandachtsgebied hiervan valt niet in het plangebied.

Conclusie
Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).

Niet in betekende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Beoordeling
Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool.

CIMLK
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied.

Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. De jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) worden niet overschreven op de toetspunten:

  • ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51178567_20506 op het nabij gelegen adres (receptor veehouderij) Homoetsestraat 29, voor PM10 is de concentratie 17,9;
  • ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 27364178_497 op de nabij gelegen weg (receptor wegverkeer) A50, voor NO2 is de concentratie 22,6 en voor PM2,5 is de concentratie 9,0.

Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

Effect op de luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in de realisatie van een wijziging van gebruik met sloop van bedrijfsgebouwen en verkleining van het bouwvlak. De luchtkwaliteit zal door beëindiging van het pluimveebedrijf significant verbeteren. Daarnaast zullen er door de verandering in bedrijvigheid minder voertuigbewegingen van en naar de locatie aan de Homoetsestraat overblijven. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde.

Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Activiteiten en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

  • 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is.
  • 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

Spuitzonering
Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan voorziet aan de Homoetsestraat in de sloop van agrarisch bedrijfsbebouwing, het verkleinen van het bouwvlak en de omzetting naar een bedrijfsfunctie. De bedrijfsvoering van deze situatie zal veranderen, maar de functie van de aanwezige bedrijfswoning blijft bestaan. De bedrijfswoning is nu al aan te merken als een gevoelig object en dat blijft hij ook na de wijziging. Er worden geen nieuwe milieugevoelige objecten gerealiseerd, en ook geen nieuwe milieubelastende activiteiten toegestaan. Er is dan ook geen sprake van intensivering van het gebruik. Er is geen locatie-specifiek onderzoek meer benodigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0007.png"
Uitsnede tijdelijk omgevingsplan met omliggende bedrijfsfuncties

Afstand tot bedrijven
De dichtstbijzijnde bedrijfsfunctie is gelegen ter hoogte van de Homoetsestraat 13, ten zuiden van het plangebied. Hier bevindt zich planologisch een 'agrarisch hulpbedrijf' welke is gespecificeerd als loonbedrijf. Een loonbedrijf van meer dan 500 m² valt in de bedrijfscategorie 3.1 en heeft een richtafstand van 100 meter. De feitelijke afstand is meer dan 300 meter, waarmee de functiewijziging niet leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Ten noorden van het plangebied ligt een detailhandelsbedrijf ten behoeve van een houthandel. Deze ligt op meer dan 400 meter afstand, welke ook voldoet aan de richtafstand van 100 meter. Er zijn derhalve geen bedrijven in de omgeving aanwezig die hinder ondervinden van onderhavige functieverandering. Andersom zijn er geen bedrijven in de omgeving liggend die activiteiten ontplooien en daarmee een goed woon- en leefklimaat voor de woningen belemmeren.

Spuitzonering
Rondom het perceel liggen percelen met de functie 'Agrarisch'. In verband met het mogelijk spuiten van bestrijdingsmiddelen moet er tevens rekening worden gehouden met een spuitzone van 50 meter. Een tuin is ook een voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functie. De bestaande bedrijfswoning die onderdeel uit maakt van het stoppende agrarische bedrijf is al een gevoelige functie. Aangezien de bedrijfsvoering van dit agrarische perceel gaat stoppen, en het bouwvlak met bedrijfsbebouwing hiervoor wordt beperkt middels dit TAM-omgevingsplan is niet te verwachten dat hier nog gewerkt wordt met gewasbeschermingsmiddelen die invloed hebben op het plangebied. Aangezien de bedrijfswoning al bestaand is en het gebruik niet wordt geïntensiveerd (of gevoeliger wordt) zullen er geen omliggende bedrijven die gewasbeschermingsmiddelen gebruiken in hun bedrijfsvoering worden geschaad.

Conclusie
Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.5 Geurhinder

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk. Er worden daarentegen geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt.

Voor het aspect geur geldt dat er voor het plangebied geen veehouderijen binnen 100 meter van het plan aanwezig zijn. Voor het perceel aan de Homoetsestraat 21 geldt dat dit agrarische bedrijf in 2024 is omgezet naar woonfunctie. Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien geldt een minimumafstand van 50 meter in het buitengebied. De melkveehouderij aan de Homoetsestraat 8 ligt op meer dan 200 meter afstand. Hiertussen ligt echter een burgerwoning die maatgevend is voor de geurbelastende activiteiten op de omgeving. Concluderend worden er geen bedrijven met geurbelastende activiteiten geschaad in hun bedrijfsvoering.

Conclusie
Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.6 Bodem

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt dat een agrarisch pluimveebedrijf beëindigd wordt. Er worden geen nieuwe bodemgevoelige gebouwen opgericht. Daarom is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Er zal alleen sloop van agrarische bebouwing plaatsvinden. Op de achterzijde van het perceel komen zonnepanelen. Deze worden echter bevestigd op palen, waardoor de impact op de bodem ter plekke minimaal is. Bovendien is er met het toekomstige opslagbedrijf en met de boerderijwinkel geen sprake van een bodemgevoelige activiteit.

Asbest
Voor asbest zijn geen verdachte deellocaties te onderscheiden. Een verkennend onderzoek asbest conform NEN5707 wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.

5.7 Omgevingsveiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden.

In paragraaf 5.1.2. van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is.

Groepsrisico
De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Daarnaast laten de aandachtsgebieden zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Beoordeling
Het initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing, verkleining van het bouwvlak, en het omzetten van de agrarische bedrijfsfunctie naar een bedrijfsfunctie met opslag en een boerderijwinkel. Op basis van de signaleringskaart omgevingsveiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0008.png"
Uitsnede aandachtsgebied omgevingsveiligheid met aanduiding plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl)

De planlocatie is niet gelegen binnen de aandachtsgebieden van de A50 (ten westen) en de spoorlijn Nijmegen - Arnhem (ten oosten). Ten oosten en iets verder ten zuiden zijn twee buisleidingen van Gasunie aanwezig. Deze risicocontouren vallen niet binnen het plangebied en het plangebied is gelegen buiten het brandaandachtsgebied van deze leidingen. Daarnaast zijn er op verschillende agrarische bedrijven in de omgeving propaantanks aanwezig die een klein aandachtsgebied hebben. Ook deze aandachtsgebieden hebben geen invloed op de functieverandering en het plangebied.

Door de beoogde functieverandering zullen de agrarische activiteiten op deze plek beëindigen. Dat betekent dat er minder mensen (werknemers, leveranciers, logistiek) op het perceel aanwezig zullen zijn ten opzichte van de vigerende planologische situatie. Op het gebied van risico ten behoeve van groepen of personen zal hier in de toekomst dan ook een kleiner (groeps)risico zijn dan de voormalige situatie betrof. Het groepsrisico op deze locatie zal dan ook afnemen. Omdat er al een bedrijfswoning aanwezig is, is er geen sprake van oprichting van nieuwe kwetsbare gebouwen. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.8 Ontplofbare oorlogsresten

In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang.

Ter plaatse van de Homoetsestraat wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf verkleind, en worden er geen nieuwe gebouwen opgericht, of verhardingen aangelegd. Het bouwvlak wordt dermate verkleind dat nader onderzoek naar explosieven afkomstig uit WOII niet benodigd wordt geacht.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de hoogspanningleidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante hoogspanningskabels en -leidingen aanwezig. Wel zijn er op gepaste afstand twee buisleidingen aanwezig van Gasunie, welke beschreven zijn in het aspect Omgevingsveiligheid. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:

  • Dagelijks beheer van water en dijken;
  • Beschermen tegen overstromingen;
  • Water eerlijk verdelen;
  • Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);
  • Werken aan schoon water;
  • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur.

Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast wat daarna verschillende keren is geactualiseerd in het waterbeheerplan. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt.

Met het waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.

In 2024 is het Water- en Rioleringsplan Overbetuwe vastgesteld: Samen Werken aan een Klimaatbestendige Toekomst. In het nieuwe Water- en Rioleringsprogramma (Wrp) voor 2025-2029 is er aandacht voor klimaatadaptatie (aanpassing aan het klimaat) en is er de wens wateroverlast en droogte aan te pakken en de kwaliteit van het water te verbeteren.

Belangrijke punten uit het plan:

  • water vasthouden waar het kan en afvoeren waar het moet;
  • afspraken over rioolheffing;
  • samenwerken met inwoners, bedrijven en organisaties voor een betere leefomgeving
  • scheiden van vuil- en regenwaterafvoer;
  • nieuwe initiatieven zoals het Klimaat Meekoppelbudget.

Beoordeling (watertoets)
Voor de ontwikkeling is een wateradvies (watertoets) uitgevoerd. Aangezien er alleen sprake is van functiewijziging en géén sprake van oprichting van nieuwe bebouwing is er geen waterbelang voor het Waterschap voor deze ontwikkeling op basis van het wateradvies. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Waterschap Rivierenland heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Rivierenland.

Op het perceel Homoetsestraat 27 worden geen nieuwe woningen opgericht. Daarnaast is er sprake van de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing, en verkleining van het bouwvlak. Aan de achterzijde van het perceel (buiten het bouwvlak) zal de verharding worden verwijderd. Hier komt een locatie die is aangeduid voor zonnecollectoren in een veldopstelling. De ontwikkeling heeft daarmee geen significante impact op de waterhuishouding van het gebied. In totaal zal er zo'n 8.000 m² aan verharding verdwijnen wat een significante verbetering van de afwatering zal betekenen. In planologisch opzicht is er ook sprake van een aanzienlijke afname, omdat het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind. Aangezien er geen toename van verharding is zal er geen sprake zijn van een compensatieplicht op basis van de Waterschapsverordening.

Oppervlaktewater
Aan de voorzijde van het perceel is ter hoogte van de boerderijwinkel een C-watergang (tertiaire watergang) aanwezig. Deze heeft geen beschermingszone die in het plan moet worden opgenomen. Dit zijn kleinere sloten met vooral een waterbergende functie. Deze watergangen zijn van beperkt belang voor het waterbeheer en er geldt geen onderhoudsplicht. Aan of nabij deze watergang worden geen nieuwe of aanpassingen in activiteiten toegevoegd. Er worden dus geen belemmeringen voor het functioneren van de watergangen verwacht.

Er is in het plangebied voldoende mogelijkheid tot het aanleggen van aanvullende waterberging en ruimte voor het vertraagd afvoeren van water op de watergangen. Tot slot liggen er geen waterkeringen met betreffende beschermingszone nabij het plangebied. Er gelden derhalve geen beperkingen vanwege het belang van waterkeringen.

Waterberging
Het betreft een bestaand erf waar het oppervlak verharding en bebouwing aanzienlijk zal afnemen door de beoogde ontwikkeling. Aangezien het verhard oppervlak afneemt is er geen extra waterberging in het plan benodigd. Regenwater wordt binnen het perceel zelf verwerkt. Conform het gemeentelijk beleid vindt er geen afvoer van regenwater plaats naar de straat / openbaar terrein. Aangezien er momenteel geen wateroverlast is op het terrein zorgt het huidige waterpeil echter niet tot belemmeringen voor het aspect waterhuishouding binnen het plangebied.

Hemelwater en vuilwater
Hemel- en afvalwater zullen via de bestaande faciliteiten worden afgevoerd. Er is geen verandering in inrichting van de bedrijfswoning. Hiervoor zijn geen aanpassingen voor de verwerking van hemel- en afvalwater voorzien. Ten behoeve van het beëindigen van de pluimveehouderij zal de ontwikkeling voor een significante afname van de hoeveelheid afvalwater zorgen.

Waterkwaliteit
Door het veranderen van het agrarische bedrijf in een bedrijf voor opslag met een boerderijwinkel zal de waterkwaliteit binnen het perceel verbeteren. Door het verwijderen van de intensieve veehouderij zal er op het gebied van milieu en water sprake zijn van een verbeterd woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in het provinciale Grondwaterbeschermingsgebied waar de bescherming van de kwaliteit van het grondwater vanwege een openbare drinkwatervoorziening is opgenomen. Daarnaast geldt er een zorgplicht voor het voorkomen van negatieve gevolgen op de kwaliteit van het grondwater. Onderhavige ontwikkeling zal echter een positief effect hebben op de kwaliteit van het grondwater.

Advies Waterschap
In het kader van vooroverleg is een wateradvies uitgevoerd. Het wateradvies is als bijlage 2 bij dit plan toegevoegd. In het advies van het waterschap is geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het gaat om het aspect waterhuishouding.

Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.

5.11 Natuur

De Wet Natuurbescherming (Wnb) gold van 1 januari 2017 tot 1 januari 2024 en verving de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wnb reguleerde de bescherming van natuurgebieden en soorten en bepaalde dat de provincies het bevoegde gezag waren. Sinds 1 januari 2024 is de Wnb opgegaan in de Omgevingswet. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Besluit activiteiten leefomgeving). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

NNN-gebieden
Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk zijn opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

Soortenbescherming
Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

  • vogels;
  • europees beschermde soorten;
  • nationaal beschermde soorten.

Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie.

Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

Beoordeling
Het plan voorziet in de functieverandering van agrarisch bedrijf naar bedrijf met opslag en een boerderijwinkel. De bedrijfswoning blijft daarbij intact. Voor het nieuwe perceel wordt het bouwvlak verkleind en wordt het geheel landschappelijk ingepast. Dat zal vooral aan de zuid- en oostzijde van het perceel gebeuren, waarbij enkele landschapselementen worden toegevoegd. In het kader van de ruimtelijke procedure is het niet waarschijnlijk dat er negatieve effecten plaatsvinden op beschermde flora en fauna. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de gebiedsbescherming, en soortenbescherming wel onderbouwd.

Gebiedsbescherming
Op onderstaande afbeelding is een kaart te zien met de Natura 2000-gebieden en provinciale EHS gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied 'Rijntakken' en ligt op circa 2,4 km ten noorden van het plangebied verwijderd. Het nabijgelegen Oostermeint is het aangewezen EHS gebied ten oosten van de planlocatie op ongeveer 300 meter van het plangebied. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde gebieden ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van de omvang van het initiatief en aard van de activiteiten ook uitgesloten worden. Door het beëindigen van de pluimveehouderij vindt er een significante afname plaats van emissies op deze gebieden. Significant negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.

In het kader van de LBV+-regeling is een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit aangevraagd op 25 juli 2025. Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit van de provincie Gelderland is met AERIUS-berekeningen in de bijlage opgenomen als bijlage 3 bij dit plan. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0009.png"
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming geldt dat er met onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen zullen optreden in het kader van de functiewijziging die plaatsvindt. Voor de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing kan een quickscan natuur noodzakelijk worden geacht. Voor de haalbaarheid van de planologische procedure is dat in dit stadium niet nodig geacht. Wel geldt er de algemene zorgplicht waar rekening mee dient te worden gehouden.

Houtopstanden
Voor houtopstanden geldt dat er geen monumentale bomen gekapt zullen worden. In de rapportage is inzichtelijk gemaakt welke bomen dat zijn. In het achtergebied van de twee te realiseren woningen zullen enkele andere bomen gekapt worden om deze woningen mogelijk te maken. Dit zal gedaan worden conform de regels omtrent houtopstanden van de gemeente Overbetuwe.

Conclusie
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten;
  • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Beoordeling
Cultuurhistorie
De cultuurhistorische kenmerken zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overbetuwe. Het plangebied ligt niet binnen een specifiek aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Het maakt ook geen onderdeel uit van een oude woongrond en/of andere oude cultuurlaag. Ook is het plangebied geen onderdeel van een oude opgehoogde woon- of vluchtplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0010.png"
Uitsnede van kenmerken met cultuurhistorische waardevolle gebieden en gebouwen

Aan de Homoetsestraat bevinden zich verschillende gebouwen die voor 1850 zijn opgericht. Ongeveer 300 meter ten zuiden van de planlocatie is de Vluchtheuvelkerk Homoet gesitueerd die is aangewezen als gemeentelijk monument.

Het plan vormt geen belemmering voor de cultuurhistorische waarden van het plangebied.

Archeologie
De regels voor archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen aan de hand van de archeologische beleidskaart. De planlocatie Homoetsestraat ligt binnen de archeologische verwachtingswaarde met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Daarnaast zijn er nabij de locatie 4 waarnemingslocaties met archeologische resten met attentiezone van 50 meter aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0422BUITHomoetsest-VSG1_0011.png"
Uitsnede uit archeologische beleidskaart Overbetuwe met aanduiding planlocatie

In het tijdelijke omgevingsplan is een Waarde - Archeologische verwachting 2 opgenomen waar de gronden zijn aangewezen voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 100 m² dient de initiatiefnemer een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. In onderhavig plan is geen sprake van het bouwen van bouwwerken waarmee dit initiatief is vrijgesteld van onderzoek en de archeologische waarden niet aangetast zullen worden.

Op basis van de aanwezige archeologische verwachtingswaarde en eventuele ontwikkelingen in de toekomst is de dubbelbestemming die valt binnen het archeologische onderzoeksgebied gehandhaafd. Deze dubbelbestemming is in dit TAM-omgevingsplan overgenomen zodat de archeologische waarden blijven beschermd.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel cultuurhistorie als archeologie voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties. Hiervoor is onder andere de Waarde - Archeologische verwachting 2 overgenomen in de regels van dit plan.

5.13 Verkeer en parkeren

De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Hierna is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruikgemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ in combinatie met het gemeentelijke parkeerbeleid Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016.

Parkeren
Het plan maakt geen nieuwe woningen of andere nieuwe activiteiten mogelijk. De bestaande parkeergelegenheden ten behoeve van de bedrijfswoning en de boerderijwinkel voldoen daarmee aan de bestaande en toekomstige situatie. Het beëindigen van de pluimveehouderij zal geen effect hebben op de parkeersituatie ter plaatse.

Verkeer
Voor de Homoetstraat 27 geldt dat een agrarisch bedrijf in zijn activiteiten wordt beperkt. Hier wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt het bouwvlak verkleind. De nieuwe activiteiten zullen significant minder (vracht)verkeer genereren en dus een bijdrage leveren aan een verbetering van de verkeerssituatie aan de Homoetsestraat. Door het behoud van de boerderijwinkel zal de vitaliteit van Homoet behouden blijven. Om het verkeer in goede banen te leiden is er één inrit om het perceel op te rijden, en één uitrit om het perceel weer af te rijden.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel parkeren als verkeer voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.

5.14 Trillingen

Er dient bij een wijziging van het omgevingsplan rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie. Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.

Beoordeling en conclusie
Met deze omgevingsplanwijziging worden geen trillingsgevoelige gebouwen in de buurt van een spoorverbinding mogelijk gemaakt. Deze wijziging betreft geen toevoeging van een trillinggevoelig object/gebouw in de betreffende contour. Derhalve is het aspect 'trilling' niet van toepassing op de wijziging.

5.15 Gezondheid

In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Landelijk bestaat de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners.

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten, zoals de omgevingsvisie, -verordening en programma's.

Beoordeling en conclusie
Ten eerste zorgt dit TAM-omgevingsplan voor de beëindiging van een pluimveehouderij die meedoet aan de regeling LBV+. Hierdoor vindt er een significante verbetering van het woon- en leefklimaat plaats. Op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, en omgevingsveiligheid, zal een verbetering van de woon- en leefkwaliteit plaatsvinden aan de Homoetsestraat. Door het beëindigen van het bedrijf is er ook sprake van minder emissies en uitstoot van stikstof ter plekke. Hiervoor wordt de agrarische functie veranderd en wordt de aanduiding intensieve veehouderij verwijderd.

Bij de inrichting van het plangebied is in ruime mate ruimte voor groen behouden en wordt de toekomstige functie landschappelijk ingepast. Bovendien zal er veel verharding worden verwijderd, zodat groen hiervoor in de plaats kan komen. Dit is goed voor het voorkomen van hittestress, wat de gezondheidsambities van de gemeente volgt. Daarnaast is er op het achterterrein ruimte gereserveerd voor een zonneveld, wat een duurzame energievoorziening waarborgt. Verder zal er een vermindering van het aantal verkeersbewegingen zijn wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Dit draagt allen bij aan het behoud van een gezonde en prettige woon- en leefomgeving.

Er zijn daarnaast geen grote geurbelastende activiteiten zoals geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het plan houdt op een verantwoorde wijze rekening met het gezondheidsbelang en de beoogde functie is met het oog op de gezondheid verantwoord op deze locatie.

5.16 Duurzaamheid

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het onderdeel duurzaamheid integraal onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Duurzaamheid is een breed begrip; de gemeente verstaat hieronder in ieder geval de volgende aspecten:

  • duurzaam en zorgvuldig omgaan met water;
  • duurzaam energieverbruik en beperking van energieverbruik en gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen;
  • duurzaam materiaalgebruik en hergebruik;
  • bevorderen van het klimaatadaptief vermogen van de omgeving;
  • natuurinclusief bouwen;
  • versterking van landschaps-, natuur- en groene waarden.

Beoordeling
Bij het bepalen van de inrichting van het plangebied, de landschappelijke inpassing en de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is duurzaamheid een integraal onderdeel in het ontwerpproces. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de motivering is hierover het nodige opgenomen. Hieronder worden de voornaamste overwegingen, maatregelen en principes beschreven:

  • Beëindiging van het pluimveebedrijf zorgt voor een daling van het (grond)waterverbruik en belasting van het milieu en klimaat als het gaat om afvalwater.
  • Ter vermindering van hittestress blijft de woonkavel zo groen mogelijk en zal de hoeveelheid verharding bij voorkeur zo beperkt mogelijk worden toegepast.
  • Er is veel ruimte gereserveerd voor het hergebruiken van de zonnepanelen die momenteel op de bedrijfsgebouwen liggen. Door hergebruik van deze zonnepanelen op palen in een zonneveld is er sprake van duurzaam ruimtegebruik.
  • De voortzetting van de boerderijwinkel zorgt voor blijvende vitaliteit van het dorp Homoet, en levert een duurzame bijdrage aan de verkoop van lokale producten binnen dit buurtschap.
  • De bijbehorende bouwwerken bieden ruimte voor natuurinclusieve elementen, met ruimte voor o.a. vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch wijzigen van de agrarische functie aan de Homoetsestraat, het aanpassen van het bouwvlak na sloop van bedrijfsgebouwen, en het toevoegen van de bedrijfsfunctie voor opslag en een boerderijwinkel. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe.

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:

De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. De regels bevatten de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.

De (digitale) verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies, in dit geval 'Agrarisch', en 'Bedrijf'. Ook zijn er bouwvlakken en enkele werkingsgebieden (maatvoeringen) voor specifieke regels opgenomen. Tot slot zijn werkingsgebieden met het oog op de borging van de belangen van bepaalde andere functies opgenomen, namelijk archeologie, waardevol landschap, en grondwaterbescherming.

De opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de TAM-omgevingsplan systematiek zoals die voor de gemeente Overbetuwe is vastgesteld in eerdere plannen die aan dit format voldoen.

6.2 Toelichting op de regels

Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht.

Agrarisch
Buiten de woonfuncties zijn de gebieden aangemerkt als 'Agrarisch', die ook op basis van de geldende bestemming van toepassing is. Het bouwvlak is hier niet opgenomen omdat deze vervalt ten behoeve van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing. De gronden zijn bedoeld voor grondgebonden agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Bedrijf
De toekomstige functie omvat een bedrijf waarbij twee bedrijfsgebouwen worden behouden. Dit betreft het gebouw achter de bedrijfswoning, bedoeld voor opslag, en het gebouw aan de oostzijde, waar de boerderijwinkel is gesitueerd. De hoofdfunctie van het bedrijf zal bestaan uit 'bedrijf met opslag', omdat de boerderijwinkel hier niet onder valt, is hiervoor een aparte aanduiding met bijbehorende regeling opgenomen. Overige onderliggende functies zijn parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Waarde - Archeologische verwachting 2
Dit werkingsgebied is opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van de archeologische waarden in het plangebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij onder voorwaarden een onderzoeksplicht voor eventueel archeologische waarden wordt gesteld. Er zijn regels opgenomen waarbij advies van een archeologisch deskundige wordt verplicht.

Algemene regels
In de algemene regels zijn regels opgenomen, die voor het gehele werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan van toepassing zijn.

Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel zijn beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen, die voor elke omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteit van toepassing zijn. Het betref onder meer een regeling voor ondergronds bouwen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat een algemene strijdig gebruiksbepaling, alsmede de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met het TAM-omgevingsplan. Ook is een parkeerregeling opgenomen, die van toepassing is bij een wijziging van het gebruik.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van de regels uit het omgevingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor bouwwerken en voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar.

De ontwikkeling betreft een activiteit waarvan kosten moeten worden verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.

8.2 Participatie

De wijze waarop participatie wordt uitgevoerd is door de wetgever niet bepaald. Gemeenten kunnen hiervoor beleid opstellen. De gemeente Overbetuwe beschikt over beleid op dit gebied.

De initiatiefnemer heeft de directe omgeving geïnformeerd over de plannen aan de Homoetsestraat. Participatie heeft plaatsgevonden in de vorm van een omgevingsdialoog. Hieruit is gekomen dat omwonenden positief zijn over de voorgenomen plannen, en er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. De verslaglegging van de omgevingsdialoog wordt als bijlage bij het besluit op dit plan opgenomen.

8.3 Overleg

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.

De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.

8.4 Wijziging van het omgevingsplan

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is door de gemeente bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De omgevingsplanwijziging wordt vervolgens vastgesteld door de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.