direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Hollanderbroeksestraat 31, Elst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer exploiteert een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van het houden en fokken van kangoeroes aan de Hollanderbroeksestraat 31 te Elst. Het perceel heeft op dit moment de bestemming 'Sport' met een nadere aanduiding als manege. Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer past niet binnen deze bestemming. Daarnaast wil de initiatiefnemer als kleinschalige nevenactiviteit een deel van de bestaande bebouwing gebruiken ten behoeve van workshops en vergaderingen. Tot slot heeft initiatiefnemer de wens om een nieuwe kapschuur te realiseren ten noorden van de bestaande bebouwing. Deze zal dienen voor de opslag van materieel, machines en voer.

Om het gebruik van het perceel en de bebouwing als grondgebonden agrarisch bedrijf, inclusief de beoogde nevenactiviteit en de realisatie van een nieuwe kapschuur, mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Hollanderbroeksestraat 31, Elst' maakt het huidige gebruik en het beoogde initiatief mogelijk en stelt de kaders vast voor het plangebied.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied betreft het perceel Hollanderbroeksestraat 31 te Elst. Deze locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, ongeveer 900 meter ten noordwesten van de kern Elst. Circa 140 meter ten zuiden van het plangebied stroomt de Linge. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Elst, sectie P, perceelnummer 783. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 19.420 m². De ligging van het plangebied is indicatief aangegeven op afbeelding 1.1.

Het plangebied ligt in een overwegend agrarisch gebied tussen Elst en Driel/Arnhem. In deze zone ten noorden van Elst, rondom het buurtschap Raayen, zijn diverse woningen en een aantal agrarische bedrijven aanwezig, omringd met agrarische percelen en her en der bebossing. Noordelijk van het plangebied ligt de golfbaan Welderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0001.png"  
Afbeelding 1.1: ligging plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

Op beide planlocaties is op dit moment het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013, van toepassing. Figuur 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan. In het plangebied geldt de bestemming 'Sport' met de functieaanduiding 'manege'. De gronden zijn bestemd voor onder andere buitensportvoorzieningen, sportvelden en een manege. Er is één bouwvlak opgenomen binnen het plangebied, rondom de bestaande hoofdbebouwing en de bedrijfswoning. Ter plaatse van de bedrijfswoning is de funtieaanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen.

Verder gelden binnen het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' (oostkant van het perceel) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (rest van het perceel).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 1.2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

Binnen de bestemming 'Sport' is de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waaronder het houden en fokken van kangoeroes, niet toegestaan. Verder komt de beoogde nevenfunctie (vergaderruimte en organiseren van workshops) niet voor op de in de bijlage bij de regels opgenomen lijst van toegestane nevenactiviteiten. Tot slot wordt de nieuwe kapschuur voorzien buiten het bouwvlak, terwijl gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak zijn toegestaan. Ook drie bestaande, kleinere gebouwtjes (twee nachtverblijven voor dieren en een bijgebouw met kijkhut) liggen buiten het bouwvlak. Om deze redenen is een herziening van het bestemmingsplan, zowel ruimtelijk als functioneel, noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk- en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied beslaat het perceel Hollanderbroeksestraat 31 te Elst. De begrenzing van het plangebied volgt de kadastrale grens van dit perceel. Het wordt aan de oostkant begrensd door de Hollanderbroeksestraat en aan de overige zijden door agrarische percelen. Noordelijk van het plangebied ligt tevens een agrarisch verwant bedrijf en aan de overzijde van de weg een manege en een woning.

Het plangebied zelf is momenteel in gebruik als kangoeroehouderij en -fokkerij. De initiatiefnemer heeft dit perceel, waar voorheen een manege gevestigd was, in december 2014 gekocht, nadat deze op de voormalige bedrijfslocatie noodgedwongen moest vertrekken. Het onderhavige perceel is destijds als meest geschikte nieuwe locatie voor de voortzetting van het houden en fokken van kangoeroes naar voren gekomen. De locatie voldoet aan de vereiste rust, die voor het houden van kangoeroes noodzakelijk is. Het perceel heeft nog de bestemming van de voormalige functie, namelijk een manege.

Op het perceel is het voormalige manegegebouw aan de oostkant van het perceel gesitueerd. Naast dit hoofdgebouw zijn verder achterop het perceel twee kleine nachtverblijven voor de dieren aanwezig, alsmede één bijgebouw, dat onder meer als kijkhut dienst doet. Aan de voorzijde van het perceel is een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken aanwezig. Ook is hier een kleine schuilstal gesitueerd. De overige gronden zijn onbebouwd en ingericht als tuin aan de voorzijde en met weides voor de kangoeroes en emoes aan de achterzijde. De emoes worden hobbymatig gehouden. Op het perceel zijn ook diverse hekwerken aanwezig. Verder wordt het perceel omringd met watergangen.

Afbeelding 2.1 geeft een beeld weer van de huidige situatie, met indicatief de begrenzing van het plangebied aangegeven. In afbeelding 2.2 is de huidige bebouwing weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 2.1: huidige situatie en indicatieve begrenzing plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 2.2: huidige bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning (bron: VDW Ruimtelijk Advies)
a: voormalige overdekte paardenbak;
b: opslag van hooi/stro;
c: nachtverblijven kangoeroes;
d: voormalige kantine;
e: nachtverblijf schapen;
BW: bedrijfswoning.  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Inleiding
De initiatiefnemer wil het bestaande gebruik als kangoeroehouderij en -fokkerij voortzetten en legaliseren door de bestemming te wijzigen van 'Sport' (manege) naar 'Agrarisch'. Binnen de bestemming worden uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan. Een intensieve veehouderij is niet toegestaan. De bedrijfswoning wordt behouden. Binnen de bestemming wordt een nevenfunctie in de vorm van een gebruik voor het houden van workshops en voor vergaderingen toegestaan. Deze zal in de bestaande bebouwing plaatsvinden.

Beschrijving activiteiten
De beoogde hoofdfunctie betreft geen 'standaard' dierenhouderij en -fokkerij, maar is daarnaast een educatief en onderzoekscentrum voor kangoeroes. De buideldieren (de placentaloze zoogdieren) waartoe de kangoeroes behoren, behoren tot de meest bijzondere zoogdieren op aarde en leven van oosprong in Australië. Een groot aantal van deze soorten wordt in Australië met uitsterven bedreigd. Maar ook in verreweg de meeste dierentuinen binnen Europa zijn de reuzenkangoeroes en andere zeldzame soorten al verdwenen. Nagenoeg al die soorten die buiten Australië voorkomen zijn in dit educatie- en onderzoekscentrum aanwezig, wat dit een unieke plek en functie maakt. Naast de kangoeroes zijn er ook een aantal specifieke Australische vogels te zien als mede kenmerkende Australische bomen en planten. De niet-winterharde planten worden ondergebracht in een binnentuin, de voormalige binnenbak van de manege. Voor de dieren zijn er zowel binnen- als buitenverblijven.

Als ‘nevenactiviteit’ wil men graag in een kleinschalige vorm belangstellenden in kleine groepjes rondleiden. De dieren (kangoeroes) vragen veel rust en geborgenheid. In deze formule geeft het de kans om de dieren in hun natuurlijke gedragsvorm van dichtbij te bewonderen en tevens de mogelijkheid om een kijkje achter de schermen te nemen.

Middels een educatieve presentatie over de ontdekking, herkomst en de specifieke en fascinerende soorteigenschappen van deze dieren wordt er aansluitend een wandeling door de tuinen en dierverblijven zowel binnen als buiten mogelijk gemaakt.

Bebouwing
Ten noorden van het bestaande hoofdgebouw wordt een vrijstaande kapschuur gerealiseerd, zie afbeelding 3.1, waarop de toekomstige inrichting te zien is. Deze zal dienen als opslagruimte voor materieel, machines en voer. In verband met brandveiligheidseisen moet deze als vrijstaand gebouw gerealiseerd en kan voor de opslag van hooi/stro geen gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. De voorgevel van het gebouw komt op gelijke hoogte met die van het hoofdgebouw. Het gebouw heeft de uitstraling van een bijgebouw. Aan de zuidwestkant van het hoofdgebouw wordt de bestaande aanbouw beperkt vergroot. Dit maakt het mogelijk om de betreffende bebouwing efficiënter te gebruiken. Ook dit gebouw zal voornamelijk voor opslagdoeleinden worden gebruikt. Tevens heeft het een afschermende werking ten opzichte van de (al bestaande) weide voor de kangoeroes. Deze weide ligt aan de achterzijde van de bedrijfsgebouwen. Een gedeelte van de weide zal met een net worden overspannen (volière). Het achterste deel van het perceel is eveneens als weide ingericht, met een meer natuurlijk karakter. Hier worden hobbymatig emoes gehouden. De twee bestaande schuilgelegenheden/nachtverblijven voor deze dieren worden behouden, evenals de schuilstal op het voorerf. Tussen de weides is een klein bijgebouw aanwezig, dat als uitkijkpunt fungeert. Ook dit wordt gehandhaafd.

Landschap
Mede ter compensatie van de legalisatie en relatief beperkte toename van bebouwing, worden het perceel en de bebouwing landschappelijk ingepast. Afbeelding 3.1 geeft deze landschappelijke inpassing weer. De inpassing is voornamelijk gericht op een robuuste groene inpassing aan de randen van het perceel. Enerzijds heeft deze een afschermende werking door de bebouwing op het terrein deels uit het zicht te houden en anderzijds creëert deze een rustig verblijf voor de kangoeroes op het perceel. De landschappelijke inpassing markeert ook een onderscheid tussen de tuin bij de bedrijfswoning en de rest van het perceel. Het groene aanzicht vanaf de Hollanderbroeksestraat wordt behouden. Voor een uitvoerigere beschrijving van en toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0005.png"  
Afbeelding 3.1: toekomstige situatie inclusief landschappelijke inpassing (bron: Oostzee)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking getreden is, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro.

Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.

Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en omvat een ontwikkeling van lokaal belang, omdat dit uitsluitend ziet op de omschakeling van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, met een beperkte uitbreiding van de bebouwing behorende bij het agrarisch bedrijf. Er zijn geen nationale belangen, zoals beschreven in de NOVI, in het geding. Het plan is niet in strijd met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.


Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Het bestemmingsplan wijzigt de de bestaande Sportbestemming (manege) naar een Agrarische bedrijfsbestemming. De toekomstige functie is niet aan te merken als een stedelijke functie. Gezien de aard van het toekomstige gebruik is er dus geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. Gezien de aard en omvang van het initiatief, is dit bestemmingsplan niet in strijd met de provinciale ambities in de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van maart 2022.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Regels veehouderijen
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming in het plangebied van een manege (Sportbestemming) naar een veehouderij (fokken en houden van kangoeroes). In 2020 is hierover contact geweest met de provincie, die heeft aangegeven dat kangoeroes formeel worden gezien als 'landbouwhuisdieren' volgens de milieuregelgeving. De (planologisch) nieuwe functie is dan ook te beschouwen als een veehouderij op basis van de verordening.

Een kleinschalige kangoeroehouderij, waarvan in dit geval sprake is, wordt door de provincie niet als groot agrarisch bedrijf beschouwd. Er is en blijft sprake van een kleinschalige kangoeroehouderij, omdat er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn voor nieuwe bebouwing of buitenverblijven. De bebouwingsmogelijkheden voor gebouwen zijn met bouwvlakken beperkt. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast, afgestemd op de concreet beoogde inrichting en omvang van de kangoeroehouderij (zie daarover nader Hoofdstuk 3 en par. 4.3). Hierdoor is het behoud van de kleinschalige omvang verzekerd. Aanvullend is hierbij van belang dat ondergeschikte nevenactiviteiten van gelimiteerde omvang zijn toegestaan, die de kleinschalige voortzetting ook in financieel opzicht mogelijk maken.

In planologisch opzicht is er daarom sprake van nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Artikel 2.28 van de verordening stelt regels aan nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het plangebied ligt binnen een agrarisch gebied, waar dit onder de volgende voorwaarden mogelijk is:
1. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de nieuwvestiging een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en dat hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel bedrijfseconomisch niet mogelijk is, of een bestaand veehouderijbedrijf moet worden verplaatst op initiatief van de overheid ten behoeve van het realiseren van ruimtelijke doelen van algemeen maatschappelijk belangen.

Dit bestemmingsplan voorziet in een wijziging van de bestemming van een manege naar een kangoeroehouderij en -fokkerij. Het plangebied is hiervoor in feitelijke zin al een aantal jaren in gebruik. De initiatiefnemer heeft dit perceel, waar voorheen een manege gevestigd was, in december 2014 gekocht, nadat deze op de voormalige bedrijfslocatie noodgedwongen moest vertrekken. Het onderhavige perceel is op het moment dat het bedrijf noodgedwongen moest verplaatsen als meest geschikte nieuwe locatie voor de voortzetting van het houden en fokken van kangoeroes naar voren gekomen. Het betreft hier een specifieke vorm van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, waarvoor niet elke agrarische bedrijfslocatie geschikt is. Er moet met name voldoende rust zijn en ook zowel voldoende buiten- als binnenruimte. De onderhavige locatie voldoet aan de vereiste rust, die voor het houden van kangoeroes noodzakelijk is. Daarnaast is de reeds bestaande bebouwing van de voormalige manege geschikt voor deze vorm van agrarische bedrijfsvoering. De bestaande bebouwing en het bestaande bouwperceel kunnen hierdoor efficiënt worden gebruikt voor een nieuwe functie, die naar haar aard en milieu-effecten in het verlengde van de voorgaande functie als manege ligt. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een overwegend agrarisch gebied met daarnaast ook enkele andere functies. De beoogde grondgebonden agrarische bedrijfsfunctie past functioneel in deze omgeving. Er wordt ook voldoende afstand tot omliggende woningen gehouden (zie daarover nader paragraaf 5.4).

Samenvattend past de beoogde herbestemming binnen de functionele structuur van de omgeving en is de nieuwe bestemming passend op deze locatie. Anderzijds is de locatie zeer geschikt voor de beoogde specifieke vorm van agrarische bedrijfsvoering.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
Hiervan is sprake. De landschappelijke inpassing wordt nader toegelicht in paragraaf 4.3. Tijdige realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is in de planregels geborgd.

Regels water en milieu
Het plangebied ligt binnen een intrekgebied en gedeeltelijk binnen een boringsvrije zone op basis van de kaarten behorend bij de omgevingsverordening. In deze gebieden geldt een aantal restricties ter bescherming van de kwaliteit van de drinkwatervoorziening. Het direct of indirect onttrekken van warmte en/of grondwater uit de bodem is binnen de boringsvrije zone niet toegestaan. In het intrekgebied geldt een verbod op winning van fossiele energie. In dit bestemmingsplan zijn deze verboden gerbuiksvormen niet aan de orde en worden deze ook niet toegestaan.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Het plangebied ligt in het buitengebied van Overbetuwe. De gemeente wil het buitengebied vitaal houden, onder andere door meer te differentiëren. Daarom zijn er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied ligt binnen een agrarische zone aan de rand van een oeverwal (zie ook hierna onder 'Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)'). In de agrarische zones wordt ruimte geboden aan agrarische ontwikkelingen: versterking van de agrarische bedrijfsfunctie als hoofdgebruik is hier het doel. Omdat dit bestemmingsplan een wijziging van een manege naar een grondgebonden veehouderij (inclusief nevenfunctie) mogelijk maakt, draagt de ontwikkeling bij aan deze doelstelling. Deze wijziging past dan ook binnen de ontwikkelingsrichting van de Omgevingsvisie.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling betreft het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Doorwerking en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een transformatie van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk. Op een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het LOP van toepassing. Het plangebied ligt aan de rand van deelgebied 9: de oeverwal Valburg-Homoet. In dit gebied speelt de landbouw een grote rol, maar het gebied vormt ook een cultuurhistorisch waardevol gebied met een belangrijk landschap binnen de gemeente. De visie op dit gebied is dan ook behoudend en gaat uit van versterking van de genoemde waarden. In het deelgebied is een zonering van functies wenselijk: de juiste functie in de juiste zone.

Het LOP stelt de volgende voor dit initiatief relevante gebiedsspecifieke doelstellingen:

  • Zichtlijnen tussen oeverwal en kom behouden;
  • Behouden en versterken van bestaande landschap: contrast tussen oeverwal en aangrenzend open komgebied;
  • Stimuleren aanleg erfbeplanting. Dit draagt bij aan de herkenbaarheid van de oeverwal in het landschap en vormt een voorwaarde bij agrarische ontwikkelingen in het gebied;
  • Aanplant hoogstamfruitbomen.

Uit de gebiedsvisie voor deze oeverwal blijkt dat een goede landschappelijke inpassing een randvoorwaarde is bij agrarische ontwikkelingen, zoals de onderhavige wijziging. De kenmerken van de oeverwal en de gebiedsspecifieke opgaven uit het LOP zijn daarom als uitgangpunt genomen bij de toekomstige erfinrichting. Deze is uitgewerkt in het in Bijlage 1 opgenomen inrichtings- en beplantingsplan. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van het inrichtingsplan opgenomen. Daarbij worden de volgende inpassing- en inrichtingsmaatregelen gerealiseerd dan wel behouden:

  • Behoud van bestaande boerderij (bedrijfswoning), die herkenbaar op een terp ligt.
  • Landschappelijk inpassen van de kijkhut achter de hoofdbebouwing en volière door middel van streekeigen hoogopgaande beplanting.
  • Twee bestaande kleinschalige nachtverblijven voor dieren in gedekte kleuren handhaven, waardoor deze nauwelijks zichtbaar in het landschap aanwezig zijn.
  • Emoe-weide aan achterkant van het perceel inrichten met bomen, boomgroepen, booschage en kruidenrijk grasland. Tevens aanbrengen van hoogteverschil binnen de weide (o.a. paddenpoel).
  • Gemaaid graspad rondom de dierenverblijven (parkachtige sfeer).
  • Opgaande streekeigen beplanting rondom het perceel aanbrengen en handhaven; gemengde struweelhaag en houtsingel.
  • Bestaande parkeerplaatsen voorzien van halfverharding en knip- en scheerheg.


Met de voorgeschreven inpassings- en inrichtingsmaatregelen ontstaat een goed ingepast erf, waarbij de dierenverblijven zijn afgeschermd ten behoeve van de noodzakelijke rust. De inpassing past bij de landschappelijke kenmerken van de oeverwal. Het wat meer open gedeelte aan de achterzijde (emoe-weide) zorgt voor een geleidelijke overgang richting het open komgebied. De beoogde inrichting past met deze maatregelen en inrichting bij de doelstellingen uit het LOP voor de oeverwal. De realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is in de planregels geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 4.1: landschappelijke inpassing plangebied (bron: Oostzee)  

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn', die sinds 16 mei 2017 in werking is, is in dit kader van belang. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een kangoeroehouderij en -fokkerij met nevenactiviteiten. Hierbij worden de bouwmogelijkheden beperkt verruimd. Deze bestemmingswijzing omvat geen activiteiten die voorkomen op de lijsten C of D van het Besluit m.e.r. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit in dit plan.

Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.


De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De gemeente heeft een beleidsnota voor het toepassen van hogere waarden opgesteld.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een kangoeroehouderij en -fokkerij met nevenactiviteiten. Zowel in de huidige als in de toekomstige bestemming is er een geluidsgevoelig object aanwezig in de vorm van één bedrijfswoning. De bedrijfswoning wordt niet uitgebreid of verplaatst. Voor het overige is er geen sprake van geluidsgevoelige functies. In akoestisch opzicht verandert er dus niets. De Wgh vereist in dit geval geen akoestisch onderzoek.

Conclusie
Het thema akoestiek vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2µg/m3).


Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een kangoeroehouderij en -fokkerij met nevenactiviteiten. Hierbij blijft de bestaande bedrijfswoning behouden. Zoals in paragraaf 5.13 wordt toegelicht, levert de bestemmingswijziging geen toename van het verwachte aantal verkeersbewegingen op. Vanwege de aard van de wijziging, leidt het plan per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek ten aanzien van de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakeijk.

Conclusie
De wijziging leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. Nader onderzoek is niet nodig.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een kangoeroehouderij en -fokkerij met nevenactiviteiten. Hierbij blijft de bestaande bedrijfswoning behouden. Deze wijziging is in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering relevant.

De huidige bestemming als manege wordt geschaard onder milieucategorie 3.1. Hierbij behoort een richtafstand van ten minste 50 meter ten opzichte van gevoelige functies, uitgaande van het gebiedstype 'rustig buitengebied'. In het gebiedstype 'gemengd gebied' bedraagt de richtafstand 30 meter. In de toekomstige situatie is er sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf, dat eveneens tot milieucategorie 3.1 kan worden gerekend. De milieucategorie wijzigt dus niet, maar de aard van de activiteiten wel. In het kader van het woon- en leefklimaat is daarom een nadere beschouwing van de wijziging noodzakelijk.

Gewaarborgd moet zijn dat er geen belemmeringen over en weer tussen de omliggende gevoelige functies (enkele (bedrijfs)woningen) en de nieuwe milieubelastende functie (grondgebonden agrarisch bedrijf) ontstaan. Richtafstanden worden gemeten tussen de rand van de bestemming van een milieubelastende functie enerzijds en de gevels van gevoelige objecten anderzijds. De afstand van het plangebied tot de bedrijfswoning Hollanderbroeksestraat 28 bedraagt ruim 10 meter en de afstand tot de woning Hollanderbroeksestraat 26 circa 25 meter. Beide woningen liggen daarmee binnen de richtafstand tot zowel de huidige als de toekomstige bestemming.

De bedrijfsvoering voor het houden en fokken van kangoeroes vindt voornamelijk plaats binnen de bestaande bebouwing. Er komt één nieuw bedrijfsgebouw ten noorden van de bestaande bebouwing, dat zal worden gebruikt voor de opslag van hooi. De dierenverblijven komen geheel in de bestaande bebouwing. De bestaande bebouwing ligt op meer dan 50 meter afstand van omliggende functies, zoals op afbeelding 5.1 is weergegeven. Deze voldoen daarmee aan de richtafstand van 50 meter binnen het gebiedstype 'rustig buitengebied'. Het gedeelte van het perceel aan de oostzijde van de bestaande bebouwing blijft in gebruik als weide. Hier is ook geen bouwvlak opgenomen in het bestemmingsplan, waardoor het houden van dieren hier ook is uitgesloten. Voor een weide gelden geen afstandsnormen tot gevoelige objecten (woningen). Verder is in de planregels uitgesloten dat ter plaatse van de bedrijfswoning dieren mogen worden gehouden.

Hierdoor wordt er voldoende afstand aangehouden tussen gevoelige objecten (woningen) en het bedrijf. Als gevolg van de toekomstige bedrijfsactiviteiten zal geen onaanvaardbare hinder voor omliggende woningen ontstaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0007.png"  
Figuur 5.1: 50-metercontour rondom bestaande bebouwing (bron: VDW Ruimtelijk Advies)  


Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert, met de in het plan opgenomen juridisch-planologische borging, geen belemmeringen voor de wijziging op. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende (bedrijfs)woningen is gegarandeerd.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, waar kangeroes worden gefokt en gehouden. Op dit bedrijf is de Wgv van toepassing. Voor kangoeroes is in de Regeling geurhinder en veehouderij geen emissiefactor vastgesteld. Dit betekent dat de vaste afstanden uit de Wgv vantoepassing zijn: de afstand van dierenverblijven tot geurgevoelige objecten in de omgeving moet minimaal 50 meter bedragen. Zoals in afbeelding 5.1 in de voorgaande paragraaf te zien is, wordt aan deze vaste afstand voldaan. Er wordt voldaan aan de eisen uit de Wgv. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende geborgd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Er wordt voldaan aan de Wgv. De vaste afstand van 50 meter is van toepassing. Er liggen geen geurgevoelige objecten binnen deze afstand in de toekomstige situatie. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de wijziging.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen en andere gevoelige functies op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, waar kangeroes worden gefokt en gehouden. De bestaande bedrijfswoning wordt gehandhaafd. De toekomstige functie is niet aan te merken als een gevoelige functie. De nieuwe bebouwing wordt niet voor functies gebruikt waarbij er sprake is van een voortdurend verblijf. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een bodemonderzoek uit te voeren.

Conclusie
Het aspect 'bodem' zorgt niet voor belemmeringen.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het bestemmingsplan voorziet in een passende bestemming voor het huidige agrarische bedrijf (houden en fokken van kangoeroes) en een kleinschalige nevenactiviteit voor een deel van de bestaande bebouwing voor workshops en vergaderingen. Daarnaast komt er een nieuwe kapschuur voor opslag, materiaal, machines en voer. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 5.1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0376BUIThlndrbrk31-VSG1_0008.png"  
Afbeelding 5.1: uitsnede provinciale risicokaart (raadpleging op 2 december 2022), met het plangebied in zwarte cirkel (bron: Omgevingsdienst Regio Arnhem)  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Het plangebied ligt op ca. 3.800 meter ten oosten van de snelweg A50 en op ca. 1.800 meter ten westen van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen. Over deze twee transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze twee risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van beide risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en beide risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een twee externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 8 december 2022 (kenmerk: 2022-007718). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.

Het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan:

  • Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans daarop is klein. Het plan leidt tot een beperkt toename van het aantal aanwezigen (met name overdag) die zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd;
  • VGGM adviseert: toekomstige bewoners te infomeren over risicocommunicatie en het treffen van technische bouwkundige maatregelen (bijvoorbeeld centraal afsluitbare ventilatie voor het scenario toxische wolk).

Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is plangebied te ontvluchten via de Hollanderbroeksestraat. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van beide risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A50 en de spoorlijn Arnhem - Nijmegen. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat ook in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van beplanting, kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Er wordt een nieuw gebouw mogelijk gemaakt, evenals een beperkte uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast. Voor een deel van deze werkzaamheden moet rekening worden gehouden met eventuele aanwezigheid van NGE's. De huidige bebouwing dateert uit de jaren '70 van de vorige eeuw en is ruim na de Tweede Wereldoorlog opgericht. Ook is het terrein rondom de bebouwing deels verhard en in de afgelopen decennia heringericht. De kans op aanwezigheid van NGE's is op voorhand daarom klein. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden, zal verder inzichtelijk moeten worden gemaakt of in het betreffende gebied nog risico's op het aantreffen van NGE's aanwezig zijn. Eventueel dient nader onderzoek plaats te vinden. Het omgaan met de aanwezigheid van eventuele NGE's vormt een uitvoeringsaspect en staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg. In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is nader onderzoek niet nodig.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.


Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:

  • Dagelijks beheer van water en dijken;
  • Beschermen tegen overstromingen;
  • Water eerlijk verdelen;
  • Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);
  • Werken aan schoon water;
  • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur.

Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Hemelwater en vuilwater
In de huidige situatie is in het plangebied de nodige bebouwing en verharding aanwezig. De bestaande bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning hebben een gezamenlijke oppervlakte van ruim 2.700 m². Daarnaast zijn er op het achterste perceelsgedeelte nog drie kleinere gebouwtjes aanwezig (nachtverblijven voor dieren en een kijkhut).

In de toekomstige situatie wordt alle bestaande bebouwing behouden. Daarnaast wordt het bestaande bedrijfsgebouw beperkt uitgebreid en wordt er één nieuwe schuur gerealiseerd. Voor het overige wordt geen nieuw verhard oppervlak voorzien. Er zal per saldo sprake zijn van een beperkte toename van verhard oppervlak, welke ruim onder de compensatiedrempel blijft.

Hemelwater zal bij de nieuwbouw gescheiden van vuilwater moeten worden afgevoerd om hydrologisch neutraal te ontwikkelen.

Oppervlaktewater
Het plan voorziet niet in het verwijderen of wijzigen van oppervlaktewateren. Aan de randen van het perceel zijn enkele watergangen met een beschermde status volgens de legger van het waterschap aanwezig. Het gaat om B-watergangen aan de westelijke en oostelijke perceelsgrenzen en een C-watergang aan een deel van de zuidelijke perceelsgrens. Deze watergangen blijven zoals gezegd intact. Er worden ook geen nieuwe duikers of overbruggingen voorzien. De poelen in de emoeweide aan de achterkant van het perceel betreffen solitaire wateren, die niet in verbinding staan met de beschermde watergangen. Er zijn geen watervergunningplichtige werkzaamheden aan de orde in het kader van dit plan.

Het plan heeft geen negatieve effecten op oppervlaktewateren.

Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.

Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, leidt tot een geringe toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Hierop is geen compensatieplicht van toepassing. De ontwikkeling kan hydrologisch worden uitgevoerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten.

Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.


Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een manege naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hierbij wordt een bestaand bedrijfsgebouw uitgebreid en wordt één nieuwe vrijstaande schuur opgericht. De locatie wordt tevens landschappelijk ingepast.

Gezien de aard van de wijziging, de geringe ingrepen en het huidige gebruik, kunnen negatieve effecten op beschermde soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden is de algemene zorgplicht van toepassing.

Het plangebied ligt op ongeveer 3,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden. Het meest nabij gelegen Natura-2000 gebied is 'Rijntakken'. Gezien de hiervoor beschreven beperkte wijzigingen en ingrepen, die met het plan aan de orde zijn, in relatie tot de afstand tot het Natura 2000-gebied, kunnen significant negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat er geen toename van het te verwachten aantal verkeersbewegingen aan de orde is (zie paragraaf 5.13).

Circa 160 meter ten westen van het plangebied ligt een bosperceel dat tot het Gelders Natuur Netwerk behoort. De invloedssfeer van de voorgenomen ingrepen en activiteiten is lokaal. Deze hebben geen negatief effect op het GNN.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde soorten en natuurgebieden zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Een nadere onderzoeksplicht of een vergunningplicht is niet aan de orde. Bij uitvoering van de werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
Cultuurhistorie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen bijzondere, als zodanig aangewezen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden of elementen aanwezig. Het oeverwallenlandschap, waartoe het plangebied behoort, heeft wel bepaalde landschappelijke kenmerken en waarden. Deze zijn in de gemeentelijke beleidskaders beschreven en beschermd (Omgevingsvisie Overbetuwe 2040, Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe). Hiermee is bij de planontwikkeling rekening gehouden. In paragraaf 4.3 is dit nader beschreven en gemotiveerd. De bebouwing in het plangebied bevat geen monumenten.

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

Archeologie
In het plangebied geldt op basis van de archeologische beleidskaart en het huidige bestemmingsplan deels een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde ('Waarde - Archeologische verwachting 1') en deels een middelhoge archeologische verwachtingswaarde ('Waarde - Archeologische verwachting 3'). De nieuwe schuur wordt gerealiseerd ter plaatse van de eerstgenoemde bestemming en de uitbreiding van de bestaande bebouwing ter plaatse van de laatstgenoemde bestemming. Voor de realisatie van de nieuwe schuur is een archeologisch onderzoek benodigd, omdat de drempelwaarde (50 m² oppervlak met een verstoringsdiepte van 0,30 meter onder maaiveld) wordt overschreden. De archeologische dubbelbestemmingen worden gehandhaafd in dit bestemmingsplan. Hiermee is gewaarborgd dat indien noodzakelijk archeologisch onderzoek wordt verricht, voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend, of er andere grondwerkzaamheden die de drempelwaarden overschrijden, worden uitgevoerd. Dit onderzoek zal in de omgevingsvergunningfase worden uitgevoerd.

Conclusie
Het plan levert geen aantasting van cultuurhistorische waarden op. Verder worden de geldende archeologische dubbelbestemmingen gehandhaafd. Hiermee is bescherming van eventuele archeologische waarden en het tijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek gewaarborgd. Voor de realisatie van de nieuwe schuur zal een (verkennend) archeologisch onderzoek nodig zijn.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Het plangebied ligt in het buitengebied. De toekomstige hoofdfunctie (grondgebonden agrarisch bedrijf) is niet opgenomen in de Nota en evenmin in de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatienr. 381, maart 2019). Hiervoor zullen in de praktijk enkele parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de bedrijfswoning zijn 2,8 parkeerplaatsen nodig volgens de Nota. Verder zullen voor de nevenfunctie (vergaderfunctie en het houden van workhops en rondleidingen) enkele parkeerplaatsen benodigd zijn.

In de toekomstige inrichting zijn twee half verharde parkeerterreinen aanwezig: één aan de voorzijde van de bedrijfsbebouwing (minimaal 6 parkeerplaatsen) en één achter de bedrijfswoning, naast de uit te breiden bedrijfsbebouwing (minimaal 5 parkeerplaatsen). Daarmee is er naar verwachting ruimschoots voldoende parkeerruimte op eigen terrein beschikbaar. Bovendien is op beide terreinen ook ruimte vooor grotere voertuigen om te parkeren en te manoeuvreren.

Het aspect parkeren vormt zodoende geen belemmering voor het plan.

Verkeer
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381 (maart 2019). In deze publicatie zijn kencijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie van autoverkeer voor verschillende typen functies. De verkeersgeneratie voor één (bedrijfs)woning is, uitgaande van het gebied 'buitengebied', 'weinig stedelijk' en met toepassing van de gemiddelde normen 8,2 mvt/etmaal. Dit aantal wijzigt niet, omdat de bestaande bedrijfswoning behouden wordt.

De verkeersgeneratie voor een manage is 4 verkeersbewegingen per etmaal per (bezette) box. Voor de toekomstige hoofdfunctie van een grondgebonden agrarisch bedrijf zijn geen kencijfers beschikbaar. In de praktijk kent deze functie een betrekkelijk beperkte verkeersaantrekkende werking. Deze zal minder zijn dan bij een manage met diverse bezette paardenboxen. Voor de beoogde nevenfuncties zal er eveneens sprake zijn van enige verkeersbewegingen, maar door de beperkte omvang van deze functie kan redelijkerwijs worden verondersteld dat ook dit aantal beperkt is. Per saldo is er ten opzichte van de huidige bestemming als manege een afname van het aantal verkeersbewegingen te verwachten.

De bestaande ontsluitingen van het plangebied op de Hollanderbroeksestraat worden gehandhaafd. Hiermee worden de beide parkeerterreinen ontsloten. De verkeersafwikkeling wijzigt niet. Omdat de verkeersgeneratie naar verwachting ten minste niet toeneemt, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt niet op bezwaren stuit.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Hollanderbroeksestraat 31, Elst' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De planregels bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding is slechts één enkelbestemming opgenomen: 'Agrarisch'. Er zijn enkele bouwvlakken, gebieds- en functieaanduidingen binnen deze bestemming opgenomen. Ook zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de planregels van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', omdat het grotendeels de bedoeling is om bestaande bouw- en gebruiksmogleijkheden te handhaven.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Het plangebied is geheel bestemd als 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan, alsmede het fokken en houden van kangoeroes. Voor dit laatste gebruik is een specifieke functieaanduiding opgenomen op de verbeelding. Al dan niet hobbymatig agrarisch grondgebruik en bijbehorende functies en voorzieningen, zoals water, groen, tuinen en erven zijn eveneens toegestaan binnen de bestemming. Op de locatie is één bedrijfswoning toegestaan. Deze is op de verbeelding aangeduid als 'bedrijfswoning'. Binnen deze aanduiding zijn geen agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan. Verder zijn binnen de bestemming nevenactiviteiten toegestaan (in de vorm van vergaderzalen en/of het geven van workshops en rondleidingen).

Uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken mogen gebouwen worden gebouwd, waarbij de bedrijfswoning zoals aangegeven alleen binnen het specifiek aangegeven vlak mag worden gebouwd. Bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. De bouwvlakken zijn gebaseerd op de gewenste situatie conform het inrichtingsplan en rondom de bestaande bebouwing. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn binnen de gehele bestemming toegestaan. Verder is een specifieke regeling voor bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning opgenomen.

In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassingsmaatregelen (zie daarover paragraaf 4.3). Deze verplichting geldt bij voortzetting van het bestaande (te legaliseren) gebruik en bij aanvang van een nieuw (agrarisch) gebruik conform de bestemming. De termijn voor het realiseren van deze inpassing is één jaar.

Waarde - Archeologische verwachting 1 en Waarde - Archeologische verwachting 3
Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn in het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 3' gehandhaafd, zie ook paragraaf 5.12. Ter plaatse geldt een zeer hoge, respectievelijk middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De bestemmingen bevatten een onderzoeks- en omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bouw- en andere grondwerkzaamheden met een diepte van ten minste 0,30 meter en een oppervlakte van minimaal 50 respectievelijk 1.000 m². Met deze dubbelbestemmingen is het uitvoeren van onderzoek voorafgaande aan eventuele (bouw)werkzaamheden geborgd.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene aanduidingssregels
In het plangebied is de gebiedsaanduiding 'overige zone - waardevol landschap' opgenomen. Deze gebiedaaanduiding stelt nadere voorwaarden aan het toepassen van in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, met het oog op de borging van de landschappelijke waarden.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Overige regels
In dit artikel is een regeling voor het parkeren opgenomen. Deze regel vormt een toetsingsgrond in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen. Er moet worden aangetoond dat op eigen terrein voldoende parkeervoorzieningen worden getroffen. Hierbij zijn de normen van de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 van toepassing.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal plaatsvindt. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet niet in een nieuw bouwplan. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Tevens is een planschadeovereenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer.

De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, vanwege de aard en kleinschalige omvang van het plan, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd. Daarnaast heeft voortijdig overleg plaatsgevonden met de provincie.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Het plan is vervolgens op 20 februari 2024 vastgesteld door de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.